ECLI:NL:GHDHA:2026:1983
Rezumatul Cauzei
Civiel recht
Uitspraak
Den Haag
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.944/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10425701 CV EXPL 23-9386
Arrest van 30 juni 2026
in de zaak van
Vereniging van Eigenaren Bergingen en Parkeerplaatsen aan [parkeerplaatsen] (ongenummerd) te [plaats],
gevestigd in [plaats],
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
wonend in [plaats],
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [plaats],
3. [geïntimeerde 3] ,
wonend in [plaats],
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Postma, kantoorhoudend in Rijswijk (Zuid-Holland).
Het hof noemt partijen hierna VVE Parkeerplaatsen, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over geluidsoverlast in een appartementencomplex. Het appartement op de begane grond fungeert als doorgang naar een achterliggend gebouw met parkeerplaatsen en bergingen. Na het plaatsen van een mechanische roldeur ervaren de bewoners van de bovengelegen woningen ( [geïntimeerden] ) geluidshinder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder en heeft VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om de aanbevelingen van een geluidsdeskundige op te volgen. VVE Parkeerplaatsen heeft daarop aanpassingen doorgevoerd aan de constructie van de roldeur.1.2. In hoger beroep wijst het hof het gewijzigde gevorderde bevel toe om de door de deskundige aanbevolen en aanvullende maatregelen door te voeren, maar uitsluitend ten aanzien van [geïntimeerde 1] , omdat zij (nog steeds) geluidsoverlast ervaart. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en ervaart daarom geen geluidsoverlast meer. Bij [geïntimeerde 3] worden geen overschrijdingen van geluidsnormen gemeten en zij heeft niet onderbouwd dat zij onrechtmatige geluidshinder ervaart.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 2 januari 2024, waarmee VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023;
de memorie van grieven van VVE Parkeerplaatsen;
de memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen 0 tot en met 12;
de bijlage 13 die [geïntimeerden] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht, die van VVE Parkeerplaatsen aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. Bij splitsingsakte van 15 november 2006 is het gebouw gelegen aan de [adres] in [plaats] gesplitst in vier appartementsrechten en is de Vereniging van eigenaars gebouw [adres] te [plaats] (hierna: VVE Gebouw) opgericht. Het appartementsrecht met index 1 bevindt zich op de begane grond en geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren (hierna: appartement 1). De overige drie appartementsrechten hebben betrekking op de appartementen gelegen boven appartement 1 op respectievelijk de eerste, tweede, en derde en vierde verdieping en hebben als bestemming woning.3.2. VVE Parkeerplaatsen is thans eigenaar van appartement 1. VVE Parkeerplaatsen is opgericht als vereniging van eigenaars ten behoeve van het beheer en onderhoud van het gebouw met parkeerplaatsen en bergingen gelegen op het kadastrale perceel [perceelnummer]. Laatstgenoemd perceel bevindt zich direct achter appartement 1. Appartement 1 fungeert thans als doorgang ten behoeve van het kadastrale perceel [perceelnummer]. In het appartementencomplex woonde direct boven appartement 1 [geïntimeerde 2] (A-2). Op de tweede verdieping woont [geïntimeerde 1] (A-3) en op de derde en vierde verdieping woont [geïntimeerde 3] (A-4).3.3. Artikel 2 van het splitsingsreglement van het gebouw luidt, voor zover relevant, als volgt:
“3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn.
(…)
5. In afwijking van het vorenstaande zullen de kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing daaronder begrepen, van kozijnen, ramen, deuren, glas, balkons, alsmede het hang- en sluitwerk aan de kozijnen, ramen en deuren, welke aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend komen ten laste van de eigenaar(s) die daarvan gebruik maakt(maken).
Het onderhoud, casu quo de vernieuwing, dient te geschieden volgens de richtlijnen van de vergadering en na verkregen toestemming van de vergadering.”3.4. Tot 2016 werd de toegang tot appartement 1 gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door de deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [geïntimeerde 2] heeft over de geluidsoverlast veelvuldig contact gezocht met VvE Parkeerplaatsen.3.5. Op 21 september 2021 heeft [naam] van Strooming op verzoek van VvE Gebouw een geluidonderzoek gedaan naar de mechanische roldeur. In haar rapport van 26 oktober 2021 concludeert Strooming dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bij gebruik van de roldeur de normwaardes uit het Bouwbesluit overschrijdt. Strooming deed in het rapport de volgende aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit:
“- Verbeteren van de ophang- en montageconstructie van overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Een overweging kan zijn om een zelfdragende stalen portaal te plaatsen die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond. De bestaande overheaddeur kan dan aan dit stalen portaal worden gehangen.- Aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor. - Aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond. - Afstellen van de deurdranger en zo nodig aanslagrubber gebruiken bij de loopdeur.”3.6. In de definitieve versie van het rapport van 30 november 2021 heeft Strooming deze aanbevelingen herhaald en daarbij aan het eerste aandachtstreepje toegevoegd:
“Het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie is in feite de enige en beste manier om de overdracht van de trillingen richting de bovengelegen woningen te voorkomen.
(…)
Bovenstaande maatregelen zijn complementeer aan elkaar en dienen allen in zijn geheel worden toegepast om het juiste effect te kunnen bereiken.”3.7. Op 24 februari 2022 heeft VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] een voorstel gedaan om de geluidsoverlast te verminderen. Dit voorstel vermeldt onder meer het volgende:
“Om toch tot een voor ieder goede oplossing te komen stel ik het volgende voor;• Wij vragen een offerte aan voor het losmaken van de rail van de overhead deur d.m.v. een portaal naar wand of vloer.• Wij bekijken of er een ander sluiting op de loopdeur kan worden aangebracht die minder geluidsoverlast zal veroorzaken.• Wij vragen een tweetal offertes aan voor het isoleren van de verdiepingsvloer; één voor het gedeelte bij de deur alleen en één voor de gehele verdiepingsvloer (…)Wanneer de gehele vloer zal worden geïsoleerd is dat uiteraard niet voor onze rekening (…) Wel wil ik aangegeven dat wij niet tot de uitvoering van bovengenoemde maatregelen zullen overgaan voordat er een meer jaren onderhoudsplan is gemaakt, zoals afgesproken in de laatste vergadering.”3.8.
[geïntimeerden] heeft niet met dit voorstel ingestemd en uiteindelijk in maart 2023 een procedure aanhangig gemaakt.3.9. Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg heeft VVE Parkeerplaatsen eind oktober of begin november 2023 werkzaamheden aan de mechanische roldeur laten uitvoeren. [geïntimeerden] heeft VVE Parkeerplaatsen daarna bericht dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd conform de aanbevelingen van Strooming. Ook zouden de klachten over het geluids- en trillingsniveau in de woningen zijn verergerd.3.10. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [naam] (die nu werkzaam is bij Sonitus) onderzoek gedaan naar de door VVE Parkeerplaatsen uitgevoerde werkzaamheden. Sonitus heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van drie foto’s. In haar brief van 14 december 2023 concludeerde Sonitus (onder meer) dat “de huidige manier van monteren niet de optredende geluiden zal reduceren waardoor de afname van overlast zal uitblijven” en dat “de wijze van ophanging niet overeenkomt met de aanbevelingen zoals opgenomen in de rapportage van 26 oktober 2021 en 30 november 2021 omdat op de huidige wijze van monteren er nog steeds contact met de wanden wordt gemaakt”. Ook doet zij de volgende aanbevelingen om de geluidsoverlast (verder) te beperken:
“2. Zelfdragende deurconstructie
De voorkeur zal zijn om de constructie van de overheaddeur zogenaamd vrijdragend te maken. Door deze geheel te ontkoppelen van de bestaande bouwkundige constructie zal de overdracht van het geluid, door middel van contact, aanzienlijk dalen.
Een vrijdragende constructie zal gerealiseerd kunnen worden door langs de beide muren. De opbouw kan als volgt zijn;
• Een horizontaal liggende betonnen balk waarop de stalen kolommen worden gemonteerd De betonnen balken niet tegen de wand aanleggen. Tussen de wand en de balk een dempende rubberstrook aanbrengen die geluidoverdracht zal voorkomen.• De geleiderails worden gemonteerd aan stalen kolommen die rusten op de liggende betonbalk• De constructie zal kunnen bestaan uit 2 stalen kolommen aan de linkerzijde en 2 stalen kolommen aan de rechterzijde. Deze kunnen boven de geleiderails met elkaar gekoppeld worden zodat een stijve onderlinge verbinding ontstaat die ongewenste bewegingen kan minimaliseren.• Bij de montage van de deurgeleiders in de voorgevel zullen Phonex ankers moeten worden toegepast.• De motor zal worden omkleed met een omkasting die aan de onderzijde open moet zijn. De nadruk zal gelegd moeten worden om een dempende laag tussen de motor en het plafond aan te brengen. Door de onderzijde open te houden kan het optredend geluid van de motor in de omliggende ruimte zich verstrooien en zal niet direct richting de bovenliggende woningen worden gestuurd.
Een dergelijke constructie zal geheel vrijstaan van het gehele gebouw en zal de overdracht van geluid via contact minimaal zijn. De verwachting is dat ondergrond een dergelijke constructie zal kunnen dragen daar er ook voldoende autoverkeer is waardoor de ondergrond voldoende draagkracht zal hebben.”3.11. In februari 2024 heeft VVE Parkeerplaatsen opnieuw aanpassingen gedaan aan de roldeur. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft Sonitus deze aanpassingen onderzocht, wederom op basis van foto’s. In een mailbericht van 19 april 2024 verwoordt Sonitus haar bevindingen (onder meer) als volgt:
“Als ik zo de foto's bekijk dan vind ik de stalen gele constructie aan de lichte kant. Het idee was om een constructie aan te brengen die de belasting van de dynamische rolbeweging van de deur kan absorberen. Deze constructie lijkt mij te licht om dit effect te kunnen bereiken. Verder is niet te zien hoe de verticale geleider aan de voorgevel is gemonteerd. Als dit op de bestaande manier is dan is het geluid boven net zo hoorbaar als ervoor. Tevens is niet te zien hoe de gele horizontale ligger aan de voorgevel is gemonteerd. Ook hoe onderling stalen delen zijn gemonteerd is niet goed zichtbaar. Er zijn rubber volgringen ed zichtbaar.
Ik moet concluderen dat op basis van de foto's ik verwacht dat de overlast nog steeds voortduurt."3.12. In maart 2025 heeft Sonitus nieuwe geluidsmetingen verricht in de appartementen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . Sonitus heeft daarbij geconstateerd dat het geluidsvolume van de mechanische roldeur nog steeds de geluidsnormen in artikel 4.108 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (de vervanger van het Bouwbesluit 2012) overschrijdt. De maximale normwaarde is 30 dB(A), terwijl in het appartement op de eerste verdieping het geluidsvolume bij het openen en sluiten van de roldeur gemiddeld 36,6 dB(A) en maximaal 38,5 dB(A) bedraagt. In het appartement op de tweede verdieping bedraagt het geluidsvolume gemiddeld 30,4 dB(A), en maximaal 34,3 dB(A).3.13. In de zomer van 2025 heeft [geïntimeerde 2] het appartement op de eerste verdieping verkocht. Het appartementsrecht is in augustus 2025 overgedragen aan de nieuwe eigenaar.4. Procedure bij de kantonrechter4.1.
[geïntimeerden] heeft, samen met VVE Gebouw, VVE Parkeerplaatsen gedagvaard en (na vermeerdering van eis en voor zover nog relevant in hoger beroep) gevorderd, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
VVE Parkeerplaatsen te gebieden om de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen, en een gedeelte van de verdiepingsvloer te voorzien van akoestische en thermische isolatie, conform het voorstel van VVE parkeerplaatsen d.d. 24 februari 2022, op straffe van een dwangsom;
VVE Parkeerplaatsen te gebieden na voltooiing van deze aanpassingen en geluidsmaatregelen een deskundige het geluidsniveau van de poortdeur met toebehoren te laten controleren en meten, binnen een termijn van 3 weken na voltooiing, en voorzover die geluidsniveaus en metingen het maximaal toegestane niveau (zoals opgenomen in het rapport Strooming) nog steeds overschrijden, de VVE Parkeerplaatsen te gebieden om aanvullende geluidsmaatregelen te laten treffen, op straffe van een dwangsom;
met veroordeling van VVE Parkeerplaatsen in de proceskosten.4.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] deels toegewezen en (voor zover in hoger beroep relevant) VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De kantonrechter heeft de andere vorderingen van [geïntimeerden] (voor zover in hoger beroep relevant) afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft VVE Gebouw niet-ontvankelijk verklaard in de hiervoor weergegeven vorderingen.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. VVE Parkeerplaatsen is in hoger beroep gekomen omdat zij het deels niet eens is met het vonnis. VVE Parkeerplaatsen vordert het vonnis te vernietigen voor zover zij daarin is veroordeeld om werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast vordert VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten die VVE Parkeerplaatsen heeft gemaakt ter uitvoering van het vonnis en een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onbevoegd opdracht tot onderzoek heeft gegeven aan Strooming en onbevoegd een opdracht heeft verstrekt aan mr. Postma om namens VVE Gebouw VVE Parkeerplaatsen in rechte te betrekken. VVE Parkeerplaatsen vordert tot slot een proceskostenveroordeling in beide instanties, buitengerechtelijke kosten en rente.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van VVE Parkeerplaatsen op het volgende. Ten eerste is de roldeur onderdeel van de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex en een gemeenschappelijke zaak (grief 5). Het geschil gaat dus over geluidsoverdracht door een gemeenschappelijke zaak (de roldeur) naar de appartementen. [geïntimeerden] spreken daarom de verkeerde partij aan: niet VVE Parkeerplaatsen is verantwoordelijk voor het voorkomen van geluidsoverlast door de roldeur, maar de VVE Gebouw (grief 1 en grief 2). Om dezelfde reden is VVE Parkeerplaatsen niet bevoegd om zelfstandig werkzaamheden aan de roldeur uit te voeren (grief 1 en grief 5) en moeten de kosten voor aanpassingen aan de roldeur worden verdeeld over de leden van de VVE Gebouw. Het is in elk geval niet redelijk dat [geïntimeerden] eist dat de VVE Parkeerplaatsen alle kosten draagt (grief 6). Ten tweede bevinden de appartementen zich in een oud gebouw. Het gebouw was al gehorig voordat de roldeur werd geplaatst en de staat van het gebouw moet worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder (grief 3). Omdat het gebouw oud is, zijn de normen uit het Bouwbesluit niet van toepassing. Dat die normen worden overschreden rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder (grief 4). Ten derde zijn de maatregelen die VVE Parkeerplaatsen heeft doorgevoerd kostbaar, en moet worden meegewogen dat de VVE Gebouw ook minder kostbare maatregelen had kunnen treffen (grief 8). Tot slot weegt bij beoordeling of VVE Parkeerplaatsen onrechtmatig heeft gehandeld, mee dat [geïntimeerden] via de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw had kunnen besluiten om, voor gemeenschappelijke rekening, andere maatregelen te nemen. Door dat niet te doen, heeft de VVE Gebouw de onrechtmatige hinder in stand gelaten. [geïntimeerden] had dus de VVE Gebouw moeten aanspreken (grief 7).5.3.
[geïntimeerden] wil dat het vonnis wordt bekrachtigd. In hoger beroep heeft zij haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd. Na wijziging van eis heeft zij gevorderd:
I. VVE Parkeerplaatsen te gebieden de aanbevelingen in het rapport van Strooming d.d. 30 november 2021 en de brief van Sonitus d.d. 14 december 2023, volledig op te volgen, in het bijzonder het realiseren van een zelfdragend stalen portaal die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige d.d. 19 april 2024, naar aanleiding van de namens VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] toegezonden foto's van de doorgevoerde aanpassingen aan de roldeurconstructie, op straffe van een dwangsom;
II. VVE Parkeerplaatsen te gebieden aanvullende geluidsmaatregelen te treffen, voorzover na realisering van de hiervoor onder I vermelde constructie het geluidsniveau van het gebruik van de roldeurinstallatie en constructie de maximaal toelaatbare niveaus in het Bouwbesluit, in het bijzonder artikel 3.8 als bedoeld in het rapport van Strooming van 30 november 2021, de maximale waardes en normen overschrijdt, binnen een termijn van 2 weken na datum arrest uit te laten voeren, op straffe van een dwangsom;
III. te bepalen dat, althans voor recht te verklaren, dat VVE Parkeerplaatsen niet, althans niet tijdig, voldaan heeft aan de veroordeling onder 3.3. in het vonnis van de kantonrechter van 6 oktober 2023, en dat het maximum van € 15.000,00 aan dwangsommen verbeurd is en de VVE Parkeerplaatsen te veroordelen om dit bedrag aan dwangsommen aan [geïntimeerden] te voldoen binnen twee weken na de datum van het arrest in deze procedure.5.4.
[geïntimeerden] legt aan haar gewijzigde eis ten grondslag dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onjuist, althans onvolledig heeft opgevolgd, en dat de geluidsoverlast niet voldoende is verholpen. In het bijzonder heeft VVE Parkeerplaatsen nagelaten om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen, waarmee de roldeurconstructie in het geheel wordt losgemaakt van de wanden en het plafond van het appartement 1. Omdat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen onjuist of onvolledig is nagekomen, heeft zij niet voldaan aan het vonnis van de kantonrechter, en zijn dwangsommen verbeurd, aldus [geïntimeerden]5.5. VVE Parkeerplaatsen voert hiertegen verweer en voert aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel is nagekomen. Ook stelt zij dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen belang hebben bij hun vorderingen. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en zij ervaart daarom geen overlast van de roldeur. In de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] worden geen geluidswaarden gemeten die de norm uit het Bouwbesluit overschrijden. Voor het overige begrijpt het hof de stellingen van VVE Parkeerplaatsen zo dat zij tegen de gewijzigde vordering sub I dezelfde bezwaren heeft als tegen het vonnis waarvan beroep (zie 5.1 hiervoor).6. Beoordeling in hoger beroep6.1.
Omdat [geïntimeerden] in hoger beroep haar vorderingen heeft gewijzigd, zal het hof hierna eerst beoordelen of die eiswijzigingen toelaatbaar zijn. Daarna bespreekt het hof het meest verstrekkende verweer van VVE Parkeerplaatsen, namelijk dat [geïntimeerden] geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Het hof beoordeelt daarna of de vorderingen van [geïntimeerden] en van VVE Parkeerplaatsen toewijsbaar zijn.
Wijziging van eis [geïntimeerden]6.2. heeft haar vorderingen gewijzigd bij memorie van antwoord. VVE Parkeerplaatsen heeft tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de gewijzigde vorderingen sub I en III buiten beschouwing te laten.6.3. Het hof vat de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerden] op als incidenteel hoger beroep. Met de gewijzigde vordering sub I beoogt [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt veroordeeld om de aanbevelingen in het definitieve rapport van Strooming op te volgen, met inachtneming van nadere aanbevelingen van Sonitus. Deze vordering vormt daarmee een nadere uitwerking en specificatie van de vordering die door de kantonrechter is toegewezen onder 3.3 van het dictum van het bestreden vonnis. Omdat [geïntimeerden] op dit punt een ander dictum nastreeft, moet de eiswijziging in zoverre worden opgevat als incidenteel hoger beroep. Gelet op de inhoud en het verloop van het debat tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanleiding om de eiswijziging om deze reden wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De opmerking van de advocaat van [geïntimeerden] dat [geïntimeerden] geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht, had uitdrukkelijk slechts betrekking op de vordering sub II (zie ook 6.4 hierna). Uit de spreekaantekeningen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen leidt het hof af dat ook VVE Parkeerplaatsen de wijziging van eis heeft opgevat als incidenteel hoger beroep. Zo is namens VVE Parkeerplaatsen opgemerkt: “ hebben hun eisen inmiddels gewijzigd en vorderen niet langer nakoming van de aanbevelingen van Strooming maar nieuwe maatregelen daarvoor in de plaats” en: “Bij een nieuwe uitspraak kunnen de oude maatregelen niet meer opgelegd worden, er is alleen ruimte voor het opleggen van nieuwe” (pleitnota mr. Goldhoorn, sub 18, eerste en laatste volzin). Gelet op deze uitlatingen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen en het feit dat VVE Parkeerplaatsen ook inhoudelijk op de gewijzigde vordering is ingegaan, is evenmin sprake van een verrassingsbeslissing als het hof rechtdoet op grond van de gewijzigde eis. Ook hierom staan de eisen van een goede procesorde niet in de weg aan deze eiswijziging van [geïntimeerden]6.4.
Het hof laat de gewijzigde vordering sub II wel buiten beschouwing. Met deze vordering wil [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als na uitvoering van de door de deskundigen aanbevolen maatregelen blijkt dat de geluidsvolumes in de appartementen de normen uit het Bouwbesluit nog steeds overschrijden. Deze vordering bouwt (kennelijk) voort op de in eerste aanleg als sub II ingestelde vordering, die er eveneens toe strekte dat VVE Parkeerplaatsen zou worden bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als uitvoering van de aanbevelingen van Strooming niet voldoende zou blijken (zie 4.1 onder b hiervoor). De kantonrechter heeft die vordering van [geïntimeerden] afgewezen (zie punt 3.6 van het vonnis). Deze vordering is geen onderdeel van het principaal hoger beroep en de advocaat van [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [geïntimeerden] op dit punt geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht. Bij die stand van zaken maakt deze vordering geen deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof laat dit onderdeel van de eiswijziging daarom buiten beschouwing. Het hof oordeelt in aanvulling hierop dat, ook als deze eiswijziging toelaatbaar zou zijn, het gevorderde bevel om “aanvullende geluidsmaatregelen” te nemen, te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.
Hebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] belang bij hun vorderingen?6.5. Uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een partij alleen een rechtsvordering kan instellen als zij daarbij voldoende belang heeft. Het hof beoordeelt hierna of elk van [geïntimeerden] belang heeft bij de gewijzigde vorderingen sub I en III.6.6.
[geïntimeerde 2] is sinds augustus 2025 geen eigenaar meer van het appartementsrecht met betrekking tot het appartement op de eerste etage (A-2). Zij ervaart dus geen geluidsoverlast meer. Het hof is van oordeel dat zij daarom geen belang heeft bij de vordering sub I. Het enkele feit dat [geïntimeerde 2] de onderhavige procedure heeft “gemeld” aan de nieuwe eigenaar, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 2] met de nieuwe eigenaar afspraken heeft gemaakt over (de voorzetting van) deze procedure. Het hof zal [geïntimeerde 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de gewijzigde vordering sub I.6.7.
[geïntimeerde 2] heeft wel belang bij de gewijzigde vordering sub III. Die vordering stelt de vraag aan de orde of de VVE Parkeerplaatsen op grond van het vonnis dwangsommen heeft verbeurd. Deze dwangsommen zijn verbeurd in de periode dat [geïntimeerde 2] eigenaar was van appartement 1 en daar woonde (aldus [geïntimeerden] ). In zoverre heeft [geïntimeerde 2] dus (financieel) belang bij de vordering sub III.6.8.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] wonen in de appartementen A-3 en A-4 en stellen dat zij geluidshinder ervaren in hun woningen die VVE Parkeerplaatsen moet voorkomen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben daarom belang bij de vordering sub I. Het hof zal het verweer van VVE Parkeerplaatsen dat in de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen geluidswaarden worden gemeten die de normen uit het Bouwbesluit/Besluit bouwwerk Leefomgeving overschrijden, bespreken bij de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben om dezelfde redenen als [geïntimeerde 2] belang bij de vordering sub III.
Inleiding vordering ter zake van geluidsoverlast (vordering sub I)6.9. Met hun eiswijziging hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hun oorspronkelijke vordering in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel om aanpassingen aan de roldeur door te voeren, nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Het hof zal bij beoordeling van die (gewijzigde) vordering uitgaan van de situatie zoals die op dit moment is. In deze situatie heeft VVE Parkeerplaatsen op basis van het vonnis van de kantonrechter aanpassingen aan de deur verricht. Dit leidt ertoe dat het hof in hoger beroep moet beoordelen of de roldeur, ook nadat VVE Parkeerplaatsen daaraan aanpassingen heeft verricht, onrechtmatige geluidshinder veroorzaakt en of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om die geluidshinder (verder) te beperken.6.10.
Voordat het hof toekomt aan de beoordeling of aan de roldeur verdere aanpassingen moeten worden doorgevoerd, zal het hof beoordelen of VVE Parkeerplaatsen voor de roldeur verantwoordelijk is en – in het verlengde daarvan – of zij de kosten voor die eventuele aanpassingen moet dragen.
Wie draagt de kosten voor maatregelen aan de roldeur?6.11. Het hof laat in het midden of de roldeur privé-eigendom is van VVE Parkeerplaatsen (zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] stellen) of gemeenschappelijk eigendom is van de leden van VVE Gebouw (zoals VVE Parkeerplaatsen stelt). De reden daarvoor is dat de kosten voor verdere maatregelen, als die benodigd zijn, in beide gevallen voor rekening van VVE Parkeerplaatsen komen. Als de roldeur privé-eigendom is, dient VVE Parkeerplaatsen de kosten om die reden te dragen. Als de roldeur behoort tot de gemeenschappelijke delen van VVE Gebouw, volgt uit het splitsingsreglement dat de kosten voor rekening komen van VVE Parkeerplaatsen. Artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement bepaalt immers dat kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing van deuren die aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend ten laste komen van de eigenaar die daarvan gebruikt maakt (zie ook 3.3 hiervoor). Niet in geschil is dat de roldeur in de buitengevel van het gebouw zit en slechts wordt gebruikt om toegang te krijgen tot het achtergelegen perceel. De deur wordt feitelijk dus slechts gebruikt door personen die parkeren op het perceel van VVE Parkeerplaatsen of daar een berging hebben. Dat betekent dat VVE Parkeerplaatsen de exclusieve gebruiker is van de roldeur. Op grond van het splitsingsreglement moet zij daarom de kosten dragen voor aan de roldeur te verrichten aanpassingen. In dat verband overweegt het hof dat [geïntimeerden] niet kan worden verweten dat zij niet op een eerder moment een meerderheidsbesluit hebben genomen ter beperking van de hinder, aangezien dat zou hebben betekend dat [geïntimeerden] , als gedupeerden van de hinder, hiervoor de kosten mede zouden hebben moeten dragen.6.12. VVE Parkeerplaatsen heeft in dit verband nog aangevoerd dat de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw op enig moment heeft besloten om de kosten voor de vervanging van deuren die toegang geven tot privégedeelten van eigenaars, te verdelen over de vier VVE-leden. Dat in dat geval van de vervanging van de deuren (kennelijk) eenmalig van artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement is afgeweken, doet aan het voorgaande niets af. De hoofdregel is immers dat kosten voor een deur in de buitengevel ten laste komen van die eigenaar(s) die ervan gebruik maken.6.13. VVE Parkeerplaatsen heeft verder aangevoerd dat zij niet bevoegd is aanpassingen te verrichten aan de roldeur, omdat zij daarvoor toestemming nodig heeft van (de vergadering van eigenaars van) VVE Gebouw. Ook als die toestemming benodigd is (het hof laat dat in het midden), vormt dat echter geen belemmering voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben immers aangegeven in te stemmen met een voorstel van VVE Gebouw om noodzakelijke maatregelen uit te voeren. Daar is hun vordering ook op gericht. Met de aanvullende stem van VVE Parkeerplaatsen zelf is er daarmee hoe dan ook een meerderheid voor een besluit van die strekking.6.14.
De conclusie is dus dat VVE Parkeerplaatsen verantwoordelijk is voor het doorvoeren van aanpassingen aan de roldeur en daarvan de kosten moet dragen. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om aanvullende werkzaamheden uit te voeren.
Veroorzaakt de roldeur (nog steeds) onrechtmatige hinder?6.15. Tussen partijen is niet in geschil dat het openen en sluiten van de mechanische roldeur hoorbaar is in de bovengelegen appartementen en dat dit geluidshinder oplevert. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.6.16. Uit de rapportage van Sonitus van 21 maart 2025 (zie ook 3.12 hiervoor) blijkt dat, ook nadat VVE Parkeerplaatsen geluidsbeperkende maatregelen heeft genomen, bij het openen en sluiten van de roldeur aanzienlijke geluidsvolumes worden gemeten in de appartementen op eerste en tweede verdieping. In het appartement op de tweede verdieping (waar [geïntimeerde 1] woont) is dit gemiddeld 30,4 dB(A) en maximaal 34,3 dB(A). VVE Parkeerplaatsen heeft de juistheid van deze metingen niet weergesproken en het hof gaat daar dus vanuit.6.17. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (voorheen Bouwbesluit) bevat normen voor de maximale geluidsoverdracht tussen aangrenzende percelen. Artikel 3.2 Bouwbesluit bepaalde dat installaties zoals een lift in een aangrenzend perceel een geluidsniveau van ten hoogste 30 dB mogen veroorzaken en deze normwaarde is thans opgenomen in artikel 4.108 Besluit Bouwwerken Leefomgeving. VVE Parkeerplaatsen heeft aangevoerd dat deze norm uit het Bouwbesluit niet van toepassing is op een oud gebouw. Net als in eerste aanleg, heeft zij echter niet toegelicht welke geluidsnorm wel van toepassing is, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Het hof zal daarom, in navolging van Strooming/Sonitus, de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving als richtlijn hanteren.6.18. Het gemeten geluidsniveau ten gevolge van het gebruik van de roldeur in het appartement van [geïntimeerde 1] overschrijdt de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Er is daarom sprake van aanzienlijke geluidshinder in de woning van [geïntimeerde 1] . De roldeur geeft bovendien toegang tot een perceel met vijftien parkeerplaatsen en tien bergingen. Dat betekent dat de roldeur regelmatig wordt gebruikt en dit potentieel gedurende de hele dag (en nacht), op tijdstippen die voor [geïntimeerde 1] niet te voorspellen zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] dergelijke frequente geluidshinder in haar woning niet hoeft te dulden. Dat betekent dat het veroorzaken van de geluidshinder onrechtmatig is en dat VVE Parkeerplaatsen is gehouden om redelijke maatregelen te nemen om die hinder te verminderen.6.19. Het hof volgt VVE Parkeerplaatsen niet in haar verweer dat de staat van het gebouw mede de oorzaak is van de geluidsoverlast. VVE Parkeerplaatsen heeft die stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een onderzoek waaruit de staat van het gebouw blijkt. De enkele stelling dat het gebouw al gehorig was voordat de roldeur is geplaatst, is hiertoe onvoldoende. Daar komt bij dat ook als vast zou komen te staan dat de staat van het gebouw bijdraagtaan de overdracht van het geluid van de roldeur naar de appartementen, dit VVE Parkeerplaatsen niet ontslaat van haar verplichting om maatregelen te nemen. De roldeur is immers de bron van de geluidsoverlast, en uit het onderzoek van Strooming/Sonitus volgt dat het mogelijk is om de constructie van de roldeur zodanig aan te passen dat de geluidsoverdracht naar bovengelegen appartementen wordt verminderd. Voor zover VVE Parkeerplaatsen meent dat ook andere (minder ingrijpende of minder kostbare) maatregelen genomen kunnen worden, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.6.20.
Het voorgaande heeft betrekking op [geïntimeerde 1] . Ten aanzien van [geïntimeerde 3] heeft VVE Parkeerplaatsen terecht aangevoerd dat uit de rapportage van Sonitus niet blijkt dat in het appartement op de derde en vierde verdieping (waar [geïntimeerde 3] woont) geluidsniveaus worden gemeten die de normen uit het Besluit Bouwwerk Leefomgeving overschrijden. Omdat [geïntimeerde 3] verder niet heeft onderbouwd dat en op welke wijze zij geluidshinder ervaart, zal het hof de vordering sub I ten aanzien van [geïntimeerde 3] afwijzen.
De door VVE Parkeerplaatsen te nemen maatregelen6.21. Strooming heeft meerdere aanbevelingen gedaan om geluidsoverlast door de roldeur te verminderen. Strooming heeft er daarbij op gewezen dat de aanbevolen maatregelen complementair aan elkaar zijn en gezamenlijk moeten worden gerealiseerd om “het juiste effect” (het hof begrijpt: geluidsreductie) te bereiken (zie nader 3.5 en 3.6 hiervoor). Het is niet in geschil dat deze maatregelen geluidsbeperkend zijn en ook niet dat het haalbaar is om deze te realiseren. VVE Parkeerplaatsen is daarom gehouden om alle aanbevelingen van Strooming op te volgen.6.22. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming reeds juist en volledig heeft opgevolgd met de werkzaamheden die zij sinds het vonnis aan de roldeur heeft verricht. Volgens [geïntimeerde 1] is dit niet het geval en zij verwijst daarbij naar onderzoek van Sonitus. Sonitus heeft geconstateerd dat, anders dan Strooming heeft aanbevolen, de roldeur niet vrijdragend is gemaakt door deze geheel los te koppelen van de bestaande bouwkundige constructie (zie ook 3.11 en 3.12 hiervoor). Sonitus beveelt aan om dit alsnog te doen, en geeft daarvoor een concreet stappenplan. Sonitus beveelt tevens aan om bij het plaatsen van de deurgeleiders in de voorgevel zogeheten Phonex-ankers toe te passen. Ook beveelt zij aan om de motor van de roldeur te omkleden met een omkasting die aan de onderzijde open is, en om aan de bovenkant een dempende laag aan te brengen tussen de motor en het plafond. Ook op deze punten is VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onvoldoende nagekomen, aldus Sonitus.6.23. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing van [geïntimeerden] voert VVE Parkeerplaatsen slechts aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel heeft opgevolgd. Zij onderbouwt dat verder echter niet, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Bij die stand van zaken staat naar oordeel van het hof vast dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen uit het rapport van Strooming onvoldoende heeft opgevolgd. Zij is daarom gehouden om deze alsnog uit te voeren, met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen van Sonitus van 14 december 2023. Zoals bij 6.22 is overwogen, geeft Sonitus een lijst met concrete punten om de geluidsoverlast te verminderen. Het gaat dus niet om “weinig concreet gemaakt[e]” aanbevelingen, zoals VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming typeert.6.24.
VVE Parkeerplaatsen heeft nog aangevoerd dat niet vaststaat dat het doorvoeren van de aanbevelingen van Strooming/Sonitus zal leiden tot het geheel oplossen van de geluidsoverlast, omdat het pand verouderd en gehorig is. VVE Parkeerplaatsen heeft deze stelling niet onderbouwd, en bovendien niet gemotiveerd weersproken dat het opvolgen van de aanbevelingen van Strooming/Sonitus zal leiden tot verminderingvan de geluidshinder. Daarmee staat naar oordeel van het hof voldoende vast dat het nut heeft om de aanbevolen maatregelen uit te voeren.
Termijn en dwangsom6.25.
[geïntimeerde 1] heeft gevorderd dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de werkzaamheden uit te voeren binnen twee weken na de datum van het arrest. Het hof acht die termijn praktisch niet haalbaar en zal deze daarom vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal de door [geïntimeerde 1] gevorderde dwangsom toewijzen, maar deze – in lijn met de kantonrechter – matigen op de wijze zoals weergegeven in het dictum.
Zijn dwangsommen verbeurd naar aanleiding van het vonnis (vordering sub III)?6.26. Met haar eiswijziging heeft [geïntimeerden] haar vordering dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de aanbevelingen van Strooming op te volgen, in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Omdat de eiswijziging van [geïntimeerden] op dit punt moet worden opgevat als incidenteel hoger beroep (zie rechtsoverweging 6.3 hiervoor), zal het hof het vonnis op dit punt niet bekrachtigen, maar een nieuwe veroordeling uitspreken met inachtneming van de gewijzigde eis.6.27.
Nu het vonnis op dit punt niet wordt bekrachtigd, ontvalt met terugwerkende kracht de grondslag aan de dwangsom die de kantonrechter aan de veroordeling heeft verbonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd en de veroordeling van VVE Parkeerplaatsen om € 15.000,- aan verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerden] te betalen. Het hof zal de gewijzigde vordering sub III van [geïntimeerden] daarom afwijzen.
Reconventie6.28.
VVE Parkeerplaatsen heeft bij memorie van grieven twee vorderingen in reconventie ingesteld. VVE Parkeerplaatsen was immers bij de kantonrechter verweerder. Uit artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het niet mogelijk is om voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. Het hof zal VVE Parkeerplaatsen daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen.
Conclusie en proceskosten6.29. De conclusie is dat het principale hoger beroep van VVE Parkeerplaatsen niet slaagt, het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde 1] wel slaagt en de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerde 1] voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal het vonnis daarom deels vernietigen, maar slechts voor wat betreft het aan VVE Parkeerplaatsen opgelegde bevel.6.30. Omdat VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] .6.31.
Het hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] op: griffierecht € 116,33 (1/3 × € 349,-) salaris advocaat € 860,- (1/3 × 2 punten × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.165,33
Omdat in het incidentele hoger beroep geen afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht, begroot het hof de proceskosten van [geïntimeerde 1] in het incidentele hoger beroep op nihil. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.32. Voor het overige zijn de partijen in het principale en incidentele hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.7. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023, doch uitsluitend voor wat betreft de veroordeling onder 3.3;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
ten aanzien van [geïntimeerde 2] :
- verklaart [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering sub I;
ten aanzien van [geïntimeerde 3] :
- wijst de vordering sub I af;
ten aanzien van [geïntimeerde 1] :
veroordeelt VVE Parkeerplaatsen om binnen drie maanden na betekening van dit arrest de aanbevelingen in het rapport van Strooming van 30 november 2021 en de brief van Sonitus van 14 december 2023 volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, in het bijzonder door het realiseren van een zelfdragend stalen portaal dat alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige van 19 april 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat VVE Parkeerplaatsen hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 1.165,33, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVE Parkeerplaatsen deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als VVE Parkeerplaatsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VVE Parkeerplaatsen de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
veroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op nihil;
compenseert voor het overige de proceskosten in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, A.A. Muilwijk-Schaaij en T. Heikens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.
HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, r.o. 3.2.2.