[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-890":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-890":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"734","ECLI:NL:GHDHA:2026:890","",58,"Den Haag","den-haag","2026-03-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F22 en BK-25\u002F23\n\nUitspraak van 25 maart 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: H. Weisfelt)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 december 2024, nummers SGR 22\u002F8184 en SGR 22\u002F8185.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 4.107 (naheffingsaanslag I). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 759 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 882 opgelegd.\n\n1.1.2.. Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 12.367 (naheffingsaanslag II). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 1.976 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 2.421 opgelegd.\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de boetebeschikking bij naheffingsaanslag I verminderd. Het bezwaar tegen naheffingsaanslag II heeft de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Vervolgens heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag II en de daarbij behorende boetebeschikking verminderd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. Het oordeel van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert naheffingsaanslag I tot € 955 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete I tot € 94;\n\nvermindert naheffingsaanslag II tot € 4.464 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete II tot € 466;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 2.998;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiser te vergoeden.”\n\n1.4.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Partijen hebben een pleitnota overgelegd. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers BK-25\u002F18 en BK-25\u002F19 en de zaken met nummers BK-25\u002F22 en BK-25\u002F23 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. \n\n [A] en [B] investeren gezamenlijk, in hun eigen namen, in onroerende zaken. Bij brief van 3 november 2020 heeft de Inspecteur laten\n\nweten dit samenwerkingsverband aan te merken als belastingplichtige voor de\n\nomzetbelasting.\n\n2.2.. \n\n [A] is enig aandeelhouder van [B.V. 1] en [B] is enig aandeelhouder van [B.V. 2] .\n\n [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ieder voor de helft de aandeelhouders van [B.V. 3] . De onderneming van [B.V. 3] bestaat uit de aankoop, renovatie en verkoop van woningen.\n\n [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ook, ieder voor een derde, aandeelhouder in [B.V. 4] . De derde aandeelhouder van [B.V. 4] is [B.V. 5] . Enig aandeelhouder van [B.V. 5] is [C] (broer van [B] ). [B.V. 5] is actief op het gebied van bouwbegeleiding.\n\nVoorts zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] , ieder voor de helft, de aandeelhouders van [B.V. 6] . Deze vennootschap drijft een groothandel in bouwmaterialen.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in de loop van de jaren 2012 tot en met 2017 ruim 50 onroerende zaken verworven. Overwegend waren dat woningen in gedateerde staat, die na aankoop werden gerenoveerd en vervolgens door belanghebbende werden verhuurd. In enkele gevallen werden woningen na renovatie niet verhuurd maar doorverkocht. De woningen werden overwegend van derden verworven en een aantal keren van [B.V. 3] . Daarbij ging het om woningen die [B.V. 3] niet goed verkocht kreeg of waar anderszins iets mee aan de hand was. Daarnaast bezit belanghebbende enige garages die zij verhuurt.\n\n2.4.. Bij de renovaties gaat belanghebbende steeds op dezelfde wijze te werk als [B.V. 3] en [B.V. 4] . Zij schakelt daarvoor dezelfde vaste architect en aannemer in, maakt eveneens gebruik van de diensten van [B.V. 5] en laat de woningen opknappen in dezelfde stijl, met gebruikmaking van dezelfde van [B.V. 6] betrokken standaardmaterialen als [B.V. 3] en [B.V. 4] dat doen.\n\n2.5.. Belanghebbende had in de onderhavige perioden [B.V. 7] ingeschakeld. [B.V. 7] is ontbonden met achterlating van aanzienlijke omzetbelastingschulden.\n\n2.6.1.. \n\nOp 17 december 2018 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij [A] en [B] aangekondigd. Het is afgerond met een controlerapport van 20 juli 2021. In dit rapport heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende op grond van artikel 12, lid 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB) met een aannemer moet worden gelijkgesteld – dat hij een zogenaamde ‘eigenbouwer’ is – en daarom de verleggingsregeling van toepassing is op de diensten van de aannemer aan belanghebbende. Voorts heeft hij de verhuur van de garages op de voet van artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB als belaste prestatie aangemerkt.\n\nIn het verlengde daarvan heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen aangekondigd. Bij de berekening daarvan heeft hij de omzetbelasting die [B.V. 7] (wel) heeft voldaan, toegerekend en in mindering gebracht op de bedragen aan verlegde omzetbelasting die belanghebbende als eigenbouwer had moeten verantwoorden.\n\nVoorts heeft de Inspecteur vergrijpboetes aangekondigd, met de motivering dat belanghebbende grofschuldig nalatig is geweest door niet te onderkennen eigenbouwer te zijn, alsmede verzuimboetes ter zake van de verhuur van de garages.\n\n2.6.2.. Het controlerapport vermeldt onder meer:\n\n“4.1.3 Beoordeling eigenbouwerschap en toepassing van de verleggingsregeling\n\n4. 1.3.1 Bedrijfsactiviteiten (projectontwikkeling)\n\nDoor belanghebbenden worden gedateerde woningen met onder andere achterstallig onderhoud gekocht, volledig gerenoveerd\u002Fverbouwd voor eigen rekening en uiteindelijk in de verhuur (en incidenteel verkoop) op de woningmarkt aangeboden. Verder is in een aantal gevallen op projectmatige wijze een object ontwikkeld: aankoop van het registergoed, inwendig volledig gesloopt, bouwkundig gesplitst in verschillende appartementen en verbouwd en op de woningmarkt aangeboden in de verkoop of aangeboden voor de verhuur. Voorts hebben belanghebbenden appartementen ontwikkeld\u002Fgebouwd op de panden [adres 1] en [adres 2] en twee garages gebouwd. Ook komt het voor dat vóór de aanvang van de verbouwing al een koper is gevonden en dat in gezamenlijk overleg de verbouwing door middel van nadere afspraken wordt uitgevoerd. Hierbij wordt dan gerefereerd aan 'door [B.V. 3] gehanteerde opleveringsniveau'en aan referentieobjecten welke al door [B.V. 3] zijn verbouwd\u002Fgerenoveerd. Voor een nadere omschrijving van werkzaamheden bij de verbouwingen wordt verwezen naar de hoofdstuk 3 waarin een aantal projecten en de betrokkenheid van de belanghebbenden bij deze projecten uitgebreid is beschreven. Ten behoeve van deze werkzaamheden zijn door belanghebbenden aannemers ingehuurd om deze werkzaamheden van stoffelijke aard te verrichten. Uit de bovengenoemde omstandigheden en activiteiten van het samenwerkingsverband volgt het eigenbouwerschap en dit heeft tot gevolg dat de (onder)aannemers de verleggingsregeling moeten toepassen. De eerder genoemde uitzonderingen op de verleggingsregeling doen zich bij het samenwerkingsverband niet voor.\n\n4. 1.3.2 Geen opdracht van een opdrachtgever\n\n(…)\n\nDe opdrachtgever wordt door belanghebbenden gevonden tijdens het uitvoeren van het werk of na de voltooiing van het werk. Het komt ook voor dat al een afnemer\u002Fopdrachtgever wordt gevonden voordat de verbouwing plaatsvindt. In dat geval kan het samenwerkingsverband als aannemer aangemerkt worden. Ook dan geldt verplicht de verleggingsregeling. Er worden dan immers overeenkomsten met klanten gesloten waarbij met de kopende partij al afspraken worden gemaakt op welke wijze de verbouwingen worden uitgevoerd en wat de verbouwing inhoudt, waaronder de uitvoering keuken, badkamer et cetera.\n\n4. 1.3.3 Het werk behoort tot de normale bedrijfsuitoefening\n\n(…)\n\nDe algehele leiding over de werkzaamheden berust in dit geval bij het samenwerkingsverband. Van belang daarbij is dat het samenwerkingsverband zo'n 65 en [B.V. 3] vanaf 2008 tot 2017 circa 200 panden op deze manier hebben verbouwd en gerenoveerd. Het samenwerkingsverband en in het verlengde daarvan [B.V. 3] hebben derhalve meer kennis dan een 'normale' opdrachtgever. Weliswaar wordt ook bouwbegeleiding ingehuurd van de heer [C] via [B.V. 5] h.o.d.n. [Adviesbureau] , maar het veronderstelde aantal uren dat de heer [C] aan de bouwprojecten van het samenwerkingsverband en [B.V. 3] heeft besteed, maakt niet dat er sprake is van algehele leiding door derden. Voor wat betreft het aantal veronderstelde uren merken wij op dat de bouwbegeleider vermoedelijk beperkt is ingezet wanneer de grootboekrekeningen en bankafschriften worden afgespeurd. Voor wat betreft inzet van de heer [C] dan wel zijn vennootschap zijn in 2014 geen afschrijvingen te bespeuren. In 2015 bedraagt dit € 3.050 en € 2.796. Alleen in 2017 is een substantieel bedrag van € 22.543 ontvangen. Belanghebbenden hebben verklaard dat de heer [C] circa € 500 per project ontvangt en meer voor de grotere projecten. Op de rekeningafschriften zien wij een enkele keer € 508, wat aansluit bij de\n\nverklaring van belanghebbenden. Wij vragen ons echter af hoeveel werk belanghebbenden\n\ndaadwerkelijk uit handen is genomen. Het bedrag is inclusief omzetbelasting waardoor het een zeer geringe vergoeding betreft. Bij het becommentariëren van het conceptrapport hebben belanghebbenden aangegeven dat de inzet van [C] zeer intensief is. Gelet op hetgeen is vastgelegd en is af te leiden uit de administratie achten wij intensieve inzet zeer onwaarschijnlijk.\n\nBlijkens ons ten dienste staande gegevens die volgen uit het inleidend gesprek bij gelieerde\n\nvennootschap [B.V. 3] heeft de heer [A] verklaard dat hij prijsafspraken maakte met de heer [D] , bestuurder van [Ltd. 1] en medewerker van [B.V. 7] (onderaannemers van het samenwerkingsverband in 2014 tot en met 2016). Dit is tevens gebleken uit het e-mailverkeer tussen [B.V. 7] (onderaannemer in 2015 en 2016) en [B.V. 3] waarbij naar voren komt dat de rol bij prijsafspraken direct maar ook indirect bij belanghebbenden als DGA's ligt. Tevens is gebleken dat belanghebbenden actief betrokken zijn bij de verbouwingen ten behoeve van de verhuur. Zo bespreekt de heer [B] en\u002Fof [A] met de architecten en bouwkundigen hoe hij de verbouwing ziet, wat zij precies met het pand willen en of hun ideeën met betrekking tot de verbouwing\u002Fsplitsing mogelijk zijn. Met de (potentiële) kopers worden voornamelijk door de heer [B] en\u002Fof [A] afspraken gemaakt over hoe het pand verbouwd wordt en of de wensen van de klant mogelijk zijn.\n\nBij specifieke bouwkundige vragen wordt de koper in bepaalde gevallen naar de heer [C] verwezen. Echter, de bemoeienis van de heer [C] lijken ons zoals eerder beschreven niet heel intensief, gezien de vergoedingen voor zijn werkzaamheden die hij van het samenwerkingsverband ontvangt. De heer [C] dient met de belanghebbenden te overleggen. Nergens is uit gebleken dat hij zelfstandig (zonder toestemming van de\n\nbelanghebbenden) beslissingen mag nemen. Tijdens een bespreking op 3 maart 2021 hebben\n\nbelanghebbenden erkend dat presterende partijen graag een handtekening zien van de\n\nopdrachtgevers. Wij nemen aan dat het toezicht op het verloop van de verbouwingen mede door de belanghebbenden wordt verricht.\n\nVan belang is voorts dat belanghebbenden al dan niet via [B.V. 3] zich sinds 2008 met deze activiteiten bezighouden en dat de heer [B] in het verleden een\n\ncontrollersfunctie bij een bouwbedrijf heeft bekleed. Naast de algemene kennis op het gebied van aankoop, verbouwing en verkoop, beschikt de heer [B] ook over technische kennis. De technische kennis van de heer [B] blijkt onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden en hetgeen de heer [A] over de heer [B] zegt op de website van [B.V. 3] : \"Hij is de technische man van ons tweeën. Vrijwel zijn gehele familie zit in de aannemerij. Hij is opgegroeid tussen architecten, ingenieurs en uitvoerders. [B] is theoretisch uitstekend onderlegd en door zijn praktijkervaring heeft hij een groot technisch inzicht. Hij kan een pand beoordelen op zijn huidige staat en de bouwkundige mogelijkheden. [B.V. 3] is zijn vermogen om overzicht te bewaren bij complexe projecten.\"Daarnaast blijkt de technische kennis van de heer [B] onder meer uit een door hem opgestelde zeer uitgebreide offerte in februari 2014 namens [B.V. 4] van een verbouwing van het pand [adres 3] te [woonplaats] voor een bedrag van ruim € 190.000. De offerte begint met:\"Beste […] en […] , In aansluiting op onze diverse besprekingen en gedane opname ter plaatse bevestigen wij de volgende werkzaamheden in uitvoering te zullen nemen en wel (...)\".\n\nWat volgt zijn zeven pagina's met beschrijvingen van werkzaamheden. Vervolgens wordt\n\nafgesloten met \"Vertrouwende u hiermee een passende aanbieding te hebben gedaan, Met\n\nvriendelijke groet, [B] \u002F [B.V. 4] \".\n\nGezien de jarenlange ervaring met betrekking tot dit soort objecten en het gezamenlijke optreden voor [B.V. 3] en het samenwerkingsverband moet de organisatorische en technische kennis ook bij de heer [A] aanwezig zijn. Dit blijkt onder meer uit de intensieve bemoeienis tijdens de ontwikkeling van projecten en de contacten met architecten, het offreren en het maken van afspraken met kopers. Daarnaast blijkt de organisatorische en technische kennis van de heer [A] onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden.\n\nHet voornoemde volgt met name uit het bij [B.V. 3] uitgevoerde onderzoek. Gelet op vermenging van eenzelfde netwerk en de aanwezige kennis veronderstellen wij dat de situatie van belanghebbenden nooit veel kan afwijken van de situatie bij [B.V. 3] In de navolgende alinea wordt aan het voornoemde nadere invulling gegeven.\n\nBelanghebbenden hebben hun projecten doorgaans mede laten financieren. Uit de taxatierapporten die ten behoeve hiervan zijn opgestelde blijkt meer dan incidenteel dat belanghebbenden hun te maken kosten aanzienlijk lager inschatten dan de taxateur. De reden die zij hiervoor hebben aangevoerd is dat zij de verbouwing deels in eigen beheer laten uitvoeren. Als voorbeeld citeren wij uit het taxatierapport van de [adres 4] : \"Kosten volgens opgave toekomstige eigenaren circa € 30. 000, waarbij de werkzaamheden deels in eigen beheer en deels door derden, doch vaste relaties, worden uitgevoerd, waardoor het als reële schatting van de kosten wordt aangemerkt. Indien de werkzaamheden geheel door derden worden uitgevoerd, in opdracht van een particulier, worden de kosten geschat op € 45.000”Wij nemen gelet op het voornoemde aan dat belanghebbenden zich inhoudelijk bemoeien met de projecten. Verder merken wij op dat uit het gros van de taxatierapporten die zijn opgemaakt voorafgaand aan de verbouwing blijkt dat werkzaamheden deels in eigen beheer worden uitgevoerd. Het heeft er dus alle schijn van dat de feitelijk leiding bij belanghebbenden berust.\n\nOp basis van de opgedane ervaringen met [B.V. 3] zagen de heren [B] en\n\n [A] kennelijk een markt voor soortgelijke activiteiten door middel van een aannemingsbedrijf dan wel ontstond er vraag van de particuliere woningbezitter om soortgelijke verbouwingen\u002Frenovaties in opdracht te verrichten. Dit heeft geresulteerd in de oprichting van het aannemingsbedrijf [B.V. 4] op […] 2012. Sinds de oprichting van [B.V. 4] in 2012 zijn er tot 2017 ongeveer 60 woningen ingrijpend verbouwd of gerenoveerd.\n\nDe kennis, kunde en vakmanschap en ondernemingszin van beide aandeelhouders in de burgerlijke (ver)bouw blijkt ook uit het feit dat zij gezamenlijk het volledige kapitaalbelang in [B.V. 6] bezitten. Via deze vennootschap worden allerlei bouwmaterialen ingekocht, al dan niet door middel van import. Niet onaannemelijk zijn de voordelen die komen kijken bij grootschalige inkoop. De bouwmaterialen worden geleverd aan het samenwerkingsverband, [B.V. 3] en [B.V. 4] ten behoeve van de uit te voeren projecten, maar ook aan niet-gelieerde bouwbedrijven. Het betreft dan bijvoorbeeld de levering van vloerdelen, badkameruitrusting (o.a. doucheschermen, wand- en vloertegels), deuren, deurbeslag, hang- en sluitwerk. In koopovereenkomsten bij verbouwingsstelposten voor vloeren, sanitair, tegels en deurbeslag wordt regelmatig verwezen naar de 'collectie [B.V. 3] '. Hiermee wordt dan bedoeld de via [B.V. 6] te verwerken materialen. Op het bedrijfsadres van de ondernemingen aan de [adres 5] te [woonplaats] zijn op de benedenverdieping diverse door [B.V. 6] te leveren artikelen uitgestald in de showroom.\n\nUit dit alles blijkt dat de eigen technische en\u002Fof organisatorische kennis bij het belanghebbenden en [B.V. 3] aanwezig is en een veel grotere rol speelt dan bij een 'normale' opdrachtgever. Daarmee ligt de algehele leiding en verantwoordelijkheid van de uitgevoerde projecten bij belanghebbenden en [B.V. 3] en daarmee dus niet bij derden.”\n\n2.7.1.. Met dagtekening van 30 november 2020 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 naheffingsaanslag I ten bedrage van € 4.107 opgelegd. Daarvan ziet € 3.152 op toepassing van de verleggingsregeling en € 955 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete I ten bedrage van € 882 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 788 uit een vergrijpboete en voor € 94 uit een verzuimboete.\n\n2.7.2.. Met dagtekening van 28 augustus 2021 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 naheffingsaanslag II ten bedrage van € 12.367 opgelegd. Daarvan ziet € 7.903 op toepassing van de verleggingsregeling en € 4.464 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete II ten bedrag van € 2.421 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 1.975 uit een vergrijpboete en voor € 446 uit een verzuimboete.\n\n2.8.. \n\nIn de uitspraak op bezwaar van 25 november 2022 heeft de Inspecteur naheffingsaanslag I in stand gelaten en boete I wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd tot € 705 (vergrijpboete € 630 en verzuimboete € 75).\n\nBij uitspraak van eveneens 25 november 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen naheffingsaanslag II en boete II niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Wel is daarbij boete II wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 1.937 (vergrijpboete € 1.580 en verzuimboete € 60).\n\n2.9.1.. Bij brief van 19 december 2022, ontvangen door de Rechtbank op 20 december 2022, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.\n\n2.9.2.. De Rechtbank heeft bij brief van 22 december 2022 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen vier weken aan te vullen.\n\n2.9.3.. Bij brief van 23 januari 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen.\n\n2.9.4.. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Rechtbank bij brief van 30 januari 2023 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen acht weken aan te vullen.\n\n2.9.5.. Bij brief van 24 maart 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden aangevuld.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Ontvankelijkheid\n\n12. Eiser heeft met dagtekening van 19 december 2022 pro-forma beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar van 25 november 2022 ingediend, die door de rechtbank zijn ontvangen op 20 december 2022. Bij brief van 22 december 2022 heeft de rechtbank eiser verzocht haar beroepen uiterlijk binnen vier weken van de gronden te voorzien, mitsdien voor 20 januari 2023. Dat heeft eiser gedaan bij brief van 23 januari 2024, door de rechtbank ontvangen op 24 januari 2024.\n\n13. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien het niet de gronden bevat, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het binnen een door de rechtbank gestelde termijn te motiveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard om de reden dat eiser de gronden enige dagen na het einde van de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.\n\n14. De rechtbank ziet in die overschrijding van de door haar gestelde termijn geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijkheid te verklaren.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nIn de zaak SGR 22\u002F8185: ontvankelijkheid bezwaar\n\n15. Bij de gecombineerde hoorzitting van 17 januari 2022 inzake de bezwaren van [B.V. 3] , [B.V. 4] en dat van eiser tegen naheffingsaanslag I heeft eiser naar voren gebracht dat hij bij die bijeenkomst voor het eerst vernam dat nog een tweede naheffingsaanslag was opgelegd. Nadat verweerder bij e-mail van 1 februari 2022 duplicaat van naheffingsaanslag II aan eiser had toegezonden, heeft eiser daar bij brief van dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.\n\n16. Verweerder acht het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffingsaanslag II eerst is bekend gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022 en dat hij mitsdien binnen de daarvoor geldende termijn in bezwaar is gekomen.\n\n17. Bij haar beoordeling neemt de rechtbank de navolgende feiten in aanmerking.\n\nHet kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] is eind maart \u002F begin april 2020 verhuisd, van de [adres 6] te [woonplaats] naar de [adres 7] aldaar. De adreswijziging is aan verweerder doorgegeven.\n\nBij brief van 3 november 2020, per adres [adres 6] , heeft verweerder te kennen gegeven het samenwerkingsverband tussen [A] en [B] aan te merken als belastingplichtige voor de omzetbelasting. Ook naheffingsaanslag I, met dagtekening van 30 november 2020, is toegezonden aan het adres [adres 6] . Namens eiser is daartegen bezwaar gemaakt door zijn gemachtigde. Vanaf dat moment verliep de correspondentie tussen verweerder en eiser via de gemachtigde. Naheffingsaanslag II is met dagtekening van 28 augustus 2021 toegezonden aan het adres [adres 6] . Dit poststuk heeft eiser, naar hij stelt, niet bereikt.\n\n18. Eiser heeft niet enig adres aan verweerder opgegeven. Het is verweerder zelf die, toen hij bevond dat het samenwerkingsverband als entiteit voor de heffing van omzetbelasting heeft te gelden, ervoor koos aan eiser gerichte post te verzenden naar het adres [adres 6] . Dat deed hij terwijl hem bekend was dat – met de verhuizing van het kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] – de plek van waaruit [A] en [B] hun samenwerkingsverband bestierden al ruim een half jaar eerder aan de [adres 7] was terecht gekomen. Door niettemin naheffingsaanslag II te verzenden aan het adres [adres 6] is deze niet op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze bekend gemaakt, maar is dat eerst met toezending van het duplicaat-biljet gebeurd. De bezwaartermijn is daarmee eerst op 1 februari 2022 aangevangen (artikel 6:8 Awb).\n\n19. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser voor zover het zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II gegrond.\n\nIn beide zaken: eigenbouwerschap\n\n20. Krachtens artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB wordt in de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 24b van het UBOB is het geval aangewezen waarin de levering bestaat uit een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op een onroerende zaak dat door een onderaannemer aan een aannemer wordt geleverd. Het derde lid stelt met een aannemer gelijk, degene die het werk uitvoert in de normale uitoefening van zijn bedrijf zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen (de ‘eigenbouwer’).\n\n21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedrijf uitoefent in de zin van artikel 24b, vijfde lid, van het UBOB en dat de renovaties werken van stoffelijke aard zijn die zijn uitgevoerd in de normale uitoefening van dat bedrijf. Nu eiser dat niet heeft weersproken en dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gaat ook de rechtbank daarvan uit.\n\n22. Of eiser als eigenbouwer kan gelden, spitst zich daarmee erop toe of jij die werken heeft ‘uitgevoerd’, in de zin van artikel 24b, derde lid, van het UBOB. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag is niet vereist dat eiser die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk heeft uitgevoerd, maar volstaat het dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berustte.[2] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 24b UBOB[3] volgt dat die leiding betrekking moet hebben op het werk in eigenlijke zin. De gelijkstelling van de eigenbouwer met een aannemer is namelijk erdoor ingegeven dat hij daarmee vergelijkbaar is in die zin, dat ook van de eigenbouwer het bedrijf “het bouwen” is.[4] De wetgever heeft daarbij benadrukt dat de eigenbouwer “goed [moet] worden onderscheiden van de opdrachtgever … die een overeenkomst met een aannemer sluit”.[5] De rechtbank leidt daaruit als het onderscheidende criterium af dat een eigenbouwer betrokken is bij bouwkundige vragen en problemen die rijzen bij de uitvoering van het bouwproject en daarin een beslissende stem heeft. Aldus komt het erop aan, of eiser een verdergaande bemoeienis had met de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin dan een ‘normale’ opdrachtgever pleegt te hebben.\n\n23. Verweerder heeft zijn standpunt omtrent het eigenbouwerschap in beroep onderbouwd door te verwijzen naar zijn verweerschrift in de zaken van [B.V. 3] . Dat heeft hij ermee toegelicht dat de activiteiten van eiser “in het verlengde liggen” van die van [B.V. 3] , waarmee hij klaarblijkelijk gezegd wil hebben dat eiser wat betreft de renovaties op dezelfde wijze te werk gaat als [B.V. 3] . De stellingen van verweerder over die werkwijze laten zich, toegespitst op de onderhavige zaken, samenvatten als volgt.\n\n [B] en [A] voeren zelf de besprekingen met de architecten. In de gevallen waarin een bouw- en\u002Fof splitsingsvergunning moet worden aangevraagd zijn zij daarbij steeds ook zelf betrokken. In voorkomend geval richt eiser een vereniging van eigenaren op. Eiser maakt prijsafspraken met de aannemers. De offertes van de aannemers plegen summier te zijn en in enkele gevallen is niet eens een schriftelijke offerte uitgebracht. In de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld, zijn de kosten van renovatie structureel lager ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Gelet op het aantal renovaties waar [B] en [A] in de loop van de tijd bij betrokken zijn geweest, zullen zij de technische en organisatorische know-how hebben verworven die nodig is om het bouwproces te kunnen leiden. Het tijdsbeslag van [B.V. 5] was zodanig gering, dat het niet anders kan of [B] en [A] hebben zich ook zelf met begeleiding van de bouw ingelaten.\n\n24. Eiser heeft hier het navolgende tegenover gesteld.\n\nVergunningaanvragen worden ingediend door de architect, namens eiser als de eigenaar van het desbetreffende object. De renovaties zijn steeds volgens een standaardconcept uitgevoerd. Eiser werkte steeds met dezelfde aannemer, die het concept kende zodat aan de offerte niet veel meer te pas kwam dan een prijsopgave op basis van de aangeleverde plannen van de architect. Door te werken met een standaardconcept worden schaalvoordelen behaald, onder andere bij de inkoop van materialen, waardoor de renovaties minder kostten dan gemiddeld in de markt gebruikelijk is. Eiser betwist te beschikken over know-how op het gebied van bouwen. Daarvoor schakelt hij [B.V. 5] in, voor de vragen die tijdens het bouwproces opkomen en voor de controle van het werk bij de oplevering.\n\n25. Aangezien verweerder zich op de verleggingsregeling beroept, rust op hem de last te bewijzen dat eiser de algehele leiding had over de bouwwerkzaamheden.\n\nDe door verweerder gestelde werkzaamheden van eiser betreffen vooral de voorbereiding en het verlenen van opdrachten aan de aannemer. Verweerder heeft omtrent de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin wezenlijk niet meer naar voren gebracht, dan dat het gelet op de tijdsbesteding van [B.V. 5] niet anders kan of eiser was daarbij betrokken. Gelet op wat naar voren is gekomen over de werkwijze van eiser acht de rechtbank aannemelijk dat hij de uitvoering van de met de architect uitgewerkte plannen aan de aannemer heeft kunnen overlaten, en dat hij de weinige bemoeienis die daar nog wel bij kwam kijken aan [B.V. 5] had uitbesteed.\n\nDe rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de betrokkenheid van eiser bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een ‘gewone’ opdrachtgever.\n\n26. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\n27. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n28. Eiser heeft op 22 december 2020 bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslag I. Vanaf dat moment tot de uitspraak van de rechtbank zijn ruim drieënhalf jaar verstreken. Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn met (afgerond) twee jaar is overschreden. De rechtbank ziet daarin aanleiding een vergoeding ter zake van immateriële schade toe te kennen van € 2.000. De termijnoverschrijding is voor anderhalf jaar toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor een half jaar aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.500 aan eiser te vergoeden en de Staat een bedrag van € 500.\n\nProceskosten\n\n29. Nu de beroepen van eiser gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij merkt zij de onderhavige zaken aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van [B.V. 3] en die van [B.V. 4] .\n\n30. Eiser heeft in de bezwaarfase aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. In de beroepsfase heeft hij verzocht om integrale proceskostenvergoeding.\n\n31. Om af te wijken van een forfaitaire proceskostenvergoeding moet op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. Bijzondere omstandigheden die een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen doen zich voor als verweerder een besluit neemt of handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, of als hij anderszins in vergaande mate onzorgvuldig handelt.[6]\n\n32. Van verweerders standpunt omtrent het eigenbouwerschap was niet zodanig voorzienbaar dat het in rechte geen stand zou houden, dat om die reden afwijking van het forfait geboden is.\n\nAnders is dat met betrekking tot de vergrijpboete. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder beter moeten weten, dan te verdedigen dat het standpunt van eiser omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn.\n\nBij uitspraken van heden in de zaken van [B.V. 3] en van [B.V. 4] oordeelt de rechtbank in gelijke, respectievelijk vergelijkbare zin over de aan hen opgelegde vergrijpboeten.\n\n33. Eiser heeft geen opgave gedaan van de door hem belopen kosten van rechtsbijstand en heeft niet gespecificeerd welke tijd zijn gemachtigde aan welke onderwerpen heeft besteed. De rechtbank kan daardoor niet bepalen welk bedrag aan kosten van rechtsbijstand is gemoeid met standpunten die verweerder tegen beter weten in heeft betrokken, maar wel constateert zij dat de gemachtigde in betekenende mate tijd heeft besteed aan de bestrijding van de boeten. Om deze redenen geeft de rechtbank toepassing aan artikel 2, derde lid, van het Besluit door de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding te verdubbelen.\n\n34. De rechtbank stelt aldus de te vergoeden kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 8.994 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, factor 1,5 vanwege het aantal beroepen en vermenigvuldigd met 2 om de hiervoor genoemde reden).\n\nDe rechtbank kent in de onderhavige zaken een derde van deze vergoeding, derhalve € 2.998 toe aan eiser.\n\n(…)\n\n[2] HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:AS8673, r.o. 4.3.\n\n[3] Artikel 24b UBOB is ingevoerd bij Besluit van 19 juni 1982, Stb. 357. Het derde lid is daarbij toegelicht met de opmerking dat de bepaling is overgenomen uit de Wet ketenaansprakelijkheid (Wet van 4 juni 1981, Stb. 370).\n\n[4] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 13 en bijlage 2 daarbij, blz. 33.\n\n[5] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 20.\n\n[6] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of:\n\na. a) de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;\n\nb) de Rechtbank terecht heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is;\n\nc) de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk heeft verklaard;\n\nd) de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is;\n\ne) recht bestaat op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438 over 2016;\n\nf) de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding heeft verdubbeld;\n\ng) de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarfase.\n\n4.1.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vergrijpboeten terecht zijn vernietigd.\n\n4.2.. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen, subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II en handhaving van naheffingsaanslag I. Meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot handhaving van beide naheffingsaanslagen. Indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende een eigenbouwer is maar de naheffingsaanslagen om een andere reden verminderd worden, doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie. In alle gevallen concludeert de Inspecteur tot behoud van de beslissing van de Rechtbank de vergrijpboeten te vernietigen. Verder concludeert de Inspecteur tot vermindering van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en tot vernietiging van de veroordeling in de proceskosten voor de bezwaarfase.\n\n4.3.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijke proceskosten.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nZijn de beroepen terecht ontvankelijk verklaard door de Rechtbank?\n\n5.1.. De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de Rechtbank belanghebbende op 22 december 2022 heeft verzocht om de gronden van het beroep binnen een termijn van vier weken in te dienen, zijnde uiterlijk 20 januari 2023. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep pas op 23 januari 2023 ingediend. Omdat belanghebbende de termijn heeft overschreden en de Rechtbank niets heeft vastgesteld over de eventuele verschoning van de overschrijding van de termijn dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\n5.2.1.. Op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.\n\n5.2.2.. Artikel 6:6, aanhef, onderdeel a, en slotregel, Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\n5.2.3.. Het procesreglement van de Rechtbank (geldend in 2022 en 2023) vermeldt voor zover van belang:\n\n“Artikel 2.4 Herstel van een verzuim en opvragen machtiging (de artikelen 6:5, 6:6, 8:24 en 8:36a van de Awb)\n\n1. Indien sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 of 8:36a van de Awb of indien de bestuursrechter van een gemachtigde een machtiging verlangt, stelt de bestuursrechter de indiener van het beroepschrift per bericht in de gelegenheid binnen vier weken het verzuim te herstellen dan wel de machtiging in te zenden.\n\n(…)\n\n3. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats, indien:\n\na. in het geval op papier wordt geprocedeerd de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden of anderszins vaststaat dat de uitnodiging is ontvangen,\n\nb. in de uitnodiging is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en het verzuim niet verschoonbaar is, en\n\nc. binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden en dit verzuim niet verschoonbaar is.”\n\n5.3.. Artikel 6:6, Awb bevat geen verplichting maar een discretionaire bevoegdheid voor de Rechtbank om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 2 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7608, BNB 1987\u002F318). Anders dan de Inspecteur meent, volgt uit artikel 2.4 van het procesreglement (zie 5.2.3) ook geen verplichting een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dat artikel stelt slechts de voorwaarden waaronder de rechtbanken kunnen overgaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep.\n\n5.4.1.. Belanghebbende heeft in haar brief, ontvangen door de Rechtbank op 23 januari 2023, de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen. De Rechtbank is bij brief van 30 januari 2023 aan dit verzoek tegemoetgekomen (zie 2.9). Zoals uit overweging 14 van haar uitspraak volgt, heeft de Rechtbank geen reden gezien de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof vindt dit oordeel niet onlogisch. Het feit dat belanghebbende de motivering enkele dagen na de aanvankelijk gestelde termijn heeft ingediend en dat aan belanghebbende vervolgens (nogmaals) uitstel is verleend om de beroepen verder te motiveren, heeft het verdere goede verloop van de procedure niet belemmerd. De Inspecteur is bijvoorbeeld niet benadeeld door het feit dat de motivering later is ingediend. Hij heeft immers voldoende gelegenheid gehad daarop te reageren. Daarbij weegt het belang van belanghebbende dat haar beroepen worden beoordeeld door de rechter in dit geval zwaarder dan het feit dat de motivering enkele dagen later dan de aanvankelijk gestelde termijn is ontvangen.\n\n5.4.2.. De situatie van belanghebbende verschilt ook van de door de Inspecteur aangehaalde situatie in de uitspraak van dit Hof, ECLI:NL:GHDHA:2022:948. In de laatstgenoemde zaak was belanghebbende een paar maanden te laat met het indienen van de gronden van het beroep. In dit geval heeft belanghebbende de brief met de verkorte motivering en het uitstelverzoek slechts enkele dagen te laat ingediend en heeft de Rechtbank (nogmaals) uitstel verleend om de beroepen verder te motiveren. Nadat de Rechtbank het verzochte uitstel had verleend, heeft belanghebbende de motivering binnen de gestelde termijn ingediend (zie 2.9).\n\n5.4.3.. Dat de Inspecteur zich niet kan vinden in het oordeel van de Rechtbank of op een uitgebreidere motivering rekende, betekent niet dat de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Wat er verder ook zij van deze stelling van de Inspecteur, hij heeft het standpunt ingenomen dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar de Rechtbank en hieraan geen verdere conclusie verbonden zodat deze stelling nergens toe leidt.\n\n5.5.. Het Hof oordeelt dat de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank.\n\nHeeft de Rechtbank terecht beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is?\n\n5.6.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte ambtshalve heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk was. Belanghebbende heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Rechtbank had, gelet op onder andere het arrest ECLI:NL:HR:2021:1153, niet ambtshalve mogen beoordelen of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de Inspecteur terecht is geweest.\n\n5.7.1.. Anders dan de Inspecteur meent, heeft de Rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring niet ambtshalve beoordeeld. Het Hof licht dit als volgt toe.\n\n5.7.2.. De toelichting op de uitspraken op bezwaar van 4 november 2022 vermeldt met betrekking tot het bezwaar tegen naheffingsaanslag II onder meer:\n\n“Ondanks de niet-ontvankelijkheid neem ik uw bezwaarschrift wel in behandeling als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen mijn inhoudelijke beslissing. U kunt wel beroep instellen tegen mijn beslissing uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.”\n\n5.7.3.. Het beroepschrift vermeldt het aanslagnummer van naheffingsaanslag II. Dit aanslagnummer wordt ook vermeld in de nadere motivering. Uit de toelichting op de uitspraak op bezwaar volgt dat met betrekking tot de naheffingsaanslag II alleen beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing van de Inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op de vermelding van het aanslagnummer van naheffingsaanslag II in het beroepschrift en de nadere motivering heeft belanghebbende dus (mede) beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II.\n\n5.7.. Bovendien werpt de Inspecteur de (niet-)ontvankelijkheid van het bezwaar zelf op in zijn verweerschrift.\n\n5.8.1.. Het Hof voegt hier het volgende aan toe. Het voormelde arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, vermeldt, voor zover van belang (het Hof heeft de voetnoten in het citaat weggelaten):\n\n“4.3.3. Tot nu toe komt het in de praktijk voor dat de rechter ook de tijdigheid van een bij het bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift ambtshalve beoordeelt. De Hoge Raad heeft deze praktijk in belastingzaken in het verleden aanvaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. De hiervoor in 4.3.2 vermelde bepalingen van de Awb brengen namelijk niet zonder meer mee dat in een volgende instantie ambtshalve de tijdigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel in de vorige instantie opnieuw moet worden beoordeeld. Verder valt niet in te zien welk zwaarwegend belang gediend kan zijn met ambtshalve beoordeling van die ontvankelijkheid in (hoger) beroep.\n\n4.3.4.. Gelet op hetgeen in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, zal de Hoge Raad voortaan het uitgangspunt hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 4.3.3 bedoelde rechtspraak. Dit betekent dat de rechtbank het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk mag verklaren, en dat het hof het bij de rechtbank ingestelde beroep of het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag verklaren.”\n\n5.8.2.. Het Hof stelt voorop dat overweging 4.3.4 van het voormelde arrest betrekking heeft op een andere situatie dan in deze zaak aan de orde is. Voor wat betreft de beoordeling door de rechtbank gaat het in die overweging om een bezwaar dat door het bestuursorgaan ontvankelijk is verklaard en dat vervolgens door de rechtbank niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag worden verklaard. In deze zaak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en heeft de Rechtbank dat beoordeeld. Het voormelde arrest is daarom niet van toepassing. Bovendien wordt met een beoordeling van de Rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard een zwaarwegend belang van belanghebbende gediend, te weten het recht op toegang tot de rechter. Hiervan uitgaande mocht de Rechtbank de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordelen.\n\nHeeft de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk verklaard?\n\n5.9.1.. De regel dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, zoals een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45).\n\n5.9.2.. Het risico van een onjuiste adressering ligt in beginsel bij de verzender van het geschrift, in casu de Inspecteur. Dit is slechts anders ingeval een onjuiste adressering is te wijten aan degene voor wie het geschrift is bestemd, in dit geval de belastingplichtige, zoals zich bijvoorbeeld kan voordoen indien deze niet heeft zorggedragen voor een juiste vermelding in het bevolkingsregister, of niet gedurende een lopende briefwisseling heeft opgegeven dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden (HR 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935).\n\n5.10.1.. De Inspecteur heeft een samenwerkingsverband vastgesteld tussen [B] en [A] en dit samenwerkingsverband aangemerkt als belastingplichtige. Het samenwerkingsverband is geen rechtspersoon en is niet geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Het lag daarom voor de hand om de correspondentie voor het samenwerkingsverband te sturen naar het privéadres van [B] en [A] zoals geregistreerd in de Basisregistratie Personen. Bovendien was bekend dat [B] en [A] een gemachtigde hadden, zodat de Inspecteur ook een kopie van de correspondentie naar de gemachtigde had kunnen sturen.\n\n5.10.2.. Daarbij komt dat de adreswijziging van de [adres 5] naar de [adres 7] voor de andere entiteiten van [B] en [A] , te weten [B.V. 3] en [B.V. 4] , eind maart\u002Fbegin april 2020 is doorgegeven. De Inspecteur heeft pas daarna, in zijn brief van 3 november 2020, de belastingplicht van het samenwerkingsverband vastgesteld. Deze brief is verzonden naar de [adres 5] . De Inspecteur heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waarom de correspondentie met betrekking tot het samenwerkingsverband naar de [adres 5] is verzonden terwijl hij i) wist dat voor de andere entiteiten een adreswijziging was doorgegeven en ii) het bovendien voor de hand lag om de correspondentie naar het privéadres van [B] en [A] te sturen. De verklaring van de Inspecteur dat het adres van het samenwerkingsverband is gekoppeld aan de [adres 5] door een medewerker die inmiddels met pensioen is, is daartoe onvoldoende. Dit kan belanghebbende immers niet worden aangerekend. Dit maakt dat de verkeerde adressering aan de Inspecteur is te wijten, zodat niet gezegd kan worden dat de bekendmaking van de naheffingsaanslag II met de verzending daarvan aan de [adres 5] op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.\n\n5.11.. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag II voor het eerst bekend is gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022. Aangezien belanghebbende bij brief van dezelfde dag bezwaar heeft gemaakt, is het bezwaar tijdig ingediend en dus ontvankelijk.\n\nHeeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is?\n\n5.12.1.. Op grond van artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24b, van het UBOB wordt in geval van onderaanneming en uitlening van personeel in de bouw, waarbij een werk van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken (of schepen) wordt uitgevoerd, de heffing van omzetbelasting verlegd van degene die de prestatie (levering of dienst) verricht naar degene aan wie de prestatie wordt verleend (de afnemer, zijnde de aannemer of eigenbouwer). Deze verlegging brengt met zich dat de afnemer de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet voldoen en - indien en voor zover hij aftrekrecht heeft - die omzetbelasting in dezelfde aangifte als voorbelasting weer in aftrek kan brengen. Voorwaarde is daarbij dat een onderaannemer ten behoeve van een aannemer of eigenbouwer het werk van stoffelijke aard uitvoert.\n\n5.12.2.. Aannemer is degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren. De verleggingsregeling is van toepassing op de prestatie die een onderaannemer verricht aan de (hoofd)aannemer. Op de prestatie die de aannemer voor zijn opdrachtgever verricht is de verleggingsregeling niet van toepassing, behoudens de situatie van een opdrachtgever die als eigenbouwer moet worden aangemerkt. Als eigenbouwer wordt aangemerkt degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert dat betrekking heeft op onroerende zaken (of schepen).\n\n5.12.3.. In het “Besluit van 19 juni 1982 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, Stb. 357 is onder meer opgemerkt:\n\n“Behoudens de beperking tot de drie eerdergenoemde sectoren is voor de terminologie en het bereik van de verleggingsregeling zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wet Ketenaansprakelijkheid. Deze samenloop biedt het voordeel dat veel van hetgeen tijdens de parlementaire behandeling van deze wet over het bereik en de daarin gehanteerde begrippen naar voren is gebracht, tevens geldt voor de verleggingsregeling. Voorts zullen praktijk en jurisprudentie zich parallel kunnen ontwikkelen en in voorkomende gevallen voor beide regelingen van waarde zijn. De rechtszekerheid en een verantwoorde uitvoering zullen hierdoor worden bevorderd.”\n\n5.12.4.. Met betrekking tot het begrip eigenbouwer in de Wet ketenaansprakelijkheid is een nadere invulling gegeven in de Resolutie van 25 juli 1986, nr. 286-10846:\n\n“Of een bedrijf voor de toepassing van de Wet ketenaansprakelijkheid is te beschouwen als een \"eigenbouwer\", valt volgens Staatssecretaris Koning niet in algemene termen aan te geven. Bedrijven en uitgevoerde werkzaamheden zullen steeds, van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Enkele kenmerken voor de karakterisering als \"eigenbouwer\" zijn:\n\n1. Een werk wordt niet uitgevoerd in opdracht van een opdrachtgever maar het bedrijf werkt \"voor de markt\";\n\n2. Een bedrijf voert een werk uit ter voorziening in zijn eigen behoefte aan bijv. bedrijfsmiddelen, waarbij\n\n- niet van belang is of het bedrijf winst beoogt en\u002Fof feitelijk maakt. (…)\n\n- de activiteiten moeten passen binnen de normale bedrijfsuitoefening. Daarbij is de statutaire doelomschrijving niet van belang, noch hetgeen overigens in de bedrijfstak waartoe dit bedrijf behoort, gebruikelijk is. Het incidenteel vervaardigen van een bedrijfsmiddel leidt niet tot een handelen als eigenbouwer.\n\n3. Wanneer een bedrijf een geheel werk uitbesteedt kan toch sprake zijn van\n\n\"eigenbouwer\", nl. wanneer\n\na. het betrokken bedrijf de werkzaamheden ook wel zelf geheel of gedeeltelijk pleegt uit te voeren;\n\nb. het uiteindelijk tot stand te brengen werk past binnen het kader van het bedrijf, terwijl dat bedrijf ook vaak een schakel vormt bij de uitvoering, doordat eigen technische- of organisatorische know-how een belangrijkere rol speelt dan bij normale opdrachtgevers.\n\n(…)”\n\n5.12.5.. Om de vraag, of een belastingplichtige als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB “in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert”, bevestigend te kunnen beantwoorden, kan niet de eis worden gesteld dat moet komen vast te staan dat die belastingplichtige zelf het desbetreffende werk feitelijk geheel of gedeeltelijk kan uitvoeren. Immers een werk wordt in de normale uitoefening van het bedrijf door de belastingplichtige uitgevoerd in de hierboven bedoelde zin indien die belastingplichtige van het tot stand brengen van zodanige werken zijn bedrijf maakt. Daartoe is niet vereist dat hij die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk feitelijk uitvoert of kan uitvoeren. Voldoende is dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berust (HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AS8673, r.o. 4.3).\n\n5.12.6.. In de memorie van toelichting bij de Invorderingswet 1989 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 92) staat onder meer:\n\n“Voor deze opvatting vind ik steun in de memorie van toelichting bij de Wet ketenaansprakelijkheid, waarin is opgemerkt dat de bepaling inzake de eigenbouwer ruim moet worden uitgelegd, alsmede dat men aan eigenbouwerschap niet kan ontkomen door het gehele werk uit te besteden.»\n\nIn concreto wordt daarna aandacht besteed aan de woningcorporatie en het gemeentelijk grondbedrijf:\n\n«Woningcorporaties en andere zogenaamd toegelaten instellingen oefenen naar mijn oordeel een bedrijf uit. Indien voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt gerealiseerd, hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur, kunnen zich verschillende situaties voordoen. In het onderstaande wordt ervan uitgegaan dat de corporatie het bouwen niet door eigen werknemers laat verrichten. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject slechts eenmalig of sporadisch voorkomt is de corporatie geen eigenbouwer. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan sporadisch geschiedt, is de corporatie naar mijn oordeel eveneens geen eigenbouwer, tenzij de corporatie een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot het bouwen heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.”\n\n5.13.. Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten van de (onder)aannemers als werken van stoffelijke aard zijn aan te merken. De Inspecteur stelt dat belanghebbende is opgetreden als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB, zodat de verleggingsregeling van toepassing is en zij dus de omzetbelasting is verschuldigd ter zake van de diensten die de (onder)aannemers hebben verricht. Belanghebbende bestrijdt dat zij is opgetreden als eigenbouwer. Belanghebbende voert aan dat zij een handelsonderneming is en het uitvoeren van werk van stoffelijke aard niet tot de normale uitoefening van haar bedrijf behoort. Verder ontbreekt bij belanghebbende de technische en organisatorische kennis om leiding te kunnen geven bij het tot stand brengen van de werken van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken.\n\n5.14.. Het is aan de Inspecteur om de feiten aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende is aan te merken als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, UBOB en dat daarmee de verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.12.1 tot en met 5.12.6 betekent dit dat hij aannemelijk moet maken dat het verrichten van renovaties onderdeel is van de normale uitoefening van het bedrijf van belanghebbende. Aangezien belanghebbende de renovaties volledig uitbesteedt, is daarbij van belang dat aannemelijk wordt gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust. Uit de aangehaalde passage in 5.12.6 volgt dat aannemelijk is dat de algehele leiding bij belanghebbende berust als belanghebbende een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot de renovaties heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.\n\n5.15.. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust en motiveert dit oordeel als volgt.\n\n5.16.1.. De werkwijze van belanghebbende was erop gericht om gedateerde panden te moderniseren volgens een standaardconcept, door belanghebbende een “ [B.V. 3] pand” genoemd, om deze vervolgens te verhuren aan particulieren. Hierbij werden voornamelijk “cosmetische wijzigingen” aangebracht, gericht op het bewerkstelligen van zoveel mogelijk licht(inval) en vierkante meters. Verder werd een aantal standaardwerkzaamheden verricht zoals het plaatsen van een nieuwe keuken, het leggen van een nieuwe vloer, het plaatsen van nieuwe deuren, het vervangen van de badkamer en het toilet, het vervangen van kozijnen, het stuken en sauzen van muren en plafonds en schilderen aan de binnenzijde waarbij gebruik werd gemaakt van vaste kleuren en lijnen.\n\n5.16.2.. Uit de correspondentie die [B] en [A] hebben gevoerd met onder andere de architect volgt dat zij zich bemoeien met de indeling van de panden waarbij zij steeds het standaardconcept voor ogen hebben. Zo worden aanwijzingen gegeven over het plaatsen van lichtkoepels, de plaats waar de badkamer moet komen, het plaatsen van kastenwanden, het doorbreken van muren om een ruimte groter te maken, het plaatsen dan wel vergroten van dakkapellen, het verplaatsen van trappen en het realiseren van openslaande deuren.\n\n5.16.3.. Verder schrijft belanghebbende voor welke materialen en kleuren gebruikt moeten worden om het pand in de mal van het standaardconcept te gieten. Daarbij gebruikt zij de materialen, zoals deuren, die door de gelieerde vennootschap [B.V. 6] in bulk worden ingekocht, zodat de kosten laag gehouden kunnen worden. Voor keukens maakt zij gebruik van de keukens van [naam] die belanghebbende vanwege de grote afname korting geeft.\n\n5.16.4.. Belanghebbende werkte voor alle panden samen met dezelfde aannemer omdat deze op de hoogte was van het standaardconcept dat belanghebbende wilde toepassen. Voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) maakte belanghebbende gebruik van de diensten van [B.V. 5] die ook op de hoogte was van het door belanghebbende bedachte standaardconcept. Door steeds samen te werken met dezelfde personen was het voor belanghebbende mogelijk de feitelijke uitvoering van het standaardconcept, na afstemming met de architect (zie 5.16.2), uit te besteden aan de vaste aannemer.\n\n5.16.5.. Belanghebbende heeft bij de renovaties een meer omvattende rol dan een ‘normale’ opdrachtgever omdat zij haar eigen technische en organisatorische kennis inzet om de renovaties tot het naar hem gewenste resultaat te brengen. Via de gelieerde vennootschap [B.V. 6] koopt zij materialen in bulk in die gebruikt worden bij de renovaties. Ook heeft belanghebbende haar kennis en ervaring gebruikt om een standaardconcept te ontwikkelen voor renovaties die op al haar panden kan worden toegepast. De bemoeienis van belanghebbende met de renovaties, onder andere bij het uitdenken van het standaardconcept, de aanwijzingen volgens dit concept aan de architect, [B.V. 5] en de aannemer en de inkoop van materialen via [B.V. 6] , heeft steeds een professioneel karakter gehad. De renovaties waren immers gericht op de commerciële, op winst gerichte doelstelling van belanghebbende. Kennis van zaken met betrekking tot de (inkoop van de) te gebruiken renovatiematerialen en hetgeen gerenoveerd dient te worden alsmede de wijze waarop om een woning aantrekkelijk te maken voor een huurder of koper moet noodzakelijk zijn geweest. Dit blijkt ook uit het feit dat de kosten van renovatie, vanwege het “in eigen beheer” uitvoeren van de werkzaamheden, in de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld meer dan incidenteel lager zijn ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Dat belanghebbende het standaardconcept met haar (organisatorische) kennis dusdanig efficiënt heeft weten in te richten en voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) gebruik maakt van de diensten van [B.V. 5] , zodat zij zich niet of weinig met de feitelijke uitvoering daarvan hoeft te bemoeien (zie 5.16.4), betekent niet dat zij haar overkoepelende betrokkenheid bij de uitwerking van het concept en de daarbij behorende renovaties uit handen heeft gegeven.\n\n5.16.6.. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende de algehele leiding heeft met betrekking tot de renovaties. Wellicht ten overvloede merkt het Hof op dat gelet op de regelmaat waarmee belanghebbende renovaties van de te verhuren woningen liet uitvoeren deze behoorden tot haar normale bedrijfshandelingen (vgl. HR 29 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4370, r.o. 3). Bij belanghebbende gaat het om meer dan 50 renovaties.\n\n5.17. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat belanghebbende wordt aangemerkt als eigenbouwer en dat het hoger beroep van de Inspecteur slaagt.\n\nBestaat recht op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438\n\nover 2016?\n\n5.18.. Het beroep van de Inspecteur op interne compensatie behoeft geen behandeling, aangezien hij in het gelijk wordt gesteld dat belanghebbende kwalificeert als eigenbouwer.\n\nHeeft de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding verdubbeld?\n\n5.19.1.. \n\nOp grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij\n\nte veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in\n\nverband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de\n\nbestuursrechter. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) zijn nadere regels\n\nopgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze\n\nwaarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van\n\nberoepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit.\n\nOp grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden\n\nnaar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een\n\nproceskostenvergoeding.\n\n5.19.2.. Van een bijzondere omstandigheid als hiervóór bedoeld kan sprake zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Voor een hogere proceskostenvergoeding is voorts plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).\n\n5.19.3.. De Rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de Inspecteur tegen beter weten in heeft volgehouden dat het standpunt van belanghebbende omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn. Hierin heeft de Rechtbank een bijzondere omstandigheid gevonden om naar boven af te wijken van de in het Besluit geregelde forfaitaire proceskostenvergoeding door deze te verdubbelen. De Rechtbank heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Daarbij komt dat het dossier (interne) e-mails van de Inspecteur bevat die het standpunt van belanghebbende en de pleitbaarheid daarvan ondersteunen. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de bijzondere omstandigheid ook gevonden kan worden in de (negatieve) proceshouding van de Inspecteur. Het dossier bevat bijvoorbeeld ook (interne) e-mails van de Inspecteur die -begrijpelijkerwijs- als grievend worden ervaren door belanghebbende. Enige empathie op dit punt aan de zijde van de Inspecteur ontbreekt. De (negatieve) proceshouding laat zich bijvoorbeeld ook zien in de formalistische en starre opstelling van de Inspecteur met betrekking tot de formeelrechtelijke aspecten. Gelet op de (financiële) invloed van een belastingprocedure zoals deze op een belastingplichtige had een minder formalistische proceshouding van de Inspecteur voor de hand gelegen.\n\nHeeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase?\n\n5.20.. \n\nDe Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor de\n\nbezwaarfase heeft toegekend. De Inspecteur voert aan dat hij in de uitspraak op bezwaar\n\nbelanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Uit de\n\nprocesstukken blijkt volgens de Inspecteur niet dat het beroep van belanghebbende ook\n\nbetrekking heeft op deze afwijzing. De Rechtbank is dan ook buiten de rechtsstrijd getreden\n\ndoor toch een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase, aldus de\n\nInspecteur.\n\n5.21.. \n\nNiet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om een\n\nproceskostenvergoeding zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 7:15, lid 3, van de Awb.\n\nVerder heeft belanghebbende in het beroepschrift verzocht om: “veroordeling in de kosten\n\nvan het geding in alle instanties van verweerder.” Aangezien de Rechtbank (onder andere)\n\nheeft geoordeeld dat de Inspecteur de boetes ten onrechte heeft opgelegd, mocht zij een\n\nproceskostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Gelet op het verzoek van\n\nbelanghebbende is de Rechtbank, anders dan de Inspecteur meent, niet buiten de rechtsstrijd\n\ngetreden.\n\nSlotsom\n\n5.22.. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen zijn verminderd;\n\nbevestigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand worden gelaten.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra L.D.M.A Reijs\n\nDe beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:890","ecli-nl-ghdha-2026-890",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":49,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]