Skip to main content

ECLI:NL:GHSHE:2026:1433

Instanță

's-Hertogenbosch

Data

3 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Belastingrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

's-Hertogenbosch

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 23/1664

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 september 2023, nummer BRE 22/3004 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.. De inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3..

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, haar gemachtigde, [gemachtigde] , haar echtgenoot, [echtgenoot] , en haar zus, [zus] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1.. Belanghebbende is gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Gedurende het belastingjaar 2020 kwalificeren zij als elkaars fiscale partners.

2.2.. Belanghebbende heeft samen met haar echtgenoot twee kinderen, namelijk [kind 1] (geboren op [datum 1] 2006) en [kind 2] (geboren op [datum 2] 2008).

2.3.. De inspecteur heeft op 15 januari 2020 aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een te ontvangen bedrag van € 1.321. Deze is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende in 2020. Hierbij is verondersteld dat belanghebbende recht zou hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK).

2.4.. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn op 6 januari 2017 een overeenkomst voor de minnelijke schuldregeling aangegaan met de gemeente [gemeente] . Op 25 maart 2021 is dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.

2.5.. De teruggave op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 is aangewend ter aflossing van openstaande schulden onder het op dat moment van toepassing zijnde schuldhulpverleningstraject. Op het moment van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2020 was dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.

2.6.. Op 17 september 2021 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 19.557 en bestaat geheel uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

2.7.. De aanslag IB/PVV 2020 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.557. Tevens is bij beschikking € 25 belastingrente in rekening gebracht. Het te betalen bedrag van de aanslag IB/PVV 2020 bedraagt € 1.321 (exclusief belastingrente). Het te betalen bedrag is ontstaan doordat de inspecteur heeft vastgesteld dat niet belanghebbende, maar haar echtgenoot over 2020 recht heeft op de IACK.

2.8..

Met dagtekening 21 juli 2022 schrijft belanghebbende aan de rechtbank dat zij zich laat vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [gemachtigde] . De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Naar aanleiding van het door de belastingdienst genomen besluit op bezwaar van 10 mei 2022 inzake een bezwaar welke ongegrond is verklaard wensen wij, mevrouw [belanghebbende] en de heer [echtgenoot] , de heer [gemachtigde] te machtigen ons te vertegenwoordigen in deze beroepzaak.”

De brief is ondertekend door belanghebbende en haar echtgenoot en vermeld als verzendadres: ‘ [adres 1] [woonplaats] ’.

2.9.. In zijn brief van 19 augustus 2022 verzoekt de griffier van de rechtbank belanghebbende een schriftelijke machtiging te overleggen. Tevens verzoekt de griffier belanghebbende de adresgegevens te vermelden waar zij de verdere correspondentie wenst te ontvangen.

2.10..

In reactie op de brief van de griffier van de rechtbank schrijft belanghebbende bij brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank het volgende:

“Hierbij ontvangt u de volmacht om Dhr. [gemachtigde] , woonachtig aan [adres 2] te [plaats] , mij te vertegenwoordigen in de zaak met zaaknummer: BRE 22 / 3004 IB/PVV.

(…)

Alle correspondentie kunt u naar mijn huisadres sturen, te weten: [adres 1] te [woonplaats] .”

2.11..

De rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden. De begeleidende brief bij de uitspraak van de rechtbank vermeldt als geadresseerde:

“De heer [gemachtigde]

p/a

[adres 1]

[woonplaats] ”

2.12..

Bij brief van 24 november 2023, door het hof ontvangen op 28 november 2023, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Als gemachtigde heb ik op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak. Deze is op 27 september 2023 naar belanghebbende verzonden en naar hun woonadres. Aangezien ik als gemachtigde niet eerder heb kunnen reageren verzoek ik dit als een verschoonbare reden aan te merken. Deze uitspraak in beroep wordt hierbij betwist.”

3. Geschil en conclusies van partijen

3.1..

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

i) Is het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk?

ii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

iii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel?

iv) Dient de aanslag IB/PVV 2020 te worden verminderd op basis van de hardheidsclausule?

3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van het bedrag van € 1.321 aan IB/PVV en € 25 aan belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

i) Ontvankelijkheid hoger beroep

4.1.. Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk is.

4.2.. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn begint de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.De wet biedt daarnaast een tegemoetkoming voor die gevallen waarin een hoger beroep uiterlijk één week na deze termijn is ontvangen. Een dergelijk hoger beroep wordt toch geacht tijdig ingediend te zijn indien het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd.

4.3.. Het hoger beroep wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op grond van artikel 6:11 Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend als gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het hoger beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen.

4.4.. De rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende, per adres ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Dit geldt als de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Met deze bekendmaking gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep lopen.De hogerberoepstermijn is aangevangen op (donderdag) 28 september 2023 en eindigde op (woensdag) 8 november 2023. Het hogerberoepschrift is, gelet op de stempel voor ontvangst, op 28 november 2023 bij de griffie van het hof ontvangen. Dit is na afloop van de hogerberoepstermijn die, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, op 8 november 2023 is afgelopen en daarmee is het hogerberoepschrift te laat ingediend. De tegemoetkoming zoals omschreven onder 4.2 is niet van toepassing, aangezien dit stuk meer dan één week na 8 november 2023 is ontvangen.

4.5.. Belanghebbende betoogt dat haar gemachtigde pas op 20 november 2023 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak, nu deze op 27 september 2023 naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd. Naar de mening van belanghebbende is daarmee sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de uitspraak niet naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd, maar naar het postadres van de gemeente [woonplaats] . Vervolgens is de uitspraak door de gemeente [woonplaats] naar het woonadres van belanghebbende doorgestuurd. Hierdoor heeft belanghebbende, alsook haar gemachtigde, pas op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, aldus belanghebbende.

4.6.. Uit artikel 6:17 Awb volgt dat, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking moeten worden gesteld. Het hof stelt vast dat belanghebbende in haar brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank (zie 2.10) heeft verzocht om als correspondentieadres haar woonadres te hanteren, te weten, ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Het hof acht aannemelijk dat de rechtbank haar uitspraak, conform dit verzoek, heeft toegezonden naar dit adres. De begeleidende brief van de rechtbank vermeldt immers ‘ [adres 1] [woonplaats] ’ als toezendadres. Ook schrijft de gemachtigde van belanghebbende in het hogerberoepschrift dat de uitspraak ‘naar belanghebbende [is] verzonden en naar hun woonadres’ en heeft zij daarbij niet vermeld dat de uitspraak eerst naar de gemeente [woonplaats] is verzonden, terwijl belanghebbende in het hogerberoepschrift wel verzoekt om de te late indiening van het hogerberoepschrift als verschoonbaar aan te merken. Naar het oordeel van het hof had het dan op de weg van belanghebbende gelegen om in het hogerberoepschrift melding te maken van deze omstandigheid. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en ter zitting heeft verklaard, acht het hof daarom niet aannemelijk dat de uitspraak niet naar het juiste adres is verzonden.

4.7.. De rechtbank heeft door toezending van haar uitspraak aan het woonadres van belanghebbende (op 27 september 2023) voldaan aan de op haar rustende verplichtingen van artikel 6:17 Awb. Het gegeven dat de gemachtigde van belanghebbende pas later kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, komt voor risico van belanghebbende. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zelf, in reactie op het verzoek daartoe van de rechtbank, haar eigen woonadres als correspondentieadres heeft opgegeven. Ook heeft (de gemachtigde van) belanghebbende in alle overige correspondentie aan de rechtbank het woonadres van belanghebbende vermeld als verzendadres. De omstandigheid dat de gemachtigde pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend vormt daarom niet een gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.8.. Uit bovenstaande volgt dat het hogerberoepschrift van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank.

Tussenconclusie

4.9.. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5. Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De raadsheer,

R.J.M. de Fouw J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 6:24 Awb.

Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.

Artikel 6:9, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.

Artikel 6:9, lid 2, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.

Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.3.

Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.4.

Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.

Mai Multe Decizii