[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-3679":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-3679":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1145","ECLI:NL:GHARL:2026:3679","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.679\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11671308\n\nbeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nAlfa Laval Nijmegen B.V.\n\ndie is gevestigd in Nijmegen\n\nhierna: ALN\n\nadvocaat: mrs. S.A. Poelman en C. Jacobs\n\nen\n\n [verweerder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [verweerder]\n\nadvocaat: mr. R.K.A. Kop\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. ALN heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 24 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel appel\n\nhet verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel appel\n\n1.2.. Op 29 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.\n\n2.2.. ALN heeft bij de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege bedrijfseconomische redenen (artikel 7:699 lid 3 sub a BW, a-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW, g-grond).\n\n2.3.. \n [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. Omdat hij van mening is dat ALN bij de reorganisatie en het voorgenomen ontslag ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij de kantonrechter (ook) verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en daarbij te bepalen dat hem een billijke vergoeding wordt toegekend wegens het onterechte ontslag. Verder maakt hij aanspraak op de transitievergoeding, betaling van nakoming van de vergoedingen uit het Sociaal Plan, vergoeding van de juridische kosten, een opzegtermijn van drie maanden, vergoeding voor pensioenschade en opheffing van het concurrentie- en relatiebeding.\n\n2.4.. De kantonrechter heeft het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond afgewezen. Volgens de kantonrechter heeft ALN voldoende aangetoond dat zij op grond van bedrijfseconomische redenen genoodzaakt was haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen kwamen te vervallen. Maar ALN heeft onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] als gevolg van de reorganisatie moest komen te vervallen, nu zij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast. Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is afgewezen omdat volgens de kantonrechter geen sprake is van een ernstige en duurzame verstoorde arbeidsrelatie, waarvan geen herstel mogelijk is. ALN heeft te weinig gedaan om tot een oplossing van de (volgens haar) verstoorde arbeidsverhouding te komen.\n\n2.5.. \n\nHet tegenverzoek van [verweerder] is toegewezen op grond van artikel 7:671c BW. In zo’n geval is de werkgever\u002FALN de transitievergoeding alleen verschuldigd als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Voor de toekenning van een billijke vergoeding geldt hetzelfde. De kantonrechter is van oordeel dat ALN niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding of een billijke vergoeding.\n\nDe overige tegenverzoeken zijn afgewezen, behalve het verzoek met betrekking tot het concurrentie- en relatiebeding. De kantonrechter heeft zijn oordeel over de pensioenschade aangehouden, omdat [verweerder] had verzocht de gelegenheid te krijgen zijn verzoek in te trekken als aan de ontbinding geen billijke vergoeding zou worden verbonden. [verweerder] heeft zijn tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken, zodat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven en eventueel geleden pensioenschade niet meer aan de orde is gekomen.\n\n2.6.. De bedoeling van het principaal hoger beroep van ALN is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen en dat het hof een tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (mocht de arbeidsovereenkomst worden ontbonden) van [verweerder] heeft betrekking op de vergoedingen waar hij ook in zijn tegenverzoek bij de kantonrechter om had verzocht (zie 2.3.). Bovendien heeft hij verzoeken gedaan die betrekking hebben op loonsverhoging en verlofdagen.\n\n2.7.. Het hof zal bepalen dat het principaal hoger beroep van ALN slaagt en het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. Het vonnis van de kantonrechter blijft dus niet in stand. De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026. De grond voor die beëindiging is het vervallen van de arbeidsplaats vanwege bedrijfseconomische redenen (de a-grond). De verzoeken van [verweerder] zullen worden afgewezen. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nachtergrond van het geschil\n\n3.1.. ALN maakt onderdeel uit van de wereldwijde Alfa Laval groep. ALN legt zich toe op de ontwikkeling, verkoop en productie van inert gas systems (IGS) en exhaust gas systems (EGS) voor toepassingen in de maritieme sector. De activiteiten van ALN behoren binnen de Alfa Laval groep tot de Business Unit Heat & Gas Systems (BU HGS), onderdeel van de binnen de groep te onderscheiden Divisie Marine Business. ALN dient daarbij ook als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS.\n\n3.2.. Op 17 november 2014 is [verweerder] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Process System Engineer tegen een maandsalaris van € 6.042,28 bruto.\n\n3.3.. Op 12 september 2024 is door ALN (in de persoon van Managing Director [naam1] ) een adviesaanvraag voor een reorganisatie ingediend bij de Ondernemingsraad. Daarin staat het voornemen om de aan IGS gerelateerde activiteiten geheel te staken en de aan EGS gerelateerde activiteiten vanuit de onderneming in Denemarken (Aalborg) en China (Qingdao) te verrichten. ALN zou dan enkel nog als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS blijven voortbestaan, waardoor ruim 50 arbeidsplaatsen binnen ALN vervallen.\n\n3.4.. Op 26 september 2024 heeft ALN een melding in de zin van de Wet melding collectief ontslag gedaan. De Ondernemingsraad heeft op 30 oktober 2024 een positief advies uitgebracht en heeft het Sociaal Plan ondertekend.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 heeft ALN voor 51 boventallige werknemers, onder wie [verweerder] , een voorlopige ontslagaanvraag (formulier A) ingediend bij het UWV. Op 29 oktober 2024 zijn individuele gesprekken gevoerd met alle werknemers van wie de arbeidsplaats zou komen te vervallen.\n\n3.7.. \n [verweerder] heeft op 31 oktober 2024 verder gesproken met [naam2] (Manager System Development) en [naam3] (HR Business Partner). In dat gesprek zijn de gevolgen van de reorganisatie, waaronder herplaatsing, aan bod gekomen en heeft [verweerder] nog specifieke vragen gesteld, die de advocaat van ALN per mail van 6 november 2024 heeft beantwoord. Ook heeft de afdeling HR van ALN op die datum per e-mail drie vacatures gestuurd aan alle medewerkers die door de reorganisatie hun functie zouden verliezen. [verweerder] heeft over deze vacatures vragen aan ALN gesteld, waarna een gesprek met HR van ALN heeft plaatsgevonden.\n\n3.8.. Op 14 november 2024 vond een gesprek plaats tussen de recruiter van ALN, [naam4] en [verweerder] , naar aanleiding van een door [verweerder] getoonde interesse in de vacante functie van Process Engineer (Service). Na afloop van het gesprek heeft [verweerder] [naam4] per e-mail laten weten dat hij over de functie zal nadenken en in dat verband gevraagd of de nieuwe functie onder zijn bestaande contract wordt voortgezet of dat er opnieuw over salaris en arbeidsvoorwaarden moet worden onderhandeld.\n\n3.9.. \n [naam5] (HR Business Partner ALN) heeft [verweerder] op 18 november 2024 aanvullende informatie over de functie van Process Engineer (Service) verstrekt en aangegeven dat de werkzaamheden minder complex zouden zijn dan de (vervallen) functie van [verweerder] en de functie daardoor ook lager was ingeschaald en dat de inschaling de komende jaren niet zou worden verhoogd. Op 20 en 21 november 2024 hebben [naam5] en [verweerder] hierover via Teams gesproken. [verweerder] gaf aan door de verandering in het operationele takenpakket en het lagere salaris te twijfelen of hij wel formeel zou gaan solliciteren. [verweerder] heeft uiteindelijk niet (meer) gesolliciteerd.\n\n3.10.. \n\nDe organisatiewijzigingen binnen ALN zijn per 1 december 2024 geëffectueerd.\n\nDaarbij is boventallige werknemers gevraagd om nog enige tijd werkzaamheden te blijven verrichten.\n\n3.11.. Op 12 december 2024 heeft [naam5] via de advocaat van [verweerder] een nieuwe vacature voor de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty onder de aandacht gebracht. [verweerder] heeft niet op deze vacature gereageerd.\n\n3.12.. Het UWV heeft op 7 februari 2025 op de ontslagaanvraag beslist. Volgens het UWV heeft ALN aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische redenen om arbeidsplaatsen te laten vervallen, maar zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat daarmee specifiek de arbeidsplaats van [verweerder] komt te vervallen. Door deze onduidelijkheid heeft het UWV niet kunnen vaststellen of het afspiegelingsbeginsel – en daarmee de ontslagvolgorde – juist is toegepast bij de voordracht van het ontslag. Het UWV heeft ook de herplaatsingsinspanningen van ALN onvoldoende geacht. Van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is volgens UWV geen sprake en het UWV heeft dan ook de toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen geweigerd.\n\n3.13.. \n [naam5] heeft vervolgens in een e-mail van 14 maart 2025 [verweerder] voor een herplaatsingsgesprek op 17 maart 2025 uitgenodigd. Zij heeft als bijlage bij dit e-mailbericht een overzicht van alle (circa 392) vacatures binnen de groep van Alfa Laval gevoegd. Ook heeft zij nog de vacatureteksten van vier binnen deze groep openstaande vacatures gevoegd, omdat zij meende dat deze gelet op de huidige rol van [verweerder] passend waren. [naam5] heeft [verweerder] verzocht om alvast na te denken over zijn herplaatsingsvoorkeuren, zoals een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn te verhuizen.\n\n3.14.. \n [verweerder] heeft in zijn e-mailbericht van 20 maart 2025 aan [naam5] (met cc aan [naam1] ) gereageerd op de ontvangen notulen van dit gesprek. Hij heeft niet, zoals ALN hem had verzocht, de gehele lijst van 392 vacatures van de internationale Alfa Laval organisatie doorgenomen omdat herplaatsing volgens hem de verantwoordelijkheid van de werkgever is en hij zijn eigen functie wil behouden wat dus niet met elkaar te rijmen is. Verder heeft hij laten weten geen interesse te hebben in de vier door ALN aangedragen functies, omdat het om typisch mechanical engineer functies gaat en hij geen diepgaande kennis van mechanische constructies heeft. Dit nog los van het feit dat dit functies in het buitenland zijn terwijl hij heeft besloten geen buitenlandse functies te accepteren, aldus [verweerder] .\n\n3.15.. \n [naam5] heeft in reactie hierop in haar e-mail van 25 maart 2025 [verweerder] nog gewezen op twee andere vacatures, die van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen). [verweerder] laat dezelfde dag weten onvoldoende interesse te hebben; hij geeft de voorkeur aan het behoud van zijn eigen functie.\n\n3.16.. Op 7 april 2025 is bij de rechtbank Gelderland het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnengekomen. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de kantonrechter in die rechtbank het verzoek afgewezen. Het verzoek tot ontbinding namens [verweerder] heeft de kantonrechter toegewezen, maar is door [verweerder] op 29 juli 2025 ingetrokken.\n\n3.17.. Op 17 april 2025 is [verweerder] verzocht zijn nog resterende taken, in overleg met [naam2] , af te ronden en over te dragen, waarna hij per 28 april 2025 zou worden vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.\n\n3.18. Op 21 augustus 2025 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] , [naam5] en [naam1] , waarin [verweerder] heeft verteld over ingrijpende gebeurtenissen in zijn privéleven. Ook heeft hij aangegeven dat de hele procedure rond de reorganisatie hem zwaar viel en hij spanningsklachten ervaarde. In dit gesprek heeft ALN de opties na de uitspraak van de kantonrechter met [verweerder] gedeeld (functie van ‘Process Engineer Service’, een vaststellingsovereenkomst, hoger beroep tegen uitspraak kantonrechter) en is over mediation gesproken. Over wat hierna is afgesproken verschillen partijen van mening. Volgens [verweerder] was het de bedoeling dat hij op 26 augustus 2025 weer op het werk zou verschijnen, maar [naam1] verkeerde in de veronderstelling dat hij had gezegd dat ALN en [verweerder] pas weer op 29 augustus 2025 verder zouden praten. Toen [verweerder] op 26 augustus 2025 verscheen is hem verzocht weer naar huis te gaan.\n\n3.19.. In een e-mail van 25 augustus 2025 van [naam5] aan [verweerder] heeft [naam5] , hoewel zij uit het gesprek van 21 augustus 2025 had begrepen dat [verweerder] geen belangstelling had voor de functie van Process Engineer Service, [verweerder] op zijn verzoek toch een functieomschrijving van deze vacante functie gestuurd. Verder schrijft [naam5] dat ALN nog heeft bezien of er alternatieve mogelijkheden voor herplaatsing voor [verweerder] zijn, maar dat die mogelijkheden ontbreken.\n\n3.20.. Als reactie hierop heeft [verweerder] in zijn e-mailbericht van 29 augustus 2025 aan [naam5] laten weten dat hij geen interesse heeft in deze ‘aanzienlijk lager ingeschaalde, niet passende functie’ (een operationele functie die te veel van zijn huidige functie afwijkt). Hij blijft beschikbaar voor zijn eigen functie van Senior Process System Engineer en is bereid die werkzaamheden met volle inzet weer op te pakken.\n\n3.21.. Tijdens het (vervolg)gesprek op 29 augustus 2025 hebben partijen overleg gevoerd over de in rov. 3.18. genoemde voorstellen van ALN. In dit gesprek tracht [verweerder] duidelijk te maken dat hij een functiewijziging niet zal accepteren als die niet passend is, maar dat hij wel bereid is gewijzigde werkzaamheden uit te voeren. [verweerder] heeft zijn bereidheid voor een mediation uitgesproken.\n\n3.22.. \n [verweerder] heeft zich per 8 september 2025 ziekgemeld.\n\n3.23.. In de weken nadien zijn partijen het eens geworden over het inzetten van mediation. De mediation heeft echter niet tot een oplossing tussen partijen geleid.\n\nbeoordeling\n\n3.24.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). ALN heeft aan haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] als gezegd primair bedrijfseconomische redenen ten grondslag gelegd (a-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair de combinatiegrond (i-grond).\n\nde beoordeling van de a-grond\n\n3.25.. ALN beroept zich primair op ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vanwege bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter heeft in rov. 4.8 van zijn bestreden vonnis geoordeeld dat, gelet op de ondernemingsvrijheid die ALN toekomt, ALN voldoende heeft toegelicht en onderbouwd hoe zij tot de uitgevoerde organisatiewijziging heeft kunnen komen. Ook zonder een verlieslatende situatie, die hier volgens de kantonrechter wel aan de orde is, mag een werkgever besluiten haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen komen te vervallen, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel zijn geen (principale\u002Fincidentele) grieven gericht, zodat vaststaat dat ALN op bedrijfseconomische redenen tot reorganisatie van de in rov. 3.3. van dit arrest genoemde onderdelen van ALN mocht overgaan. ALN is in hoger beroep wel opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat ALN onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] is komen te vervallen (rov. 4.14). ALN heeft volgens de kantonrechter niet alleen onvoldoende onderbouwd toegelicht waarom deze arbeidsplaats op grond van het afspiegelingsbeginsel moet komen te vervallen, maar ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de afspiegeling zijn wanneer bijvoorbeeld collega [naam6] buiten de categorie uitwisselbare functies zou vallen, zoals [verweerder] heeft bepleit.\n\n3.26.. Het hof is van oordeel dat ALN in hoger beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel op grond van de artikelen 11 en 13 van de Ontslagregeling correct is nageleefd en dat als gevolg van de reorganisatie binnen de door haar vastgestelde categorie uitwisselbare functies 'Process Engineer (Research & Development)' drie van de vijf arbeidsplaatsen komen te vervallen. Functies zijn uitwisselbaar als die (i) vergelijkbaar zijn wat betreft de inhoud en de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en (ii) gelijkwaardig zijn wat betreft het niveau en de beloning. Gezien de toelichting van ALN op de te vervallen functies samen met productie 1 van het beroepschrift en in combinatie met de overgelegde functieomschrijving voor een Senior System Engineer, heeft ALN de samenstelling van de categorie uitwisselbare functies ( [naam7] , [verweerder] , [naam6] , [naam8] en [naam9] ) voldoende onderbouwd. Daaruit volgt dat de arbeidsplaatsen van [naam7] , [verweerder] en [naam8] vervallen en de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] behouden blijven. Volgens [verweerder] hadden [naam6] (gelet op zijn mechanische aandachtsgebied) en [naam8] (gelet op zijn detachering) niet in de categorie uitwisselbare functies mogen worden opgenomen en [naam10] juist wel (verrichtte zelfde type werkzaamheden). ALN heeft haar keuze echter voldoende inzichtelijk toegelicht. [naam6] verrichtte als (Mechanical) Process Engineer werkzaamheden op het senior niveau met een gelijke beloning als de andere vier collega’s uit hetzelfde team onder leiding van [naam2] . Hoewel [naam6] over sterke capaciteiten beschikt die ALN aanduidt als ‘mechanical’, is hij net als zijn collega’s ook werkzaam aan de ‘process’-kant. Voor het hof is het goed te volgen dat ALN [naam6] binnen de Service afdeling in Nijmegen wilde behouden, gelet op zijn ‘mechanical’ inbreng wat als meerwaarde wordt beschouwd voor ALN als service-onderdeel van het concern. [naam8] was weliswaar gedetacheerd bij Alfa Laval Rotterdam B.V., maar zou terugkomen, wat bij gebrek aan budget ook is gebeurd. [naam10] is niet in de lijst opgenomen omdat hij binnen ALN weliswaar eenzelfde type werkzaamheden verrichtte als [naam7] , [verweerder] , [naam6] en [naam9] , maar dat deed hij op junior niveau en tegen een lager salaris, onder leiding van [naam9] . De uitwisselbare functies met [verweerder] zijn functies op senior niveau, zodat de keuze van ALN om [naam10] niet in deze categorie op te nemen goed te volgen is.\n\n3.27.. \n\n [verweerder] meent dat er nog meer haken en ogen aan het door ALN toegepaste afspiegelingsbeginsel zitten. ALN had de inzet van [naam11] als extern ingehuurde process engineer eerst moeten beëindigen alvorens het dienstverband met vaste werknemers ter discussie werd gesteld. ALN heeft daartegen onvoldoende weersproken ingebracht dat [naam11] een door haar ingehuurde uitzendkracht is, die tot augustus 2025 op een junior niveau en tegen veel lagere kosten – het hof begrijpt: op een lager salarisniveau – taken verrichtte, bovendien niet voor ALN maar voor de afdeling Air Lubrication en daarmee ten behoeve van een andere business unit, die buiten de reorganisatie valt.\n\nDe functies van [naam12] en [naam13] zijn volgens [verweerder] uitwisselbaar met zijn functie. ALN heeft voldoende toegelicht waarom dat in haar ogen niet zo is. [naam12] en [naam13] waren werkzaam op de afdeling Service en niet (zoals [verweerder] en de andere vier collega’s uit de lijst van ALN) op de afdeling Research & Development. Het is de keuze van de ondernemer (ALN) om deze functies onderdeel uit te laten maken van de afdeling Service.\n\nVolgens [verweerder] had [naam14] in de categorie uitwisselbare functies opgenomen moeten worden. Hij werkte net als [naam8] (die wel is opgenomen) vanuit de vestiging in Rotterdam als Process Engineer voor Air Lubrication.\n\nALN heeft in de procedure bij het UWV voldoende toegelicht dat werknemers van Alfa Laval Rotterdam die bij ALN op de payroll staan, maar buiten deze administratieve payrolldienstverlening geen binding hebben met ALN en géén arbeidsplaats binnen ALN hebben (anders dan [naam8] ), buiten de afspiegeling van ALN zijn gehouden. [naam14] is hier één van.\n\n3.28.. \n [verweerder] heeft nog naar voren gebracht dat ALN geen rekening heeft gehouden met paragraaf 1.3.2 van de uitvoeringsregels van het UWV, die voorschrijft dat in internationale situaties de werkgever de noodzaak tot het vervallen van arbeidsplaatsen moet onderbouwen. Volgens [verweerder] was dit nodig omdat de internationale afdeling System Development, waartoe hij behoort, juist opgericht was om uitwisselbaarheid van werknemers te creëren tussen Aalborg en Nijmegen.\n\n3.29.. \n\nHet hof gaat hier niet in mee. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat ALN een zelfstandige, nationale, bedrijfsvestiging is binnen de groep van Alfa Laval.\n\nDe werknemers die voor Alfa Laval Aalborg werkzaam zijn, zijn bij deze onderneming in dienst. Op een buitenlandse vestiging zoals die in Aalborg is het Nederlands\n\nrecht niet van toepassing. Tegen deze overweging van de kantonrechter is bovendien niet door [verweerder] gegriefd.\n\n3.30.. \n\nHet hof is verder van oordeel dat de situatie niet anders wordt als bijvoorbeeld [naam6] (als hem bijvoorbeeld een unieke functie zou zijn toebedeeld) uit de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou vallen, zoals [verweerder] heeft betoogd met verwijzing naar een eigen afspiegelingsberekening.\n\nVolgens ALN zou [naam6] zonder meer in de nieuwe organisatie terugkeren omdat zijn ‘mechanical’ expertise voor de nieuwe serviceafdeling van groot belang is. Binnen de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou in dat geval sprake zijn van vier arbeidsplaatsen, waarvan dan binnen ALN één arbeidsplaats zou\n\nresteren. Omdat [naam6] dan beschikbaar blijft, hoeven er niet twee arbeidsplaatsen voor als process engineers over te blijven binnen Research & Development. Binnen die categorie zouden dus alsnog drie arbeidsplaatsen komen te vervallen. ALN heeft dit voldoende inzichtelijk gemaakt met een bijbehorende afspiegelingsberekening die zij als productie 10 bij haar beroepschrift heeft overgelegd. Daaruit blijkt volgens het hof afdoende dat ook in het geval [naam6] uit de categorie uitwisselbare functies wordt gehaald, de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] overblijven en de arbeidsplaatsen van [verweerder] , [naam8] en [naam7] komen te vervallen.\n\n3.31.. Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond (de a-grond) aanwezig is. Vervolgens moet voor een geslaagd beroep op ontbinding beoordeeld worden of ALN voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.\n\nherplaatsing\n\n3.32.. \n\n [verweerder] stelt zich op het standpunt dat ALN tot 17 maart 2025 geen enkele herplaatsingsinspanning heeft verricht en de verantwoordelijkheid voor herplaatsing bij [verweerder] heeft neergelegd. Daarnaast zijn hem diverse passende vacatures niet aangeboden. [verweerder] noemt in dat verband (i) de vacature voor Senior Development Engineer die ontstond na het vertrek van [naam13] , (ii) de vacature voor Senior System Engineer in Aalborg (zijn feitelijke functie), die doelbewust buiten de officiële kanalen is gehouden, (iii) de functies van [naam15] en [naam16] , die beiden Senior Development Engineer zijn en vanuit Aalborg werken en (iv) de functie van [naam17] (Senior Development Engineer, Rotterdam).\n\n [verweerder] acht het verder onbegrijpelijk dat hem nooit de mogelijkheid is geboden zijn eigen functie, die naar de vestiging in Aalborg is verplaatst, vanuit Nijmegen of Aalborg voort te zetten.\n\n3.33.. Bij de beoordeling van de vraag of ALN heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste stelt het hof het volgende voorop. Volgens artikel 7:669 lid 1 BW is opzegging van de arbeidsovereenkomst, ook indien daarvoor een redelijke grond bestaat, slechts toegestaan indien herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Van de werkgever wordt een actieve, op de persoon van de werknemer gerichte benadering gevergd, die inhoudt dat hij de werknemer actief begeleidt, initiërend te werk gaat en eventuele belemmeringen voor nieuwe functies wegneemt. Het ligt op de weg van de werkgever om te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat hij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om de werknemer te herplaatsen. Ten minste zal een op de persoon van de werknemer gerichte poging tot herplaatsing moeten worden gesteld. Gezien artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling moeten, indien een onderneming tot een concern behoort, bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, mede arbeidsplaatsen in andere tot het concern behorende ondernemingen worden betrokken. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling). Toegespitst op de situatie van [verweerder] betekent het voorgaande dat ALN onderbouwd dient te stellen dat zij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om [verweerder] te herplaatsen op een passende functie.\n\n3.34.. Het hof oordeelt dat ALN dit voldoende heeft gedaan. Uit rov. 3.7. blijkt dat herplaatsing al eind oktober 2024 aan de orde is gesteld. Begin november 2024 heeft ALN drie vacatures aan alle medewerkers van ALN die bij de reorganisatie waren betrokken gestuurd. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de recruiter [naam4] en [verweerder] over de vacante functie van Process Engineer (Service). Nadat [verweerder] aanvullende informatie over deze functie van [naam5] had ontvangen en in vervolg daarop enkele dagen later met haar over de vacature\u002Ffunctie heeft gesproken, heeft [verweerder] , gelet op het takenpakket en het lagere salaris, besloten niet op deze functie te solliciteren. Op de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty, die [naam5] op 12 december 2024 onder de aandacht van de advocaat van [verweerder] heeft gebracht, heeft [verweerder] evenmin gereageerd. Dit bleek achteraf de functie te zijn van [naam13] . [verweerder] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gezegd, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit niet dezelfde functie was, gelet op een ander\u002Flager salarisniveau en vakgebied. Vaststaat dat [verweerder] al in het gesprek eind oktober 2024 met [naam1] en [naam5] heeft gezegd dat de functie van [naam13] hem wel wat leek. Ook [naam1] leek deze mening toegedaan omdat hij deze functie specifiek onder de aandacht van [verweerder] , [naam10] en [naam8] heeft laten brengen, zoals hij tijdens de zitting desgevraagd heeft toegelicht. Onder deze omstandigheden had van ALN een meer proactieve houding mogen worden verwacht, waarbij zij de advocaat van [verweerder] met meer nadruk op de vacante vacature had moeten wijzen nu [verweerder] eerder had aangegeven dat hij oren naar deze functie had. Anderzijds had van [verweerder] ook verwacht mogen worden dat hij met [naam5] contact had opgenomen over de inhoud van deze functie. In plaats daarvan heeft hij zelf de conclusie getrokken dat deze functie niets voor hem was.\n\n3.35.. Op 17 maart 2025 (nadat de UWV-procedure was afgerond) zijn partijen weer met elkaar om de tafel gaan zitten. In dat gesprek is aan [verweerder] gevraagd na te denken over een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn om voor de vervulling van zijn werkzaamheden te verhuizen. Volgens ALN heeft [verweerder] daarop geantwoord dat hij minimaal een gelijkwaardig salaris als zijn huidige salaris wil en dat verhuizen veel impact heeft en ook aan werk voor zijn vrouw moet worden gedacht. [verweerder] heeft dit onvoldoende weersproken. Voorafgaand aan het gesprek heeft ALN [verweerder] een lijst gestuurd met 392 openstaande vacatures, met de vraag of hij wilde onderzoeken op welke vacature hij zou willen reflecteren. Naar aanleiding van het antwoord van [verweerder] op de vraag naar zijn voorkeuren, heeft ALN de vacaturelijst nogmaals doorgenomen en [verweerder] geattendeerd op de daarop voorkomende functies van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen) als mogelijk passende functies en hem de vacatureteksten toegestuurd.\n\n3.36.. Zoals hiervoor (3.20) vermeld is op 21 augustus 2025 nog een andere vacante, mogelijk passende functie aangedragen, waarin [verweerder] geen interesse had.\n\n3.37.. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verweerder] naar voren gebracht dat hij voor de functie die [naam18] nu in Aalborg vervult in aanmerking had kunnen komen, omdat dit nu juist zijn eigen functie was (system engineer). Daarvoor is hij echter niet uitgenodigd. Desgevraagd heeft ALN bevestigd dat deze functie [verweerder] niet is aangeboden omdat [verweerder] had gezegd dat hij niet naar het buitenland wilde verhuizen. Ook heeft [naam1] bevestigd dat deze functie niet bij de lijst van 392 vacatures zat die in maart 2025 aan [verweerder] is gestuurd. Volgens [naam1] is dat niet bewust gedaan. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij deze functie goed vanuit Nederland had kunnen vervullen. Maar feit is nu eenmaal dat ALN heeft besloten dat deze functie vanuit Aalborg zou worden vervuld omdat zij de desbetreffende afdeling naar Aalborg had overgebracht. Bovendien kan [verweerder] de door ALN genoemde reden waarom zij hem niet op deze functie heeft geattendeerd niet plaatsen, omdat ALN hem wel vier andere vacante functies in het buitenland heeft toegestuurd. Het ging om twee functies in Denemarken en twee in China. Die waren overigens volgens hem niet passend omdat het mechanical engineer functies betroffen die buiten de business unit vielen (een ander vakgebied) waarin hij werkzaam is. Wat de beweegredenen van ALN op dat moment ook waren, als onweersproken staat vast dat [verweerder] heeft uitgesproken dat hij om persoonlijke redenen niet naar het buitenland wilde verhuizen.\n\nALN is tijdens de zitting ook nog ingegaan op de functies die [verweerder] hiervoor (zie 3.32) onder (iii) en (iv) heeft genoemd. ALN heeft de functies van [naam15] en [naam16] niet passend geacht omdat die vanuit het kenniscentrum in Aalborg worden verricht en [verweerder] te kennen heeft gegeven niet naar het buitenland te willen verhuizen. [naam17] vervult bij Alfa Laval Rotterdam een specialistische rol in ‘Air Lubrication’ en zij beschikt over een PhD van de TU Delft. [verweerder] heeft deze kennis en kunde niet, zodat ook deze functie niet passend is.\n\n3.38.. Van ALN kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor uiteengezette pogingen die zij heeft ondernomen om [verweerder] te herplaatsen, niet gezegd worden dat zij geen inspanningen op dat vlak heeft verricht. Die inspanningen acht het hof voldoende om tot het oordeel te komen dat ALN aan haar inspanningsverplichting om [verweerder] te herplaatsen heeft voldaan. ALN had weliswaar pro-actiever kunnen handelen bij de functie van [naam13] die zij aan de advocaat van [verweerder] had gestuurd, en niet duidelijk is geworden waarom de functie van [naam18] [verweerder] niet is aangeboden terwijl zij andere functies in het buitenland wel onder zijn aandacht bracht, maar daartegenover staat dat ALN zich in diverse langdurige gesprekken serieus de moeite heeft getroost [verweerder] te herplaatsen. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, heeft ook te maken met het feit dat [verweerder] niet open stond voor een functie die in het buitenland moest worden vervuld en die qua salaris niet minstens gelijk stond aan zijn huidige salaris en niet dezelfde complexiteit had. Bij het hof is het beeld ontstaan dat [verweerder] zich niet bereid heeft getoond om te opteren voor een andere functie dan die hij bekleedde, tenzij onder minstens vergelijkbare voorwaarden qua salaris en functie-inhoud. Dat is echter een verdergaande eis dan dat de functie aansluit bij zijn opleiding, ervaring en capaciteiten. Bovendien heeft [verweerder] diverse malen aangegeven een functie in het buitenland niet te ambiëren, omdat de sociale en financiële gevolgen te groot zijn. Indachtig deze voorkeuren heeft ALN serieus gezocht naar mogelijkheden en heeft zij op de persoon van [verweerder] gerichte pogingen gedaan om hem te herplaatsen.\n\neinde van de arbeidsovereenkomst\n\n3.39.. \n\nHet voorgaande leidt er toe dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de a-grond. Aan de beoordeling van de subsidiair aangevoerde ontslaggronden (de g-grond en de i-grond) komt het hof daarom niet meer toe.\n\nGelet op de gehele gang van zaken rondom het einde van de arbeidsovereenkomst, ziet het hof aanleiding om de arbeidsovereenkomst niet direct te laten eindigen en de einddatum te bepalen op 1 augustus 2026. Nu [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij recht op de wettelijke transitievergoeding. Het hof zal deze vergoeding toewijzen, maar kan de hoogte ervan niet berekenen omdat het hof niet over de benodigde gegevens beschikt voor de loonberekening. ALN zal [verweerder] niet houden aan de in de arbeidsovereenkomst neergelegde concurrentie en- relatiebedingen, zoals zij ook in hoger beroep heeft bevestigd. Het hof leest het dictum van het vonnis van de kantonrechter in samenhang met de overwegingen en constateert dan dat waar de kantonrechter spreekt over belemmerende bedingen, met name het relatie- en concurrentiebeding bedoeld worden en niet (bijvoorbeeld) het geheimhoudingsbeding. Daar blijft [verweerder] dus aan gebonden. In die zin is grief 7 overbodig.\n\nde verzoeken van [verweerder]\n\ngeen billijke vergoeding\n\n3.40.. Volgens [verweerder] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ALN. [verweerder] maakt ALN in dat verband een aantal verwijten. Hij verwijt ALN in het proces van de reorganisatie halsstarrig en tegen beter weten te blijven volharden in het ontslag van [verweerder] , terwijl hij meer dan eens heeft aangetoond dat er geen reden was voor ontslag. ALN heeft hem steeds meer onder druk gezet en heeft hem ten onrechte op non-actief gesteld. Hij heeft niet om zijn ontslag gevraagd, wilde dat ook helemaal niet krijgen en was al helemaal niet uit op een verstoorde arbeidsrelatie wat ALN hem nu voor zijn voeten werpt. Het kan volgens [verweerder] niet zo zijn dat ALN geen bedrijfseconomische reden heeft om hem te ontslaan, maar wel weg komt met een ontbinding zonder billijke vergoeding. Verder voert [verweerder] aan dat was afgesproken dat hij zijn werkzaamheden op 26 augustus 2025 zou hervatten, maar dat hij op die dag door [naam1] op een uiterst onplezierige en onterechte wijze naar huis is gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [verweerder] ook nog naar voren gebracht dat ALN onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft gepleegd.\n\n3.41.. Het hof volgt [verweerder] niet in zijn betoog. Gelet op wat hiervoor is overwogen, blijkt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond gerechtvaardigd acht. ALN heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot de reorganisatie die zij heeft doorgevoerd en zij heeft in hoger beroep voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij het afspiegelingsbeginsel juist heeft toegepast. Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] een bittere pil is dat na een lang dienstverband zijn functie is weggeorganiseerd en dat hij erg teleurgesteld is dat ALN nu ook een ontslag wegens een verstoorde verhouding in stelling brengt, maar dat betekent niet dat ALN hierin een ernstig verwijt, dat tot toekenning van een billijke vergoeding moet leiden, kan worden gemaakt. Het is het hof niet gebleken dat ALN de a-grond heeft geënsceneerd en\u002Fof een valse grond voor ontslag heeft aangewend met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. De maatstaf voor ernstig verwijtbaar handelen ligt echt veel hoger dan in de onderhavige situatie aan de orde is. Van moedwillig in strijd met de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst handelen of nalaten is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat geldt ook voor de non-actiefstelling op 17 april 2025 zoals [verweerder] dat noemt. Dat is niet direct juist, omdat hij per 28 april 2025 is vrijgesteld van werk met behoud van salaris, wat niet ongebruikelijk is bij een reorganisatie. In het gesprek van 21 augustus 2025 hebben partijen overlegd wanneer [verweerder] weer op het werk zou verschijnen. Daarover is blijkbaar een misverstand ontstaan (26 of 29 augustus 2025). Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] onprettig is geweest dat (en hoe) hij op 26 augustus 2025 door [naam1] weer naar huis is gestuurd, maar ook dit wegsturen kan niet als ernstig verwijtbaar handelen van ALN worden gekwalificeerd. Het verwijt van [verweerder] dat ALN niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, is onvoldoende onderbouwd zodat het hof daar aan voorbij gaat. Voor een billijke vergoeding is al met al geen plaats.\n\ngeen vergoeding pensioenschade\n\n3.42.. \n\n [verweerder] verzoekt om vergoeding van zijn pensioenschade van\n\n€ 163.941 als onderdeel van de billijke vergoeding maar ook op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Bovendien levert het beëindigen van zijn dienstverband (vooral als oudere werknemer) en hem laten zitten met pensioenschade strijd op met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). De schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 103.842 ten gevolge van gemiste premie-inleg door overgang naar de flat rate pensioenopbouw, vermeerderd met € 12.036 ten gevolge van een vrijwel zeker hogere eigen bijdrage bij een toekomstige werkgever, vermeerderd met € 16.718 gemiste premie inleg ten gevolge van een te verwachten langere periode van ziekte\u002Fwerkloosheid, vermeerderd met\n\n€ 31.346 ter compensatie van het fiscale nadeel dat een werknemer heeft bij eenmalige compensatie van deze schadebedragen tegen het hoogste belastingtarief.\n\n3.43.. Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van ALN met ontbinding tot gevolg. ALN heeft evenmin in het kader van de ontslagaanvraag als niet goed werkgever gehandeld. Ook overigens heeft [verweerder] te weinig gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is van onrechtmatig handelen dan wel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat pensioenschade moet worden vergoed. Het staat weliswaar vast dat de ontslagaanvraag door het UWV is afgewezen en dat de kantonrechter geen ontbinding op de a-grond heeft uitgesproken (vanwege het niet inzichtelijk maken van het afspiegelingsbeginsel), maar dat brengt niet mee dat sprake is van een van deze grondslagen. Als gezegd oordeelt het hof ook anders over de ontbinding dan het UWV en de kantonrechter. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt vanwege bedrijfseconomische redenen vormt op zichzelf onvoldoende grond voor vergoeding van pensioenschade. Omdat een grondslag voor de toekenning voor pensioenschade ontbreekt, zal dit verzoek worden afgewezen.\n\ngeen salarisverhoging\n\n3.44.. \n [verweerder] verzoekt ook om een verhoging van zijn salaris met 3%. Hij heeft per 1 januari 2025 slechts een verhoging van 1% gekregen en per 1 januari 2026 helemaal geen salarisverhoging. Die verhoging van 3% hebben zijn collega’s die niet in de reorganisatie waren betrokken, wel gekregen. [verweerder] heeft recht op een gelijke behandeling ten opzichte van zijn collega’s en dat recht wordt hem nu (reeds twee opvolgende jaren) onthouden. Het hof ziet dat anders. ALN heeft gemotiveerd onderbouwd waarom zij boventallige werknemers in 2025 niet geheel heeft willen uitsluiten, maar het voor salarisverhogingen beschikbare budget wel hoofdzakelijk heeft willen aanwenden voor de (niet boventallige) werknemers die geacht werden naar de toekomst toe voor ALN werkzaam te blijven. De keuze om boventallige werknemers per 1 januari 2025 een salarisverhoging van 1% te geven mocht ALN volgens het hof maken. Het gaat hier niet om gelijke gevallen en bovendien heeft ALN volgens het hof geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Anders dan [verweerder] stelt, heeft hij volgens ALN per 1 januari 2026 wél een salarisverhoging van 1% gekregen en dat is onweersproken gebleven.\n\nsociaal plan\n\n3.45.. \n [verweerder] wenst ook de outplacementvergoeding uit het Sociaal Plan en een retentiebonus over de door hem in 2025 gewerkte maanden te ontvangen. Dit verzoek zal worden afgewezen omdat ALN deze voorzieningen in het Sociaal Plan alleen toezegt aan boventallige werknemers met wie een vaststellingsovereenkomst is gesloten om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. [verweerder] heeft geen vaststellingsovereenkomst willen sluiten. [verweerder] heeft daarmee geen aanspraak op de outplacementvergoeding en evenmin op de retentiebonus.\n\ngeen vergoeding werkelijke advocaatkosten\n\n3.46.. Omdat [verweerder] zowel in het principaal als in het incidenteel appel in het ongelijk zal worden gesteld, heeft hij geen recht op vergoeding van zijn kosten. Volgens [verweerder] heeft hij ook bij verlies recht op vergoeding van (daadwerkelijke) advocaatkosten. Het hof ziet daarvoor geen grond nu ALN in het gelijk zal worden gesteld.\n\nvervallen van verlofdagen\n\n3.47.. \n [verweerder] wenst ten slotte een verklaring voor recht dat zijn wettelijke vakantiedagen over 2025 per 1 juli 2026 niet komen te vervallen. Omdat hij aan zijn verdediging in de juridische procedures heeft moeten werken heeft hij geen verlof kunnen opnemen. Het hof vindt dit een onvoldoende reden en zal de verklaring voor recht niet uitspreken. Het is de eigen keuze van [verweerder] geweest om geen vakantie op te nemen. Het hof wil zeker geloven dat [verweerder] veel tijd en werk heeft besteed aan zijn verdediging, maar het is uiteindelijk zijn eigen keuze geweest om geen vakantiedagen op te nemen.\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.48.. Het principaal hoger beroep van ALN slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Onder de kosten van het hoger beroep vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van deze uitspraak. Ook is ALN door de kantonrechter ten onrechte in de kosten veroordeeld en moet [verweerder] die terugbetalen.\n\n3.49.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen, voor zover dit hierna in onderdeel 4 (het dictum) is vermeld, ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\nin het principaal hoger beroep\n\n4.1.. bepaalt het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 augustus 2026;\n\n4.2.. veroordeelt ALN tot betaling van de wettelijke transitievergoeding aan [verweerder] ;\n\n4.3.. veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling van hetgeen ALN hem ter uitvoering van de betreden beschikking heeft betaald;\n\n4.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 2.580,- voor salaris van de advocaat van ALN (2 punten x tarief II).\n\nin het incidenteel hoger beroep\n\n4.5.. verwerpt het beroep van [verweerder] ;\n\n4.6.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van ALN (1 punt x tarief II).\n\nin het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\n4.7.. verklaart de proceskostenveroordeling in het principaal hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.9.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, R. Verkijk en R.J.A. Dil en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3679","ecli-nl-gharl-2026-3679",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]