[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghshe-2026-881":3,"decision-more-ecli-nl-ghshe-2026-881":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"731","ECLI:NL:GHSHE:2026:881","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-04-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F523 tot en met 24\u002F526\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2024, nummers BRE 22\u002F3908 tot en met 22\u002F3911, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd (hierna gezamenlijk: de navorderingsaanslagen). Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en zijn voor de IB\u002FPVV bij beschikkingen boeten opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, IB\u002FPVV 2015 en Zvw 2015 en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw 2014 ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen: [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. In februari 2014 is door onder meer de Duitse justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van berichten over matchfixing en het gokken op voetbalwedstrijden. Volgens de Duitse justitie was een van de hoofdrolspelers daarin [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Bij nader onderzoek door de FIOD naar [naam 1] is onder meer belanghebbende als verdachte naar voren gekomen. Op 7 april 2014 heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven de communicatie via de mobiele telefoon van belanghebbende op te nemen voor een periode van maximaal twee weken. Uit die opnames bleek dat belanghebbende bijna dagelijks contact had met [naam 1] en door middel van sms-berichten weddenschappen aannam en wegzette bij [naam 1] .\n\n2.2.. Belanghebbende is op 15 februari 2015 gearresteerd. Het dossier bevat verslagen van de verhoren van belanghebbende die zijn afgenomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In die verslagen staat onder meer, verkort weergegeven, dat belanghebbende heeft verklaard dat hij de quoteringen voor de weddenschappen kreeg van [naam 1] en dat hij vervolgens ongeveer 12 of 13 personen daarover per sms informeerde, dat als spelers verloren de winst 50\u002F50 werd verdeeld tussen hem en [naam 1] en dat hij en [naam 1] zich soms zelf – al dan niet gezamenlijk – indekten tegen verlies door een aangenomen weddenschap zelf weer weg te zetten tegen een hogere quotering. De inleg van de spelers ging altijd contant. Belanghebbende betaalde de weddenschappen ook contant uit. Het aandeel van [naam 1] in de gemaakte winsten betaalde hij ook in contanten. Het wedden per sms vond plaats in alle weken dat er gevoetbald werd, dus niet in de zomer- en winterstop, maar wel als er dan een WK of EK was, aldus belanghebbende. Belanghebbende gokte ook veel zelf. Zijn inkomsten bestonden uit niets anders dan gokken.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 geen inkomsten uit het organiseren van weddenschappen aangegeven. Wel heeft hij aangegeven een bedrag aan loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] BV ( [bedrijf 1] ) van € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015, met daarop ingehouden bedragen aan loonheffing van € 12.961 respectievelijk € 964. De aanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor deze jaren zijn opgelegd conform de aangiften.\n\n2.4.. De aandelen in [bedrijf 1] waren eigendom van [bedrijf 2] BV, waarvan [naam 2] alle aandelen hield. [bedrijf 1] heeft auto’s geleased voor belanghebbende: in 2014 Audi’s en in 2015 een Porsche. Vast staat dat belanghebbende nooit bij [bedrijf 1] in dienstbetrekking is geweest maar dat sprake was van een schijndienstbetrekking en dat belanghebbende de bedragen aan ingehouden en afgedragen loonheffing en de kosten van de auto’s zelf heeft betaald. Aan de Audi-dealer is voor de auto’s in 2014 € 10.928,02 en in 2015 € 2.613,81 door hetzij belanghebbende, hetzij [bedrijf 1] betaald. Uit een onderzoek bij de Porsche-dealer is gebleken dat door [bedrijf 2] BV in 2014 een bedrag van € 5.000 en in 2015 een bedrag van € 39.840 voor de aanschaf van de Porsche is betaald.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft in november 2014 in drie tranches een bedrag van € 72.000 in contanten gestort bij [Casino] . Bij de melding ongebruikelijke financiële transacties door [Casino] is aangetekend dat niet bekend is of belanghebbende heeft gespeeld.\n\n2.6.. De FIOD heeft aan de hand van de in de periode 7 tot en met 14 april 2014 (acht dagen) opgenomen sms-berichten van belanghebbende een overzicht gemaakt van de in die periode door hem afgesloten weddenschappen en de resultaten daarvan. Dat resulteert in een totale inzet van € 43.310 en een totaal uit te keren bedrag van € 31.604, en dus in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft het door belanghebbende genoten voordeel uit de weddenschappen voor 2014 berekend op 50 procent van 42 weken (38 weken en vier weken WK) maal € 11.706 = € 241.626, en voor 2015 op 50 procent van zes speelweken maal € 11.706 = € 34.518. Die bedragen zijn bij de navorderingsaanslagen belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen is geen loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] in aanmerking genomen en is de ingehouden loonheffing niet verrekend.\n\n2.7.. Bij onherroepelijke uitspraak van 19 februari 2024 van het gerechtshof Den Haag is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, met (onder meer) [naam 1] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het zonder vergunning gelegenheid bieden tot deelname aan kansspelen en belastingfraude, en wegens valsheid in geschrifte. De belastingfraude betreft het niet aangeven en voldoen van kansspelbelasting. De valsheid in geschrifte betreft de schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] .\n\n2.8.. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 572.012. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 237.638 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.574. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 138.969 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 58.512. De navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2014 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 51.414. Het bezwaar tegen deze aanslag is ongegrond verklaard.\n\n2.9.. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.062. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.594. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 15.064 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 4.939. De navorderingsaanslag premie Zvw over het jaar 2015 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 48.762. Na bezwaar is de aanslag verminderd tot een naar een bijdrage-inkomen van € 34.518.\n\n2.10.. Bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn vergrijpboeten opgelegd van 50 procent van de nagevorderde belasting wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De boete voor het jaar 2014 is aangekondigd bij brief van 12 mei 2020. De boete voor het jaar 2015 is aangekondigd bij brief van 17 september 2021.\n\n2.11.. \n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nHet dictum van de uitspraak van de rechtbank luidt:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond voor zover het de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 betreft;\n\n- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 tot een naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van deze aanslag;\n\n- vermindert de boeten tot € 49.735 voor het jaar 2014 en € 4.445 voor het jaar 2015.\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.810;\n\n- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 190;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750 te betalen op een bankrekening op naam van gemachtigde; en\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vragen of de inspecteur bij het doen van uitspraken op bezwaar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden en of de navorderingsaanslagen, renten en boeten, al dan niet na vermindering, te hoog zijn. Met betrekking tot het laatste is in het bijzonder in geschil of:\n\nDe inspecteur in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast een redelijke schatting heeft gemaakt; en\n\nBelanghebbende heeft aangetoond dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld.\n\nTer zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn stellingen over schending van het ne-bis-in-idem-beginsel en het una-via-beginsel en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over het jaar 2014 ingetrokken.\n\nVerder is niet (meer) in geschil dat is voldaan aan de vereisten om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, vernietiging van de boeten en vergoeding van proceskosten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nSchending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraken op bezwaar zijn gebaseerd op onjuiste feiten, dat deze onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en heeft de verkeerde vaststelling van de feiten door de inspecteur gevolgd zonder afdoende motivering, aldus belanghebbende.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij met de hiervoor genoemde stellingen heeft willen betogen dat sprake is van schending van zowel het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van het hof zijn deze beginselen niet geschonden. De uitspraken op bezwaar zijn voldoende gemotiveerd, aangezien de bezwaargronden van belanghebbende door de inspecteur worden benoemd en gemotiveerd worden weerlegd. Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de inhoudelijke oordelen die enerzijds zijn neergelegd in de uitspraken op bezwaar en anderzijds in de uitspraak van de rechtbank, alsmede de feiten waarop die oordelen zijn gebaseerd, onjuist zijn, brengt dit niet zonder meer met zich dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Tegen deze inhoudelijke oordelen en feitenvaststellingen staan rechtsmiddelen open die belanghebbende als zodanig ook heeft gebruikt. Voor zover belanghebbende heeft gemeend dat sprake is van een schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, oordeelt het hof dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit de schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aannemelijk wordt.\n\nToepassing omkering en verzwaring van de bewijslast: redelijke schatting en hoogte aanslagen\n\n4.3.. Niet in geschil is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR en dat daardoor omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast. Dit laat onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen heeft moeten uitgaan van een redelijke schatting.\n\n4.4.. \n\nIn het kader van deze redelijke schatting heeft belanghebbende gesteld dat de winstverdeling die door de inspecteur is toegepast tussen belanghebbende en [naam 1] onjuist is. Volgens belanghebbende droeg hij minder risico dan door de inspecteur is aangenomen, waardoor hem ook minder winst toekwam.\n\nDaarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de extrapolatie die de inspecteur heeft toegepast voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning onjuist dan wel onnauwkeurig is. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat de periode die als maatstaf voor extrapolatie is genomen, namelijk 7 tot en met 14 april 2014, niet representatief is. In die periode zijn er namelijk veel wedstrijden, die ook nog eens belangrijk en zelfs beslissend zijn, waardoor het gebruikelijk is dat er in die periode meer is gegokt. Daar komt bij dat de genoemde periode bestaat uit acht dagen, terwijl een week uit zeven dagen bestaat. De aan die periode toegerekende winst is dan ook te hoog vastgesteld om als weekwinst te dienen en zou daarvoor met 12,5% moeten worden verlaagd.\n\nTen slotte heeft belanghebbende betoogd dat bij de redelijke schatting geen of onvoldoende rekening is gehouden met het reeds in de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.\n\n4.5.. \n\nDe inspecteur heeft gesteld dat hetgeen belanghebbende aanvoert over de winstverdeling niet geloofwaardig is, onder meer omdat het in tegenspraak is met meerdere verklaringen van belanghebbende tijdens het strafrechtelijk proces, maar ook omdat het niet in overeenstemming is met het uitgavenpatroon van belanghebbende.\n\nDaarnaast heeft de inspecteur ten aanzien van de toegepaste extrapolatie gesteld dat deze juist is, dat hij de stellingen van belanghebbende op dit punt betwist en dat hij het eens is met de uitspraak van de rechtbank. Meer in het bijzonder heeft de inspecteur gesteld dat de periode van 7 tot en met 14 april 2014 weliswaar acht dagen omvat, maar dat dit een zogeheten speelweek betreft en geen week zoals in het normale spraakgebruik.\n\nTen aanzien van het in de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen heeft de inspecteur gesteld dat dit reeds (voldoende) is verdisconteerd in de redelijke schatting.\n\n4.6.. Het hof dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het bedrag van de navorderingsaanslagen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is.Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng.Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.\n\n4.7.. Ten aanzien van de winstverdeling van 50\u002F50 die is toegepast door de inspecteur is het hof van oordeel dat deze redelijk is. Weliswaar heeft belanghebbende betoogd dat hem een kleiner winstaandeel toekwam, maar hij heeft hiervoor, zoals ook door gemachtigde ter zitting erkend, geen feitelijk bewijs aangedragen. De verklaringen ter zitting van gemachtigde dat hij weet hoe het eraan toegaat in de gokindustrie en dat zijn stellingen in lijn liggen met die ervaringen vormen geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de redelijkheid van de door de inspecteur toegepaste schatting. Dit te meer omdat belanghebbende zelf tijdens verhoren in het kader van het strafrechtelijk onderzoek diverse malen heeft verklaard dat hij alles samen deed met [naam 1] en dat “de winst 50\u002F50 ging”.\n\n4.8.. Met betrekking tot de representativiteit van de periode die voor extrapolatie is gebruikt, heeft belanghebbende gesteld dat het gebruikelijk is dat in die periode meer wordt gegokt dan in andere perioden. Belanghebbende heeft dit slechts als blote stelling geponeerd en dit geeft daarom geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de redelijkheid van de schatting.\n\n4.9.. In het kader van de duur van de voor de extrapolatie gebruikte periode, namelijk acht dagen, heeft de inspecteur erkend dat dit geen week betreft zoals in het normale spraakgebruik (hierna: een normale week), maar dat het gaat om een zogeheten speelweek. Hij verwijst hiervoor naar een document dat in het dossier zit, met als titel ‘Overzicht vermoedelijke gok-inzetten per sms bij [belanghebbende] – 7 t\u002Fm 15 april 2014’. Uit dit document volgt dat in die periode in totaal € 43.310 is ingezet bij belanghebbende en in totaal € 31.604 is uitgekeerd aan de deelnemers, wat resulteert in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft voor 2014 50 procent van deze winst voor 42 weken (38 weken en vier weken WK) toegerekend aan belanghebbende en voor 2015 50 procent van zes weken. In hoeverre een speelweek afwijkt van een normale week en hoe deze afwijkingen in de extrapolatie zijn meegenomen en verwerkt, heeft de inspecteur desgevraagd ter zitting niet kunnen verklaren. Daarbij merkt het hof onder meer op dat in het hiervoor aangehaalde overzicht bepaalde voetbalclubs meerdere malen zijn vermeld in dezelfde speelweek en dat er voetbalcompetities uit meerdere landen op staan vermeld. Het lijkt er dan ook op dat dit geen afgeronde speelronde is, maar dat het juist een willekeurige periode betreft van acht dagen. Aangezien de inspecteur de redelijke schatting op dit punt niet met feitelijke stellingen heeft onderbouwd en niet duidelijk is wat de aanknopingspunten in dit kader zijn geweest, is de schatting naar het oordeel van het hof op dit punt niet redelijk. Het hof zal daarom, zoals ook betoogd door belanghebbende, de winst na extrapolatie met 1\u002F8ste deel, zijnde 12,5%, verminderen.\n\n4.10.. Belanghebbende heeft voorts betoogd dat de inspecteur bij het maken van de schatting geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het reeds door belanghebbende aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.\n\n4.11.. Het hof overweegt hierover het volgende. In het kader van zijn schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] heeft belanghebbende € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015 als loon uit dienstbetrekking aangegeven. Uit de zelf door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV voor die jaren leidt het hof af dat het gaat om bedragen inclusief reeds ingehouden loonheffing (€ 12.961 voor 2014 en € 964 voor 2015). Daarnaast heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar de volgende cijfermatige onderbouwing opgenomen:\n\n“2014 (in €)\n\n2015 (in €)\n\nInkomen box 1 (DA)\n\n37.926\n\n2.290\n\nAf: Loon [bedrijf 1] B.V.\n\n41.914\n\n3.214\n\nBij: SMS-berichten\n\n241.626\n\n34.518\n\nVast te stellen inkomen box 1\n\n237.638\n\n33.594”\n\nHieruit volgt dat de bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit box 1 de door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen, inclusief daarover afgedragen loonheffingen, uit dit inkomen zijn verwijderd. In zoverre heeft de inspecteur bij het maken van de schatting rekening gehouden met de eerder door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen.\n\n4.12.. Voorzover belanghebbende heeft betoogd dat de loonheffingen die zijn ingehouden en afgedragen in het kader van de schijndienstbetrekking als voorheffing moeten worden verrekend met de te betalen inkomstenbelasting, oordeelt het hof als volgt. Aangezien er een bedrag is ingehouden en afgedragen, terwijl er, zo is niet in geschil, geen sprake is van een dienstbetrekking van belanghebbende in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, komt dit bedrag niet bij belanghebbende als voorheffing voor verrekening met inkomstenbelasting in aanmerking. In hoeverre dit bedrag door [bedrijf 1] onterecht is afgedragen en of dit bedrag voor terugbetaling aan [bedrijf 1] in aanmerking komt kan in deze procedure, alleen al omdat deze procedure een andere belastingplichtige betreft, niet aan de orde worden gesteld. Het gelijk op dit punt is dus aan de inspecteur.\n\n4.13.. De tussenconclusie is dat de door de inspecteur gemaakte berekening van de navorderingsaanslagen redelijk is, behalve met betrekking tot de periode van acht dagen die als basis voor de extrapolatie is gebruikt.\n\n4.14.. Vervolgens dient beoordeeld te worden of belanghebbende heeft doen blijken dat de schatting, alhoewel deze redelijk is, te hoog is. Belanghebbende heeft niet het van hem vereiste bewijs geleverd, aangezien hij de onjuistheid van de schatting en de veronderstellingen die aan deze schatting ten grondslag liggen niet heeft aangetoond. Voorzover belanghebbende stellingen heeft ingenomen waaruit volgens hem volgt dat de schatting te hoog is, zijn deze stellingen niet met feiten of stukken onderbouwd.\n\n4.15.. Het voorgaande leidt ertoe dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2014 zal worden vastgesteld op € 207.434 en voor 2015 op € 29.279. Hieraan ligt de volgende berekening ten grondslag (vergelijk de hiervoor in 4.11 weergegeven berekening):\n\n“2014 (in €)\n\n2015 (in €)\n\nInkomen box 1 (DA)\n\n37.926\n\n2.290\n\nAf: Loon [bedrijf 1] B.V.\n\n41.914\n\n3.214\n\nBij: SMS-berichten\n\n241.626\n\n34.518\n\nAf: Vermindering SMS-berichten met 12,5%\n\n30.204\n\n4.315\n\nVast te stellen inkomen box 1\n\n207.434\n\n29.279\n\nDit betekent ook dat de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 verminderd dient te worden naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279. De navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2014 blijft in stand, aangezien deze is opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw in 2014, namelijk € 51.414.\n\nBelastingrente\n\n4.16.. De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende navorderingsaanslagen worden verminderd, zal het hof de bedragen van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Het hof ziet geen aanleiding om voor het overige af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.\n\nDe boeten\n\n4.17.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan door geen inkomsten uit de weddenschappen op te geven, en dat boeten van 50% van de daarvoor nagevorderde belasting gerechtvaardigd zijn. Aangezien de nagevorderde belasting voor zowel 2014 als 2015 te hoog is vastgesteld door de inspecteur en moet worden verminderd, zal het hof de boeten dienovereenkomstig verminderen. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft de rechtbank de boeten gematigd. Voor het jaar 2014 ging het om een matiging van 15% en voor het jaar 2015 ging het om een matiging van 10%. Het hof sluit zich aan bij deze matigingen en acht de boeten – dus na vermindering wegens vermindering van de boetegrondslagen en wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting – gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Zoals hiervoor aangegeven zijn de grondslagen van de boeten de respectievelijke bedragen aan verschuldigde belasting. Deze bedragen zijn wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid is voor het hof, gelet op de hoogte van de door het hof passend en geboden geachte boeten, in dit geval geen aanleiding om die boeten nog verder te matigen. \n\nTussenconclusie\n\n4.18.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.19.. Aangezien het hoger beroep gegrond wordt verklaard, dient de inspecteur aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.20.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.\n\n4.21.. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.\n\n4.22.. De inspecteur dient de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener te betalen, omdat aan belanghebbende een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de hoogte van de navorderingsaanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015;\n\nvermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2014 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 207.434 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;\n\nvermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.279 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279;\n\nvermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;\n\nvermindert de grondslag van de boeten dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aldus berekende boeten voor 2014 en 2015 met respectievelijk 15% en 10% in verband met de door de rechtbank vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868;\n\nbepaalt dat de inspecteur de kosten van het geding betaalt aan de rechtsbijstandverlener.\n\nDe uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nA. Muller W.W. Monteiro\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).\n\n Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.\n\n Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.\n\n Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.\n\n Artikel 5.3, lid 1, in samenhang met artikel 5.2, lid 1, Regeling zorgverzekering (tekst 2014).\n\nHoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.\n\n 1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n Artikel 8:75, lid 2, Algemene wet bestuursrecht.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:881","ecli-nl-ghshe-2026-881",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]