[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghshe-2026-574":3,"decision-more-ecli-nl-ghshe-2026-574":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1440","ECLI:NL:GHSHE:2026:574","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-03-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam Handelsrecht\n\nzaaknummer 200.340.807\u002F01\n\narrest van 3 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellante],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nhierna aan te duiden als [appellante] ,\n\nadvocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg aan de Geul,\n\ntegen\n\n [appellante] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep,\n\nappellante in incidenteel hoger beroep,\n\nhierna aan te duiden als [appellante] ,\n\nadvocaat: mr. R. Gijsen te Maastricht,\n\nop het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 januari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [appellante] als eiseres.\n\n1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 10578555 \\ CV EXPL 23-2699)\n\nVoor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.\n\n2. Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep\n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep;\n\nde door [appellante] genomen memorie van grieven in principaal hoger beroep met productie 1;\n\nde door [appellante] genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende een vermeerdering van eis, met producties A tot en met H;\n\nde door [appellante] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;\n\nde door [appellante] genomen akte met producties I en J;\n\nde door [appellante] genomen antwoordakte.\n\n [appellante] heeft vervolgens haar procesdossier overgelegd aan het hof, terwijl [appellante] geen procesdossier heeft overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof merkt daar het volgende bij op.\n\nVolgens blz. 1 onderaan van het proces-verbaal van de bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [appellante] daar melding gemaakt van door hem op 7 november 2023 ingediende stukken. De kantonrechter heeft toen opgemerkt dat die stukken niet in het dossier zitten, waarop de gemachtigde van [appellante] heeft meegedeeld dat de stukken door [appellante] zijn ingediend als conclusie van repliek terwijl geen gelegenheid was geboden voor het nemen van een conclusie van repliek. Uit onderdeel 1 van het vonnis blijkt niet dat deze stukken alsnog zijn toegelaten. Het hof gaat er daarom vanuit dat de betreffende stukken niet tot de gedingstukken van het geding bij de kantonrechter behoren. Naar het hof begrijpt, is de betreffende conclusie van repliek met producties 5 tot en met 21 wel overgelegd als productie B bij de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep. Van de genoemde producties 5 tot en met 21 ontbreekt in het aan het hof overgelegde exemplaar echter productie 19, zodat het hof op die productie geen acht heeft kunnen slaan.\n\nBovenaan blz. 2 van het proces-verbaal van de bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [appellante] melding gemaakt van een productie 18, waaruit nog bepaalde door [appellante] verrichte betalingen zouden blijken (over september 2023 en oktober 2023). De gemachtigde van [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het indienen van deze stukken. Uit onderdeel 1 van het vonnis blijkt echter niet dat de kantonrechter de stukken heeft toegelaten. Het hof heeft de stukken ook niet in het dossier aangetroffen, en daar dus geen acht op kunnen slaan.\n\n3. De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep\n\nDe vaststaande feiten en de kern van het geschil\n\n3.1.1.. Het gaat in dit hoger beroep naar de kern genomen om de vraag of [appellante] als huurster van een woning van [appellante] zodanig tekort geschoten is in de nakoming van haar betalingsverplichtingen, dat de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van de woning gerechtvaardigd was. Ook is de vraag aan de orde of [appellante] recht heeft op schadevergoeding vanwege gebrekkige oplevering van de woning door [appellante] bij de ontruiming van de woning.\n\n3.1.2.. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.\n\na. [appellante] is met ingang van 1 september 2015 van [appellante] de woning aan [adres] , gaan huren tegen een jaarlijks te indexeren huurprijs. Volgens artikel 4.5 van de huurovereenkomst diende de huur telkens voor de eerste van elke maand te worden voldaan.\n\nb. De huurprijs bedroeg met ingang van 1 januari 2022 € 890,-- per maand, met ingang van 1 januari 2023 € 930,-- per maand en met ingang van 1 januari 2024 € 970,-- per maand.\n\nc. In 2019 is ten aanzien van [appellante] een schuldhulpverleningstraject gestart, waarna de Gemeentelijke Kredietbank gedurende dertig maanden de huur namens [appellante] heeft betaald. Over de periode tot en met september 2022 is alle huur met tussenkomst van de bewindvoerder betaald. Het kredietbeheer is omstreeks oktober 2022 geëindigd. [appellante] heeft destijds de huur voor oktober 2022 niet betaald.\n\nd. Bij brief van 5 december 2022 heeft de vastgoedbeheerder van [appellante] , [xx] Vastgoedbeheer, aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:\n\n“Bij controle van onze administratie hebben wij geconstateerd dat u nog niet tot betaling van het onderstaande bent overgegaan. U bent daarmee in verzuim. De betalingstermijn is inmiddels ruim verstreken.\n\nHuur maand oktober 1 oktober 2022 € 890,--\n\nHuur maand november (gedeeltelijk) 1 november 2022 € 40,--\n\nHuur maand december 1 december 2022 € 40,--\n\nWij verzoeken u voor een laatste maal, het bovenstaande totaalbedrag alsnog binnen 14 dagen te voldoen (…).\n\nDe termijn van 14 dagen vangt aan de dag nadat deze brief bij u is bezorgd.\n\nMocht het verschuldigde binnen de gestelde termijn niet in ons bezit zijn, dan stellen wij u reeds nu voor alsdan- en voor zover nog nodig- in gebreke en delen wij u mede dat u direct na het verstrijken van deze termijn conform de wet incassokosten verschuldigd bent.\n\nHet bedrag van de incassokosten wordt verhoogd met de BTW daar wij de BTW niet kunnen verrekenen en op grond van de wet de BTW voor uw rekening zal komen.”\n\ne. [appellante] heeft de huur over de periode vanaf januari 2023 niet steeds correct betaald. Het hof zal bij de beoordeling van grief I in principaal hoger beroep nader ingaan op de vanaf 1 januari 2023 ter zake huur verrichtte betalingen.\n\nf. Tussen partijen heeft overleg plaatsgevonden over een betalingsregeling.\n\ng. Bij brief van 7 april 2023 heeft de toenmalig gemachtigde van [appellante] aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:\n\n“U heeft (…) voor onbepaalde tijd in huur als huurder gehuurd de gebouwde onroerende zaak, gelegen aan de [adres] , (…) met de bestemming van woonruimte.\n\nDeze huurovereenkomst wordt hierbij door mij aan U opgezegd, voor zoveel vereist\n\ntegen 30 mei 2023.\n\nDeze opzegging vindt plaats op de volgende grond(en):\n\nEinde overeenkomst in zake huurachterstand van meer dan 3 maanden, en opkomende kosten van buiten gerechtelijke aard en wettelijke rente;\n\nU reeds 96 maanden huurt van verhuurder en 41 maanden niet tijdig, te weinig, of niet betaald uw huurpenningen;\n\nU het gehuurde niet goed onderhoud, ondanks meerdere aanzeggingen:\n\nU de service medewerkers niet binnen laat ter onderhoud van het gehuurde, ondanks de vele afspraken daartoe;\n\nU reeds ten zoveelste maal een betalingsregeling niet bent nagekomen;\n\nU reeds meerdere malen te hebben aangegeven dat U een forse achterstand heeft in de huur penningen, zie brieven van [xx] vastgoedbeheer, en apps\u002Fmails van verhuurder;\n\nU thans verschuldigd bent het bedrag van € 2830,00 zijnde de huur maanden oktober 2022, februari 2023, maart 2023, te termijnen in november en december 2022 te weinig\n\novergemaakt;\n\n(…)\n\nIndien U het bedrag van de huurpenningen en achterstallige betalingen niet voldoet binnen 7 werkdagen na heden een gerechtelijke procedure zal worden geëntameerd ten einde U bij vonnis uit het gehuurde te laten zetten desnoods met behulp van de deurwaarder;\n\n(…)\n\nTe betalen achterstallig € 2830,00\n\nHuur april 2023 930,00\n\nTotaal € 3760.00\n\nIncasso kosten 501,00\n\nBTIW over incassokosten 21% 105,21\n\nTotaal te betalen € 4366,21”\n\n- h. [appellante] is niet akkoord gegaan met de huuropzegging.\n\nHet geding bij de kantonrechter\n\n3.2.1.. In het geding bij de kantonrechter vorderde [appellante] , samengevat en met een door het hof toegevoegde letteraanduiding:\n\nA. veroordeling van [appellante] tot betaling van € 3.438,21 aan achterstallige huur over de periode tot en met mei 2023, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 februari 2023;\n\nB. veroordeling van [appellante] tot betaling van € 930,-- per maand ter zake huur of gebruikersvergoeding vanaf mei 2023 tot het tijdstip van de ontruiming, waarbij een ingegane maand als hele maand moet worden gerekend;\n\nC. ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst;\n\nD. veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde met machtiging van [appellante] om, indien [appellante] daarmee in gebreke mocht blijven, de ontruiming zelf op kosten van [appellante] te doen uitvoeten;\n\nmet veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\nDe door [appellante] onder A gevorderde hoofdsom van € 3.438,21 bestaat uit € 4.690,-- aan achterstallige huur over de periode tot en met mei 2023, vermeerderd met € 501,-- exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten en € 105,21 aan btw over de buitengerechtelijke kosten, en vervolgens verminderd met het voor betekening van de dagvaarding nog betaalde bedrag van € 1.860,--.\n\n3.2.2.. \n\nAan deze vordering heeft [appellante] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.\n\n [appellante] is in meerdere opzichten toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door:\n\neen huurachterstand te laten ontstaan en de huur meermaals te laat te betalen;\n\nhet gehuurde niet goed te onderhouden;\n\nservicemedewerkers niet binnen te laten;\n\nbetalingsregelingen niet na te komen.\n\nDaarom is ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd.\n\n3.2.3.. \n [appellante] heeft erkend dat sprake is van een huurachterstand en dat zij de huur regelmatig te laat heeft betaald. Zij heeft echter de gestelde hoogte van de huurachterstand betwist en ook de overige gestelde tekortkomingen betwist.\n\n3.2.4.. In het geding bij de kantonrechter heeft op 21 november 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt.\n\n3.2.5.. In het beroepen vonnis van 17 januari 2024 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.\n\nTen tijde van de inleidende dagvaarding (hof: van 14 juni 2023) bedroeg de huurachterstand € 2.830,-- (€ 4.690,-- min € 1.860,--). Dat is iets meer dan drie maanden huur. Ten tijde van de mondelinge behandeling (hof: van 21 november 2023) bedroeg de huurachterstand € 2.580,--. Dat is iets minder dan drie maanden huur (rov. 4.1).\n\nDit betekent dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst (rov. 4.2).\n\nVolgens vaste rechtspraak kan een huurachterstand van drie maanden of meer een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. Dat de huurachterstand thans iets minder dan drie maanden bedraagt, brengt niet automatisch mee dat in dat geval de ontbinding en ontruiming zouden moeten worden afgewezen (rov. 4.3).\n\nEr is niet komen vast te staan dat [appellante] het gehuurde niet goed zou onderhouden en dat zij geen servicemedewerkers zou toelaten. Deze verwijten kunnen dus geen grondslag vormen voor ontbinding van de huurovereenkomst (rov. 4.4).\n\nEr is niet komen vast te staan dat [appellante] betalingsregelingen niet zou nakomen. Ook dit verwijt kan geen grondslag vormen voor ontbinding van de huurovereenkomst (rov. 4.5).\n\nEr is wel komen vast te staan dat [appellante] de huur veelal, stelselmatig, niet, onvoldoende of te laat betaalt (rov. 4.6).\n\nBeide tekortkomingen (een huurachterstand van bijna drie maanden en het voortdurend te laat betalen van de huur) zijn voldoende grondslag voor ontbinding van de huurovereenkomst en voor een veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde (rov. 4.7).\n\nDe kantonrechter zal [appellante] tevens veroordelen tot betaling van de in rov. 4.1 genoemde huurachterstand van € 2.580,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 14 juni 2023, en tot betaling van de huurtermijnen vanaf 1 november 2023 dan wel een gebruiksvergoeding ter hoogte van de maandelijkse huur (rov. 4.8).\n\nDe vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat [appellante] aan [appellante] een aanmaning heeft verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW (rov. 4.9).\n\n [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld (rov. 4.10).\n\nOp grond van deze oordelen heeft de kantonrechter:\n\nde huurovereenkomst tussen partijen ontbonden;\n\n [appellante] veroordeeld om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;\n\n [appellante] veroordeeld om aan [appellante] € 2.580,-- te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 juni 2023;\n\n [appellante] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 930,-- per maand ter zake huur of gebruiksvergoeding voor iedere maand die vanaf 1 november 2023 tot het tijdstip van de ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan.\n\nTot slot heeft de kantonrechter [appellante] in de proceskosten veroordeeld, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.\n\nGebeurtenissen na het beroepen vonnis\n\n3.3.. Na het wijzen van het beroepen vonnis heeft zich op hoofdlijnen nog het volgende voorgedaan (waarbij het hof de letteraanduiding uit rov. 3.1.2 van dit arrest vervolgt).\n\ni. [appellante] heeft het gehuurde in mei 2024 verlaten; volgens [appellante] per 14 mei 2024.\n\nj. Op 29 mei 2024 heeft [YY] Bouw aan [appellante] een prijsopgave ten bedrage van € 3.916,89 inclusief btw uitgebracht voor het verrichten van de in die prijsopgave opgesomde werkzaamheden in de woning en in de achtertuin.\n\nk. [YY] Bouw heeft aan [appellante] een factuur van 18 december 2024 ten bedrage van € 3.916,89 inclusief btw gezonden voor het verrichten van de betreffende werkzaamheden.\n\nl. [appellante] heeft deze factuur betaald op 14 december 2024.\n\nHet geding in principaal en incidenteel hoger beroep\n\n3.4.1.. \n [appellante] heeft in principaal hoger beroep drie grieven aangevoerd. Op basis van die grieven heeft [appellante] geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot:\n\nafwijzing alsnog van de vorderingen van [appellante] ;\n\nveroordeling van [appellante] om aan [appellante] alles terug te betalen dat [appellante] op grond van het beroepen vonnis aan [appellante] heeft betaald;\n\nmet veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\n3.4.2.. \n [appellante] heeft de grieven in principaal hoger beroep bestreden. [appellante] heeft voorts in incidenteel hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. [appellante] heeft daarnaast haar eis vermeerderd. Zij vordert nu, naast bekrachtiging van het beroepen vonnis, veroordeling van [appellante] tot betaling van:\n\n€ 3.770,-- aan achterstallige huur over de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024;\n\n€ 3.916,89 aan kosten van herstel van schade aan de woning;\n\n€ 156,70 voor het ontstoppen van een regenpijp van de woning;\n\n€ 606,21 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten.\n\nmet veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.4.3.. De eiswijziging heeft tijdig plaatsgevonden en is toelaatbaar. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.\n\n3.4.4.. \n [appellante] heeft de grieven in incidenteel hoger beroep en de gewijzigde eis bestreden. Zij heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot, kort gezegd, verwerping van de grieven in incidenteel hoger beroep en afwijzing van alle onderdelen van de eisvermeerdering, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.\n\nOver het belang van [appellante] bij het principaal hoger beroep\n\n3.5.1.. \n [appellante] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de vordering van [appellante] tot veroordeling van [appellante] om aan [appellante] alles terug te betalen dat [appellante] op grond van het beroepen vonnis aan [appellante] heeft betaald, neerkomt op een eis in reconventie die niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Volgens [appellante] brengt dat mee dat [appellante] geen belang heeft bij haar principaal hoger beroep en dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n3.5.2.. Het hof verwerpt dat betoog. De vordering van [appellante] tot veroordeling van [appellante] om aan [appellante] alles terug te betalen dat [appellante] op grond van het beroepen vonnis aan [appellante] heeft betaald, is geen eis in reconventie maar een toelaatbaar uitvloeisel van het door [appellante] ingestelde principaal hoger beroep. [appellante] heeft dus wel belang bij beoordeling van haar hoger beroep.\n\n3.5.3.. \n [appellante] heeft bovendien een belang bij beoordeling van haar grieven tegen de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde. Dat de ontruiming van de woning inmiddels heeft plaatsgevonden, neemt het belang bij beoordeling van de grieven niet weg. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellante] weliswaar een andere woning heeft kunnen huren maar dat zij heeft gesteld dat het gedwongen vertrek uit het gehuurde en de gedwongen verhuizing voor haar kosten hebben meegebracht.\n\nOver:\n\ngrief I in principaal hoger beroep: de hoogte van de huurachterstand\n\nhet onderdeel van de vermeerderde eis van [appellante] dat betrekking heeft op de huurachterstand\n\n3.6.1.. \n\nGrief I in principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurachterstand over de periode tot en met oktober 2023 ten tijde van de mondelinge behandeling van 21 november 2023 € 2.580,-- bedroeg.\n\nVolgens [appellante] is dat oordeel onbegrijpelijk gelet op de door [appellante] bij de conclusie van antwoord van 30 augustus 2023 overgelegde betaalbewijzen en gelet op het feit dat volgens het proces-verbaal van de bij de kantonrechter op 21 november 2023 gehouden mondelinge behandeling ook de maanden september en oktober 2023 al waren betaald (blz. 2 bovenaan van het proces-verbaal).\n\n3.6.2.. \n [appellante] heeft in (incidenteel) hoger beroep haar vordering met betrekking tot de achterstallige huur vermeerderd, althans gewijzigd. Zij vordert nu ter zake achterstallige huur over de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024 een totaalbedrag van € 3.770,--. In bijlage A bij de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende de eisvermeerdering, heeft [appellante] uiteengezet hoe zij tot dat bedrag is gekomen.\n\n3.6.3.. Naar het hof begrijpt komt deze gewijzigde eis in de plaats van de door de kantonrechter uitgesproken veroordeling van [appellante] :\n\nom aan [appellante] € 2.580,-- te voldoen ter zake achterstallige huur over de periode van oktober 2022 tot en met oktober 2023;\n\nom aan [appellante] van € 930,-- per maand te voldoen ter zake huur of gebruiksvergoeding voor iedere maand die vanaf 1 november 2023 tot het tijdstip van de ontruiming mocht verstrijken of zijn ingegaan. Inmiddels staat vast dat het gehuurde in mei 2024 is ontruimd zodat de gebruiksvergoeding (volgens het in zoverre onbestreden oordeel van de kantonrechter) verschuldigd is tot en met mei 2024.\n\n3.6.4.. Deze vordering houdt een vermeerdering van eis in ten aanzien van de maanden januari 2024 tot en met mei 2024. Waar [appellante] in het geding bij de kantonrechter een bedrag van € 930,-- per maand vorderde ter zake huur of gebruikersvergoeding vanaf mei 2023 tot het tijdstip van de ontruiming, vordert zij ten aanzien van de maanden januari 2024 tot en met mei 2024 nu een (verder) geïndexeerd bedrag van € 970,-- per maand. [appellante] heeft niet betwist dat zij over de periode vanaf 1 januari 2024 het geïndexeerde bedrag verschuldigd is. Uit de door haar als productie 1 bij de memorie van grieven overgelegde betaalbewijzen blijkt dat zij zelf over de maanden januari 2024 tot en met april 2024 het geïndexeerde bedrag van € 970,-- heeft betaald. Het hof zal er dus van uitgaan dat het door [appellante] over de maanden januari tot en met mei 2024 verschuldigde bedrag € 970,-- per maand bedraagt.\n\n3.7.1.. Het hof moet nu naar aanleiding van grief I in principaal hoger beroep en naar aanleiding van de vermeerderde eis een oordeel geven over de hoogte van de huurachterstand ten tijde van de mondelinge behandeling (hetgeen van belang kan zijn voor de beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst) en over de hoogte van de huurachterstand per eind mei 2024. Het hof stelt daarbij voorop dat alle huurpenningen over de periode tot en met september 2022 volledig zijn betaald. Dat is tussen partijen niet in geschil. Aan de orde is de vraag hoe de huurachterstand zich in de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024 heeft ontwikkeld. Het hof herhaalt voor de goede orde dat de huurbetalingsverplichting:\n\nmet ingang van 1 januari 2022 € 890,-- per maand bedroeg;\n\nmet ingang van 1 januari 2023 € 930,-- per maand bedroeg;\n\nmet ingang van 1 januari 2024 € 970,-- per maand bedroeg.\n\n3.7.2.. Bij de beantwoording van de vraag hoe de huurachterstand zich heeft ontwikkeld, en meer in het bijzonder de vraag hoe hoog de huurachterstand was op de hierna in rov. 3.7.7 te noemen tijdstippen A en B, is van belang dat de huur volgens de huurovereenkomst vooruit moest worden betaald. Ook de kantonrechter heeft in rov. 4.1 van het vonnis geoordeeld dat de huur bij vooruitbetaling verschuldigd is. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] dat in hoger beroep onvoldoende betwist. Dat hierover andere afspraken zijn gemaakt, is uit de stellingen van [appellante] niet af te leiden. Voor zover het al zo zou zijn dat [appellante] aan [appellante] af en toe enig uitstel van betaling heeft gegund door niet direct tot betaling te sommeren als niet vóór de eerste van de maand was betaald, kan daaruit niet worden afgeleid dat [appellante] haar recht op vooruitbetaling van de huur heeft prijsgegeven. Het hof ziet daarom geen aanleiding om [appellante] op dit punt tot bewijs toe te laten.\n\n3.7.3.. \n\n [appellante] heeft als productie 2 bij de conclusie van antwoord een aantal bankoverschrijvingen overgelegd waaruit de volgende betalingen van [appellante] aan [appellante] (verricht vóór het nemen van de conclusie van antwoord) blijken:\n\nDatum betaling Bedrag Omschrijving\n\n26 november 2022 € 850,-- huur nov 2022\n\n20 december 2022 € 850,-- huur dec 2022\n\n23 januari 2023 € 920,-- huur jan 23\n\n24 januari 2023 € 10,-- restant huur jan 2023\n\n23 maart 2023 € 930,-- huur maart 2023\n\n20 april 2023 € 930,-- huur april\n\n23 mei 2023 € 930,-- huur 2023\n\n23 juni 2023 € 930,-- huur\n\n21 juli 2023 € 930,-- huur Aug\n\n21 juli 2023 € 100,-- achterstand huur oktober 2022\n\nVerder blijken uit die bankafschrijvingen de volgende betalingen van [appellante] (kennelijk in mindering op de huur over oktober 2022) aan de door [appellante] ingeschakelde deurwaarder\n\nDatum betaling Bedrag Omschrijving\n\n1 maart 2023 € 100,-- (hier is een uitgebreid nummer weergegeven)\n\n2 april 2023 € 100,-- (hier is een uitgebreid nummer weergegeven)\n\n3.7.4.. \n\n [appellante] heeft als productie 1 bij de memorie van grieven in principaal hoger beroep een aantal bankafschriften overgelegd waaruit de volgende betalingen van [appellante] aan [appellante] (op één na verricht na de op 21 november 2023 bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling) blijken:\n\nDatum betaling Bedrag Omschrijving\n\n20 november 2023 € 50,-- betalingsregeling bedrag nov\n\n23 november 2023 € 930,-- huur dec\n\n18 december 2023 € 930,-- huur Jan 2024\n\n27 december 2023 € 50,-- regeling bedrag\n\n22 januari 2024 € 90,-- restant Huur Jan 24 + restant aflossing\n\n23 januari 2024 € 970,-- huur februari 24\n\n23 januari 2024 € 100,-- betalings regeling\n\n20 februari 2024 € 500,-- regeling bedrag\n\n23 februari 2024 € 970,-- huur maart 2024\n\n22 maart 2024 € 500,-- betalings regeling\n\n29 maart 2024 € 970,-- huur april 2024\n\n3.7.5.. Ter zake de periode tussen de conclusie van antwoord en de bij de kantonrechter gehouden mondelinge behandeling heeft [appellante] (afgezien van het bankafschrift van 20 november 2023) geen bankafschriften overgelegd. Bovenaan bladzijde 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2023 is echter als mededeling van de gemachtigde van [appellante] vermeld dat de maanden september en oktober (hof: kennelijk van 2023) volledig betaald zijn. Dienovereenkomstig staat in de derde volzin van rov. 4.1 van het beroepen vonnis onder meer: “Op het moment van de mondelinge behandeling was de huur over september en oktober betaald, (…)”. [appellante] heeft zich hier op beroepen in de toelichting op grief I in principaal hoger.\n\n3.7.6.. \n [appellante] heeft daarover echter een ander standpunt ingenomen. Zij beroept zich op een door haar in hoger beroep als productie A overgelegd overzicht van de door [appellante] in de periode van oktober 2022 tot en met mei 2024 verschuldigde huur en van de in mindering daarop door [appellante] verrichte betalingen. Op dat overzicht staan, naast de betalingen waarvan [appellante] bankafschriften heeft overgelegd:\n\neen door [appellante] aan de maand augustus 2023 toegerekende betaling van 29 augustus 2023 met als omschrijving “huur september (correctie in uitleg). huur altijd vooruit betaald.”;\n\neen betaling van 2 april 2024 van € 290,-- met als omschrijving “restant achterstand huur voldaan”;\n\neen betaling van 22 juli 2024 van € 50,-- met als omschrijving “afbetaling”.\n\nHet hof constateert dat de betaling van € 930,-- die [appellante] op 21 juli 2023 heeft gedaan onder vermelding van “huur Aug”door [appellante] kennelijk is toegerekend aan de op dat moment nog onbetaalde maand juli 2023, hetgeen het hof vooralsnog verdedigbaar acht. Dat brengt naar het voorlopig oordeel van het hof mee dat [appellante] de betaling van 29 augustus 2023 heeft mogen toerekenen aan de maand augustus 2023, die op dat moment immers nog onbetaald was.\n\n3.7.7.. \n\nHet hof zal de zaak naar de rol verwijzen om beide partijen in de gelegenheid te stellen gelijktijdig een akte te nemen.\n\n [appellante] moet bij de door haar te nemen akte de bankafschriften overleggen van de door haar aan [appellante] gedane betalingen in de periode vanaf 21 juli 2023 (de datum van het laatste afschrift dat zij bij de conclusie van antwoord heeft overgelegd) tot 20 november 2023 (de datum van het eerste afschrift dat zij bij de memorie van grieven heeft overgelegd). Meer in het bijzonder dient [appellante] afschriften over te leggen van de door haar gestelde huurbetalingen over de maanden september 2023 en oktober 2023, en zo mogelijk november 2023, als zij meent dat die maand al vóór 20 november 2023 is betaald.\n\n [appellante] moet hierbij tevens duidelijke berekeningen overleggen waaruit blijkt hoe hoog volgens haar de huurachterstand was:\n\nA. ten tijde van de inleidende dagvaarding van 14 juni 2023;\n\nB. ten tijde van de mondelinge behandeling van 21 november 2023;\n\nC. ten tijde van het verlaten van de woning door [appellante] medio mei 2024;\n\neen en ander uitgaande van de verplichting om de huur vóór de eerste van de betreffende maand te betalen.\n\n [appellante] moet bij de door haar te nemen akte eveneens duidelijke berekeningen overleggen waaruit blijkt hoe hoog volgens haar de huurachterstand was:\n\nA. ten tijde van de inleidende dagvaarding van 14 juni 2023;\n\nB. ten tijde van de mondelinge behandeling van 21 november 2023;\n\nC. ten tijde van het verlaten van de woning door [appellante] medio mei 2024;\n\neen en ander uitgaande van de verplichting om de huur vóór de eerste van de betreffende maand te betalen.\n\nDe onder C bedoelde achterstand is van belang voor het bedrag dat het hof in hoger beroep ter zake huurachterstand moet toewijzen. De onder A en B bedoelde huurachterstanden kunnen van belang zij bij de naar aanleiding van grief III in principaal hoger beroep te verrichten beoordeling of de huurovereenkomst terecht door de kantonrechter is ontbonden.\n\n3.7.8.. De partijen zullen daarna, eveneens gelijktijdig, gelegenheid krijgen om bij antwoordakte op elkaars akte te reageren.\n\n3.7.9.. Het hof zal elk verder oordeel over grief I in principaal hoger beroep nu aanhouden.\n\nOver:\n\ngrief II in principaal hoger beroep: stelselmatig onvoldoende of te laat betalen?\n\ngrief II in incidenteel hoger beroep: niet nakomen gesloten betalingsregelingen?\n\n3.8.1.. \n\nGrief II in principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] veelal, stelselmatig, de huur niet, onvoldoende of te laat betaalt.\n\nGrief II in incidenteel hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet gebleken is dat [appellante] betalingsregelingen niet is nagekomen.\n\n3.8.2.. Het hof zal elk oordeel over deze grieven aanhouden tot na de aktewisseling van partijen.\n\nOver grief I in incidenteel hoger beroep: heeft [appellante] het gehuurde niet goed onderhouden en heeft [appellante] servicemedewerkers toegang tot het gehuurde geweigerd?\n\n3.9.1.. Grief I in incidenteel hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat [appellante] :\n\nhet gehuurde niet goed heeft onderhouden;\n\nservicemedewerkers toegang tot het gehuurde heeft geweigerd.\n\n3.9.2.. Het hof zal elk oordeel over deze grief aanhouden tot na de aktewisseling van partijen.\n\nOver grief III in principaal hoger beroep: was de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [appellante] tot ontruiming van de woning vanwege de tekortkomingen in de nakoming van de betalingsverplichtingen gerechtvaardigd?\n\n3.10.1.. Grief III in principaal hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellante] tot ontruiming van de woning gerechtvaardigd was vanwege de tekortkomingen van [appellante] in de nakoming van de betalingsverplichtingen.\n\n3.10.2.. Het hof zal elk oordeel over deze grief aanhouden tot na de aktewisseling van partijen.\n\nOver het onderdeel van de vermeerderde eis van [appellante] dat betrekking heeft op de kosten van het ontstoppen van een regenpijp\n\n3.11.1.. Als onderdeel van de vermeerderde eis vordert [appellante] veroordeling van [appellante] tot betaling van € 156,70 voor de kosten van het ontstoppen van een regenpijp. Ter onderbouwing van die vordering heeft [appellante] verwezen naar een factuur van 30 september 2023 ten bedrage van € 156,70, waarop als omschrijving onder meer is vermeld “Hoge Waterdruk werkzaamheden” en “Voorrijkosten”.\n\n3.11.2.. Gelet op de factuurdatum gaat het hof er vanuit dat dit werkzaamheden zijn die ruim vóór de oplevering van mei 2024 zijn verricht. Het hof begrijpt uit punt 34 van de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en productie 17 daarbij, dat deze vordering berust op een verwijt van [appellante] dat [appellante] ervoor heeft gezorgd, althans toegestaan dat er stenen in de afwaterregenpijp terecht zijn gekomen, althans ervoor heeft gezorgd c.q. heeft toegestaan dat de bladvanger aan de bovenzijde van de regenpijp is verwijderd, waardoor stenen toegang hadden tot de regenpijp, zodat de afwatering niet meer plaatsvond en er wateroverlast ontstond.\n\n3.11.3.. \n [appellante] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij veroorzaakt heeft dat er stenen in de regenpijp terecht zijn gekomen. Volgens haar kunnen de gestelde ontstoppingskosten niet bij haar in rekening worden gebracht.\n\n3.11.4.. \n [appellante] heeft slechts in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van haar stellingen en dat dan “meer in het bijzonder door het overleggen van de aan deze memorie gehechte bijlagen.”Het hof constateert dat een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod met betrekking tot de kwestie van de verstopping van de regenpijp ontbreekt. Het hof concludeert daarom dat niet is komen vast te staan dat [appellante] verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van de verstopping van de regenpijp. Het hof zal dit onderdeel van de vermeerderde eis daarom afwijzen.\n\nOver het onderdeel van de vermeerderde eis van [appellante] dat betrekking heeft op schade geconstateerd bij oplevering van het gehuurde\n\n3.12.1.. Als onderdeel van de vermeerderde eis vordert [appellante] veroordeling van [appellante] tot betaling van € 3.916,89 ter zake schade aan het gehuurde, geconstateerd bij de oplevering van het gehuurde in mei 2024.\n\n3.12.2.. Het hof zal elk oordeel over dit onderdeel van de vermeerderde eis aanhouden tot na de aktewisseling van partijen.\n\nOver:\n\ngrief III in incidenteel hoger beroep: de vordering van [appellante] ter zake buitengerechtelijke incassokosten\n\nhet onderdeel van de vermeerderde eis van [appellante] dat betrekking heeft op buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.13.. Het hof zal elk oordeel aanhouden over:\n\ngrief III in incidenteel hoger beroep: de vordering van [appellante] ter zake buitengerechtelijke incassokosten;\n\nhet onderdeel van de vermeerderde eis van [appellante] dat betrekking heeft op buitengerechtelijke incassokosten.\n\nTussenconclusie\n\n3.14.1.. Uit het voorgaande volgt dat de zaak nu naar de rol moet worden verwezen voor een akte, door beide partijen gelijktijdig te nemen, met de hiervoor in rov. 3.7.7 omschreven doeleinden. De akten zijn niet voor enig ander doel bestemd.\n\n3.14.2.. De partijen zullen daarna de gelegenheid krijgen om, gelijktijdig, bij antwoordakte op elkaars akte te reageren.\n\n3.14.3.. Het hof zal elk verder oordeel nu aanhouden.\n\n4. De uitspraak\n\nHet hof:\n\nverwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2026 voor een akte aan de zijde van beide partijen, gelijktijdig te nemen, met de hiervoor in rov. 3.7.7 omschreven doeleinden (waarna partijen de gelegenheid zullen krijgen om gelijktijdig bij antwoordakte op elkaars akte te reageren);\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2026.\n\n griffier rolraadsheer","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:574","ecli-nl-ghshe-2026-574",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]