ECLI:NL:GHSHE:2026:1280
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/91
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 januari 2025, nummer BRE 23/11121, in het geding tussen de inspecteur en
V.O.F. [belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting opgelegd:
Tijdvak
Kenmerk
Naheffing
Verzuimboete
15 mei 2022 tot en met 14 mei 2023
[kenmerk 1]
€ 1.735
€ 1.735
15 mei 2023 tot en met 14 augustus 2023
[kenmerk 2]
€ 426
Tevens is bij beschikking een verzuimboete (hierna: de boetebeschikking) opgelegd.
1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de verzuimboete gegrond verklaard en deze verminderd naar € 867. De bezwaren tegen de naheffingsaanslagen zijn ongegrond verklaard
1.3..
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond verklaard en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.
1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende: [vennoot] (vennoot), [persoon] en de gemachtigde [gemachtigde] . Namens de inspecteur zijn verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1..
Belanghebbende was vanaf 15 mei 2018 tot en met 9 november 2023 houder van
een motorrijtuig van het merk en type Isuzu ATFS met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 13 april 2018 is de auto gekeurd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: de RDW) en in het kentekenregister in Nederland geregistreerd als opleggertrekker. Belanghebbende heeft motorrijtuigenbelasting betaald naar het bestelautotarief.
2.2.. Het dossier bevat een document ‘RDW voertuigbeeld’ met gegevens van de keuring van 13 april 2018. Dit document vermeldt onder meer:
“Soort motorrijtuig: BESTELAUTO
(…)
Type: BC (Opleggertrekker)”
2.3.. Op 2 mei 2023 is de auto naar aanleiding van een zichtwaarneming onderzocht. Bij de controle zijn foto’s gemaakt waarop te zien is dat op het chassis van de auto een laadbak zit. Ook is geconstateerd dat de auto niet voldeed aan de volgende fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto met een dubbele cabine:
40% eis: de lengte van de laadruimte is 150 cm. De lengte van de laadruimte die geplaatst is voor het hart van de achterste as is 47 cm en daarmee minder dan de minimaal vereiste 40% van 150 cm is 60 cm.
De lengte van de laadruimte voldoet niet aan de inrichtingseis. De hoogte van de cabine is 120 cm. De gemeten lengte van de laadruimte is 150 cm. Dit moet minimaal tweemaal 158 cm is 316 cm zijn, omdat de cabine geen hoogte heeft van ten minste 130 cm. In dat geval moet de lengte van de laadruimte ten minste twee keer de lengte zijn van de cabine.
2.4.. De inspecteur heeft de auto vervolgens fiscaal aangemerkt als een personenauto en het daarvoor geldende tarief voor de motorrijtuigenbelasting toegepast. Als gevolg daarvan zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking met dagtekening 20 juli 2023 opgelegd (zie hiervoor onder 1.1).
2.5.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde naheffingsaanslagen en de gegeven boetebeschikking. De inspecteur heeft de verzuimboete in de uitspraak op bezwaar verminderd met 50% van de nageheven motorrijtuigenbelasting vanwege een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De verzuimboete bedroeg na die vermindering € 867. Voor het overige heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen en de naheffingsaanslagen in stand gelaten.
2.6.. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 10 januari 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voorzover het ziet op de boetebeschikking en de boetebeschikking vernietigd. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Daarnaast heeft zij de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de verzuimboete, na vermindering in bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij draait het nog slechts om het antwoord op de vraag of aan de zijde van belanghebbende sprake is van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas).
3.2.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof het ingestelde hoger beroep in zaaknummer 25/92 ondubbelzinnig en zonder voorbehoud ingetrokken.
3.2.. De inspecteur concludeert tot handhaving van de boetebeschikking, met dien verstande dat de boetebeschikking verder gematigd moet worden tot een bedrag van € 433,75. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Vooraf en ambtshalve
4.1.. De inspecteur heeft ter zitting een e-mail van 17 april 2024 van de RDW aan de Belastingdienst overgelegd die gaat over de keuring en de vastlegging van de uitkomsten daarvan in het document ‘RDW voertuigbeeld’. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze overlegging en stelt dat zij geen navraag of onderzoek kan doen naar hetgeen in de e-mail staat. Naar aanleiding van vragen van het hof heeft de inspecteur niet duidelijk kunnen maken waarom hij dit stuk, waar hij gelet op de dagtekening van de e-mail al eerder over beschikte, niet eerder in de procedure heeft ingebracht.
4.2.. Het hof overweegt dat bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, een afweging moet plaatsvinden. Enerzijds is er het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang.
4.3.. Het hof erkent dat de inspecteur een belang heeft bij het overleggen van het stuk. Gelet op de gang van zaken is het hof echter van oordeel dat het algemeen belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt. De inspecteur had het stuk in een eerder stadium in het geding kunnen brengen en heeft geen redenen aangevoerd waarom dat niet is gebeurd. Het toelaten van dit stuk tot het geding zou meebrengen dat de andere partij de gelegenheid moet krijgen om daar inhoudelijk op te reageren. Dat zou een aanzienlijke vertraging opleveren. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich tegen overlegging van dit stuk verzet.
Ten aanzien van het geschil
4.4.. De inspecteur betoogt dat geen sprake is van avas en voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. De motorrijtuigenbelasting is een aangiftebelasting. Daarom rust op belanghebbende de plicht om te controleren of zij aangifte motorrijtuigenbelasting doet naar het juiste tarief. Hiervoor dient zij zich door de juiste fiscale instanties te laten informeren. In het bijzonder nu het complexe regelgeving betreft had belanghebbende zich extra inspanningen moeten getroosten om aan zijn verplichting te voldoen om voor de auto het juiste tarief te betalen. De inspecteur stelt dat belanghebbende dit niet heeft gedaan, daarom is geen sprake van de situatie dat belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dat het motorrijtuig door de RDW als opleggertrekker is gekwalificeerd, maakt het voorgaande niet anders. Die kwalificatie is gebaseerd op de toestand van het motorrijtuig zonder laadbak. Bij controle nadien is gebleken dat het motorrijtuig wel is voorzien van een laadbak en daarom geen opleggertrekker is, aldus nog steeds de inspecteur.
4.5.. Belanghebbende conformeert zich aan de conclusies van de uitspraak van de rechtbank, stelt dat sprake is van avas en voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. Belanghebbende heeft voldaan aan haar verplichting om informatie in te winnen. Zij heeft daartoe ten tijde van de aankoop zowel informatie ingewonnen bij de autodealer, als bij de RDW, als bij de Belastingdienst (website en telefoon). Daarnaast blijkt nergens uit dat de auto tijdens de RDW-keuring niet de huidige vorm had. Dat de bak tijdens de keuring mogelijk even verwijderd is om de onderliggende koppelschotel te controleren, wil niet zeggen dat deze bak niet door de RDW is gezien. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto eerst na de keuring is aangepast, aldus belanghebbende.
4.6.. Het hof neemt het volgende als uitgangspunt. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen.
4.7.. De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. De auto voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, maar niettemin is de motorrijtuigenbelasting naar het bestelautotarief aangegeven en betaald. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste en daarom niet van belang, noch de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient achterwege te blijven bij avas. In dat geval wordt belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest.Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen.Op belanghebbende rust de bewijslast om de relevante feiten en omstandigheden, die een geslaagd beroep op avas rechtvaardigen, te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.
4.8.. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van avas. Het hof overweegt daartoe het volgende.
4.9.. Belanghebbende stelt dat zij, in het kader van het verwerven van informatie voor het doen van de aangifte motorrijtuigenbelasting, heeft gebeld met de belastingtelefoon. De inspecteur weerspreekt gemotiveerd dat belanghebbende heeft gebeld met de belastingtelefoon en voert daartoe aan dat alle gesprekken met de belastingtelefoon worden geregistreerd. Het door belanghebbende genoemde telefoongesprek komt niet voor in de registratie van de belastingtelefoon, noch op naam van belanghebbende, noch op naam van een van de vennoten van belanghebbende. Belanghebbende heeft daarop haar stelling dat zij met de belastingtelefoon heeft gebeld niet onderbouwd met stukken of met een andere, verifieerbare onderbouwing. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in het kader van het doen van de aangifte motorrijtuigenbelasting ook daadwerkelijk met de belastingtelefoon heeft gebeld.
4.10.. Verder stelt belanghebbende zich voor het doen van de aangifte te hebben laten informeren door de autodealer, verwijst zij naar de gegevens van de RDW en naar raadpleging van de website van de Belastingdienst. De twee eerstgenoemde bronnen zijn ter zake van de motorrijtuigenbelasting geen bevoegde instanties. Ter zake van de stelling dat de website van de Belastingdienst is geraadpleegd, overweegt het hof dat dit door de inspecteur wordt betwist en dat niet concreet is geworden wat belanghebbende op de website van de Belastingdienst heeft opgezocht en hoe de betreffende informatie zich verhoudt tot de auto in kwestie. Niet is gebleken dat belanghebbende zich er op een andere manier van heeft vergewist dat zij een juiste aangifte motorijtuigenbelasting zou indienen. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan motorrijtuigenbelasting te voldoen. Er is dan ook geen sprake van avas.
4.11.. De inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de boete verder gematigd moet worden tot een bedrag van € 433,75. Het hof volgt dit standpunt. Van andere omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd, is het hof niet gebleken. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de boete aan belanghebbende terecht is opgelegd en bovendien, na matiging tot een bedrag van € 433,75, passend en geboden is.
Tussenconclusie
4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voorzover die ziet op de boetebeschikking;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar maar alleen voor zover die ziet op de boetebeschikking;
vermindert de boetebeschikking tot € 433,75.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, J.M. van der Vegt en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).
Artikel 3, lid 1, onderdeel d, Wet MRB.
Hoge Raad 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.
Artikel 37 Wet MRB in samenhang met artikel 67c, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2022, hierna: AWR).
Paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.