[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-401":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-401":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"896","ECLI:NL:GHARL:2026:401","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-01-22T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003917-25\n\nUitspraakdatum: 22 januari 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2025 met parketnummer 16-160266-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-091091-21, in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ( [land] ),\n\nop dit moment verblijvende in [instelling] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nHet hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:\n\nhet niet-ontvankelijk verklaren van verdachte in het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 2;\n\nbevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 467 dagen, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege (hierna genoemd als tbs met dwangverpleging) van ongemaximeerde duur; en\n\ntoewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Bruns, hebben aangevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep feit 2\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak van feit 2.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:\n\nvrijspraak van feit 2;\n\nbewezenverklaring van de feiten 1 primair en 3;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van tbs met dwangverpleging;\n\nafwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging; en\n\nonttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.\n\nHet hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd ten aanzien van feit 2. Aan verdachte is – voor zover nog in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, te steken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) te maken;\n\nfeit 3\n\nhij op of omstreeks 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht en tegen de hals\u002Fnek te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsmiddelen\n\nHet hof past de volgende bewijsmiddelentoe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof kan zich in het grootste deel van de bewijsmiddelen van de rechtbank vinden. Het hof heeft zich daarom bij de gebruikte bewijsmiddelen zoveel mogelijk aangesloten bij de bewijsmiddelen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\n1. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik op 11 mei 2024 op de [straatnaam 1] in [plaats] was met de scooter en dat aangever [aangever] daar ook was. Ik liep naar de coffeeshop toe. Ik heb aangever ergens bij de coffeeshop gezien. Aangever was uit zijn auto en rende naar zijn auto. Ik stond met mijn scooter op de parkeerplaats bij de uitgang van de parkeerplaats. Hij reed om mij heen. Ik ben naar hem toe gerend.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgenomen op pagina 32 en 33 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVanavond (het hof begrijpt: 11 mei 2024)zat ik met mijn vriendin en schoonzusje in mijn auto. Wij stonden op de parkeerplaats naast de coffeeshop geparkeerd op de [straatnaam 2] (het hof begrijpt: in [plaats] ). Ik zag dat de man naar ons toe kwam rijden op een scooter. Ik zag dat hij naar mijn bestuurderszijde aangereden kwam waar ik zat. Ik zag dat hij een mes pakte vanuit zijn broek. Ik zag dat hij hem met zijn rechterhand trok en meteen een stekende beweging in mijn richting maakte. Ik zag dat hij op dat moment praktisch tegen mijn portier aanstond. Gelukkig had ik mijn auto stationair lopen waardoor ik meteen gas gaf om weg te kunnen vluchten. Daardoor kon ik erger voorkomen, want anders had het mes mij zeker geraakt. Ik kan het mes als volgt omschrijven: groot keukenmes, lemmet ongeveer 18 à 20 centimeter.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever] , opgenomen op pagina 35 en 36, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVan mijn auto waren de ramen van de bestuurder en die van de passagier naast de bestuurder geopend. De deuren waren gesloten. De man (het hof begrijpt: verdachte) stond aan de bestuurderskant en leunde met zijn rechterheup tegen de middenstijl van de auto. Dat is ongeveer ter hoogte van de gordel van de bestuurder. Ik schrok dat hij zo dichtbij stond. Hij trok het mes ergens bij zijn broeksband vandaan. Vervolgens maakte hij met het mes een stekende beweging richting mij. Deze beweging was een rechte beweging waarbij de man zijn arm strekte en dus met de punt van het mes richting mij stak. Het mes stak hij door de opening van het raam die ontstaan was omdat ik mijn raam naar beneden had. Hij kon maar één stekende beweging maken, omdat ik vervolgens meteen vol gas kon geven om we te rijden. Ik zag wel in de spiegel dat hij op zijn scooter stapte en achter ons aan wilde rijden.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :\n\nVraag van de raadsvrouw van verdachte: We hebben camerabeelden van de parkeerplaats in het dossier zitten. Daarop is te zien dat u lopend weggaat bij de auto, maar dat u even later terug naar de auto rent. Waarom rende u?\n\nAntwoord getuige: Ik herkende hem (het hof begrijpt: verdachte). Ik heb eerder een voorval met hem gehad. Ik wilde daar gewoon weg. Hij stond bij de uitgang met een scooter. Ik reed richting de uitgang, want dat is de enige uitgang van de parkeerplaats. Ik rijd weg en hij volgt met de scooter. Ik moest stoppen voor het verkeer. Ik zag hem op een gegeven moment naast mij staan. Hij stak de auto in en ik gaf toen een beste berg gas.\n\n5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige1] , opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige1] :\n\nOp 11 mei 2024 was ik samen met mijn vriend [aangever] en mijn zusje [getuige2] op pad in de auto van [aangever] . [aangever] bestuurde het voertuig, ik zat op de bijrijdersstoel en mijn zusje [getuige2] zat achterin op de achterbank. Wij bevonden ons op de parkeerplaats naast de coffeeshop aan de [straatnaam 1] in [plaats] . Wij reden van de parkeerplaats af, in de richting van de [straatnaam 1] te [plaats] . Op dit moment zag ik een persoon (het hof begrijpt: verdachte)op een snorfiets achter ons aanrijden. Ik zag dat de persoon richting ons voertuig liep en tegelijkertijd een mes uit zijn broeksband haalde. Ik zag dat de persoon met een dreigende houding en met getrokken mes in zijn rechterhand, richting de bestuurderszijde van ons voertuig liep. Ik zag dat de persoon op een gegeven moment een stekende beweging met dit mes maakte in de richting van [aangever] . De persoon stak met zijn mes door het geopende raam van [aangever] heen. Ik zag dat de steekbeweging met het mes in de richting van de borst van [aangever] wendde. Ik denk dat het mes op het heftigste moment ongeveer vijftien centimeter van de borst van [aangever] verwijderd was. Ik kan het mes van de persoon als volgt omschrijven: een keukenmes, ongeveer 30 centimeter lang inclusief handvat.\n\n6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige2] :\n\nIk heb gezien dat de man (het hof begrijpt: verdachte) een mes in zijn handen had en dat hij wilde steken. Ik heb het mes gezien, maar heel snel. Het ging snel.Feit 3\n\n1. De verklaring van verdachte op de zitting van de rechtbank van 22 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik die medewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) klappen heb gegeven.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer 030084608, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer 030084608:\n\nOp 19 mei 2024 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Op een\n\ngegeven moment liep Ergün (het hof begrijpt: verdachte), langs mijn collega, [dienstnummer1] , toen hij hem naderde gaf hij hem een bodycheck, hiermee bedoel ik dat hij langs hem heenliep en expres tegen zijn schouder aanliep. Wij ging met z'n drieën naar de cel. Mijn collega, [dienstnummer1] , stond in de deuropening van de cel en sprak de gedetineerde aan op zijn gedrag. Ik zag dat de gedetineerde dichter bij hem ging staan. Geheel onverwachts gaf de\n\ngedetineerde hem twee vuistslagen in zijn gezicht. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervuist. Ik zag dat hij mijn collega op zijn gezicht raakte net onder zijn oog.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant] , opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als bevindingen:\n\nMedewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) kreeg meerdere klappen te verduren op zijn aangezicht en hals. Als gevolg daarvan had de medewerker er een opgezwollen jukbeen en lip aan overgehouden. Ook had de medewerker een bebloede lip en bloed in zijn mond. Ook zijn de gevolgen voor de medewerker dat hij last heeft van zijn nek.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer [dienstnummer2] , opgenomen op pagina 99 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer [dienstnummer1] :\n\nIk was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Geheel onverwachts zag ik dat de gedetineerde (het hof begrijpt: verdachte) uithaalde naar mijn collega met nummer [dienstnummer1] . Ik zag dat hij hem sloeg, ik denk dat het twee keer was. Ik zag dat hij mijn collega in zijn gezicht raakte. Ik zag later dat mijn collega een schram net onder zijn oog had.\n\nBewijsoverweging\n\nIn hoger beroep is het strafrechtelijke verwijt aan verdachte een poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging (feit 1) en een mishandeling (feit 3). Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Verdachte verklaart te zijn bedreigd door aangever. Hij ontkent dat hij een mes bij zich had en geprobeerd heeft verdachte te steken.\n\nDe raadsvrouw voert geen verweer over feit 3. De verdediging laat de beslissing hierover aan het hof.\n\nHet hof oordeelt dat de rechtbank in het vonnis bij de beslissingen over de feiten de juiste afweging heeft gemaakt. Het hof baseert de bewijsoverwegingen dan ook grotendeels op de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\nFeit 1 primair is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 11 mei 2024 opzettelijk geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door te steken met een mes naar het lichaam van aangever.\n\nHet hof heeft op basis van de inhoud van het dossier bij de beoordeling van dit feit de volgende feiten – waaronder de context – in overweging genomen. Aangever zat als bestuurder in zijn auto. Hij stond met zijn auto op de parkeerplaats bij een coffeeshop in [plaats] . De ramen van de auto waren geopend vanwege de warmte die dag. Verdachte was met zijn scooter ook op deze parkeerplaats. Aangever herkende verdachte van een eerdere confrontatie. Aangever wilde met zijn auto wegrijden vanaf de parkeerplaats om weg te komen. Bij het wegrijden moest aangever even wachten en stilstaan. Vervolgens kwam verdachte op een naar de auto van aangever toe en stond daar dreigend, hij haalde uit zijn broekband een groot keukenmes. Door het openstaande raam van de auto heen maakte verdachte met dit mes een stekende beweging in de richting van het lichaam aangever. De verklaringen over deze gebeurtenissen van aangever en de personen die bij aangever in de auto zaten komen in essentie overeen.\n\nHet dossier, meer specifiek daarin: de camerabeelden, geeft geen enkel aanknopingspunt voor de verklaring van verdachte, namelijk dat aangever verdachte zou hebben bedreigd op de parkeerplaats. Het hof heeft ook geen enkele reden om aan de verklaringen van aangever en de getuigen te twijfelen. Aangever is direct na het incident gehoord door de politie. De getuigen beschrijven dat het incident erg snel verliep. Dat kan heel goed verklaren waardoor er wat de details in de verklaringen betreft onderlinge verschillen zitten tussen deze verklaringen. Het hof heeft daarnaast gezien dat aangever en de getuigen, die zich voor en achter in de auto van aangever bevonden, ieder voor zich vanuit eigen gezichtspunt verklaren. Het hof ziet geen aanwijzingen dat onderling is afgestemd tussen aangever en de getuigen en het hof vindt deze verklaringen dan ook betrouwbaar.\n\nVervolgens is het de vraag of verdachte met zijn handelen geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien. Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en\u002Fof het uitzicht op (volledig) herstel.\n\nHet hof oordeelt dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het steken van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte trok een groot keukenmes uit zijn broeksband en maakte meteen daarop met dat grote mes een stekende beweging richting de borst van aangever, die achter het stuur van zijn op dat moment net stilstaande auto zat. Aangever heeft direct gas gegeven om weg te komen. Het mes heeft de borst van aangever genaderd tot een afstand van 15 centimeter. In en om de borststreek zitten vitale delen van het lichaam. Wanneer deze geraakt worden, kan dat zwaar lichamelijk letsel opleveren. Ondanks dat heeft verdachte gehandeld zoals hij heeft gedaan. Het hof heeft in aanmerking genomen dat verdachte op een zeer agressieve wijze een groot mes in de auto heeft gestoken in de directe nabijheid van de borstkas van aangever. Op basis van hoe de gedragingen van verdachte eruitzien, stelt het hof vast dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nFeit 3\n\nFeit 3 is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 19 mei 2024 een medewerker van de P.I. [plaats] heeft mishandeld door hem twee vuistslagen in het gezicht te geven. Hierdoor had de medewerker het volgende letsel opgelopen: een opgezwollen lip en jukbeen, een bebloede lip en bloed in de mond, een schram in het gezicht en last van de nek.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 3\n\nhij op 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht te geven.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is van 10 februari 2025 tot 21 maart 2025 voor zes weken opgenomen en geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hierover is op 14 mei 2025 een Pro Justitia rapport uitgebracht, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nVerdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het PBC-onderzoek. Desondanks hebben de onderzoekers zich een indruk kunnen vormen van de psychische toestand van verdachte. Dit werd mogelijk door de uitvoerige observaties van de groepsleiding in het PBC, het forensisch milieurapport met informatie over zijn eerdere delicten en detentie en de gegevens uit het eerdere PBC-onderzoek van 2020. Ook de klinische indrukken van de onderzoekers waren, hoewel beperkt, informatief.\n\nHet PBC-rapport houdt onder andere in dat bij verdachte sprake is van een samenhangend beeld van beperkingen op meerdere gebieden: ze stellen een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken vast. Deze stoornissen zijn chronisch van aard en waren hoogstwaarschijnlijk ook aanwezig tijdens het plegen van de tenlastegelegde feiten. Het is ondenkbaar dat zijn psychotische symptomen, gestoorde agressiehuishouding, beperkt verstandelijk functioneren en\u002Fof persoonlijkheidspathologie geen rol zou kunnen hebben gespeeld. De rapporteurs komen tot het advies om de ten laste gelegde feiten in ieder geval verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Deze waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed bij de bewezenverklaarde feiten. Daarom kunnen de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.\n\nHet hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nDe aard en de ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. In beide gevallen is verdachte zonder enige aanleiding onverwachts en ernstig over de schreef gegaan door ineens geweld te gebruiken. Bij beide feiten heeft verdachte de slachtoffers angst aangejaagd en gezorgd voor een gevoel van onveiligheid. Dit soort feiten hebben vaak een grote en langdurige impact op de slachtoffers en op eventuele omstanders. Aangever [aangever] (feit 1) is er zonder letsel vanaf gekomen, maar dit had heel anders kunnen aflopen. In zijn aangifte beschrijft hij dat hij een tijd angstig is geweest, zich soms niet veilig voelde en dat het feit hem ook wakker heeft gehouden. Bij feit 2 is het kwalijk dat het slachtoffer een medewerker van de P.I. is. Hij deed gewoon zijn werk en heeft daarbij door toedoen van verdachte letsel aan zijn gezicht overgehouden.\n\nDe persoon van verdachte\n\nHet hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 10 december 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Uit zijn strafblad is een patroon van geweld af te leiden. Dit geweld was ook regelmatig gericht tegen mensen die hun werk uitoefenden. Daarnaast is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het bezit van steekwapens.\n\nUit het PBC-rapport van 14 mei 2025 volgt dat in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een fors agressieregulatieprobleem. Agressief gedrag lijkt soms psychotisch gemotiveerd: vanuit achterdocht en gevoelens van angst en dreiging. Op andere momenten lijkt zijn beperkt verstandelijk functioneren een rol te spelen en loopt de spanning op vanuit onbegrip en gebrek aan overzicht op situaties. Ook zijn gebrekkige frustratietolerantie, moeite met grenzen en onvermogen om zijn agressie te reguleren speelt vaak een rol. En er is geregeld sprake van instrumenteel, meer intentioneel geweld, vanuit wraakzucht (vergelding) of verheerlijking van geweld.\n\nVolgens de deskundigen is bij verdachte sprake van chronische, onbehandelde en meervoudige psychische problematiek. Behandeling, eventueel inclusief het instellen op psychofarmaca, is noodzakelijk om het risico op recidive te verkleinen. Voor een gerichte behandeling is nadere diagnostiek nodig naar de aard en ernst van de psychopathologie, evenals naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek.\n\nDe rapporteurs van het PBC spreken van een hoog risico op herhaling. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt zonder behandeling van de psychische problemen als hoog ingeschat. Ook het risico dat verdachte zich na detentie opnieuw gaat bewapenen wordt als hoog ingeschat. Gelet op de forse psychopathologie in combinatie met aanwijzingen voor verheerlijking van geweld, wordt de kans op escalatie in nog ernstigere delicten ook als hoog ingeschat.\n\nDe behandeling van verdachte zal zich moeten richten op het verminderen van psychotische klachten met medicatie en structuur, het aanleren van emotieregulatie- en sociale vaardigheden, het terugdringen van middelengebruik en het bieden van intensieve begeleiding passend bij zijn verstandelijke beperking en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek.\n\nVerdachte toont geen ziektebesef of -inzicht, ook niet in hoger beroep. Dit zal de behandeling naar verwachting bemoeilijken. Zijn psychische toestand is op dit moment instabiel, met een hoog risico op plotseling en ernstig geweld richting anderen. Om deze redenen is plaatsing in een klinische, sterk gestructureerde forensische setting met zeer hoog beveiligingsniveau en expertise op het gebied van verstandelijke beperking noodzakelijk.\n\nVoor het uitvoeren van de beschreven interventieadviezen achten de deskundigen tbs met dwangverpleging noodzakelijk.\n\nDe reclassering sluit zich in het rapport van 10 juni 2025 aan bij de door het PBC geadviseerde tbs met dwangverpleging. De reclassering acht toezicht, behandeling en begeleiding van verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet haalbaar. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Het verleden van verdachte met ernstige geweldsdelicten, de complexe problematiek, het beperkte probleeminzicht, het gewelddadige verloop van zijn detenties en zijn weigerende houding, in combinatie met de aanwijzingen voor het verheerlijken van geweld maakt dat de reclassering ernstige zorgen heeft over de risico's voor derden. Zij zijn dan ook van mening dat een tbs maatregel met voorwaarden onvoldoende veiligheid en kader biedt en sprake is van een hoog afbreukrisico.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen.\n\nOplegging gevangenisstraf\n\nDe strafoplegging van de rechtbank ziet het hof ook als passend en noodzakelijk. Hierbij heeft het hof met name de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de omstandigheid dat verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het feit dat het slachtoffer van feit 3 een medewerker van de P.I. is meegewogen. Hierbij houdt het hof – net als de rechtbank – in strafverminderende zin rekening met het gegeven dat de feiten, zoals hiervoor onder ‘Strafbaarheid van verdachte’ is overwogen, in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. In wat door de raadsvrouw is aangevoerd over de op te leggen gevangenisstraf ziet het hof geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf.\n\nGelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof net als de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.\n\nDe tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.\n\nOplegging Tbs-maatregel met dwangverpleging\n\nHet hof stelt voorop dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, in de zin dat:\n\nsprake is van een tbs-waardig delict: de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is een misdrijf waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld;\n\nis vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van dit delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken;\n\nde veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium); en\n\nhet hof beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.\n\nHet hof schat het herhalingsgevaar en daarmee het gevaar dat verdachte vormt voor de veiligheid van anderen als hoog in. De rapporteurs van het PBC hebben aangegeven dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. De deskundigen achten tbs met dwangverpleging noodzakelijk voor de behandeling en begeleiding van verdachte om het hoge recidiverisico af te wenden. Het hof acht de conclusies van de deskundigen navolgbaar en zal deze volgen.\n\nAnders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de tbs-maatregel de enige maatregel is die de mogelijkheid geeft om het gevaar dat van verdachte uitgaat en het bijbehorende recidiverisico te beperken. Oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals voorgesteld door de raadsvrouw volstaat niet om het recidiverisico op een verantwoorde wijze te beperken. De oplegging van de tbs-maatregel is daarvoor de enige en passende mogelijkheid.\n\nAlles overwegende gelast het hof de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt het hof dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe totale duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd nu verdachte wordt veroordeeld voor een misdrijf d dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De tbs-maatregel kan daarmee langer duren dan 4 jaar.\n\nOplegging van tbs bij vreemdelingen\n\nDe rechtbank overweegt in het vonnis van 5 september 2025 als volgt over het verweer van de raadsvrouw over de oplegging van tbs bij vreemdelingen:\n\n“Oplegging van een tbs-maatregel is verenigbaar met de status van ongewenst vreemdeling. Ook bij vreemdelingen kan sprake zijn van een noodzaak tot behandeling in een tbs-kader ter beveiliging van de maatschappij. De achterliggende doelstelling bij een tbs-maatregel – om de verpleegde voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving – impliceert niet noodzakelijk dat deze terugkeer zou dienen plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. De\n\nre-integratie kan ook gericht zijn op terugkeer in het land van herkomst, in dit geval [land] .\n\nDe rechtbank acht het van groot belang dat aan verdachte de tbs maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat verdachte — bij een onbehandelde invrijheidstelling en repatriëring naar [land] — na enige tijd weer terugkeert naar Nederland en dus in Nederland een gevaar vormt voor de maatschappij. Verdachte woont immers sinds zijn zestiende in Nederland, zijn vader woont hier ook en verdachte spreekt de Nederlandse taal goed.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat het vinden van een passende voorziening in [land] lastig kan zijn. Per geval zullen de autoriteiten moeten bepalen of de algemeen beschikbare zorg in de ontvangende staat toereikend en passend is om de stoornis(sen) te behandelen. Het vinden van passende zorg voor verdachte in [land] is echter niet uitgesloten, dat volgt ook niet uit het door de raadsvrouw aangehaalde rapport van de RSJ. Er bestaat dan ook een reële kans op repatriëring. De kans dat verdachte langer op repatriëring moet wachten dan nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.”\n\nDe rechtbank heeft een juiste afweging gemaakt. Het hof neemt deze overwegingen over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nDe oplegging van een tbs-maatregel aan verdachte als ongewenst verklaarde vreemdeling heeft gevolgen voor de tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel. Zo zal verdachte niet in aanmerking komen voor resocialisatie in de Nederlandse samenleving in de vorm van verloven.\n\nDit zal echter afgewogen moeten worden tegen het belang van de samenleving om beschermd te worden tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. ‘De samenleving’ is niet beperkt tot de grenzen van Nederland en ziet op een bredere groep personen. Het gaat bij de oplegging van een tbs-maatregel om het beschermen van de mensen om een verdachte heen waarmee verdachte in aanraking kan komen. Het gaat om bescherming van personen waar dan ook.\n\nUit de PBC-rapporten volgt dat – ondanks het beperkte onderzoek dat vanwege de weigering van verdachte kon worden uitgevoerd – de deskundigen concluderen dat verdachte vanwege zijn psychische problematiek zonder behandeling een gevaar is voor andere personen. Op de zitting van het hof van 8 januari 2026 is gebleken dat verdachte sinds oktober 2025 anti-psychotische medicatie krijgt via dwangmedicatie in detentie. Verdachte heeft medicatie en doeltreffende behandeling nodig om te voorkomen dat hij weer in agressief gedrag vervalt, zo blijkt uit het PBC-rapport. Verdachte heeft geen\n\nziekte-inzicht en stelt zich niet open voor medicatie en behandeling. Op de zitting van het hof bevestigt verdachte dat uitdrukkelijk door te verklaren dat niet echt is vastgesteld dat hij psychische problemen heeft en dat hij bijvoorbeeld in [land] geen medicatie wil en zal gebruiken.\n\nHet voorgaande maakt dat het hof in het geval van verdachte geen andere mogelijkheid ziet om de samenleving voldoende te beschermen dan door het opleggen van de tbs-maatregel. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.\n\nBeslag\n\nOp de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van het onder hem in beslag genomen mes (goednummer 3345526). Het is daarom niet meer nodig dat het hof een beslissing neemt over dit mes.\n\nVordering tot tenuitvoerlegging\n\nIn de zaak met parketnummer 01-091091-21 is verdachte op door de rechtbank veroordeeld.\n\nAan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden, nu verdachte tijdens de proeftijd van deze voorwaardelijke straf nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. In principe moet deze vordering toegewezen worden, nu verdachte gewaarschuwd was en toch nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof zal deze vordering echter toch niet toewijzen. Verdachte heeft in deze strafzaak lange tijd in voorarrest gezeten. Deze periode overstijgt ruimschoots de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof op zal leggen. Daarnaast overweegt het hof dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt. Een tbs-behandeling is (doorgaans) effectiever als de periode tussen het plegen van de strafbare feiten en de aanvang van de behandeling niet lang duurt. Gelet op het genoemde lange voorarrest, acht het hof het niet opportuun om verdachte eerst de voorwaardelijk opgelegde straf te laten ondergaan, voordat de tbs-behandeling begint.\n\nHet hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en\u002Fof maatregel is gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Midden-Nederland van 29 november 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2022, parketnummer 01-091091-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. J. Dolfing en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 januari 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 juni 2024, genummerd 2024148560 en 024159493, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit\n\nprocessen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:401","ecli-nl-gharl-2026-401",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht; Strafprocesrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]