[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2025-8616":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2025-8616":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"714","ECLI:NL:GHARL:2025:8616","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2025-12-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.345.483\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 226421\n\narrest van 23 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ( [appellante] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. H. Veldman\n\nen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde]\n\ndie gevestigd is in [vestigingsplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.J. Loos\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering van eis\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juli 2025 is gehouden\n\nNa een aanhouding van de zaak voor minnelijk overleg hebben partijen laten weten dat een regeling niet is bereikt en hebben zij verzocht om arrest. Daarop heeft het hof de zaak bepaald voor arrest.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of er tussen [geïntimeerde] en de heer [naam1] , de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante] , een overeenkomst van geldlening is gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [naam1] een bedrag van ruim € 150.000 heeft uitgeleend, of dat sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] , de DGA van [geïntimeerde] , en [naam1] . Als sprake was van een overeenkomst van geldlening speelt verder nog de vraag of die lening inmiddels ook opeisbaar is geworden.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten\n\n3.1. \n [appellante] was de echtgenote van de inmiddels overleden heer [naam1] (hierna: [naam1] ). [geïntimeerde] en [naam1] waren bevriend.\n\n3.2. \n\nIn 1996 heeft [naam1] samen met zijn ex-echtgenote een boerderij gekocht in Sorbey\n\n(Frankrijk). In 2004 heeft hij de naastgelegen grond erbij gekocht om daar nog twee\n\nwoonhuizen te realiseren voor de verkoop (hierna: het project).\n\n3.3. \n [naam1] is in 2006 gescheiden van zijn ex-echtgenote. [naam1] is daarna getrouwd met [appellante] .\n\n3.4. \n\nOmdat [naam1] onvoldoende financiële middelen had om het project te financieren\n\nheeft [geïntimeerde] in de periode van 28 april 2005 tot en met 8 november 2010 meerdere keren\n\ngeld overgemaakt naar [naam1] ten behoeve van het project in Sorbey. In totaal gaat het om\n\neen bedrag van € 153.365,92.\n\n3.5. \n\nOp 19 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [naam1] de volgende overeenkomst opgesteld\n\nen ondertekend:\n\n‘ [geïntimeerde] heeft aan ( [naam1] een bedrag van € 153365,92 (zegge\n\nhonderddrieenvijftigduizenddriehonderdvijfenzestig Euro en 92 cent) geleend tegen een\n\nrente percentage van 4 % per annum.\n\nHet totale leenbedrag beslaat uit de volgende deelbedragen:\n\n(…)\n\n [naam1] verplicht zich bij deze tot volledige terugbetaling van het geleende bedrag, inclusief de uit hoofde van deze lening verschuldigde rente. De totale aflossing zal niet later plaatshebben dan op de datum van verkoop van voornoemd project.\n\n [naam1] heeft het recht om op ieder moment, het nog verschuldigde deel van de originele\n\nleenbedrag te voldoen. Zulks zonder bijbetaling van verdere kosten.\n\n [geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en\n\nverschuldigde rente direct op te eisen.’\n\n3.6. De overeenkomst was opgesteld door [geïntimeerde] . In een begeleidende mail van eveneens 19 juli 2011 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [naam1] bericht: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”.3.7. \n [naam1] is in juni 2018 overleden. Het project was toen nog niet af. [appellante] is zijn enig erfgename en zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.\n\n3.8. \n\nOp 27 september 2018 heeft [geïntimeerde] een brief naar [appellante] gestuurd. In die brief heeft [geïntimeerde] een aantal afspraken vastgelegd die hij met [appellante] zou hebben gemaakt over de geldlening en het project. Die afspraken behelzen dat [geïntimeerde] [appellante] zal assisteren bij de verkoop van het project, “zodat [geïntimeerde] bij een succesvolle transactie uit de gerealiseerde verkoopsom kan worden voldaan”. In de afspraken is in dat verband vastgelegd dat [appellante] aan [geïntimeerde] een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht verleent ten behoeve van een verkoop van het project aan een derde. Verder is onder meer vastgelegd:\n\n“5. In geval van een verkooptransactie, zal de Geldlening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk worden afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het Project. De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht.\n\n6. Indien en voor zover de opbrengst van het Project hoger is dan het bedrag dat u uit hoofde van de Geldlening aan ons verschuldigd bent, is [geïntimeerde] , bovenop\n\nde uit hoofde van de Geldlening verschuldigde bedragen gerechtigd tot 50% van het surplus.”\n\n De brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.9. \n\nNa de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft [appellante] op 1 juni 2025 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000,- voldaan als aflossing op de lening. Na die betaling heeft [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellante] geschreven dat het openstaande bedrag van de lening inclusief rente € 200.899,20 bedraagt. Verder schrijft hij in die brief onder meer:\n\n“Na onderling overleg besluiten we afspraak 7 van de onderhavige leenovereenkomst. als volgt te wijzigen\n\nIndien en voor zover de opbrengst van de verkoop van het Project lager is dan het bedrag dat u aan ons verschuldigd bent uit hoofde van de Geldlening maar wij schriftelijk akkoord zijn gegaan met de verkoopsom, zal de gehele opbrengst van\n\nde verkoop aan ons toekomen en zal het restant van het nog te vorderen bedrag van de Geldlening (met de daarover verschuldigde rente) worden gekwijt.”\n\nOok die brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.10. Op 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een Whatsapp bericht gestuurd dat hij een geïnteresseerde partij heeft gevonden die het project wil afmaken en die de lening wil overnemen voor maximaal € 100.000. Op 13 september 2022 heeft hij hierover telefonisch contact met [appellante] . In dat gesprek verlangt [geïntimeerde] van [appellante] nog een aanvullende betaling van € 25.000. [appellante] weigert in dat gesprek die betaling te doen. Zij bevestigt die weigering in een e-mail van 5 oktober 2022. Volgens haar is een aanvullende betaling in strijd met de gemaakte afspraken\n\n3.11. \n\n [geïntimeerde] is bij brief van 27 oktober 2022 overgegaan tot opeising van de geldlening en heeft [appellante] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag van de geldlening vermeerderd met rente ad € 211.985,62.\n\nIn deze sommatie schrijft [geïntimeerde] onder meer:\n\n‘Gezien de plotselinge wijziging in uw houding jegens ons, na ons laatste gesprek van 13 september 2022 jl., is bij ons het gerechtvaardigd vermoeden gerezen dat, ondanks piëteit en geduld van onze zijde, geen sprake meer zal zijn van een minnelijke afwikkeling en volledige aflossing van de Geldlening. Om die reden zijn wij genoodzaakt het openstaande bedrag van de Geldlening, in overeenstemming met de overeenkomst van 19 juli 2011, per direct geheel op te eisen.’\n\n3.12. Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij pas tot betaling over zal gaan als het project verkocht is.\n\n3.13. Op 28 november 2022 heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] [appellante] nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.\n\n3.14. \n\nBij brief van 9 december 2022 heeft [appellante] op de sommatie gereageerd en laten weten niet tot betaling over te gaan. Ook heeft zij in deze brief de nietigheid van de\n\novereenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 ingeroepen vanwege een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden.\n\n3.15. \n [appellante] is niet tot betaling overgegaan, ook niet nadat de advocaat van [geïntimeerde] haar op 16 maart 2023 nogmaals gesommeerd heeft tot betaling van € 218.978,32.\n\n4. 4. De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n\n [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 218.978,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding.\n\n [appellante] heeft in reconventie gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst van 19 juli 2011 is verjaard en dat de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 nietig zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 25.000.\n\n4.2. De rechtbank heeft in conventie verklaard voor recht dat tussen partijen de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 218.978,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\n4.3. Op 10 juli 2024 is [geïntimeerde] overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning en het loon van [appellante] .5. 5. De vorderingen in hoger beroep\n\n [appellante] vordert in hoger beroep, na vermeerdering van eis, dat het vonnis van de rechtbank in conventie wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat onverschuldigd blijkt te zijn betaald.\n\n6. 6. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nInleiding\n\n6.1. Tegen de vermeerdering van eis door [appellante] in hoger beroep – de vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald - is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daar ook ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat ook op die vordering beslist zal worden.\n\n6.2. \n [appellante] heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis dat in reconventie is gewezen. De afwijzing van haar beroep op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] uit de overeenkomst van 19 juli 2011 en de afwijzing van haar beroep op de nietigheid van de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 zijn daarmee onherroepelijk. Dat geldt ook voor haar vordering tot terugbetaling van € 25.000.\n\n6.3. \n\nHet hof zal beslissen dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 wel van kracht is, maar dat die op sommige punten afwijkt van wat [naam1] en [geïntimeerde] eerder hadden afgesproken. Partijen zijn aan die eerdere afspraken gebonden, in het bijzonder de afspraak dat geen rente is verschuldigd over de hoofdsom. Maar ook aan de afspraak dat het geld uit de verkoop van de woningen moest komen. In lijn met die laatste afspraak heeft [geïntimeerde] op 27 september 2018 en 1 juni 2021 bindende nadere afspraken gemaakt met [appellante] , waaruit volgt dat de leningsovereenkomst nog niet opeisbaar is.\n\nDe grieven van [appellante] tegen het vonnis slagen daarmee ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal gedeeltelijk anders worden beslist. [geïntimeerde] wordt daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van wat onder het beslag door haar is betaald.\n\nHierna zal worden toegelicht hoe het hof tot zijn beslissingen is gekomen.\n\nde motivering van de beslissing\n\n6.4. \n [appellante] heeft drie bezwaren (grieven) naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis. In die grieven snijdt zij de volgende kwesties aan:\n\na) is er op 19 juli 2011 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , of ging het in werkelijkheid om een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project; b) als sprake is van een geldleningsovereenkomst, is die lening dan wel opeisbaar, nu volgens [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 27 september 20218 is vastgelegd dat aflossing van de lening alleen aan de orde is bij verkoop van het project; c) als sprake is van een geldlening, is daarover dan wel rente verschuldigd, nu door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is verklaard dat de oorspronkelijke afspraak was dat [naam1] alleen terug hoefde te betalen wat hij geleend had?\n\n Daarnaast voert [appellante] aan dat inmiddels al diverse bedragen zijn uitgewonnen onder het executoriale beslag. Volgens [appellante] dienen die nu als onverschuldigd betaald aan haar terugbetaald te worden. Het hof zal hieronder op deze kwesties ingaan.\n\nde geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 is geldig6.5. \n [appellante] heeft niet betwist dat de overeenkomst door [naam1] is ondertekend. De overeenkomst heeft daarmee te gelden als een onderhandse akte waaraan dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de in die overeenkomst opgenomen verklaringen van [geïntimeerde] en [naam1] (artikel 157 lid 2 Rv). Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de overeenkomst is opgenomen, maar kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.\n\n6.6. Volgens [appellante] is dat laatste het geval, want zij stelt dat in werkelijkheid sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] en [naam1] . Ter onderbouwing van die stelling beroept [appellante] zich op correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] voorafgaand aan, maar ook na die overeenkomst. De overeenkomst betrof volgens [appellante] een schijnhandeling die kennelijk was bedoeld om schulden van [geïntimeerde] aan zijn Holding weg te werken in het zicht van de koop van een woning door [geïntimeerde] .\n\n6.7. \n\n [appellante] kan worden toegegeven dat in correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] verschillende malen wordt gesproken over een project waarin zij gezamenlijk deelnemen.\n\nDie correspondentie levert echter nog niet het tegenbewijs op dat [naam1] en [geïntimeerde] niet bedoeld hebben met de overeenkomst van 19 juli 2011 daadwerkelijk een geldleningsovereenkomst te sluiten; een overeenkomst waarbij de geldverstrekking door [geïntimeerde] en zijn Holding is vastgelegd als een lening door [geïntimeerde] aan [naam1] .6.8. \n\nUit die correspondentie komt namelijk ook naar voren dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] onduidelijkheid over bestond hoe de geldverstrekkingen te beschouwen waren: als (risicodragende) investering of als geldlening en dat zij daarover contact hebben gehad met elkaar. Zo schrijft [geïntimeerde] in een mail van 22 juni 2010 aan [naam1] : “Even iets anders [naam1] . Heb jij de bouw in Frankrijk ondergebracht in een apart bedrijfje van ons samen of staat alles nog op jouw persoonlijke naam? De reden dat ik dit vraag is een belastingtechnische. Als de transacties vanuit mijn Holding in een apart investeringsbedrijf ( van jou en mij) komen is het een investering: als jij het daar allemaal nog op jouw persoonlijke naam hebt staan, is het een lening. Daar moeten we op korte termijn naar kijken, zodat e.e a. niet spaak gaat lopen met de belastingen alhier.”\n\nIn antwoord daarop schrijft [naam1] op 15 augustus 2010: “Als we een CSI aangaan in Fr. zijn we voordelig uit in Fr. Boekhoudkundig zitten we voorlopig goed door geld wat niet van mij is als schuld op te nemen.”\n\n6.9. Vast staat dat het project altijd op naam is blijven staan van [naam1] en dat het niet is gekomen van de oprichting van een gezamenlijk (investerings)bedrijf. Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat, hoewel [naam1] en [geïntimeerde] onderling ook hebben gesproken over een gezamenlijk project, zij hebben besloten de geldverstrekkingen te gieten in de vorm van een overeenkomst van geldlening en dat zij daarbij (kennelijk) hebben besloten om die te zetten op naam van [naam1] en [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] duidelijkheid nodig had over de titel waaronder de gelden aan [naam1] ter beschikking waren gesteld vanwege de door hem voorgenomen koop van een woning, brengt daar geen verandering in.\n\n6.10. De stelling dat [geïntimeerde] het doel van de ter beschikking gestelde gelden heeft veranderd van een risicodragende investering in een lening om in het zicht van de aankoop van die woning zijn schuld aan zijn Holding te verminderen, is door [geïntimeerde] weersproken. [appellante] heeft die stelling verder niet onderbouwd en is ook niet bijzonder aannemelijk in het licht van de correspondentie dat de mogelijkheid bestond om de samenwerking te gieten in een CSI (in welk geval geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een investering). Bovendien, ook als het een (risicodragende) investering zou zijn geweest, had [geïntimeerde] schulden aan zijn Holding kunnen verminderen door de investering op naam van zijn Holding te zetten.\n\n6.11. \n\nDe correspondentie ontzenuwt daarmee niet de dwingende bewijskracht van de overeenkomst van geldlening. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd die dat tegenbewijs wel kunnen opleveren.\n\nIntegendeel, ook [appellante] lijkt er, voordat het in deze zaak tot een procedure kwam, niet aan getwijfeld te hebben dat sprake was van een geldlening. Zij heeft immers ingestemd met het maken van aanvullende afspraken uitgaande van de geldleningsovereenkomst. Dat die aanvullende afspraken tot stand zouden zijn gekomen onder invloed van wilsgebreken is een stelling die zij in hoger beroep niet langer inneemt. Ook heeft zij nog een aflossing op de lening verricht van € 25.000, waar zij in hoger beroep niet langer de terugbetaling van vordert. Kennelijk heeft ook [naam1] bij leven [appellante] er niet over geïnformeerd dat geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een risicodragende investering, wat wel voor de hand had gelegen als van een geldlening in werkelijkheid geen sprake zou zijn geweest.\n\n6.12. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van 19 juli 2011 een reële overeenkomst van geldlening betreft, welke nu geldt tussen [geïntimeerde] en [appellante] .\n\nhet uitgeleende bedrag volgens de overeenkomst van geldlening is echter niet opeisbaar6.13. Het hof is wel met [appellante] van oordeel dat het bedrag uit de overeenkomst van geldlening van 19 juli 2011 nog niet opeisbaar is.\n\n6.14. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] verklaard: “Het geld moest uit de verkoop van de woningen komen. Dat is vanaf het begin af aan altijd de onderliggende afspraak geweest”. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011:“even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daarmee kennelijk ook op de afspraak dat het geld voor het terugbetalen van de lening moest komen uit de verkoop van het project. De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 behelst in lijn hiermee dat de geleende geldsom zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van het project. Daarbij zijn ook nadere afspraken vastgelegd over wat [geïntimeerde] aanvullend nog toekomt als de gerealiseerde verkoopopbrengst hoger is dan de geleende som. In de nadere aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 is daarnaast vastgelegd welke (verminderde) aanspraken op terugbetaling [geïntimeerde] heeft als de verkoopopbrengst waarmee [geïntimeerde] heeft ingestemd minder bedraagt dan de geleende som. De gerealiseerde verkoopopbrengst is volgens deze nadere afspraken dus mede bepalend voor de betalingsverplichtingen en -aanspraken die kunnen voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.\n\nDe aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 moet daarmee worden begrepen als (ook) een afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het moment waarop de geleende som opeisbaar zal zijn, te weten bij verkoop van het project; zij hield kennelijk in dat de datum van opeisbaarheid van de lening verschoof van “niet later dan uiterlijk op de datum van de verkoop van het project”naar “uit de gerealiseerde verkoopopbrengst”.In ieder geval had [appellante] dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [appellante] dat ook van meet af aan zo begrepen heeft.\n\n6.15. Daar doet niet aan af dat in de aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 is bepaald: “De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht”en dat in de overeenkomst van 19 juli 2011 is bepaald: “[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en verschuldigde rente direct op te eisen.”Zoals gezegd, heeft [geïntimeerde] in de mail van 11 juli 2011 geschreven dat de schriftelijke overeenkomst niet bedoelde een wijziging aan te brengen in de oorspronkelijke afspraken. En de oorspronkelijke afspraak was dat het geld moest komen uit de verkoop van het project. Bovendien, als [geïntimeerde] het anders bedoelde dan als door [appellante] is opgevat, had het op haar weg als opsteller van de aanvullende bepalingen gelegen om dat voldoende duidelijk te maken. Als zij bedoelde dat lening ook na het maken van die nadere afspraken te allen tijde door haar opgeëist zou kunnen worden, had zij dat expliciet in de nadere afspraken moeten vermelden. Het alleen indirect kenbaar maken van die bedoeling, door te verwijzen naar de overeenkomst van 19 juli 2011, is in het licht van de nader gemaakte afspraken en de e-mail van 11 juli 2011 onvoldoende.6.16. \n\n [geïntimeerde] heeft verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst van 27 september 2018 nu niet meer geldt. Van (een geldige buitengerechtelijke) ontbinding van die overeenkomst en de daarin vastgelegde afspraken is niet gebleken en die wordt in deze procedure ook niet gevorderd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat [appellante] doelbewust haar verplichtingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van het project niet nakomt, maar zij heeft daar geen verbintenisrechtelijke gevolgen aan verbonden.\n\nDaarbij wordt opgemerkt dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die verdere verkooppogingen heeft gestaakt nadat [appellante] had geweigerd om nog een aanvullend bedrag van € 25.000,- te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet duidelijk kunnen maken uit welke (contractuele) verplichting een gehoudenheid van [appellante] daartoe zou volgen.\n\ngeen rente verschuldigd over de geldlening\n\n6.17. \n [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat partijen in eerste instantie hadden afgesproken dat [naam1] over de door [geïntimeerde] en zijn Holding ter beschikking gestelde bedragen geen rente verschuldigd zou zijn. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daar volgens hem op. Zij heeft voor haar rentevordering echter aangevoerd dat [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2021 er zelf voor heeft getekend dat de openstaande schuld nog € 200.899,20 bedroeg. Dat bedrag was berekend inclusief rente. Daarmee heeft [appellante] die rente zelf aanvaard, aldus [geïntimeerde] .6.18. De stelling dat [appellante] zelf de verschuldigdheid van rente over de lening heeft aanvaard, wordt verworpen. Uit niets blijkt dat [appellante] toen al de wetenschap had dat [naam1] en [geïntimeerde] , in afwijking van de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011, waren overeengekomen dat alleen het bedrag in hoofdsom verschuldigd was en dat daarover geen rente berekend zou worden. [geïntimeerde] was vanwege die afspraak niet gerechtigd om aan [appellante] een bedrag voor te leggen waarin wel rente was berekend. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] [appellante] zou kunnen houden aan haar instemming met het door de holding in strijd met die afspraak berekende bedrag van de openstaande schuld. Zij is dus geen rente verschuldigd over het bedrag in hoofdsom.\n\n [geïntimeerde] dient aan [appellante] terug te betalen van wat onder het beslag uitgewonnen is\n\n6.19. De slotsom uit het vorenstaande is dat de veroordeling van [appellante] om een geldbedrag te betalen aan [geïntimeerde] zal worden vernietigd. Daaruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van geldbedragen die onder het executoriale beslag zijn uitgewonnen, slaagt. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat tot die verplichting tot terugbetaling niet behoort het bedrag van € 25.000 dat [appellante] op 1 juni 2021 aan [geïntimeerde] heeft betaald. De terugbetaling van dat bedrag is al bij de rechtbank gevorderd en afgewezen en daartegen heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.\n\nbewijsaanbiedingen\n\n6.20. \n\nPartijen hebben over en weer bewijs aangeboden van hun stellingen door het horen van getuigen.\n\n [appellante] heeft aangeboden [geïntimeerde] te horen over de stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Aan dat aanbod gaat het hof voorbij. [appellante] heeft in dit verband geen concreet te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld waarover [geïntimeerde] als getuige kan verklaren.\n\nVoor het overige hebben de aanbiedingen van partijen geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien zij zouden komen vast te staan, leiden tot een ander oordeel.\n\nslotsom\n\n6.21. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis in conventie zal om redenen van proceseconomie geheel vernietigd worden.\n\n6.22. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in hoger beroep, zal het hof bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).6.23. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1. vernietigt het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juni 2024, en beslist:\n\n7.2. verklaart voor recht dat tussen partijen de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is, met dien verstande dat: a) over het uitgeleende bedrag geen contractuele rente verschuldigd is; b) de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag pas opeisbaar is bij verkoop van het project; c) de omvang van die verplichting nader wordt bepaald door wat partijen daarover aanvullend hebben afgesproken in de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021;\n\n7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al wat door haar is betaald aan [geïntimeerde] op grond van het door [geïntimeerde] onder haar gelegde executoriale beslag;\n\n7.4. verklaart deze veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;7.5. wijst af wat meer of anders is gevorderd;7.6. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, in beide instanties. Voor de procedure bij de rechtbank geldt deze beslissing alleen voor de procedure in conventie.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n23 december 2025.\n\n Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8616","ecli-nl-gharl-2025-8616",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]