[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2024-1232":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2024-1232":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"940","ECLI:NL:GHARL:2024:1232","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2024-02-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 20 februari 2024\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr. D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz Benelux N.V.,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 maart 2023 heeft op 1 februari 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.1.2. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling heeft [appellant] bij akte nog een productie (productie 55) in het geding gebracht.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] is in 2004, als fietser, gewond geraakt bij een ongeval dat is veroorzaakt door een bij (de rechtsvoorganger van) Allianz verzekerde bromfietser. Partijen verschillen van mening over de vraag of Allianz de schade van [appellant] al heeft vergoed dan wel [appellant] nog schadevergoeding verschuldigd is.\n\n2.2. \n [appellant] heeft, voor zover van belang, bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de door [appellant] geleden en nog te lijden schade geschat kan worden op een bedrag van € 1.000.000,- en Allianz veroordeelt om dit bedrag aan hem te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en te verminderen met het al betaalde voorschot van € 59.141,47.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4 Het hof kan nog geen eindbeslissing nemen. Daarvoor is een onderzoek door een deskundige nodig. Het hof zal al wel wat knopen doorhakken. Die komen erop neer dat het hof op onderdelen anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal dat hierna uitleggen. 3. Vermeerdering van eis3.1 [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu ook betaling van € 191.283,13 aan buitengerechtelijke kosten en € 14.555,54 aan kosten van vóór 29 juli 2008 verleende rechtsbijstand en € 682,84 aan reiskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2 Allianz heeft zich niet tegen de vermeerdering van eis verzet. Het hof ziet ook geen reden om de vermeerdering van eis ambtshalve buiten beschouwing te laten en zal dan ook beslissen op de vermeerderde eis.\n\n4. De relevante feiten\n\n4.1. \n [appellant] (geboren [in] 1969) is op 21 januari 2004 als fietser aangereden door een bij London Verzekeringen, de rechtsvoorgangster van Allianz, conform de WAM verzekerde bromfietser. Hij heeft ten gevolge van dit ongeval letsel opgelopen, bestaande uit een fractuur van het bovenste deel van het scheenbeen (tibeaplateaufractuur) en een knie- en enkelfractuur. Na het ongeval is [appellant] enkele weken in het ziekenhuis opgenomen geweest, waarna hij heeft gerevalideerd. [appellant] is geopereerd waarbij in het scheenbeen en in de enkel plaatmateriaal (osteosynthesemateriaal) is geplaatst. Dat materiaal is in 2005 verwijderd uit het scheenbeen en in 2012 uit de enkel. In 2010 werd de rechterknie van [appellant] geïnjecteerd.\n\n4.2. \n\n [appellant] is vanuit Irak gevlucht en verbleef ten tijde van het ongeval ruim vijf jaren in Nederland. In 2002 heeft hij een verblijfsvergunning gekregen. Hij heeft toen een woning toegewezen gekregen en ontving een WWB-uitkering. In de periode van maart 2007 tot\n\nmei 2012 heeft hij geregeld gewerkt. Hij heeft toen, in periodes van werkloosheid, ook een WW-uitkering ontvangen. Vanaf 2012 heeft hij niet meer gewerkt. Hij ontvangt nu een uitkering op basis van de Participatiewet.\n\n4.3. Over de toedracht van en de aansprakelijkheid voor het ongeval bestond tussen partijen een verschil van inzicht. Anders dan de (toenmalige) rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het (toenmalige) hof Arnhem in een arrest van 22 april 2008 het beroep op overmacht verworpen en voor recht verklaard dat (toen nog) London Verzekeringen volledig aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade.\n\n4.4. \n\nOp verzoek van [appellant] heeft de orthopedisch chirurg dr. [naam1] een medische expertise verricht naar het letsel van [appellant] en de gevolgen ervan. In een rapport van\n\n8 september 2010 concludeerde dr. [naam1] dat op zijn vakgebied sprake was van: “1. Status na tibiaplateaufractuur rechts met beginnende degeneratieve veranderingen ter hoogte van het mediale gewrichtscompartiment. Het kraakbeeninterval bedraagt hier 3 mm (normaal 4 mm).2. Bovenbeenatrofie rechts van 2 cm.3. Zonder restverschijnselen genezen enkelfractuur rechts.” Volgens dr. [naam1] is sprake van de volgende restklachten: “betrokkene heeft pijn aan de voorzijde van de rechterknie en in mindere mate aan de binnenzijde van de rechterenkel. De pijn in de rechterknie neemt toe na een halfuur lopen, na een halfuur staan, bij traplopen, bij hurken, knielen, tillen van gewichten van 15 kg of meer en bij duwen en trekken.”Volgens dr. [naam1] bestonden deze klachten niet voor het ongeval en zouden deze niet zijn ontstaan als [appellant] het ongeval niet was overkomen. Er is volgens dr. [naam1] bij [appellant] sprake van functionele invaliditeit van de rechter onderste extremiteit van 12%, voor de gehele mens is dat 5%. Met betrekking tot de rechterknie is volgens dr. [naam1] nog geen sprake van een eindtoestand. De degeneratieve veranderingen van de rechterknie zullen langzaam progressief zijn. Het is nog niet te zeggen wanneer wel sprake zal zijn van een eindtoestand. Een herhaald onderzoek over vijf jaar zal daarover uitsluitsel moeten geven.\n\n4.5. Op 22 december 2011 heeft [appellant] een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. Hij heeft dat verzoek in september 2012 aangevuld. In een beschikking van 5 november 2012 (hersteld op 5 december 2012) heeft die rechtbank overwogen dat veel van de door [appellant] ingestelde verzoeken zich niet lenen voor een beslissing in deelgeschil. Daarvoor zijn ze te complex en liggen de standpunten van partijen te ver uiteen. Gelet op de resterende klachten en beperkingen (zoals die blijken uit het rapport van dr. [naam1] ) acht de rechtbank € 12.000,- wegens immateriële schade passend. Zij veroordeelt London bij wijze van voorschot tot betaling van dit bedrag en tot betaling van € 15.000,- aan kosten voor tolk- en vertaalwerkzaamheden en van € 5.000,- aan externe kosten (medische informatie en rapportages). London Verzekeringen heeft aan deze veroordeling voldaan. Zij heeft op grond van deze veroordeling, vermeerderd met wettelijke rente en € 7.429,65 aan buitengerechtelijke kosten, in totaal € 59.141,47 aan [appellant] betaald.\n\n4.6. \n\nOp 19 oktober 2015 heeft dr. [naam1] een tweede expertiserapport uitgebracht. In dat rapport staat onder meer: “Resterende klachten: betrokkene heeft pijn aan de voorzijde van de rechterknie en in mindere mate aan de binnenzijde van de rechterenkel. De pijn in de rechterknie neemt toe na een halfuur lopen, na een halfuur staan, bij traplopen, bij hurken, knielen, tillen van gewichten van 15 kg of meer en bij duwen en trekken. Na een halfuur krijgt hij tintelingen in de gehele rechtervoet.(…)BESCHOUWING(…)Ten opzichte van de bevindingen van mijn rapport d.d. 8 september 2010 zijn de klachten hetzelfde gebleven, alleen heeft betrokkene daaraan toegevoegd dat hij na een halfuur stilstaan tintelingen in de gehele rechtervoet krijgt. Deze tintelingen kunnen door mij niet worden geobjectiveerd.(…)CONCLUSIES (op mijn vakgebied ten aanzien van de gevolgen van het ongeval d.d. 21 januari 2004):1. Status na in goede asstand geconsolideerde tibiaplateaufractuur rechts2. Posttraumatische degeneratieve veranderingen van het mediale gewrichtscompartiment. Het kraakbeeninterval bedraagt hier 3 mm (normaal 4 mm).\n\n3. Bovenbeenatrofie rechts van 2 cm.3. Daarnaast is er voor wat betreft de rechterknie sprake van een status na een partiële meniscectomie.5. In de anatomische stand geconsolideerde mediale malleolusfractuur rechts met cystevorming in het distale deel van de fibula.(…)In de beantwoording van de vragen verwijst dr. [naam1] voor de klachten van [appellant] naar wat hiervoor is geciteerd na “resterende klachten”. Volgens dr. [naam1] bestonden die klachten niet voor het ongeval en zouden ze zonder het ongeval niet zijn ontstaan. Dr. [naam1] schrijft dat sprake is van een totale functionele invaliditeit van de rechter onderste extremiteit van 14%, dat is 6% voor de gehele mens. [appellant] heeft volgens dr. [naam1] de volgende beperkingen: “Betrokkene is licht beperkt voor staan, lopen, trappenlopen, klimmen, klauteren, knielen, kruipen en hurken.Betrokkene is matig beperkt voor tillen, duwen, trekken en dragen.” Volgens dr. [naam1] is inmiddels wel sprake van een eindtoestand.\n\n4.7. In maart 2016 heeft London Verzekeringen [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Overijssel. Zij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het causaal verband tussen de klachten van [appellant] en het ongeval ontbreekt, althans dat de schade van [appellant] door het ongeval niet meer beloopt dan € 59.141,47, het al door Londen Verzekeringen aan [appellant] betaalde bedrag. [appellant] heeft een reconventionele vordering ingesteld (zie 2.2). In de loop van de procedures zijn drie deskundigenonderzoeken uitgevoerd. Het betreft onderzoeken door respectievelijk de psychiater prof. dr. [naam2] , de verzekeringsgeneeskundige [naam3] en de arbeidsdeskundige [naam4] .\n\n4.8. \n\nProf. [naam2] heeft op 24 september 2018 gerapporteerd. In de beschouwing van zijn rapport schrijft hij: “Betrokkene heeft als gevolg van het hem overkomen ongeval in 2004 lichamelijke klachten gekregen, die bij twee eerdere expertises aandacht hebben gekregen. Ik verwijs daarnaar. Er zijn inmiddels tevens psychische klachten naar voren gekomen, maar ook bij zijn huidige presentatie tijdens dit onderzoek nemen ze een ondergeschikte positie in. Het lijkt er op dat ze pas na 2012 manifest zijn geworden in een vorm die hij zelf relateert aan het ongeval. Dat lijkt verbonden met de omineuze betekenis die hij geeft aan de prognose van zijn lichamelijke klachten. Hoe terecht dat is, kan ik niet beoordelen. De huisarts heeft in 2016 als zijn indruk gegeven dat de spannings- en stemmingsklachten verbonden lijken te zijn met zijn lichamelijke (pijn)klachten betreffende het rechter been. Dat is ook het beeld dat ontstaat bij dit onderzoek. Er zijn zeker aanwijzingen voor klachten die begrepen kunnen worden als passend bij een posttraumatische stress-stoornis (ptss), maar die zijn bescheiden van aard en doen zich niet aanhoudend voor. Betrokkene brengt deze aspecten ook niet spontaan naar voren. Een en ander betekent dat ze niet zodanig aanwezig zijn dat ze een diagnose rechtvaardigen (deze aanduiding lijkt voor het laatst te zijn gebruikt door een maatschappelijk werker in 2012, niet door een psychiater, en vermoedelijk is toen gedacht aan zijn belastende ervaringen in Irak). Daarnaast zijn er matige depressieve kenmerken, vermoedelijk vooral met een reactief karakter dus niet aanhoudend even ernstig. Wat dit betreft komen mijn bevindingen behoorlijk overeen met wat de huidige behandelend psychiater in 2016 berichtte. Deze stelt geen diagnose ptss en dat is ook mijn oordeel. Er zijn hoogstens van tijd tot tijd optredende klachten die in deze richting wijzen. De nageleverde stukken, die pas ingezien konden worden na het onderzoek, geven aanwijzingen dat betrokkene in Irak blootgesteld is geweest aan bedreigende gevangeniservaringen van zodanige aard dat het alleszins denkbaar is dat hij hier nog last van heeft. Hij heeft hier tegenover mij echter niets over verteld, hoewel de betrokken periode wel besproken is. Het is lastig om hier een waardering aan te geven. Hier ligt een potentiële bron van klachten die los staat van het ongeval. Maar ik stel vast dat er tegenstrijdigheden zijn en bovendien betreft dit niet de thematiek van zijn herbelevingsachtige ervaringen tegenwoordig. De huidige (matig) depressieve klachten zijn direct verbonden met de lichamelijke klachten en conditie, zoals betrokkene die ervaart en als gevolg van het ongeval beleeft. De indruk is overigens dat het meer nog de veronderstelde prognose is die hem dwars zit dan de lichamelijke klachten. De stukken, en aansluitend de toelichting door betrokkene, wijzen er op dat hij ook al voorafgaand aan het ongeval depressieve klachten had en daarmee de huisarts bezocht. Hij legt wat deze eerdere klachten betreft een verband met zijn onzekere en belastende omstandigheden als asielzoeker destijds. De stukken wijzen er ook op dat hij naderhand malaiseklachten had die verbonden waren met zijn partnerrelatie. Deze constellatie is lastig te exploreren en daarom wordt volstaan met de globale constatering. Het komt er op neer dat hij al vaker ook onafhankelijk van het ongeval depressieve klachten heeft gehad, maar momenteel lijken de resterende somatische ongevalsgevolgen en vooral de, al dan niet terechte, subjectieve beleving van een moeizame prognose in de vorm van toenemende beperkingen van lichamelijke aard de belangrijkste bron.” In antwoord op de aan hem gestelde vragen verwijst prof. [naam2] voor de anamnese naar een eerder onderdeel van zijn rapport. Hij vat samen: “Er is overwegend sprake van somatische ongevalsgevolgen, die ik niet nader zal waarderen. De beperkingen die betrokkene zelf ervaart vloeien hieruit voort. Ze drukken zijn stemming, maar psychische beperkingen zijn er niet in relevante mate.” Op de vraag naar zijn bevindingen bij psychiatrisch onderzoek antwoord prof. [naam2] : “Secundaire depressieve verschijnselen, in samenhang met resterende ongevalsgevolgen. Tevens enige posttraumatische stresskenmerken.” Als diagnose stelt hij: “Aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken (DSM-5 criteria)”.\n\nDe vraag naar de beperkingen van [appellant] beantwoordt prof. [naam2] als volgt: “Betrokkene zegt primair lichamelijke beperkingen te ervaren en die zal ik niet beoordelen. Op psychisch vlak geeft hij geen beperkingen aan. Hij maakt wel melding van ontmoediging en frustratie, maar brengt die zelf in direct verband met zijn lichamelijke klachten. Mijn waardering is dat er ook in meer objectieve zin geen relevante psychische beperkingen zijn vast te stellen.” Volgens prof. [naam2] is “op pragmatische gronden” verdedigbaar om een eindtoestand aan te nemen. Hij kan een toename van depressieve kernmerken niet uitsluiten wanneer de somatische toestand van [appellant] door [appellant] als verslechterd wordt beleefd. Prof. [naam2] schrijft dat zich ook in de jaren voorafgaand aan het ongeval depressieve klachten hebben voorgedaan, maar dat aannemelijk is dat die klachten van voorbijgaande aard zijn geweest. Hij ziet geen redenen om beperkingen aan te nemen die nog altijd uit die klachten voortvloeien. Aanwijzingen voor klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest wanneer het ongeval wordt weggedacht, zijn er niet volgens prof. [naam2] .\n\n4.9. Verzekeringsgeneeskundige mr. [naam3] heeft op 28 september 2020 gerapporteerd. In het hoofdstuk “beschouwing en conclusie” van zijn rapport schrijft hij onder meer: “Ondergetekende concludeert dat het huidige toestandsbeeld in essentie niet gewijzigd is ten opzichte van het beeld geschetst door expertiserend orthopeed [naam1] in 2010 en 2015 en expertiserend psychiater [naam2] in 2018.Sprekend over de beperkingen is ondergetekende van mening dat patiënt is aangewezen op arbeid\u002Factiviteiten waarbij beperkingen gelden met betrekking tot belasting van de rechter enkel en rechter knie.Er gelden dan ook beperkingen met betrekking tot staan, lopen, traplopen, knielen, kruipen, hurken etc. Lopen i.c.m. staan maximaal 6 uur\u002Fdag.De niet ongeval gerelateerde problematiek in de vorm van hypertensie en een verminderde schildklierwerking vormt geen aanleiding voor beperkingen.Evenals expertiserend psychiater [naam2] is ondergetekende van mening dat op basis van de bevindingen van expertiserend psychiater [naam2] en op basis van de eigen bevindingen er geen aanleiding is om beperkingen met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren van toepassing te achten. (…)Ondergetekende heeft geen aanleiding om beperkingen te kunnen vaststellen die niet ongeval gerelateerd zijn.” [naam3] heeft de beperkingen vastgelegd in een beperkingenlijst.\n\n4.10. \n\nArbeidsdeskundige [naam4] heeft op 26 augustus 2021 zijn rapport uitgebracht. In de paragraaf “Hypothetische arbeidsmogelijkheden zonder ongeval” schrijft Van [naam4] : “Het ongeval weggedacht had betrokkene zich in 2004 en daarna kunnen richten op het vinden van passend werk in 1 van de genoemde richtingen productiewerk, voedselverwerkende industrie, logistiek of schoonmaak. Betrokkene zou aangewezen zijn geweest op werkzaamheden waarvoor geen specifieke diploma-eisen gelden en waar geen bijzondere eisen aan de taalvaardigheid zouden worden gesteld. Een gemeenschappelijk kenmerk van dergelijke werkzaamheden is dat deze een beloning kennen op het niveau van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon en veelal via uitzendbureaus wordt aangeboden, zeker als starter. Dat past bij de wijze waarop betrokkene later bij TNT Post aan het werk is gekomen. Het ongeval weggedacht was dan ook dezelfde route denkbaar geweest, zij het mogelijk enkele jaren eerder. (…)De cao van TNT Post voorziet weliswaar in doorgroeimogelijkheden die in schaal 2 op het loonpeil van 2007 tot trede 12 reikten - daarbij behoorde een fulltime salaris van€ 1.9121,12 bruto per maand - maar daar staat tegenover dat betrokkene in de situatie na ongeval geen vaste arbeidsovereenkomst aangeboden heeft gekregen en geenszins vaststaat dat dit zonder ongeval anders zou zijn geweest. Integendeel; in de logistiek is flexwerken de norm, bijkomend gevolg is dat van financiële doorgroeimogelijkheden in de praktijk niet of nauwelijks sprake is. (…)Naast de concrete mogelijkheid van eerdere indiensttreding bij TNT Post c.q. na beëindiging van de tijdelijke arbeidsovereenkomst na 2 jaar, had betrokkene arbeidsmogelijkheden gehad in soortgelijke logistieke dienstverlening; in productiewerk, bij een naaiatelier, bij een schoonmaakbedrijf et cetera. In het algemeen had hiermee een verdienvermogen van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon kunnen ontstaan. Van significante financiële doorgroeimogelijkheden was mijns inziens geen sprake geweest; enerzijds is sprake van arbeidsmogelijkheden in veelal laagbetaalde banen zoals de schoonmaaksector en bijvoorbeeld de naaiateliers, anderzijds bestaan weliswaar theoretische mogelijkheden om salarisschalen met hogere salaristreden te bereiken, maar gaan die gepaard met hogere kansen op het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten om vaste aanstellingen te vermijden alsmede het bijbehorende werkloosheidsrisico.Goede en kwade kansen afwegend acht ik daarom door de jaren heen een hypothetisch verdienvermogen van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon realistisch.” Volgens [naam4] is geen sprake van concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellant] nog een (niveau verhogende) opleiding was gaan volgen en evenmin om aan te nemen dat hij in staat zou zijn geweest om een opleiding tot lasser of een andere niveau verhogende opleiding te volgen. [appellant] mist daartoe voldoende beheersing van de Nederlandse taal en ook zijn opleidings- en arbeidsverleden in Nederland en Irak biedt die aanknopingspunten niet. In de paragraaf “Hypothetische arbeidsmogelijkheden na ongeval” zet [naam4] uiteen welke werkzaamheden [appellant] heeft verricht. Vervolgens geeft hij aan dat [appellant] vanwege zijn beperkingen niet in staat is om werkzaamheden in de logistiek te verrichten. Dat geldt ook voor beroepen in de industrie en de horeca. [appellant] zou wel werkzaamheden als schoonmaker kunnen verrichten, maar is verder aangewezen op zittend werk, bijvoorbeeld in een naaiatelier. Het verdienvermogen in deze functies is volgens [naam4] vergelijkbaar met het verdienvermogen zonder ongeval, 100% tot 120% van het minimumloon. Verder schrijft Van [naam4] : “Overigens moet worden bedacht dat voor de daadwerkelijke kans op aanvaarding van passend werk niet alleen de aan het ongeval gerelateerde beperkingen van belang zijn, maar ook eventuele andere (ervaren) beperkingen. Voor een theoretische inschatting van de arbeidsmogelijkheden zijn de beperkingen te scheiden in wel en niet aan het ongeval gerelateerd; ten aanzien van de praktische arbeidsmogelijkheden is dat onderscheid niet te maken. (…).Deze observaties overziend lijkt er gaandeweg een groeiende discrepantie te zijn ontstaan tussen de ervaren en de geduide belastbaarheid; inmiddels is het ongeveer 9 jaar geleden dat betrokkene voor het laatst heeft gewerkt. Hierdoor is gaandeweg een steeds grotere kloof tot de arbeidsmarkt ontstaan en is betrokkene het zicht op concrete oplossingen in passend werk kwijtgeraakt. Daarbij vormt inmiddels ook zijn vorderende leeftijd een knelpunt; alhoewel leeftijdsdiscriminatie niet is toegestaan, valt de invloed hiervan in de praktijk niet te ontkennen. Per saldo wordt het arbeidsmarktprofiel van betrokkene gedomineerd door het bestaan van langdurige werkloosheid, vorderende leeftijd, zowel de geduide als de ervaren beperkingen en de beperkte Nederlandse taalbeheersing. In het verlengde daarvan acht ik hem niet voldoende zelfredzaam op het vlak van het zelfstandig zoeken naar geschikte arbeidsmogelijkheden en vacatures, sollicitatieactiviteiten en omliggende communicatie. Voor een scholingstraject is een aanzienlijke, gerichte motivatie vereist, deze heb ik bij\n\nbetrokkene niet kunnen vaststellen. Tenslotte zijn ook na het ongeval de arbeidsmarktfactoren van toepassing zoals beschreven in paragraaf 4.3.2.\n\nAan de pluszijde van zijn profiel noteer ik zijn participatie in vrijwilligerswerk voor de\n\nStichting Vluchtelingenwerk. Hier kan betrokkene zijn talenkennis benutten en bijkomende werknemersvaardigheden ontwikkelen zoals gespreksvoering en computergebruik. Ook biedt het vrijwilligerswerk een doel, zingeving, waardering en structuur. Dat biedt echter geen direct zicht op betaald werk en maakt de dominante kenmerken van het geschetste arbeidsmarktprofiel nog niet anders; eerder acht ik het voortbestaan van het vrijwilligerswerk daarmee voor het welzijn van betrokkene van zelfstandige waarde. Bovendien is het vrijwilligerswerk als gevolg van de ontwikkelingen rondom het coronavirus al langere tijd stil komen te liggen.\n\nZodoende acht ik een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt aanwezig, zodanig dat ik de kansen op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk somber inschat. Ik ben dan ook zeer voorzichtig in het benoemen van mogelijkheden om middels opleiding of begeleiding de kans op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk significant te verhogen. Wanneer ik die kans buiten beschouwing laat, acht ik een re-integratietraject van tenminste 1 jaar vereist; primair gericht op het bemiddelbaar maken en aansluitend op het daadwerkelijk bemiddelen naar passend werk. Vanwege de ingeschatte beperkte zelfredzaamheid zou bij de bemiddeling een beroep op een re-integratiedeskundige met een lokaal\u002Fregionaal netwerk een vereiste zijn. Een mogelijke aanbieder hiervan is Weustink & Partners (…).\n\nOok bij daadwerkelijke inzet van een dergelijk re-integratietraject acht ik de kans van slagen in het licht van de totale beschreven situatie zeer beperkt. Weliswaar stijgt die kans door toedoen van de dan geboden begeleiding, maar waarschijnlijk niet zodanig dat die begeleiding succesvol kan worden genoemd. Illustratief hiervoor is de kans op\n\nsucces in re-integratie tweede spoor, zie het onderzoek van CS Opleidingen (bijlage); de re-integratiekansen bij een nieuwe werkgever worden hierin (veel) lager ingeschat dan bij de eigen werkgever. Daarbij wordt als belangrijkste succesfactor voor re-integratie vooral de motivatie van de werknemer zelf gezien. In relatie tot dit onderzoek moet worden bedacht dat het hier de populatie van werknemers binnen de eerste 2 jaar van ziekte betreft terwijl betrokkene al 9 jaar niet meer heeft gewerkt. Een andere vergelijking kan gemaakt worden met de WIA-populatie, zie bijvoorbeeld (…); hieruit blijkt dat langdurig arbeidsongeschikten amper uitstromen naar werk.Samenvattend acht ik de afstand tot de arbeidsmarkt zodanig groot dat ook bij de\n\neventuele inzet van een re-integratietraject sprake is van zeer beperkte kansen op\n\ndaadwerkelijke werkaanvaarding. Bij een eventuele investering in een\n\nre-integratietraject moet dan ook met een zeer kleine kans van slagen rekening worden\n\ngehouden.” De aan hem gestelde vragen beantwoordt [naam4] als volgt. Volgens [naam4] is [appellant] binnen de door de verzekeringsgeneeskundige beschreven belastbaarheid in staat te achten fulltime passende werkzaamheden te verrichten. Met die werkzaamheden is een inkomen van 100% tot 120% van het minimumloon realiseerbaar. [naam4] acht de kans op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk zeer beperkt. De afstand tot de arbeidsmarkt kan met een re-integratietraject weliswaar worden verkleind, maar de kans op aanvaarding van passend werk neemt daardoor nauwelijks toe. Op vraag 5, wat [appellant] , uitgaande van zijn situatie ten tijde van het ongeval en rekening houdend met een normaal te verwachten carrière in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verdiend, antwoordde [naam4] dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval eveneens 100% tot 120% van het minimumloon zou kunnen verdienen. Maar rekening houdend met de kans op werkloosheid is dit dichter bij 100% dan bij 120% te schatten. Uitgaand van frictiewerkloosheid zou [appellant] volgens [naam4] vanaf 2004 invulling hebben kunnen geven aan deze verdiencapaciteit.\n\nIn reactie op het commentaar van mr. Dolderman, de (toenmalige) advocaat van [appellant] , op het concept-rapport schrijft [naam4] : ”In paragraaf 4.3.1 heb ik de stelling van betrokkene besproken dat hij - het ongeval\n\nweggedacht - na zijn inburgering had willen werken of door had willen leren. Met\n\nbetrekking tot eventuele scholing had betrokkene nog geen vastomlijnd idee in welke\n\nrichting hij dat had willen doen. Vanuit het opleidings- en arbeidsverleden voorafgaand\n\naan het ongeval, heb ik geen aanknopingspunten gevonden om te beargumenteren dat\n\nbetrokkene - het ongeval weggedacht - alsnog een niveau verhogende opleiding zou\n\nhebben gevolgd. De heer Dolderman betoogt dat juist in die fase daartoe mogelijkheden zouden hebben kunnen ontstaan en dat het ongeval betrokkene die kans heeft ontnomen. Echter, ook in de hypothetische situatie zonder ongeval heb ik geen aanknopingspunten om aan te nemen dat betrokkene dan alsnog - op inmiddels bijna 35-jarige leeftijd - een hoger opleidingsniveau had kunnen bereiken dan in de jaren daarvoor.\n\nMet name ontbreken aanknopingspunten dat betrokkene daartoe het potentieel zou\n\nhebben gehad; de voorgeschiedenis biedt daar geen steun voor. In paragraaf 4.2 heb\n\nik uiteengezet dat het opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene aanleiding geeft\n\nom het functioneren van betrokkene op maximaal functieniveau 2 in te schatten. Vanuit\n\ndie geschiedenis kan ik niet onderschrijven dat betrokkene in de hypothetische situatie\n\nzonder ongeval - op of na circa 35-jarige leeftijd - alsnog een hoger (opleidings)niveau\n\nhad kunnen bereiken.(…)Met betrekking tot het antwoord op vraag 5 het volgende. Met het woord 'eveneens'\n\nbenoem ik dat het verdienvermogen van betrokkene in de hypothetische situatie\n\nzonder ongeval grosso modo gelijk is aan de theoretische verdiencapaciteit na ongeval\n\nop basis van de geduide belastbaarheid. Dat is nog zonder beschouwing van het\n\nwerkloosheidsrisico. De genoemde 100% tot 120% van het wettelijk minimumloon is\n\neen bandbreedte; in het antwoord op vraag 5 geef ik aan dat medeweging van het\n\nwerkloosheidsrisico ertoe leidt dat het verdienvermogen zonder ongeval dichterbij de\n\n100% dan bij de 120% van het wettelijk minimumloon moet worden geschat. In de\n\nsituatie na ongeval heb ik het werkloosheidsrisico apart benoemd in het antwoord op\n\nvraag 4. Hieruit volgt dat het werkloosheidsrisico in de situatie na ongeval (veel) groter\n\nis dan in de hypothetische situatie zonder ongeval.”5. 5. De beoordeling van het geschil\n\nDe geschilpunten in hoger beroep5.1 De grieven van [appellant] tegen de beslissing in het deelgeschil en de verschillende (tussen)vonnissen van de rechtbank hebben alleen betrekking op de beslissingen van de rechtbank over de schade vanwege het verlies van verdienvermogen en de buitengerechtelijke kosten. De beslissingen van de rechtbank over het smartengeld, de kosten van huishoudelijke hulp, het verlies van zelfredzaamheid en de overige schade staan dan ook niet meer ter discussie.\n\n5.2. \n\nTussen partijen staan de rapporten en conclusies van orthopedisch chirurg [naam1]\n\n(zie 4.4 en 4.6), psychiater prof. [naam2] (zie 4.8) en verzekeringsgeneeskundige [naam3] (zie 4.9) ook niet ter discussie. Het hof kan dan ook uitgaan van de juistheid van die rapporten en conclusies.\n\nVerlies van verdienvermogen - uitgangspunten5.3 De rechtbank heeft de vordering van [appellant] betreffende het verlies van verdienvermogen afgewezen. De rechtbank heeft op basis van het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] (zie 4.10) vastgesteld dat het verdienvermogen van [appellant] in de situatie na ongeval gelijk is aan het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval. Om die reden is volgens de rechtbank geen sprake van een verlies aan verdienvermogen. Dat [appellant] feitelijk niet in staat is om zijn verdienvermogen te realiseren, kan volgens de rechtbank niet aan Allianz worden toegerekend.\n\n5.4. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de schade wegens verlies aan verdienvermogen moet worden begroot door het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval te vergelijken met het verdienvermogen in de werkelijke situatie na ongeval. Tussen partijen staat dat ook niet discussie. Uit het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] volgt dat [appellant] in theoriein staat is om in de situatie na ongeval een inkomen te realiseren dat gelijk is aan het inkomen in de hypothetische situatie, maar dat de kans klein is dat hij die theoretische verdiencapaciteit zal realiseren. In de praktijk is daarvan nog geen sprake geweest ( [appellant] heeft immers een uitkering op grond van de Participatiewet) en het is niet te verwachten dat dit zal veranderen.\n\n5.5. Voor de te maken vergelijking is in beginsel niet het theoretische maar het feitelijke verdienvermogen na ongeval bepalend. Wanneer, zoals in dit geval, het theoretische verdienvermogen niet is gerealiseerd en naar verwachting ook niet zal worden gerealiseerd, rijst de vraag wat daarvan de oorzaak is. Als die oorzaak (mede) is gelegen in het feit dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden (of in andere omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend), dient naar de maatstaf van artikel 6:101 BW te worden beoordeeld of en in hoeverre de verplichting van Allianz om de schade vanwege het verlies aan verdienvermogen (het verschil tussen het verlies aan verdienvermogen in de situatie zonder ongeval en na ongeval) te vergoeden moet worden verminderd. In dat geval moet eerst een causale verdeling worden gemaakt van de omstandigheden die aan [appellant] en Allianz kunnen worden toegerekend waarna moet worden beoordeeld of een billijkheidscorrectie op zijn plaats is. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is ook gebleken dat de door de rechtbank gehonoreerde stelling van Allianz dat het feit dat [appellant] zijn theoretisch verdienvermogen na ongeval niet heeft gerealiseerd niet aan haar kan worden toegerekend, moet worden gezien als een beroep op de schadebeperkingsplicht\u002Feigen schuld van [appellant] . De stelplicht en bewijslast betreffende de omstandigheden die aan [appellant] moeten worden toegerekend, rusten op Allianz.\n\n5.6. Het hof zal hierna eerst het geschil van partijen over het verdienvermogen van [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval bespreken en daarna ingaan op het verdienvermogen in de situatie na ongeval.\n\nVerdienvermogen zonder ongeval5.7 De rechtbank is ervan uitgegaan dat [appellant] in de situatie zonder ongeval vanaf 2004 een inkomen van 100% tot 120% van het minimumloon had kunnen verwerven. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] . [appellant] is het niet eens met dit uitgangspunt. Volgens hem zijn de doorgroeimogelijkheden in de logistiek rooskleuriger dan [naam4] in zijn rapport heeft vermeld. [naam4] heeft bovendien geen rekening gehouden met toeslagen en met de plannen van [appellant] om een opleiding als lasser te gaan volgen.\n\n5.8. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de bepaling van de situatie zonder ongeval aan op ‘redelijke verwachtingen’ over toekomstige ontwikkelingen en een afweging van goede en kwade kansen. Op de benadeelde rust weliswaar de bewijslast van de schade wegens het derven van arbeidsinkomsten zonder ongeval, maar aan dat bewijs mogen geen al te strenge eisen worden gesteld. Zo nodig krijgt de benadeelde het voordeel van de twijfel omdat het de aansprakelijke partij is die hem de mogelijkheid heeft ontnomen zekerheid te verschaffen over wat in de hypothetische situatie zou zijn gebeurd. Centraal staan dus de redelijke verwachtingen. Die redelijke verwachtingen zullen doorgaans samenvallen met de realistische verwachtingen, de verwachtingen die, op basis van zoveel mogelijk concrete aanknopingspunten, overeenkomen met de voor deze benadeelde te verwachten normale gang van zaken.\n\n5.9. Arbeidsdeskundige [naam4] heeft in zijn rapport naar het oordeel van het hof helder en duidelijk uiteengezet dat [appellant] , gelet op zijn opleiding, arbeidsverleden en taalvaardigheid ook in de hypothetische situatie zonder ongeval aangewezen zou zijn op - kort gezegd - ongeschoold werk en dat met dit werk een inkomen van hooguit 20% boven het minimumloon valt te verdienen. Van [naam4] heeft ook inzichtelijk gemaakt dat het bij dit werk doorgaans om flexwerk gaat, waardoor de doorgroeimogelijkheden naar een hogere schaal en trede zeer beperkt zijn. Hij heeft dit geïllustreerd met de ervaringen van [appellant] bij TNT-Post in de situatie na ongeval; het contract van [appellant] bij TNT-Post is ook niet verlengd. Ook heeft [naam4] helder uiteengezet dat en waarom de stelling van [appellant] dat hij zonder ongeval een opleiding tot lasser zou hebben gevolgd niet realistisch is; [appellant] miste de daarvoor vereiste startkwalificaties gezien zijn opleiding en arbeidsverleden en beperkte beheersing van de Nederlandse taal.\n\n5.10. Gelet op het rapport van [naam4] heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat een redelijke verwachting van de situatie zonder ongeval inhoudt dat hij een inkomen van meer dan 120% van het minimumloon zou hebben verworven. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog betoogd dat indien Allianz hem beter zou hebben begeleid hij er beter voor zou hebben gestaan. [appellant] miskent dat hij in de situatie zonder ongeval niets met Allianz te maken zou hebben gehad. Allianz zou hem (ook) in die situatie niet hebben begeleid. [appellant] heeft ook verwezen naar informatie op een website waaruit zou blijken dat in de logistiek inmiddels ruimschoots meer dan het minimumloon wordt verdiend. Met deze enkele verwijzing, zonder enige context, heeft [appellant] het goed onderbouwde rapport van [naam4] , die als arbeidsdeskundige geacht mag worden toegang te hebben tot alle relevante informatie over lonen en loonontwikkelingen, onvoldoende weerlegd.\n\n5.11. Het hof zal [naam4] dan ook volgen in zijn benadering van het inkomen zonder ongeval. [naam4] heeft een marge van 100% tot 120% van het minimumloon aangehouden. Het hof zal, rekening houdend met goede en kwade kansen, uitgaan van een inkomen gelijk aan 110% van het minimumloon vanaf 1 juli 2004. Het hof neemt daarbij enerzijds in aanmerking dat [appellant] ten tijde van het ongeval nog geen werk had en dat, zoals [naam4] aangeeft, bij de banen waarop [appellant] aangewezen zou zijn geweest, sprake is van een werkloosheidsrisico. Omdat het veelal flexwerk betreft, is dat risico hoger dan gebruikelijk, al was het maar omdat met relatief korte tussenpozen ander werk gevonden moet worden. Anderzijds houdt het hof er, in het voordeel van [appellant] , rekening mee dat hij mogelijk (overwerk) toeslagen zou hebben ontvangen, waardoor zijn inkomen hoger zou zijn geweest. Per saldo komt het hof dan halfweg de door [naam4] genoemde bandbreedte uit.\n\nVerdienvermogen met ongeval5.12 [appellant] had ten tijde van het ongeval een bijstandsuitkering. In maart 2007 is hij bij TNT Post gaan werken. In maart 2009 is zijn tweemaal verlengde contract voor bepaalde tijd niet verlengd. [appellant] heeft toen een WW-uitkering gekregen. Van mei 2011 tot mei 2012 werkte hij als schoonmaker. Na de operatie van dat jaar aan zijn enkel (zie 4.1) heeft hij niet meer gewerkt. Hij ontvangt sindsdien een uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] heeft de gemeente Zwolle hem ontheven van de op grond van die wet op hem rustende verplichting om te solliciteren. Hoewel stukken die dat bevestigen ontbreken, gaat het hof ervan uit dat dit het geval is. Niet ter discussie staat dat [appellant] niet gesolliciteerd heeft en toch niet is gekort op zijn uitkering. Dat biedt voldoende steun voor de stelling van [appellant] dat hij inderdaad is ontheven van de sollicitatieverplichting. Beide partijen gaan ervan uit dat [appellant] niet meer aan het werk zal komen omdat de afstand tot de arbeidsmarkt te groot is geworden, zoals arbeidsdeskundige [naam4] heeft vastgesteld. Het hof zal daar ook vanuit gaan.\n\n5.13. \n [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij na de operatie in 2012 niet meer heeft gesolliciteerd omdat hij vond dat hij vanwege pijnklachten niet kon werken. Volgens [appellant] is hij om die reden nog steeds niet tot werken in staat. De ook door [appellant] onderschreven rapporten van orthopedisch chirurg [naam1] , psychiater [naam2] en verzekeringsgeneeskundige [naam3] bieden echter geen steun voor de juistheid van die gedachte. Uit deze rapporten volgt dat er inderdaad sprake is van enkele beperkingen. [naam3] heeft die beperkingen uitgewerkt in een beperkingenlijst. Uit het op dit punt niet bestreden rapport van arbeidsdeskundige [naam4] blijkt dat die beperkingen op zichzelf niet aan het verrichten van loonvormende arbeid in de weg staan.\n\n5.14. Het tweede rapport van [naam1] en de andere rapporten zijn enkele jaren na 2012 opgesteld en geven dus niet zonder meer antwoord op de vraag of [appellant] in 2012 ook niet in staat was te werken. In dit verband is van belang dat [appellant] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij niet alleen geconfronteerd is met fysieke beperkingen maar ook met psychische klachten. Het rapport van psychiater [naam2] biedt inderdaad steun voor de gedachte dat [appellant] rond 2012 psychische klachten heeft ontwikkeld die [appellant] zelf in verband brengt met het ongeval. Volgens [naam2] lijken die klachten verbonden met “de omineuze betekenis die hij geeft aan de prognose van zijn lichamelijke klachten.” Het hof gaat ervan uit dat [naam2] doelt op het feit dat [naam1] in zijn eerste expertiserapport, van september 2010, heeft geconcludeerd dat nog geen sprake is van een eindtoestand vanwege de te verwachten (langzaam progressieve) degeneratieve veranderingen van de rechterknie. In het licht van dit alles is voldoende aannemelijk dat [appellant] in 2012 psychische klachten heeft gehad omdat hij bang was dat de situatie van zijn rechterknie verder zou verslechteren. Die angst is, gelet op het tweede rapport van [naam1] uit oktober 2015 onterecht gebleken, maar toen dat duidelijk werd, zat [appellant] al drie jaren thuis.\n\n5.15. Tussen partijen staat niet ter discussie dat geen poging is ondernomen om [appellant] te re-integreren. Partijen wijzen daarvoor naar elkaar. Allianz meent dat [appellant] daar ten onrechte niet om heeft gevraagd en daar ook niet op zat te wachten en [appellant] vindt dat Allianz ten onrechte niet heeft aangeboden hem te helpen om te re-integreren. [appellant] heeft Allianz wel om hulp gevraagd, stelt hij. Voor die stelling zijn wel aanknopingspunten te vinden. In de procedure in het deelgeschil heeft hij de rechtbank verzocht om Allianz te veroordelen mee te werken aan de re-integratie en de kosten daarvan te betalen. In de aanvulling op zijn verzoekschrift in het deelgeschil, in september 2012, heeft hij daarvoor een concreet voorstel gedaan. In dat verband heeft hij een offerte van AOB Compaz overgelegd betreffende een re-integratietraject. Dat traject houdt onder meer in dat de betrokkene wordt gestimuleerd los te komen uit zijn oude situatie, waardoor er “ruimte ontstaat voor een transitie naar een nieuwe situatie”. In die nieuwe situatie wordt de betrokkene intensief begeleid naar een nieuwe plek op de arbeidsmarkt. Gelet hierop is de stelling van Allianz dat re-integratie geen kans van slagen had omdat [appellant] meende niet meer te kunnen werken, niet op. Het re-integratietraject was er nu juist op gericht om [appellant] te stimuleren los te komen van de gedachte dat hij niet meer kon werken. Er kan ook niet van worden uitgegaan dat indien toen actie was ondernomen de kans dat [appellant] aan het werk zou zijn gekomen minimaal zou zijn geweest, zoals 9 jaar later, toen [naam4] rapporteerde, wel het geval was. Allianz had toen haar bekend werd dat [appellant] niet meer aan het werk was, moeten aanbieden om [appellant] te helpen met zijn re-integratie, al helemaal toen [appellant] zelf met een concreet voorstel voor een re-integratietraject kwam. [appellant] , die een inkomen rond het bestaansminimum had, kon de kosten van zo’n traject immers niet zelf betalen. In deze situatie, waarin Allianz niet zelf het initiatief heeft genomen tot een re-integratie van [appellant] , geweigerd heeft om het traject bij AOB Compaz te vergoeden en [appellant] niet de financiële middelen had om zelf dat traject te bekostigen, kan Allianz zich er niet met succes op beroepen dat [appellant] op dit punt heeft stilgezeten. Voor zover Allianz zich erop beroept dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen re-integratietraject te bewandelen, faalt dat beroep. Anderzijds verwijt [appellant] Allianz terecht dat zij op het punt van zijn re-integratie is tekortgeschoten.\n\n5.16. Van belang is nog dat [appellant] ook zonder ongeval al een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt had. Door het ongeval zijn [appellant] ’s mogelijkheden om betaald werk te verrichten verder beperkt. Voor werk in de logistiek, de industrie en de horeca - belangrijke sectoren voor laaggeschoold werk - is hij volgens het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] niet meer geschikt.\n\n5.17. Al met al heeft de (gelet op wat in 5.13 is overwogen: onjuiste) beslissing van [appellant] in 2012 om geen werk meer te zoeken eraan bijgedragen dat hij zijn theoretische verdiencapaciteit niet heeft benut en dat zijn theoretische en zijn feitelijke verdienvermogen uiteenlopen. Maar die aan hem toe te rekenen keuze is niet de enige omstandigheid die daaraan heeft bijgedragen. Ook de omstandigheid dat [appellant] door zijn beperkingen minder mogelijkheden had en heeft om zijn theoretische verdiencapaciteit te benutten en de omstandigheid dat Allianz niets heeft ondernomen om hem te helpen met zijn re-integratie, hebben eraan bijgedragen dat [appellant] ook na 2012 niet meer aan de slag is gekomen en dat zijn afstand tot de arbeidsmarkt alleen maar is toegenomen. Het hof is van oordeel dat de keuze van [appellant] om geen werk meer te zoeken een tweemaal zo hoge bijdrage heeft geleverd aan het negatieve verschil tussen feitelijke en theoretische verdiencapaciteit als de aan Allianz toe te rekenen omstandigheden. Op grond van de causale verdeling is dan ook een percentage ‘eigen schuld’ van 66,67 % op zijn plaats. Het hof ziet reden voor een billijkheidscorrectie tot 50% vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten. Enerzijds valt [appellant] gezien zijn psychische problematiek in 2012 een minder groot verwijt te maken van zijn onjuiste keuze en anderzijds valt het Allianz als professionele partij aan te rekenen dat zij in 2012 en nadien (nadat zij eerst vier jaar had geprocedeerd over de aansprakelijkheid en nadat vervolgens na vier jaar nog steeds geen regeling was bereikt) geen concrete stappen heeft ondernomen om te onderzoeken of de schade van [appellant] niet kon worden beperkt.\n\n5.18. De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen..\n\nDe schadeberekening5.19 Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [appellant] , anders dan de rechtbank heeft beslist, mogelijk wel schade vanwege verlies verdienvermogen heeft geleden en zal lijden. Het hof kan niet zelf bepalen of sprake is van schade en kan, als daarvan sprake is, de omvang niet zelf begroten. Daarvoor zal een rekenkundige moeten worden ingeschakeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen de mogelijkheid van de benoeming van een rekenkundige besproken. Partijen hebben te kennen gegeven in te stemmen met de benoeming van de heer [naam5] van het Nederlands rekencentrum Letselschade (NRL). De heer [naam5] heeft desgevraagd aangegeven bereid te zijn een berekeningsrapport op te stellen. Hij zal in zijn rapport ook rekening houden met de consequenties van het feit dat [appellant] een uitkering van de Participatiewet ontvangt en ook in de toekomst op die uitkering aangewezen zal zijn.\n\n5.20. \n [naam5] heeft aangegeven dat hij voor zijn werkzaamheden, uitgaande van een uurtarief van € 230,- ex btw, een voorschot van € 7.500,- inclusief btw verlangt. Het hof zal Allianz als de aansprakelijke partij belasten met de betaling van het voorschot.\n\nBuitengerechtelijke kosten5.21 De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaan allereerst uit medische kosten. Het gaat om kosten van de door hem ingeschakelde medische adviseur, kosten voor het opvragen van medische informatie en om de kosten van het eerste expertiserapport van [naam1] . [appellant] heeft bij de memorie van grieven een specificatie overgelegd van deze kosten. Allianz heeft die specificatie onvoldoende weersproken, zodat het hof van de juistheid ervan uitgaat. Dat betekent dat [appellant] nog aanspraak heeft op betaling van € 3.338,66.\n\n5.22. \n [appellant] vordert ook ruim € 64.000,- aan tolk- en vertaalkosten. Aan [appellant] is al € 15.000,- aan vertaalkosten toegekend. Dat is al fors. Dat nog veel meer kosten zijn gemaakt, heeft hij in het licht van het verweer van Allianz onvoldoende onderbouwd. Deze vordering is dan ook niet toewijsbaar.\n\n5.23. Dat geldt ook voor de gevorderde kosten over de periode tot 29 juli 2008. Gedurende het grootste deel van die periode procedeerden partijen over de aansprakelijkheid van London Verzekeringen. Indien [appellant] in die periode kosten heeft gemaakt, vallen die onder het bereik van een eventuele proceskostenveroordeling.\n\n5.24. Ten slotte heeft [appellant] bijna € 110.000,- aan buitengerechtelijke kosten en € 13.500,- aan kosten van telefoongesprekken (kennelijk gesprekken van zijn belangenbehartiger) gevorderd. Allianz heeft deze vordering bestreden. Het betreft volgens haar een exorbitant bedrag dat niet in verhouding staat tot de omvang van de vordering en de (geringe) complexiteit van de zaak. Bovendien zitten er dubbelingen in omdat [appellant] ook is bijgestaan door achtereenvolgens vier advocaten. Dat laatste verweer gaat niet op. Ter zitting is gebleken dat de advocaten geen buitengerechtelijke kosten in rekening hebben gebracht en zullen brengen aan Allianz. De kosten van die advocaten zitten ook niet in de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Het hof zal dan ook een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijzen. Indien de gehele vordering wordt afgewezen, zoals Allianz betoogt, zou dat betekenen dat er - afgezien van de kosten van het deelgeschil - in het geheel geen buitengerechtelijke kosten zouden worden vergoed. Daar staat tegenover dat het gevorderde bedrag het hof als fors bovenmatig voorkomt, gelet op het feit dat de kosten betrekking hebben op een periode van maximaal 8 jaar (tussen het arrest van het hof en het aanhangig maken van de procedure over de omvang van de schade bij de rechtbank) en het er niet op lijkt dat partijen in die periode intensief onderhandeld hebben. Het hof zal, als partijen geen regeling bereiken, in het eindarrest een beslissing nemen over de hoogte van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten.5.25. \n\n [appellant] heeft grote bedragen aan wettelijke rente gevorderd. Die bedragen zijn zo opgelopen omdat [appellant] ten onrechte de handelsrente in rekening heeft gebracht. Ter zitting is gebleken dat [appellant] nog geen vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat die vergoeding ook nog niet opeisbaar is. [appellant] heeft nog geen facturen ontvangen. Dat betekent dat de vordering tot vergoeding van wettelijke rente niet toewijsbaar is.\n\nDe conclusie5.26 Het hof zal een rekenkundige benoemen. In afwachting van diens rapport en de reacties van partijen daarop wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. \n\nHet hof benoemt tot deskundige:\n\n [naam5] , postbus 341, 2501 CH Den Haag, e-mail: [naam5] @nrl.nl\n\nom een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen: a. Wilt u de schade van [appellant] vanwege verlies van verdienvermogen berekenen vanaf 1 juli 2004 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd en daarbij de volgende uitgangspunten hanteren: - een inkomen zonder ongeval van 110% van het minimumloon; - een inkomen na ongeval gelijk aan het feitelijke inkomen - een percentage eigen schuld van 50% vanaf 1 juli 2012; - een rekenrente op basis van de meest recente aanbeveling van de rechtspraak? b. Wilt u op basis van de door u in te winnen informatie bij de gemeente(n) van wie [appellant] een bijstandsuitkering\u002Fuitkering op grond van de Participatiewet ontvangen heeft aangeven of (en in hoeverre) [appellant] zijn aanspraken op de ontvangen uitkering behoudt en in de toekomst aanspraak op een uitkering zal blijven houden? Wilt u ook aangeven wat de consequenties van een en ander zijn geweest voor uw berekening? c. Wilt u een berekening maken van de wettelijke rente per 1 januari 2024 over de door u berekende schadebedragen tot en met 31 december 2023? d. Geeft uw onderzoek u reden om opmerkingen te maken die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?\n\n6.2. Het hof stelt het voorschot van de deskundige vast op € 7.500,- (inclusief omzetbelasting), tenzij partijen binnen 14 dagen schriftelijk bezwaar maken tegen de hoogte van het voorschot. In dat geval zal het hof op dat bezwaar beslissen. Allianz moet het voorschot betalen. Aanwijzingen voor de deskundige\n\n6.3. Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, hoeft de deskundige met het onderzoek te beginnen.\n\n6.4. De deskundige moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen. Hij dient zijn concept-rapport voor commentaar aan partijen voorleggen en in zijn definitieve rapport op het commentaar van partijen te reageren.\n\n6.5. Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de Leidraad deskundige in civiele zaken volgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.\n\n6.6. Als de deskundige vragen heeft, kan hij die stellen aan mr. H. de Hek als raadsheer- commissaris.\n\n6.7. Het ondertekende deskundigenbericht moet vóór (20 mei 2024) worden gestuurd aan de griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA in Leeuwarden).\n\nAanwijzingen voor partijen\n\n6.8. Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan Allianz een voorschotfactuur sturen van € 7.500,- (inclusief btw). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.\n\n6.9. \n [appellant] moet aan de deskundige een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundige een kopie van dit arrest.\n\n6.10. Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt.\n\n6.11. Op dinsdag 18 juni 2024 kan [appellant] op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 16 juli 2024 mag Allianz daarop reageren.\n\n6.12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n20 februari 2024.\n\n HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243 (B\u002FOliviers).\n\n HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654 (Vehof\u002FHelvetia) en 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277 (Van ’t Sas\u002FInterpolis).\n\n Het deel van grief I dat over dit onderwerp gaat faalt.\n\n Zie ook HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3532.\n\n De grieven I en II slagen gedeeltelijk.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:1232","ecli-nl-gharl-2024-1232",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]