[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-4368":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-4368":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1637","ECLI:NL:GHARL:2026:4368","",60,"Arnhem","arnhem","2026-07-06T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-004448-25\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep,\n\ningesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,\n\nvan 16 oktober 2025 met parketnummer 05-281207-24 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment verblijvende in de [locatie P.I.] te [locatie] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Prins, en de advocaat van de benadeelde partijen,\n\nmr. C.A. Bouw, en door en namens de benadeelde partijen is aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat de moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer bij de uitoefening van het spreekrecht naar voren heeft gebracht.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een drietal feiten. Een poging tot verkrachting van iemand beneden de twaalf jaren, mishandeling van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige door toediening van schadelijke stoffen en het bezit van kinderporno. Dit betreft de onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde feiten. Voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken. Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nHet hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs, een andere strafoplegging en een deels andere beslissing op de vordering van een van de benadeelde partijen dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen te verrichten en deze poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans in Nederland,\n\n- zich en\u002Fof een ander opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof heeft getracht te verschaffen tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht dan wel\n\n- zich opzettelijk kennis en\u002Fof vaardigheden tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht heeft verworven en\u002Fof een ander heeft bijgebracht, door\n\n- met zijn, verdachtes, telefoon, althans (een) gegevensdrager(s) chatgesprekken te voeren met een onbekend persoon over de seksuele fantasie\u002Fgedachte om minderjarigen te drogeren en\u002Fof (vervolgens) seksueel te misbruiken en\u002Fof\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn te wekken dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem is en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] te vragen of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mag komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet te lokken, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] af te sluiten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof te laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed te zetten en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed te zitten en\u002Fof\n\n- tijd proberen te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen;\n\n2. primair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\n(geboren op [geboortedatum] 2021) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof laten innemen en\u002Fof\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fof waakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),\n\nin elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weten een telefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragers waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap) en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt (afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap) en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap) en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht tot een bewezenverklaring is gekomen van de feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 en het bewijs voor deze feiten uitgebreid en volledig in het vonnis heeft weergegeven en de verweren terecht en op goede gronden heeft verworpen.\n\nEnkel voor wat betreft de partiële vrijspraak door de rechtbank van het vervaardigen van kinderporno heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er wat haar betreft wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daarbij gewezen op de opslaglocatie van de cache afbeeldingen, het gebruik van de camera en het tijdstip van het bewaren van de afbeeldingen op de telefoon. Volgens haar zijn de foto’s gelet op de tijdlijn precies gemaakt op het moment dat [slachtoffer] in de caravan van verdachte was en bevestigt het feit dat er een selfie van verdachte tussen zit dat hij op dat moment de camera heeft bediend.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.\n\nVolgens de verdediging kan niet vastgesteld worden wanneer [slachtoffer] de drugs 2MMC heeft binnengekregen en of dit door verdachte is geweest. Er staat vast dat er geen drugs in de caravan van verdachte is aangetroffen en uit het onderzoek is niet gebleken wanneer [slachtoffer] de drugs binnen heeft gekregen. Nu ook niet bekend is wat de werkingsduur van de drugs is, kan niet zonder meer worden gesteld dat [slachtoffer] de drugs niet voor of na het binnengaan in de caravan van verdachte heeft binnengekregen. Ook kan niet vastgesteld worden dat de drugs die verdachte op 23 augustus 2024 heeft besteld in de caravan van verdachte aanwezig waren op 31 augustus 2024 en bovendien betrof die bestelling poeder en kristallen, hetgeen niet overeenkomt met een snoepje of pilletje waar [slachtoffer] over heeft verklaard. Daar komt bij dat het alternatieve scenario dat [slachtoffer] de drugs in de caravan van haar moeder heeft gevonden en ingenomen niet is onderzocht.\n\nEr ontbreken volgens de verdediging concrete bewijsmiddelen waaruit volgt wat de intenties van verdachte zijn geweest. De gesprekken die verdachte die dag heeft gevoerd betroffen slechts fantasieën. Alle verifieerbare opmerkingen van verdachte in die gesprekken blijken onjuist te zijn. Ook is er, buiten de stelling van moeder, niets waaruit volgt dat de deur van de caravan van verdachte op slot was. De verdediging heeft daarbij ook op de wisselende verklaringen van moeder gewezen.\n\nVoor wat betreft de vraag of [slachtoffer] wel of niet naakt is geweest in de caravan acht de verdediging het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant die bij [slachtoffer] in het ziekenhuis was onvoldoende, nu dit een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance van wat [slachtoffer] heeft verteld verloren is gegaan. Moeder en [slachtoffer] verklaren daar zelf niets over en bovendien is [slachtoffer] maar een kleine tien minuten in de caravan van verdachte geweest, zodat de tijd om haar te ontkleden en weer aan te kleden bijzonder krap, zo niet onmogelijk is. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte [slachtoffer] op bed heeft gezet en staat niet vast dat [slachtoffer] op het moment dat de foto’s zijn gemaakt in de caravan van verdachte was. Bovendien concludeert de politie dat niet kan worden gezien dat het de billen van een kind betreft, zodat niet blijkt dat deze foto’s van [slachtoffer] zijn genomen.\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van een poging, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Er zijn geen handelingen door verdachte gepleegd die duiden op een seksuele intentie en er is geen speeksel of sperma of DNA-materiaal van verdachte of een ander aangetroffen. De verdediging heeft onder verwijzing naar twee uitspraken van andere rechterlijke colleges aangevoerd dat bij deze feitelijke omstandigheden niet gesteld kan worden dat de handelingen van verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam of aanranding van [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van de kinderporno die op zijn telefoon is aangetroffen en volgens de verdediging moet meer acht worden geslagen op de uitgebreide verklaringen van verdachte bij de politie dan op hetgeen hij bij de rechter-commissaris zou hebben verklaard, nu dergelijke processen-verbaal doorgaans in zeer samengevatte vorm worden opgesteld.\n\nBovendien kan uit het onderzoek niet zonder meer worden aangenomen dat de bestanden vóór 2 september 2024 al op de telefoon van verdachte stonden en volgt ook niet dat de bestanden door de gebruiker van de telefoon zijn geopend. Al met al kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de bestanden in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad.\n\nOordeel van het hof\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 31 augustus 2024 omstreeks 19.40 uur zijn de [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar de [straat] te [plaats] gegaan waar mogelijk sprake was van een gedrogeerd 3-jarig meisje. Het betreft [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum] 2021.\n\nAan [verbalisant 1] vertelde de moeder van [slachtoffer] , [moeder slachtoffer] (hierna: moeder), die zichtbaar overstuur was, dat haar buurman van de caravan tegenover die van haar, die ze in het latere gesprek [verdachte] noemt (hierna: verdachte), haar via Facebook een berichtje stuurde, waarin hij vroeg of haar dochter met zijn nichtje mocht spelen, want die was op bezoek. Moeder had het nichtje zelf niet gezien en had er een beetje een onderbuikgevoel bij, maar haar dochter ging wel naar verdachte toe. Toen ze meteen een naar gevoel kreeg, stuurde ze verdachte een berichtje dat ze [slachtoffer] over vijf minuten op kwam halen. Daarop reageerde hij met: \"Nee doe maar over een half uur.\" Moeder heeft toen gereageerd dat het haar kind is en dat ze haar meteen op kwam halen omdat ze gingen eten en ze liep vervolgens naar de caravan van verdachte en ze voelde dat de deur op slot zat. Verdachte deed de deur open en zij nam haar dochter mee.\n\nMoeder vroeg aan [slachtoffer] wat ze gedaan had en zij vertelde dat ze met verdachte op bed had gezeten. Toen moeder haar vroeg of ze nog iets gegeten had, zei ze dat ze een klein wit snoepje had gegeten, dat heel vies smaakte. Daarna zei [slachtoffer] dat ze heel moe was. Moeder zag dat haar pupillen heel groot waren en belde de huisartsenpost, die besloot een ambulance te sturen.\n\nToen moeder de naam van verdachte aan de verbalisant noemde en ze hem op Facebook wilde opzoeken, kwamen er geen resultaten naar boven. De vriendin van moeder kreeg het account van verdachte op Facebook wel te zien, zodat moeder concludeerde dat verdachte haar had geblokkeerd op Facebook. Buiten bij het ziekenhuis heeft moeder [verbalisant 1] de berichtjes laten zien die ze nog via Facebook met verdachte had gewisseld nadat ze haar dochter had opgehaald. In dat gesprek vroeg moeder verdachte wat voor een snoepje haar dochter had gehad, waarop verdachte antwoordde ‘een schuimpje’.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van moeder volgt dat ze op 31 augustus 2024 op een aantal tijdstippen contact had met verdachte.\n\nOm 17:29 uur vraagt verdachte voor het eerst of [slachtoffer] binnen in zijn caravan mag komen spelen omdat zijn nichtje er is. Als moeder aangeeft dat ze eerst even aan haar dochter zou vragen of ze het ook wilde, stuurt verdachte ‘Ze hoeft niet bang te zijn.’ Vervolgens stuurt verdachte om 17:57 uur aan moeder: ‘wil ze komen?’.\n\nMoeder stuurt op 18:09 uur een bericht aan [naam 1] dat [slachtoffer] bij die buurman is, maar dat ze het best creepy vindt.\n\nOm 18:10 uur leest verdachte het bericht van moeder: ‘Ik kom der zo weer halen want dan gaan we eten.’, waarop verdachte reageert met ‘hoelaat?’. Daarop stuurt moeder het bericht ’10 minuutjes ofzo’, waarop verdachte reageert met ‘Half uur breng ik er’.\n\n [verbalisant 2] heeft bij [slachtoffer] aan het bed gezeten in het ziekenhuis en heeft gerelateerd over wat [slachtoffer] een van de betrokken verpleegkundigen heeft verteld.\n\nVolgens [slachtoffer] was ze bij de buurman (het hof begrijpt: verdachte) geweest en heeft ze daar twee witte, vieze en zure snoepjes van hem gehad en zat ze op het bed in haar blootje.\n\n [verbalisant 2] zag dat [slachtoffer] erg druk was en niet stil kon zitten, dat ze wijde pupillen had en haar mond en tong onder het bloed zaten. Toen de verpleegkundige vroeg hoe zij hier aan kwam, zei [slachtoffer] dat ze ‘auw’ had en dat kapot had gebeten. [slachtoffer] moest ook overgeven en huilen en vertelde dat ze overal ‘auw’ had, waarbij ze wees naar haar buik, geslachtsdeel, benen en armen.\n\nUit de afdruk van het patiëntendossier van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, blijkt uit het lichamelijk onderzoek het volgende:\n\nAlgemeen: zeer onrustig, kauwend met de kaken, onderlip kapot gebeten, bloedende tong. Veel motorische onrust, spreekt onophoudelijk, stelt veel vragen.\n\nUit het rapport van het NFI van 19 december 2024 ‘Toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van een driejarig meisje’ blijkt dat er 0,36 mg\u002F1 van de werkzame stof 2MMC in het bloed van [slachtoffer] aanwezig was. Volgens het NFI is de gemeten 2-MMC-concentratie in het serum van 0,36 mg\u002Fl waarschijnlijk een hoge concentratie, waarbij onder andere emotionele ontremming, verhoogde bloedruk, verhoogde hartslag en verhoogde lichaamstemperatuur kunnen optreden.\n\nEr is ook DNA-onderzoek verricht en uit het rapport van het NFI daaromtrent van 31 augustus 2024 blijkt dat, hoewel er geen voor vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel is verkregen, er in de bemonstering van de voorhof van [slachtoffer] een aanwijzing is verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA.\n\nNamens het slachtoffer [slachtoffer] , heeft haar moeder, [moeder slachtoffer] , aangifte gedaan van seksueel misbruik van [slachtoffer] . Volgens moeder heeft verdachte [slachtoffer] gedrogeerd. Verdachte had moeder via Facebook gevraagd of [slachtoffer] kon komen spelen omdat zijn nichtje er was, waarop moeder antwoordde dat [slachtoffer] voor (bij de receptie) aan het spelen was en dat ze het haar zou vragen.\n\nVerdachte zei toen tegen moeder dat [slachtoffer] niet bang hoefde te zijn. Even later stuurde verdachte weer een berichtje of [slachtoffer] nog wilde komen en toen heeft moeder [slachtoffer] naar zijn caravan gebracht, waar ze geen ander kindje zag. Kort daarna kreeg moeder een onderbuikgevoel bij deze situatie en toen ze [slachtoffer] wilde ophalen en de deur van het chalet wilde openen, voelde ze dat deze op slot zat.\n\nPas toen het slot werd opengemaakt, ging de deur open. [slachtoffer] vertelde haar dat er geen ander kindje was om mee te spelen, ze met de buurman (het hof begrijpt: verdachte) op het bed was en dat ze een klein wit snoepje van hem had gekregen dat ze vies vond.\n\nTijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] wederom verklaard dat ze bij de buurman was en dat ze van hem een klein wit rond snoepje kreeg dat heel vies was. Ook had ze op bed gezeten en de buurman ook en zat de buurman op zijn telefoon.\n\nVerdachte is op 31 augustus 2024 om 20.55 uur aangehouden en daarbij is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen.\n\nUit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt het volgende.\n\nOp 23 augustus 2024 heeft verdachte op de website [website] een bestelling gedaan voor 10 gram 2MMC kristal en 10 gram 2MMC poeder, welke bestelling werd bevestigd. In de bevestiging staat dat de bestelling wordt verstuurd naar [straat] te [plaats] . Dit betreft het woonadres van verdachte.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt ook dat hij op 16 augustus 2024 een gesprek voert, waarin verdachte de berichten stuurt ‘Je mag me hard neuken’ en ‘Intro chems’.En op 25 augustus 2024 wisselt verdachte berichten uit met iemand anders, waarin verdachte vraagt wat de ander gaat doen met zijn vriend die zo weer langskomt, waarop de ander antwoordt ‘tv kijken en seks’ en stuurt ‘lekker tongen, hem klaarpijpen, en hem neuken tot ik in zn kont klaar kom’ en verdachte even later stuurt ‘Intro chems’.\n\nDaarnaast blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij op 31 augustus 2024 van 14:23 uur tot 16:01 uur een gesprek voert met een gebruiker met de naam ‘ [naam 2] ’ via de [applicatie] .\n\nIn dat gesprek worden de volgende berichten verstuurd:\n\n- Verdachte: Wat bedoel je met pedo mom\n\n- [naam 2] : Pedo mom. Moeder die haar kindjes aanbiedt en zelf ook meedoet\n\n- Verdachte: Ervaring mee\n\n- [naam 2] : Ik niet, jij?\n\n- Verdachte: Ik wel\n\n(…)\n\n- [naam 2] : Hoe oud was of waren de kindjes. Girls?\n\n- Verdachte: 9\n\n(…)\n\n-Verdachte: Wat zijn jou kicks\n\n(...)\n\n- [naam 2] : Jonge kale kutjes nemen. Samen met moeder.\n\n- [naam 2] : M’n zaad er in en over spuiten\n\n- [naam 2] : Hond mee laten likken\n\n- Verdachte: Nice\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb vaak rape gedaan\n\n- [naam 2] : ook met kleintjes?\n\n- Verdachte: Ja.\n\nDiezelfde dag heeft verdachte vanaf 16:00 uur tot en met 16:34 uur een gesprek gevoerd met gebruiker ‘6\u002F15mmmm’ waarin onder meer de volgende berichten zijn verstuurd:\n\n- Verdachte: Hoe jong geil jij\n\n- [gebruiker] : 7\u002F14 jij\n\n- Verdachte: Ik ook\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb een zoon van 13\n\n(…)\n\n- Verdachte: ik gebruik mijn zoon vaak\n\n(...)\n\n- Verdachte: Wel eens iemand gehad die tegen stribelde\n\n- [gebruiker] : nee jij wel\n\n- Verdachte: Zeker\n\n- Verdachte: Mijn zoon vaak\n\n(…)\n\n- Verdachte: Wat is het geilate (het hof begrijpt ‘geilste’) wat je hebt gedaan\n\n- [gebruiker] : toch wel een jongen van 9 rimmen likken pijpen en laten pijpen\n\n- Verdachte: Nice\n\n- [gebruiker] : en jij\n\n- Verdachte: Rape\n\n- [gebruiker] : al heel lang geleden paar jaar wil graag weer is een jochie hard aanpakken\n\n- Verdachte: Samen doen\n\n- [gebruiker] : JA MAN GRAAG WELKE LEEFTIJD\n\n- Verdachte: Mijn zoon en zijn vriendje\n\n- Verdachte: Intro chems\n\n- [gebruiker] : je zoon kan jniet wandt ik wil echt hard dan\n\n- Verdachte: Waarom mijn zoon niet\n\n- [gebruiker] : omdat ik dan heel hard wil no limids is zielig\n\n- Verdachte: Mag van mij\n\n- Verdachte: hoe hard\n\n- [gebruiker] : all the way\n\n- Verdachte: Mag ook met mijn zoon\n\n(…)\n\n- Verdachte: Intro Chems\n\n- [gebruiker] : nee nooidt gedaan\n\n- Verdachte: Ik geef ze wel eens wat.\n\nIn de telefoon zitten ook berichten die verdachte op 31 augustus 2024 vanaf 16:15 uur met [echtgenoot verdachte] (het hof begrijpt: de echtgenoot van verdachte)wisselde. Verdachte bericht [echtgenoot verdachte] dat zijn tweede wedstrijd later zou beginnen, namelijk om 16:45 uur en dat hij om half zeven klaar zou zijn.Op de zitting van het hof heeft verdachte, daarnaar gevraagd, verklaard dat het fout van hem was om tegen zijn partner te zeggen dat de tweede wedstrijd die hij moest fluiten later zou beginnen, maar dat hij geen idee heeft waarom hij daar over gelogen heeft.\n\nDaarnaast is gebleken dat verdachte op 31 augustus 2024 tussen 6:46:58 uur en 17:45:06 uur twaalf keer naar een sekslijn belt met het nummer [nummer] . Om 17:29:27 uur belt verdachte ook met de sekslijn, terwijl hij op dat moment dus aan de moeder van [slachtoffer] vraagt of zij komt spelen.\n\nOp de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon is nader onderzoek verricht op 2 september 2024. Er zijn 20 video’s aangetroffen die volgens de criteria zijn aangemerkt als kinderpornografisch.Deze video’s stonden op een voor hem toegankelijke locatie op zijn telefoon met de data 11 augustus 2024, 16 augustus 2024, 17 augustus 2024, 24 augustus 2024 en 25 augustus 2024.\n\nTijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verdachte, nadat hem is voorgehouden dat er kinderporno op zijn telefoon is aangetroffen, verklaard dat de kinderporno hem toe is gestuurd.En ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte dat verklaard.\n\nVan de 20 video’s die door de politie zijn aangemerkt als kinderpornografisch is aangegeven welke strafbare elementen en seksuele gedragingen zichtbaar zijn op de aangetroffen video’s.\n\nDe afbeeldingen 01 en 02 in de toonmap betreffen penetratie (ongeveer 65%)\n\n van het lichaam van een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no vaginaal met de penis;\n\no anaal met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n door een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no anaal met de penis.\n\nDe afbeeldingen 03 en 04 in de toonmap betreffen ontuchtige handelingen (ongeveer 10%)\n\n betasten\u002Faanraken van een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand;\n\n betasten\u002Faanraken door een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n • • door een minderjarige zichzelf betasten\u002Faanraken:\n\no geslachtsdelen met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand.\n\nDe afbeeldingen 05 en 07 in de toonmap betreffen poseren door een minderjarige of minderjarige in een pose, met nadruk op geslachtsdelen\u002Fborsten en billen door:\n\ngeheel naakt;\n\ncamerastandpunt;\n\nonnatuurlijke houding.\n\nAfbeelding 06 in de toonmap betreft overige seksuele gedragingen (ongeveer 25 %)\n\nmasturbatie (dicht) bij het lichaam\u002Fgezicht van een minderjarige;\n\nspuiten van\u002Fzichtbaar maken van sperma op lichaam minderjarige;\n\nhouden van de penis dichtbij het lichaam van een minderjarige.\n\nOp de afbeeldingen zijn voornamelijk jongens te zien en een klein deel betreft meisjes of baby’s en peuters tot 2 jaar.\n\nTot slot is er gekeken naar het gebruik van de fotocamera van de telefoon van verdachte en eventuele foto’s die zijn geregistreerd op 31 augustus 2024.Daaruit blijkt dat er tussen 18:03:13 uur en 18:03:34 uur foto’s zijn geregistreerd en op deze foto’s zijn ontblote billen te zien. Uit aanvullend onderzoek naar het materiaal op de telefoon van verdachte is gebleken dat er op 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt en dat hier een selfie van verdachte tussen zit. De andere zes foto’s (waarvan 4 thumbnails) betroffen foto’s van dezelfde billen en deze foto’s zijn gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur.Uit het onderzoek van [verbalisant 4] blijkt ook dat de gebruiker van de telefoon die onder verdachte in beslag genomen is, op 31 augustus 2024 om 18:02:59 uur de applicatie ‘ [applicatie] ’ heeft geopend waarmee het mogelijk is om foto’s te maken.\n\nConclusies uit het voorgaande\n\nHet toedienen\u002Fin laten nemen van 2MMC (feit 2)\n\nHet hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer] op 31 augustus 2024 in de caravan van verdachte is geweest en dat ze daar van hem iets heeft gekregen wat ze in haar mond heeft gestopt en heeft doorgeslikt.\n\n [slachtoffer] heeft kort nadat moeder haar heeft opgehaald bij de caravan van verdachte tegen haar gezegd dat ze van verdachte een klein wit snoepje had gekregen, dat heel vies smaakte. Ook in het ziekenhuis heeft [slachtoffer] het over ‘witte, vieze en zure snoepjes’ en in de voorbereiding op het studioverhoor over ‘een wit snoepje dat echt ‘bah’ wasen in het studioverhoor over ‘een heel klein wit rond snoepje’.Bovendien blijkt dat [slachtoffer] al snel na terugkomst van haar bezoek aan verdachte lichamelijke klachten krijgt die wijzen op de inname van drugs. Onderzoek door het NFI wijst uit dat bij [slachtoffer] een hoeveelheid 2MMC in haar lichaam is aangetroffen.\n\nVerdachte heeft weliswaar bevestigd dat hij [slachtoffer] in de caravan iets heeft gegeven wat ze op heeft gegeten, maar volgens verdachte betrof dat een geel bananenschuimpje en geen drugs.\n\nDat iemand anders dan verdachte verantwoordelijk is voor de inname van de 2MMC door [slachtoffer] , zoals de verdediging heeft gesteld, acht het hof echter niet aannemelijk. Verdachte is degene die over de bij [slachtoffer] aangetroffen drugs heeft beschikt, aangezien hij iets meer dan een week voor 31 augustus 2024 20 gram 2MMC heeft besteld. Ook is het verdachte die in het gesprek dat hij op 31 augustus 2024 met 6\u002F15mmmm heeft gevoerd de berichten ‘Intro Chems’ en ‘Ik geef ze wel eens wat’ heeft gestuurd. Daarnaast heeft [slachtoffer] het consequent over een klein wit snoepje, hetgeen niet overeenkomt met de verklaring van verdachte dat het om een geel schuimpje zou gaan. Bovendien blijkt uit een van de verhoren van verdachte dat op de plek waar de voorraad schuimpjes volgens verdachte zou liggen, te weten onder in de kast bij de keuken waar de radio bovenop staat, deze daar niet zijn aangetroffen.\n\nHet hof komt dan ook tot de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] 2MMC heeft toegediend en\u002Fof in heeft laten nemen en dat [slachtoffer] door de inname hiervan pijn en letsel heeft opgelopen.\n\nMet de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden\n\nvastgesteld dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat verdachte van het feit 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierbij dat het weliswaar een feit van algemene bekendheid is dat drugs de gezondheid kunnen benadelen en zeker in het geval dat deze worden toegediend aan een driejarige, maar dat over wat de gevolgen kunnen zijn van 2MMC nog te weinig bekend is, zodat onvoldoende vaststaat dat de toediening van deze drugs een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.\n\nHet vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderporno (feit 3)\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte de video’s die op zijn telefoon zijn aangetroffen en die zijn aangemerkt als kinderpornografisch in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft wel ontkend dat hij deze bestanden geopend heeft en stelt dat ze enkel naar hem toe zijn gestuurd zonder dat hij er kennis van heeft genomen. Nu verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de kinderporno naar hem is toegestuurd, is het hof van oordeel dat verdachte wist om welke bestanden het ging en dat hij deze video’s heeft verworven en in bezit heeft gehad. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.\n\nEchter, anders dan de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal door foto’s te maken van de billen van [slachtoffer] op het moment dat zij bij hem in de caravan was.\n\nTijdens het onderzoek aan de telefoon van verdachte is immers ook gebleken dat er op de datum 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt.Het gaat daarbij om zes foto’s (waarvan vier thumbnails) van dezelfde billen en tussen deze foto’s zat een selfie van verdachte. De foto’s waren gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur. Hoewel de verbalisant die de foto’s heeft beoordeeld niet kan zien of het gaat om de billen van een kind, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het om de billen van [slachtoffer] gaat. Zo past het moment waarop de foto’s zijn gemaakt in de tijdslijn van het moment dat [slachtoffer] in de caravan is geweest. Bovendien blijkt uit het feit dat tussen de foto’s van de blote billen een selfie van verdachte is aangetroffen dat het verdachte is geweest die op dat moment de camera heeft bediend en daarbij is er geen enkele aanwijzing dat er nog iemand anders in de caravan van verdachte op dat moment aanwezig was. Tot slot acht het hof van belang dat [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft verklaard dat ze bij verdachte op het bed heeft gezeten in haar blootje.\n\nDe stelling van de verdediging dat het proces-verbaal waarin dat is opgenomen slechts een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance verloren is gegaan, volgt het hof niet. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal.\n\nDe poging tot verkrachting (feit 1)\n\nVoor een strafbare poging tot verkrachting is vereist dat de dader handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals een aanranding, te plegen.\n\nIn dat verband blijkt uit het dossier dat verdachte op 31 augustus 2024 vanaf de middag (14:23 uur) met seks bezig is geweest en bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag geil was.Bovendien blijkt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat verdachte zowel op 16 augustus 2024 als op 25 augustus 2024 berichten heeft verstuurd over ‘Intro chems’ en dat hij op de bewuste dag, 31 augustus 2024, enkele uren daarvoor ook nog berichten heeft verstuurd waarin verdachte het er over heeft dat hij ‘vaak rape heeft gedaan, ook met kleintjes’. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat ‘intro chems’ verdovende middelen zijn zoals speed en 3MMC, die gebruikt kunnen worden tijdens de seks.\n\nIn het laatste gesprek van die dag dat tot 16:01 uur heeft geduurd, is het ook gegaan over ‘rape’, hetgeen verdachte oppert, en over ‘een jochie hard aanpakken’ en stelt verdachte weer ‘Intro chems’ voor, waaruit het hof afleidt dat verdachte het heeft over verkrachting van een jongere onder invloed van drugs. Ongeveer driekwartier later (16:46 uur) heeft verdachte voor de eerste keer die dag een sekslijn gebeld en in dezelfde minuut waarin verdachte ook weer met dezelfde sekslijn heeft gebeld (17:29 uur), heeft hij de moeder van [slachtoffer] het eerste berichtje gestuurd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje wil komen spelen.\n\nToen [slachtoffer] door moeder bij verdachte werd gebracht, heeft hij de deur van de caravan op slot gedaan. De stelling van de verdediging dat de enkele stelling van moeder daarvoor onvoldoende is, volgt het hof niet.\n\nMoeder heeft immers vanaf het eerste contact met de verbalisanten verklaard dat de deur op slot zat, hetgeen ze in de aangifte namens [slachtoffer] heeft herhaald. Daartegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte op dit punt.\n\nZo heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de deur helemaal niet op slot kon, terwijl hij op de zitting in eerste aanleg, op het voorhouden van de voorzitter dat verdachte verklaard heeft dat het chalet niet op slot kan, heeft geantwoord dat het chalet altijd open is, behalve als verdachte op het toilet zit of als hij weg is.Daaruit leidt het hof af dat de deur van de caravan kennelijk wel op slot kon en ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de caravan wel op slot kon.\n\nDaarnaast heeft het hof, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] 2MMC heeft gegeven en heeft hij [slachtoffer] , die op dat moment met een ontbloot onderlichaam op bed zat in zijn slaapkamer, foto’s van haar blote billen gemaakt. Ook betrekt het hof daarbij dat [slachtoffer] na haar bezoek aan verdachte heeft aangegeven dat ze overal aan haar lichaam ‘auw’ heeft en daarbij ook wijst op haar geslachtsdeel en er mannelijk DNA is aangetroffen op haar voorhof.\n\nDaar komt nog bij dat het gedrag van verdachte (naar anderen toe) opvallend te noemen is als uit moet worden gegaan van de verklaring van verdachte dat hij enkel de intentie had om [slachtoffer] een leuke tijd te bezorgen door haar bij hem te laten spelen.\n\nDat begint ermee dat verdachte [slachtoffer] met een smoesje over het samen spelen met een nichtje naar zijn caravan heeft gelokt. Daarnaast heeft hij tegen zijn echtgenoot gelogen over de reden waarom hij die middag later thuis zou komen en heeft verdachte geprobeerd het moment dat moeder [slachtoffer] weer kwam ophalen met een minuut of twintig te rekken. Tot slot heeft verdachte moeder geblokkeerd op Facebook toen zij hem vragen ging stellen over het nichtje van verdachte dat helemaal niet bestaat.\n\nHet hof is van oordeel dat uit de gedragingen voorafgaand en het voornoemde handelen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie blijkt en dat die handelingen in samenhang met de uitlatingen over ‘rape’ van minderjarigen nadat hij hen ‘wel eens wat gaf’ naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en niet op aanranding.\n\nDat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en stopte pas nadat de moeder van [slachtoffer] de deur van de caravan probeerde te openen.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van poging tot verkrachting.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen doordwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fofaan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof[slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk)(naakt) op het bed heeftlaten zittengezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zittenen\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fofwaakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof[slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer]een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fofmet onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeftverspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fofvervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fofverworven en\u002Fofin bezit heeft gehaden\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaftte weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weteneentelefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragerswaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap)en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt(afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap)en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap)en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neen visuele weergave van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en de maatregel van tbs met dwangverpleging en de maatregel ex artikel 38z Sr als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte sinds 1 september 2024 in voorlopige hechtenis verblijft en zijn detentieperiode bijzonder zwaar is gelet op de verschillende ernstige medische klachten van verdachte. Ook heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat de laatste veroordeling van verdachte voor een zedendelict uit 2014 dateert en op de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt, waaruit het advies volgt om de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte toe te rekenen en aan hem tbs met voorwaarden op te leggen.\n\nHet verzoek is om een op te leggen gevangenisstraf zoveel mogelijk te beperken omdat de nadruk moet liggen op behandeling in plaats van vergelding en om een tbs met voorwaarden op te leggen, zoals de deskundigen passend en haalbaar achten. Verdachte wil overal aan mee werken en een eerder opgelegd toezicht heeft hij ook positief afgesloten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Ten eerste heeft hij contact gelegd met de moeder van een driejarig meisje, [slachtoffer] , en gevraagd of [slachtoffer] met zijn nichtje wilde komen spelen, terwijl verdachte helemaal geen nichtjes heeft. Toen moeder aangaf dat ze het zou vragen, heeft verdachte even later nogmaals gevraagd of ze wilde komen. In de tussentijd en ook voor zijn eerste verzoek heeft verdachte meermalen met een sekslijn gebeld en daarvoor gesprekken gevoerd waarbij gesproken werd over ‘rape’ en ‘hard neuken’ van minderjarigen die onder invloed waren van drugs. Toen [slachtoffer] door moeder is gebracht, heeft verdachte de caravan op slot gedaan en heeft hij [slachtoffer] gedrogeerd door haar 2MMC, een designerdrug die verdachte iets meer dan een week ervoor had besteld en afgeleverd heeft gekregen, te geven.\n\nDat is des te kwalijker nu verdachte zelf ervaring had met het innemen van deze drugs en daar de gevolgen van kende.\n\nVerdachte is met [slachtoffer] naar de slaapkamer gegaan waar [slachtoffer] bed heeft gezeten. Verdachte heeft foto’s gemaakt van de blote billen van [slachtoffer] . Toen moeder er na ongeveer tien minuten een naar gevoel bij kreeg, heeft ze verdachte een bericht gestuurd dat ze [slachtoffer] zou komen halen en heeft verdachte nog geprobeerd om dat moment uit te stellen. Toen moeder [slachtoffer] had opgehaald, zag ze vrij snel dat het niet goed ging met haar. Vervolgens is de driejarige [slachtoffer] met spoed opgenomen in het ziekenhuis. [slachtoffer] had pijn, had bloed in haar mond omdat ze haar mond en tong kapot had gebeten en ze moest meermalen overgeven. Uit alles volgt dat het de intentie van verdachte was om [slachtoffer] te verkrachten en enkel en alleen omdat moeder het toch niet vertrouwde en zij [slachtoffer] snel weer heeft opgehaald, is het bij een poging tot verkrachting gebleven.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich met het drogeren van [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling door haar een schadelijke stof toe te dienen terwijl zij op dat moment aan zijn zorg was toevertrouwd door moeder.\n\nHet op slinkse wijze bespelen van de moeder van een meisje van drie jaar door haar te vragen of ze met zijn nichtje wilde komen spelen, zodat verdachte de tijd en gelegenheid had om via haar aan zijn gerief te komen, is zeer kwalijk.\n\nDoor zo te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en grof misbruik gemaakt van het feit dat zij drie jaar – en daarmee extra kwetsbaar – was.\n\nVerdachte heeft met het plegen van deze strafbare feiten ook veel leed toegebracht. Niet alleen heeft [slachtoffer] de lichamelijke gevolgen van de haar toegediende drugs moeten ervaren, maar heeft ook haar moeder angst en paniek ervaren en het zichzelf kwalijk genomen dat zij [slachtoffer] naar verdachte toe heeft gebracht.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben door trauma’s en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Uit de slachtofferverklaring van moeder blijkt dat zij het zichzelf nog steeds kwalijk neemt dat zij verdachte heeft vertrouwd, dat ze het beeld van [slachtoffer] die vecht tegen de drugs die verdachte haar gegeven heeft niet kwijtraakt en dat ze nog zoveel vragen heeft die niet door verdachte beantwoord worden.\n\nDit gedrag rekent het hof verdachte zwaar aan. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Zo zijn zijn verklaringen wisselend en geeft hij zowel bij de rechtbank als het gerechtshof nauwelijks antwoord op inhoudelijke vragen omdat hij het niet meer zou weten.\n\nTot slot zijn bij verdachte op zijn telefoon twintig video’s met kinderporno aangetroffen en de foto’s van de billen van [slachtoffer] . In de video’s zijn vergaande seksuele handelingen te zien van soms zeer jonge kinderen en zelfs baby’s, die seksuele handelingen moeten verrichten en dulden. Het gaat hier om kinderpornografisch materiaal van de ergste categorie. Net als de rechtbank houdt het hof verdachte medeverantwoordelijk voor het genoemde seksuele misbruik van kinderen, omdat hij door het verwerven, het bezit en het vervaardigen heeft bijgedragen aan het in stand houden van de vraag hiernaar. Dit is bijzonder ernstig.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Verdachte heeft zijn eigen seksueel genot boven het welzijn gesteld van de kinderen die op de aangetroffen materialen zijn weergegeven.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte zowel in 2005 als 2014 is veroordeeld voor zedendelicten met een minderjarige. Dat weegt het hof in het nadeel van verdachte mee.\n\nDaarnaast heeft het hof ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel in deze zaak geïndiceerd is, gekeken naar de verschillende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.\n\nNet als de rechtbank leidt het hof uit het rapport van 4 april 2025 dat is opgesteld door [naam 3] , psychiater\u002Fpsychoanalyticus, het volgende af.\n\nBij verdachte is sprake van een parafiele stoornis, zwakbegaafdheid en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van onvoldoende sturingsvermogen bij verdachte, met name wanneer hij onder druk komt te staan door life events zoals het overlijden van een familielid. Verdachte ontkent de feiten maar heeft tijdens het psychiatrisch onderzoek aangegeven dat hij verdrietig was vanwege het overlijden van zijn zus, toen is gaan chatten om zijn verdriet een plek te geven, hij ‘iets stouts’ met het meisje van plan was, maar uit zichzelf zou zijn gestopt.\n\nNet als de rechtbank heeft het hof bij de bespreking van het bewijs geconcludeerd dat dit laatste niet het geval is, omdat verdachte voortijdig door de moeder van het meisje werd gestoord.\n\nDe klinische inschatting van het recidiverisico komt uit op matig tot hoog. Zonder behandeling blijven de risicofactoren onveranderd. Een behandeling en begeleiding zijn\n\nnoodzakelijk om de kans op herhaling te verlagen.\n\nVerdachte is in 2005 en in 2014 ook veroordeeld voor zedendelicten met kinderen. Na de\n\nveroordeling in 2014 heeft hij een behandeling voor zedendelinquenten ondergaan. De\n\npsychiater adviseert om de feiten ten aanzien van [slachtoffer] verminderd toe te rekenen en het\n\nbezit van de kinderporno volledig aan verdachte toe te rekenen.\n\nOok het hof neemt deze conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.\n\nUit het psychologisch onderzoek van GZ-psycholoog [naam 4] van 5 maart 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en dat een parafiele stoornis niet met zekerheid gesteld noch uitgesloten kan worden. Nu verdachte een volledig ontkennende houding heeft, onthoudt de onderzoeker zich van advies over de mate van toerekenen.\n\nVolgens de psycholoog is het recidiverisico bovengemiddeld. Bovendien blijkt dat als de ten laste gelegde feiten bewezen worden er sprake is van een beperkt effect van de eerdere zedenbehandeling.\n\nTot slot heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025 van Reclassering Nederland. Daarin staat vermeld dat betrokkene tweemaal eerder werd veroordeeld (2005 en 2014) vanwege een zedendelict en dat bij beide veroordelingen de slachtoffers minderjarige jongens waren. Betrokkene stond eenmaal eerder onder toezicht van de reclassering en doorliep in het kader van een voorwaardelijke veroordeling een ambulante behandeling bij [instelling] . De verklaringen van betrokkene over hetgeen hem ten laste gelegd wordt en gebeurtenissen in de periode die daaraan vooraf zijn gegaan, wisselen en worden bij confrontatie met dossierinformatie bijgesteld, ontkend of ontweken. Betrokkene lijkt zijn verhaal, na confrontatie, telkens aan te passen hetgeen voor verwarring zorgt en niet overeenkomt met hetgeen op is genomen in de pro Justitia rapporten.\n\nDe reclassering geeft aan dat de maatregel van tbs met voorwaarden technisch uitvoerbaar is. Ze zijn echter terughoudend dit te adviseren. De reclassering noemt het advies voorzichtig positief. Zij zien risico’s in het feit dat bij een veroordeling de eerder doorlopen behandeling klaarblijkelijk niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Verdachte laat bij confrontatie met dossierinformatie ontkennend, ontwijkend en bagatelliserend gedrag zien. Zij vragen zich bovendien af of betrokkene daadwerkelijk de impact van een tbs maatregel met voorwaarden en dagbehandeling inziet.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op het voorgaande is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van de gevangenisstraf ten eerste rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, in het bijzonder dat het hier gaat om het drogeren van een driejarige met de intentie haar te verkrachten en het bezit van kinderpornografisch materiaal waarin hele jonge kinderen en baby’s te zien zijn.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en de impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad. Ook heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nAlles overwegende is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, die in hoger beroep ook weer is gevorderd, de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het hof zal dan ook aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen dan de drie jaren die door de rechtbank zijn opgelegd.\n\nHet hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging?\n\nVoorts is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs noodzakelijk is.\n\nHet hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte de maatregel van tbs kunnen worden opgelegd.\n\nIn de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1° Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.\n\nIn de onderhavige zaak is aan deze voorwaarden voldaan en er is geen discussie over dat verdachte behandeld dient te worden binnen een tbs-kader en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel eist.\n\nDe vraag die het hof dient te beantwoorden is welke vorm van tbs opgelegd dient te worden: tbs met verpleging van overheidswege, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, of tbs met voorwaarden, zoals de verdediging heeft gevraagd.\n\nDe deskundigen hebben in hun rapporten opgenomen dat volstaan kan worden met oplegging van tbs met voorwaarden. Het hof volgt echter de deskundigen niet in voornoemde adviezen en acht het evenals de rechtbank en de advocaat-generaal noodzakelijk dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTer onderbouwing van deze beslissing stelt het hof voorop dat uit de rapportages van zowel de psycholoog als de psychiater volgt dat de nadruk moet liggen op een intensieve en langdurige zedenbehandeling. Daar komt bij dat verdachte de bewezenverklaarde feiten ontkent, hij twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld en daarbij eenmaal eerder een zedenbehandeling bij [instelling] heeft gevolgd. Het hof stelt, gelet op de onderhavige zaak, vast dat deze behandeling onvoldoende effect heeft gehad. Ook stelt het hof met de rechtbank vast dat uit de rapportages evenals op de zitting is gebleken dat verdachte niet beschikt over ziektebesef en ook niet begrijpt waarom hij een behandeling nodig heeft.\n\nDaar komt nog bij dat de reclassering in het rapport aan heeft gegeven dat het advies van tbs met voorwaarden slechts voorzichtig positief is omdat de reclassering door de opstelling van verdachte het risico op onttrekken aan de voorwaarden niet in kan schatten.\n\nVolgens de reclassering is het gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, de doorlopen behandeling en de houding van verdachte de vraag of een tbs met voorwaarden haalbaar is.\n\nNet als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat een stevig behandelkader in een beveiligde omgeving noodzakelijk is om grip op verdachte te krijgen. De duur van de behandeling van een tbs met voorwaarden is daarvoor te kort en ook het hof betrekt hierbij het hoge risico op schijnaanpassing.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat het terugdringen van voornoemd recidiverisico en de noodzakelijke bescherming van de maatschappij, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van tbs met dwangverpleging. Deze maatregel biedt in het onderhavige geval de meeste waarborgen voor een optimale risicoreductie. Anders dan de verdediging heeft bepleit, kan niet worden volstaan met een minder hoog niveau van bescherming.\n\nHet hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de feiten 1 primair en 2 subsidiair. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaren te boven gaan.\n\nMaatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr\n\nDaarnaast is het hof van oordeel dat een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel nodig in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Verdachte zal ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot hebben zowel de deskundigen als de reclassering de oplegging van deze maatregel geadviseerd. Aan de formele vereisten is voldaan.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de problematiek van verdachte met zich brengt dat langdurig toezicht nodig is om recidive te voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk in te perken. Het hof zal daarom, gelet op het bovenstaande, tot de oplegging van de maatregel met langdurig toezicht overgaan.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.777,86, bestaande uit € 277,86 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade en heeft daarnaast een bedrag van € 570,24 aan proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 102,96 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nNamens de benadeelde partij heeft mr. Bouw op de zitting in hoger beroep aangegeven dat het hof het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan volgen, te weten toewijzing van een bedrag van € 102,96. Daarnaast heeft mr. Bouw verzocht de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade onvoldoende is onderbouwd vanwege het ontbreken van een diagnose van geestelijk letsel.\n\nVoor wat betreft de gevorderde proceskosten heeft mr. Bouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar daarbij wel gewezen op de omstandigheid dat oma en stiefopa een groot deel van de tijd voor [slachtoffer] zorgen en een zeer betrokken rol hebben in de zorgtaken van haar. Oma heeft namens de moeder van [slachtoffer] de advocaat bezocht voor een bespreking van de zaak en de zittingen bij de rechtbank bijgewoond en zij heeft geen bijstand van een advocaat. Om die reden is het verzoek om de proceskosten die oma heeft gemaakt toe te wijzen.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de materiële schade die gevraagd wordt toegewezen dient te worden zoals de rechtbank dat heeft gedaan en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nVoor wat betreft de gevorderde materiële schade stelt het hof voorop dat het hof duidelijk is gebleken dat de oma en stiefopa van [slachtoffer] net zo betrokken zijn bij het welzijn van [slachtoffer] als de moeder van [slachtoffer] , maar dat het hof gebonden is aan de wet voor wat betreft de mogelijkheden om de gevraagde schade van oma toe te kennen.\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat alleen de kosten die oma heeft gemaakt om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen voor vergoeding in aanmerking komen, te weten\n\n€ 69,30. Daarnaast wijst het hof toe de gevorderde kosten die moeder heeft gemaakt op 31 augustus 2024 en 1 september 2024 voor het brengen van [slachtoffer] naar het ziekenhuis, te weten € 33,66. De benadeelde partij heeft immers rechtstreeks schade geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nVoor wat betreft de overige gevorderde materiële schade kan de benadeelde partij niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nTen aanzien van de gevorderde immateriële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu deze schadepost, zoals op de zitting door mr. Bouw zelf ook is aangevoerd, onvoldoende is onderbouwd. Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nVoor wat betreft de proceskosten sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De noodzakelijke reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt komen op grond van de artikelen 238 en 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet in aanmerking voor vergoeding wanneer zij zich heeft laten bij staan door een gemachtigde\n\n(Hoge Raad, 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:334). Ook de reiskosten om de advocaat van de benadeelde te bezoeken om de zaak te bespreken komen om die reden niet voor\n\nvergoeding in aanmerking (Hoge Raad, 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). Aangevoerd is dat de kosten van oma en stief-opa voor het bezoeken van de terechtzittingen wel voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen omdat zij geen bijstand van een gemachtigde hadden. Aangezien opa en stief-opa geen benadeelde partij zijn in deze zaak, komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nHet hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse schaal, zij zich kan voorstellen dat het hof de immaterieel toe te wijzen vordering enigszins matigt, maar niet in de mate zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Volgens de advocaat-generaal zou een groter deel moeten worden toegewezen dan de rechtbank heeft gedaan.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nOp de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nDe bewezen verklaarde feiten betreffen een poging tot verkrachting en een mishandeling en vastgesteld kan worden dat als gevolg van het bewezenverklaarde handelen door verdachte bij de benadeelde partij naar objectieve maatstaven sprake is van lichamelijk letsel en van een aantasting in de persoon op andere wijze (geestelijk letsel). De aard en de ernst van deze feiten brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist.\n\nVoor wat betreft de hoogte van de immateriële schade heeft het hof gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de onderbouwing van de vordering en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.\n\nIn deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(c) Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ en oppervlakkig en beperkt letsel een bedrag tot € 1.100,00 genoemd.\n\nNu de benadeelde partij als driejarige door het toedienen van de drugs door verdachte haar mond kapot heeft gebeten, pijn heeft gehad in verschillende delen van haar lichaam, ziek is geweest en met de ambulance is afgevoerd, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van oppervlakkig en beperkt letsel, maar zodanig letsel dat reeds hierom de gevorderde schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op het gevorderde bedrag van € 2.000,00. De vordering wordt daarom in het geheel toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 240b, 250, 252, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVerklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de proceskosten.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 augustus 2024.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2024.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. R.D.J. Visschers en mr. D. Stikkelbroeck,\n\nin aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2026.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. J. Steenbrink, voorzitter,\n\nmr. V.T.R.W. van Thiel , advocaat-generaal,\n\nmr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n De hierna onder de voetnoten 2 t\u002Fm 18, 20 t\u002Fm 22, 26, 28 t\u002Fm 31 en 36 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal 08RANGER, nummer 2024407947, in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 april 2025 door [brigadier] , brigadier.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 25 t\u002Fm 28).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 251 t\u002Fm 252) en het WhatsApp-bericht als bijlage gevoegd (pagina 310).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 249 t\u002Fm 250).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 54 en 55).\n\n Patiëntendossier [ziekenhuis] inzake [slachtoffer] , p. 126.\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 175 t\u002Fm 181).\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 104 t\u002Fm 108).\n\n Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 39 t\u002Fm 44).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 t\u002Fm 61).\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte (pagina’s 595-597) en het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 598-600).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 509 t\u002Fm 510).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 351 t\u002Fm 352).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 441 t\u002Fm 447).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 488 t\u002Fm 502).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 470 t\u002Fm 487).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 344 t\u002Fm 351).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 515 t\u002Fm 517).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 339 t\u002Fm 340).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 341).\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Gelderland op 6 september 2024 (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent, met bijlage (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 518).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 519 t\u002Fm 521).\n\n Het proces-verbaal voorbereiding studioverhoor (pagina’s 58 en 59).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 en 61).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 650).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 148, in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 juli 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2025.\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 637).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4368","ecli-nl-gharl-2026-4368",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]