Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:2087

Instanță

Den Haag

Data

24 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rolnummer: 22-002716-19

Parketnummer: 10-750154-15

Datum uitspraak: 24 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittinen in hoger beroep van dit hof op 11 april 2023, 16 juli 2025, 10 september 2025, 22 januari 2026 en 10 juni 2026.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het door de rechtbank bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het impliciet cumulatief tenlastegelegde witwassen van de panden gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] te Rotterdam en [adres 5] te Den Haag alsmede van het impliciet cumulatief tenlastegelegde onder a van de tenlastelegging met betrekking tot de daarin genoemde geldbedragen..

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven partiële vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 juli 2016, te Rotterdam en/of Den Haag en/of Berkel en Rodenrijs, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) meermalen, althans eenmaal, (een) of meerdere voorwerp(en), te weten

  • van een (bedrijfs)pand, te weten hetpand geleden aan de [adres 6] te Berkel en Rodenrijs,

  • de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld,

en/of

-verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had(den) dan wel

b) - een of meer gro(o)t(e) geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 1.589.000,- euro, (zegge: eenmiljoenvijfhonderdnegenentachtigduizend euro), althans enig geldbedrag, te weten

  • (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 960.000,- euro, althans een (contant) geldbedrag ( in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 31 april 2008), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers
  • [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 2] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 4] op naam van [bedrijf 1] en/of

  • [bankrekeningnummer 5] , op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 6] , op naam van [bedrijf 1] en/of

  • [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 7] , op naam van [verdachte] gestort (zaaksdossier [zaaksnaam 1] ), en/of

  • (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 415.100,- euro, althans een (contant) geldbedrag (in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 februari 2010), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers
  • [bankrekeningnummer 6] , op naam van [bedrijf 1]

  • [bankrekeningnummer 7] , op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 8] op naam van [bedrijf 2] en/of

  • [bankrekeningnummer 9] op naam van [bedrijf 3] en/of

  • [bankrekeningnummer 10] op naam van [bedrijf 4] ( [bedrijf 1] ) en/of

  • [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 5] , op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] ; gestort (zaaksdossier [zaaksnaam 2] ), en/of

  • (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 140.800,- euro, althans een (contant) geldbedrag, (in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers
  • [bankrekeningnummer 6] op naam van [bedrijf 1] en/of

  • [bankrekeningnummer 5] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 10] op naam van [bedrijf 4] ( [bedrijf 1] ) en/of

  • [bankrekeningnummer 7] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 2] op naam van [verdachte] gestort(zaaksdossier [zaaksnaam 3] ), en/of

  • (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 73.100,- euro, althans een (contant) geldbedrag, (in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 30 maart 2012), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers
  • [bankrekeningnummer 10] op naam van [bedrijf 4] ( [bedrijf 1] ) en/of

  • [bankrekeningnummer 7] op naam van [verdachte] en/of

  • [bankrekeningnummer 6] op naam van [bedrijf 1] en/of

  • [bankrekeningnummer 8] op naam van [bedrijf 2] en/of

  • [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] gestort (zaaksdossier [zaaksnaam 4] ), en/of

  • een (bedrijfs)pand, te weten hetpand geleden aan de [adres 6] te Berkel en Rodenrijs,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde schriftelijke aantekeningen – verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte wegens het niet opvragen van bepaalde gegevens bij aanvang van het onderzoek, waardoor de verdediging door het tijdsverloop en de daarmee gepaarde gaande consequenties, te weten dat die gegevens niet meer beschikbaar zijn, geen een adequate verdediging kan voeren.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, niet in aanmerking komt als rechtsgevolg, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die van dien aard is en zodanig ernstig is, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – dat “the proceedings as a whole were not fair” (zie HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009 en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, rov 2.3.1-2.3.4). Hieruit volgt dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen en dat indien sprake is van een – onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare – schending van de verdedigingsrechten, andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging meer in de rede liggen. Dat is volgens de Hoge Raad niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.

Van een uitzonderlijk geval is naar het oordeel van het hof in deze geen sprake. Het hof overweegt dat het dossier diverse aanknopingspunten geeft dat er slechts beperkt onderzoek is gedaan naar de administratie en financiële stukken van de verdachte en de aan hem gelieerde ondernemingen over de periode vóór 2007, maar dat uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting valt af te leiden dat er wel degelijk stukken van vóór die periode in beslag zijn genomen en dat deze stukken aan de verdachte zijn teruggegeven. Het hof begrijpt van de verdediging dat de verdachte deze teruggegeven stukken niet heeft bewaard. Het had op de weg van de verdachte gelegen om deze stukken, met de wetenschap dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep ter zake van witwassen, te bewaren.

De verdedigingsrechten zijn door het niet meer beschikbaar zijn van deze stukken naar het oordeel van het hof om die reden niet in die mate geschonden dat – alles overziend – geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Het verweer wordt verworpen.

Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

De verdediging heeft zich – overeenkomstig haar ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdediging heeft hiertoe – kort gezegd - aangevoerd dat er primair geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en subsidiair dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd waar het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek naar heeft gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Ad A) Ten aanzien van het onder a tenlastegelegde verbergen en/of verhullen van de [adres 6]

Uit het verhandelde ter terechtzitting en datgene wat de verdachte zelf heeft verklaard kan het hof niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte de rechthebbende is geweest van [bedrijf 2] . Het hof heeft daarbij ook gelet op de verklaring van [getuige 1] en een uitspraak van het gerechtshof, die van het tegendeel uitgaat. Daar komt bij dat de verdediging door middel van stukken van [bedrijf 5] heeft aangetoond dat de uiteindelijke begunstigde de houder van het aandeel aan toonder is en dat diegene [getuige 2] is. Derhalve stelt het hof dat de verdachte ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.

Ad B) Ten aanzien van het onder b tenlastegelegde

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de desbetreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is alsdan voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst op grond van wettige bewijsmiddelen een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen. Pas als die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het betreffende voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Vermoeden over herkomst

Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreetmisdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die op de bankrekeningen van de verdachte en/of zijn bedrijven zijn gestort. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Het hof stelt vast dat in onderhavige zaak feiten en omstandigheden zijn aangedragen door het Openbaar Ministerie die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Uit rapportages van de Financial Intelligence Unit (FIU) blijkt immers dat er 28 verdachte transacties op naam van de verdachte zijn gemeld in de periode van 7 november 2007 tot en met 20 augustus 2014 met een totale waarde van € 1.646.329,-. Dit betroffen twee meldingen van notarissen, negentien meldingen van [naam casino] , drie meldingen van [financiële dienstverlener 1] , één van GWK, één van [financiële dienstverlener 2] , één van de Douane en één van de [naam bank] . De transacties betreffen stortingen op bankrekeningen in Nederland, Brazilië, Suriname en Thailand. De melding van het Notariskantoor zag op het gegeven dat de aankoop van het pand aan de [adres 6] te Berkel en Rodenrijs zou zijn gefinancierd door contante stortingen via diverse bankrekeningen.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is een, naar het oordeel van het hof, gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ontstaan. Gelet op dit vermoeden mocht van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van deze geldbedragen.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft over de herkomst van het geld een verklaring afgelegd. Zo heeft hij verklaard dat de contante gelden inkomsten van zijn bedrijven betreffen die hij in het verleden heeft onttrokken van de bankrekeningen van zijn bedrijven en in aan hem ter beschikking staande kluizen heeft bewaard omdat hij geen vertrouwen had in de banken. Aldus heeft de verdachte gesteld dat hij eerder, vanaf omstreeks 1998, legaal vermogen heeft opgebouwd, waaruit de contante gelden afkomstig waren.

Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn verklaring een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het geld in kwestie.

Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte over zijn vermogenspositie destijds voor een deel verifieerbaar is dan wel gedurende de onderzoeksperiode is geweest. Uit de aangifte inkomstenbelasting uit 2007 blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte op 31 december 2007 kon beschikken over bank- en spaartegoeden ter hoogte van € 677.638,-.

Daarnaast blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting uit 2008 dat de verdachte over het jaar 2008 een verzamelinkomen van € 608.910,- had. Ook blijkt uit het jaarverslag van [verdachte] 2008 dat er in 2008 € 244.244,- en in 2007 € 89.437,17 aan privé-onttrekkingen hebben plaatsgevonden.

In de aangifte 2009 is bij ‘totaalwaarde contant geld en vorderingen BW’ een bedrag van € 1.810.850 opgegeven.

Deze aangiften zijn door de Belastingdienst definitief vastgesteld zonder correcties ten aanzien van de genoemde posten.

Voorts heeft [de accountant] , de accountant van de verdachte, bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij samen met de verdachte naar de bank is geweest voor een kastelling en daar heeft geconstateerd dat de verdachte contante gelden in een kluis bewaarde.

Het hof concludeert zodoende dat de verdachte kon beschikken over grote sommen aan contanten.

Onderzoek door het Openbaar Ministerie?

Het hof stelt vast dat door de politie beperkt onderzoek is gedaan naar de jaren vóór 2007. Gelet op de tenlastegelegde periode, die aanvangt in januari 2007, is inzicht in de financiële situatie van de verdachte vóór die datum, zeer relevant. Het dossier bevat geen relevante informatie over die periode. Er is weliswaar oudere administratie in beslag genomen, waar het hof bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer al op is ingegaan, maar deze is weer aan de verdachte geretourneerd en het dossier bevat er geen weerslag van. Het lag op de weg van het Openbaar Ministerie alsnog nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte. Hieraan doet niet af dat de verdachte eerst bij de inhoudelijke behandeling door de rechtbank een verklaring heeft afgelegd. Dit onderzoek door het Openbaar Ministerie is echter grotendeels uitgebleven, zodat er geen volledig beeld is ontstaan over de vermogenspositie van de verdachte in de jaren tot 2007.

Na een regiezitting is in april 2026 verzocht om afschriften van belastingaangiften ten aanzien van [verdachte] en [bedrijf 1] over de periode van 2000 tot en met 2007. Deze bleken niet meer beschikbaar te zijn. Ook overigens zijn er geen stukken betreffende de vermogenspositie van de verdachte van vóór 2007 beschikbaar.

Conclusie

Nu nader onderzoek pas in een zeer laat stadium is gedaan en in adequate uitvoering daarvan feitelijk onmogelijk is gebleken, is de – concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke – verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden niet ontkracht. Daarom is niet wettig en overtuigend bewezen dat het geld van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte zich aan witwassen heeft schuldig gemaakt, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Tot slot: verzoeken

Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige [getuige 3] en aan het voorwaardelijk verzoek tot toevoeging van de stukken en verklaringen uit onderzoek Reiger aan het dossier.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het impliciet cumulatief ten laste gelegde – kort gezegd – witwassen van de panden gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] te Rotterdam en [adres 5] te Den Haag alsmede het impliciet cumulatief tenlastegelegde onder a van de tenlastegelegde met betrekking tot de daarin genoemde geldbedragen.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, als voorzitter, en mr. C. Fetter en mr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026.

Mai Multe Decizii