Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2026:1345

Instanță

Arnhem

Data

5 March 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.355.854

(rechtbank Gelderland toezichtnummer: NL:TZ:000030055l:B001 en CBM-nummer: BM85435)

beschikking van 5 maart 2026

inzake

[verzoeker1],

verder te noemen: [verzoeker1] ,

en

[verzoekster2],

verder te noemen: [verzoekster2] ,

beiden wonende in [woonplaats1] (gemeente [gemeentenaam] ),

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk ook te noemen: de bewindvoerders,

advocaat: mr. G.D. te Biesebeek.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende1],

wonende in [woonplaats2] (gemeente [gemeentenaam] ),

verder te noemen: de moeder.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, afdeling toezicht, locatie Zutphen (hierna: de kantonrechter), van 21 maart 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde toezicht- en CBM-nummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met bijlagen, bij het hof binnengekomen op 18 juni 2025.

2.2. De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de bewindvoerders en hun advocaat.

2.3. Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht namens de bewindvoerders van 16 december 2025 met een akte overlegging producties en de producties 18 tot en met 27.

3. De feiten

3.1. De moeder, geboren [in] 1943, is weduwe van [naam1] , die is overleden [in] 2024. [verzoeker1] was hun enig kind. [verzoekster2] is gehuwd met [verzoeker1] .

3.2. Bij beschikking van 3 juli 2023 zijn de goederen van de moeder ‘wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand’ onder bewind gesteld, waarbij [verzoeker1] en [verzoekster2] gezamenlijk zijn benoemd tot bewindvoerders. De moeder woont in een zorginstelling.

3.3. In het testament van [naam1] , gedateerd 25 oktober 2005, is de moeder tot enig erfgenaam benoemd. [verzoeker1] is uitgesloten van erfopvolging.

3.4. [verzoeker1] en de ouders waren ieder voor één/derde eigenaar van een perceel grond met woning en verdere aanhorigheden, in gezamenlijke eigendom gekregen ten titel van koop op 11 december 1990. [verzoeker1] was daarnaast nog eigenaar van een perceel grond. Op 23 januari 2025 zijn beide percelen geleverd aan een derde voor een bedrag van in totaal € 555.000,-.

3.5. Uit de nota van afrekening van de notaris van 23 januari 2025 blijkt dat na verrekening van de eigenaarslasten en de betaling van kosten verbonden aan de verkoop en levering van genoemde percelen € 15.000,- is overgemaakt aan [verzoeker1] als zijnde de verkoopprijs voor zijn perceel grond en € 177.228,30 voor zijn (een derde) eigenaarsgedeelte van het andere perceel en aan de moeder € 354.456,58 voor haar (twee derde) eigenaarsgedeelte. Dit (twee derde) aandeel van de moeder is samengesteld uit haar aandeel (een derde) en haar erfdeel in de nalatenschap van [naam1] (ook een derde).

3.6. Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 8 februari 2025, hebben de bewindvoerders de kantonrechter verzocht om hen een machtiging te verlenen voor uitbetaling van een vordering die [verzoeker1] had op zijn ouders en na het overlijden van [naam1] dus (alleen op) de moeder heeft. Kort gezegd ligt aan deze vordering de stelling ten grondslag dat [verzoeker1] als enig deelgenoot in de jaren 1990 tot en met 2023 de hypotheeklasten, vaste lasten en verbouwingskosten van de gezamenlijke woning volledig heeft betaald. De ouders hebben niet daarin volgens [verzoeker1] in het geheel niet bijgedragen. [verzoeker1] vordert van de moeder als deelgenoot twee/derde van het door hem betaalde terug.

4. De omvang van het geschil

4.1. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het in 3.6 genoemde verzoek afgewezen.

4.2. De bewindvoerders zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat [verzoeker1] een vordering op de moeder heeft van € 354.456,58, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, waarbij de bewindvoerders worden gemachtigd om dit bedrag aan [verzoeker1] in persoon uit te keren.

5. De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?

5.1. Op grond van artikel 1:441 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) draagt de bewindvoerder zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

Op grond van het tweede lid van artikel 1:441 BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor een aantal, in die bepaling onder a tot en met f genoemde handelingen.

Het standpunt van [verzoeker1] in persoon en de bewindvoerders

5.2. [verzoeker1] stelt dat hij een vordering op de moeder heeft, omdat hij als enige deelgenoot alle financiële lasten van de gezamenlijke woning vanaf de levering in 1990 tot de overdracht in 2025 heeft gedragen. Ten tijde van de levering in 2025 was de woning niet meer belast met een (hypothecaire) lening. [verzoeker1] stelt dat hij de koopsom in de loop der jaren volledig heeft voldaan, enerzijds door ten tijde van de aankoop uit eigen middelen een deel van de koopsom te voldoen en deze later volledig af te lossen. Daarnaast heeft hij al die jaren alle hypothecaire lasten van de woning, zoals de rentebetaling volledig voor zijn rekening genomen. De ouders genoten zelf wel voor twee/derde gedeelte hypotheekrenteaftrek van de door hem betaalde rente, terwijl ze feitelijk geen rente betaalden omdat [verzoeker1] die voldeed. Daarnaast heeft hij de onroerend goedbelasting telkens betaald en ook alle andere eigenaarslasten, zoals de kosten voor gas, water en licht. De woning is destijds verbouwd en ook de gemaakte verbouwingskosten heeft hij als enige volledig voor zijn rekening genomen. [verzoeker1] stelt dat hij ten behoeve van de ouders op grond van dit alles in totaal een bedrag van € 234.627,- heeft voldaan. In hoger beroep vindt [verzoeker1] dat gezien de bijzondere omstandigheden van het geval hem echter een bedrag van € 354.456,58 toekomt, zijnde het (twee/derde) deel van de verkoopopbrengst van de woning dat aan de moeder is uitgekeerd, omdat ook sprake is (geweest) van waardestijging als gevolg van de door hem gedane investeringen.

5.3. [verzoeker1] stelt dat hij er altijd van uit is gegaan dat hij na het overlijden van zijn ouders de woning zou erven en de voldane bedragen op die manier terug zou (kunnen) krijgen. Nu uit het testament van de vader (en de moeder) is gebleken dat hij onterfd is, is (ook juridisch) sprake van een andere situatie dan waar hij al die jaren van uit is gegaan en heeft mogen gaan en maakt hij jegens de ouders als de andere twee deelgenoten in het gemeenschappelijke onroerend goed aanspraak op terugbetaling van genoemd bedrag.

[verzoeker1] vindt dat zijn vordering dient te worden beoordeeld op grond van het feit dat hij uit hoofde van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) recht heeft op vergoeding van de door hem gedane uitgaven welke ten gunste zijn gekomen van zijn ouders/de moeder. Tot slot vormen de eisen van redelijkheid en billijkheid een grondslag uit hoofde waarvan aan hem een vergoedingsrecht toekomt, aldus [verzoeker1] . Net als bij informeel samenlevenden bestaat er tussen hem en zijn ouders een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst, aldus [verzoeker1] .

De bewindvoerders verzoeken daarom het hof hen te machtigen een bedrag van € 354.456,58 dan wel een ander door het hof vast te stellen bedrag aan [verzoeker1] in persoon uit te keren.

Wat oordeelt het hof?

5.4. Het hof constateert allereerst dat [verzoeker1] in deze zaak een conflicterend belang heeft, omdat hij stelt in privé een vordering te hebben op de moeder en tegelijkertijd is hij samen met [verzoekster2] als bewindvoerder de wettelijke vertegenwoordiger van de moeder in deze zaak, hetgeen tot gevolg heeft dat de moeder geen verweer heeft gevoerd. Het hof voelt zich daarom ter bescherming van de onder bewind gestelde ambtshalve geroepen zich uit te laten over de vraag of de door [verzoeker1] gestelde vordering (deels) is verjaard.

5.5. Op grond van artikel 6:203 BW kan een onverschuldigde betaling van de ontvanger worden teruggevorderd. [verzoeker1] stelt niet dat hij onverschuldigde betalingen aan de ouders heeft verricht, maar dat hij betalingen ten behoeve van de ouders, dan wel de moeder heeft verricht. Het hof verstaat dat [verzoeker1] zijn vordering grondt op ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking dient vast te staan dat sprake is van verrijking bij de een en van verarming bij de ander en dat tussen de verarming en de verrijking voldoende (causaal) verband bestaat. De verrijkte is dan gehouden tot het betalen van schadevergoeding tot het bedrag van zijn verrijking voor zover dat redelijk is. [verzoeker1] heeft vanaf de aankoop van de woning buitengewoon nauwgezet bijgehouden welke betalingen hij ten behoeve van de onroerende zaak en dus van de ouders heeft verricht en op basis van de op verzoek van het hof door [verzoeker1] en [verzoekster2] overgelegde stukken over de jaren 1990 tot en met 2025 (waaronder bankafschriften, facturen en belastingaangiften) is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat door [verzoeker1] ten behoeve van zijn ouders betalingen zijn verricht voor hypotheeklasten, vaste lasten en verbouwingskosten voor een bedrag van € 234.627,-. Daardoor hebben de ouders zich deze kosten bespaard en aldus zijn ze verrijkt en als [verzoeker1] die kosten niet voor zijn rekening had genomen, zouden de ouders die kosten zelf hebben gemaakt of waren verplicht die te maken.

5.6. De vordering op grondslag van ongerechtvaardigde verrijking betreft een vorm van schadevergoeding. De verjaring van deze vordering is geregeld in artikel 3:310 lid 1 BW en de verjaringstermijn bedraagt vijf jaren, te rekenen vanaf, kort gezegd, het tijdstip dat de benadeelde (hier: [verzoeker1] ) bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (hier: de ouders/de moeder). Uit het dossier blijkt dat [verzoeker1] al langere tijd wist (in elk geval vanaf het moment dat hij [verzoekster2] leerde kennen in 2001) dat hij betalingen verrichtte ten behoeve van zijn ouders. Naar het oordeel van het hof is van verjaring echter geen sprake. [verzoeker1] is er al die jaren van uit gegaan dat hij de woning zou erven en op die manier de betaalde bedragen terug zou krijgen. Pas na het bekend worden van het testament van de vader medio 2024 is [verzoeker1] gebleken dat het anders is gelopen. Naar het oordeel van het hof is [verzoeker1] pas toen bekend geworden met de (omstandigheid dat) schade (is ontstaan) en de aansprakelijkheid van de ouders en is van verjaring dus geen sprake. Maar ook als dat niet zo is en het grootste gedeelte van zijn vordering wel is verjaard, passeert het hof een mogelijk beroep op verjaring omdat dit beroep in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 BW). Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken komt een beeld naar voren dat de ouders toen zij samen met [verzoeker1] de woning aankochten, afhankelijk waren van de financiële steun door [verzoeker1] . De vader heeft volgens [verzoeker1] toen hij dertig jaar was een ongeluk gehad en hij heeft vanaf dat moment een bijstandsuitkering ontvangen. Uit de overgelegde belastingaangiften 2007, 2012 en 2014 blijkt ook dat de vader naast zijn AOW-uitkering nauwelijks pensioen ontving (in 2007 € 3.015,-). De moeder ontving in 2007 aan pensioen € 11.269,- en nog geen AOW-uitkering. In 2012 ontving zij nog een pensioen van € 3.132,- naast een AOW-uitkering. Het komt het hof aannemelijk voor dat de financiële situatie van de ouders ertoe heeft geleid dat er destijds een situatie is ontstaan, waarin werd verwacht dat [verzoeker1] - die een zeer goed inkomen had, geen relatie had en enig kind is - alle kosten met betrekking tot de gezamenlijke woning diende te voldoen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder kennelijk de boekhouding deed en zij ook een tweede pinpas van [verzoeker1] beheerde en daarmee contanten opnam waarvan later toen [verzoeker1] haar daarmee confronteerde werd gezegd dat dit kostgeld was, terwijl [verzoeker1] al alle kosten met betrekking tot de woning voldeed. Het besef dat hij alles betaalde, kwam voor [verzoeker1] toen [verzoekster2] de boekhouding van de moeder overnam. De relatie met [verzoekster2] zorgde ervoor dat de verstandhouding tussen [verzoeker1] en de ouders verslechterde. Uit het dossier blijkt dat de ouders destijds bij de notaris zijn geweest om te bespreken wat de mogelijkheden waren om het aandeel van [verzoeker1] in de woning over te nemen, omdat de relatie met [verzoeker1] op dat moment veel te wensen overliet door met name de partnerkeuze van [verzoeker1] . Het hof acht het aannemelijk dat gelet op de verslechterde onderlinge relatie [verzoeker1] zijn vordering op de ouders niet met hen bespreekbaar kon maken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de ouders in 2005 toen [verzoeker1] en [verzoekster2] de woning verlieten, niet wilden meewerken aan de verhuur van de zelfstandige leefruimte op de eerste verdieping waar zij hebben gewoond terwijl [verzoeker1] ook in de jaren daarna alle lasten met betrekking tot de woning heeft voldaan. Daarbij komt dat [verzoeker1] op de zitting heeft verklaard dat hij altijd heeft gedacht dat uiteindelijk één en ander zou worden rechtgetrokken bij het overlijden van de ouders, want op het moment dat het huis is aangekocht hebben hij en de ouders alle drie testamenten gemaakt om alles na een overlijden van een van hen goed te regelen. Maar nadat in 2005 hun relatie met [verzoeker1] verslechterde hebben de ouders hun testamenten gewijzigd en hebben zij [verzoeker1] onterfd. Vlak na het overlijden van de vader in 2024 heeft [verzoeker1] kennisgenomen van het gewijzigde testament van de vader. De moeder heeft eenzelfde testament, waarin [verzoeker1] dus ook onterfd is. De moeder is vanwege haar geestelijke gesteldheid niet meer in staat om een nieuw testament te laten opstellen, zo zij daartoe al de wens zou hebben. Dit maakt dat voor [verzoeker1] er geen andere mogelijkheid is dan middels deze procedure alsnog aanspraak te maken op zijn vordering. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden [verzoeker1] in redelijkheid ervan uit kon gaan dat zijn vordering op de ouders later zou worden ‘rechtgetrokken’. Onder die omstandigheden acht het hof een beroep op verjaring van de vordering tot een bedrag dat door [verzoeker1] ten behoeve van de ouders is betaald, zoals gezegd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit betekent dat het hof aan de bewindvoerders dan ook machtiging zal verlenen voor betaling van de vordering tot een bedrag van € 234.627,- uit het vermogen van de moeder aan [verzoeker1] ter zake ongerechtvaardigde verrijking. Naar het oordeel van het hof is de hoogte van de vordering van [verzoeker1] voldoende gebleken uit de op verzoek van het hof overgelegde bescheiden en de daarop gegeven toelichting, waaronder begrepen de door [verzoeker1] gedane betalingen en de inkomensgegevens van [verzoeker1] en de ouders over de aan de orde zijnde jaren.

5.7. Het hof ziet geen aanleiding de vordering tot een hoger bedrag toe te wijzen, enkel en alleen omdat gebleken is dat sprake is geweest van een waardestijging van de woning, mogelijk mede als gevolg van alle door [verzoeker1] voldane bedragen. Uitgangspunt is dat [verzoeker1] aanspraak heeft op het bedrag van de verrijking aan de zijde van de ouders en dat omvat naar het oordeel van het hof niet zonder meer een waardestijging van een onroerende zaak. Dat kan onder bijzondere omstandigheden wellicht anders zijn, maar die zijn in deze zaak niet althans onvoldoende gesteld en zijn het hof overigens ook niet gebleken.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 21 maart 2025, en opnieuw beschikkende:

verleent de bewindvoerders machtiging voor het doen van een betaling van een bedrag van € 234.627,- uit het vermogen van de moeder aan [verzoeker1] ter zake ongerechtvaardigde verrijking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en M.E.L. Klein, en is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.

Mai Multe Decizii