ECLI:NL:GHARL:2026:819
Rezumatul Cauzei
Civiel recht
Uitspraak
Arnhem
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.610/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594545)
beschikking van 12 februari 2026 inzake voorlopige voorzieningen
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] , verzoekster, verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. Vermeer te Utrecht
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder, verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.A. Kale
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025. Die beschikking wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.
2. De procedure
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift, ingekomen op 24 oktober 2025;
het verweerschrift tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;
een verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, en
een e-mail van mr. Vermeer van 23 januari 2026 met een brief van mr. Vermeer van dezelfde datum en producties.
2.2. De zitting was op 2 februari 2026. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.
3. De feiten
3.1. De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in]
2021, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en de vader voor hun dochter [minderjarige] , die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verloop van het uniform hulpaanbod.
In die voorlopige zorgregeling is bepaald dat de vader de zorg heeft voor [minderjarige] in drie weekenden per maand en in een deel van de vakanties en de feest- en studiedagen. De moeder heeft de zorg voor [minderjarige] op de dagen dat zij niet bij de vader is.
3.3. De vader heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking.
4. De omvang van het geschil
4.1. De moeder vraagt het hof een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv te treffen en te bepalen dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000.
4.2. De vader voert gemotiveerd verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.
5. De beoordeling van het verzoek
5.1. Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftproceduresen houdt in dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Die voorlopige voorziening moet samenhangen met het verzoek in de hoofdzaak en zich ervoor lenen als voorlopige voorziening te worden gegeven. Nadere eisen worden niet gesteld.
5.2. Het verzoek in de hoofdzaak is bij dit hof aanhangig. Dat verzoek gaat om de vraag waar [minderjarige] verblijft en wie wanneer voor haar zorgt; het gaat dus om een zorgregeling voor [minderjarige] . De voorlopige voorziening gaat over de vraag of de vader moet worden veroordeeld een dwangsom te betalen als hij die zorgregeling voor [minderjarige] niet nakomt. De voorlopige voorziening hangt samen met het verzoek in de hoofdzaak en leent zich ervoor als voorlopige voorziening te worden gegeven. Als het hof de voorlopige voorziening geeft, geldt deze (slechts) voor de duur van de procedure in de hoofdzaak, dat wil zeggen totdat de einduitspraak van dit hof in kracht van gewijsde is gegaan.
5.3. De moeder verzoekt als gezegd aan de nakoming van de zorgregeling door de vader een dwangsom te verbinden. De rechter kan een partij op verzoek van de andere partij veroordelen tot betaling van een dwangsom, als deze niet aan de hoofdveroordeling voldoet (artikel 611a Rv). Als het een zorgregeling betreft, vormen de belangen van het kind de eerste overweging (artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind).
5.4. Het hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en aan de nakoming van de (voorlopige) zorgregeling door de vader een dwangsom verbinden. Gebleken is dat de vader verschillende keren, zonder daarover in (constructief) overleg te treden met de moeder, de zorgregeling niet is nagekomen door [minderjarige] na een verblijf bij de vader niet terug te brengen bij de moeder en zo te onttrekken aan de zorg van de moeder. De vader heeft [minderjarige] op
10 november 2025 niet naar de moeder teruggebracht en haar meerdere dagen bij zich gehouden. Na het weekend van 22 november 2025 heeft de vader [minderjarige] opnieuw niet teruggebracht naar de moeder en [minderjarige] een dag en nacht langer bij zich gehouden dan volgens de zorgregeling bepaald. Op maandag 8 december 2025 heeft de vader [minderjarige] opnieuw tegen de zorgregeling in niet naar de moeder gebracht en haar een dag en een nacht langer bij zich gehouden. Op maandag 15 december 2025 heeft de vader [minderjarige] , tegen de zorgregeling in, niet naar school gebracht en haar pas om 14.00 uur bij de moeder teruggebracht. Op vrijdag 19 december 2025 zou [minderjarige] volgens de zorgregeling uit school naar de moeder moeten worden gebracht. De vader heeft haar die dag niet naar school laten gaan en pas om 19.00 uur ’s avonds bij de moeder gebracht. Daarmee staat vast dat de vader de zorgregeling niet nakomt en [minderjarige] veelvuldig aan de zorg van de moeder heeft onttrokken. De vader zegt dat hij daarvoor een goede reden heeft. Hij zegt grote zorgen te hebben over de gezondheid van [minderjarige] en dat zij vaak bleek en met opkomende koorts bij hem komt. Kennelijk acht hij zich vrij de zorgregeling niet te hoeven nakomen als volgens hem de gezondheidstoestand van [minderjarige] niet toelaat dat hij haar naar school brengt of terugbrengt naar de moeder. Daarmee miskent de vader de betekenis van de zorgregeling en een zorgvuldige uitvoering daarvan. Ook als [minderjarige] ziek, verzwakt of vermoeid zou zijn, moet de vader haar terugbrengen naar de moeder op het moment dat zij weer de zorg voor [minderjarige] heeft volgens de zorgregeling. Niet is gebleken dat de toestand van [minderjarige] zodanig slecht was dat zij niet vervoerd kon worden. Bovendien ligt het op de weg van de vader om in het geval [minderjarige] ziek is, in constructief overleg te treden met de moeder. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat de vader dat niet doet. De vader beslist steeds eigenmachtig wanneer en waarom [minderjarige] , tegen de zorgregeling in, bij hem moet blijven. Ook bepaalt hij zonder overleg met de moeder of [minderjarige] al dan niet kan worden vervoerd naar de moeder. Het is allerminst in het belang van [minderjarige] dat de vader haar aan de zorg van de moeder onttrekt en zo de zorgregeling frustreert die nu juist in het belang van [minderjarige] is vastgesteld. Het hof acht een dwangsom van € 500 per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000 per maand. Dat is voor hem een voldoende prikkel de zorgregeling na te leven.
5. De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek van de moeder toe;
bepaalt dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000;
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en M.H.F. van Vugt en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ2016/261.
HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2624, NJ2017/397.