[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-3948":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-3948":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1024","ECLI:NL:RBAMS:2026:3948","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F784270 \u002F KG ZA 26-150 NB\u002FEvK\n\nVonnis in kort geding van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij bij dagvaarding van 18 maart 2026,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.T.L.A. Mulders en mr. C.C. Kanjels,\n\ntegen\n\nMEDIAHUIS NEDERLAND B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Mediahuis,\n\nadvocaat: mr. Ch.E. Koster.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 april 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. Mediahuis heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.1.2.. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\n [eiser] , met mr. Mulders en mr. Kanjels,\n\nnamens Mediahuis: [naam 1] , hoofdredacteur van De Limburger, [naam 2] , journalist van de Limburger, [naam 3] , journalist van de Limburger, en O.M. Mulder, bedrijfsjurist van Mediahuis, met mr. Koster.\n\n1.3.. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] investeert in vastgoed.\n\n2.2.. Mediahuis is uitgever van (onder meer) dagblad De Limburger.\n\n2.3.. De Limburger heeft twee artikelen gepubliceerd over het vakantiepark [naam vakantiepark] , te [plaats] . Dit vakantiepark is eigendom van de familie [eiser] .\n\n2.4.. \n\nHet eerste artikel verscheen op 16 september 2022 in de Limburger met de titel: “Topman Miljoenenfonds provincie steekt eigen geld in omstreden vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] : gouverneur start onderzoek” (hierna: het 2022-artikel). Het 2022-artikel gaat samengevat over een investering van investeerder [naam 4] in vakantiepark [naam vakantiepark] . [naam 4] is beheerder van het Limburgs Energie Fonds (LEF), een investeringsfonds van de provincie Limburg opgericht voor financiering van duurzaamheidsinitiatieven. [naam 4] zou ‘kwetsbaar’ of zelfs chantabel zijn doordat hij (privé) ruim € 1 miljoen heeft geïnvesteerd in vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] , welk vakantiepark volgens het artikel omstreden zou zijn. Eigenaresse en bestuurder van dit vakantiepark is de moeder van [eiser] . In het artikel wordt over [eiser] (in het artikel aangeduid als [eiser] , of [eiser] ) onder meer vermeld dat hij strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam heeft staan voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en in het verleden is verdacht van witwassen. Ook wordt benoemd dat zijn broer, [naam broer] , in 2012 is geliquideerd en dat hij zaken heeft gedaan met de ondernemer, [naam ondernemer] , waarover wordt geschreven dat hij volgens justitie betrokken is bij grootschalige witwaspraktijken.\n\nVoor deze procedure gaat het onder meer om de volgende passages:\n\n“De provincie Limburg laat een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar privé-investeringen van topman [naam 4] van het Limburgs Energiefonds (LEF), waarin zo'n driehonderd miljoen euro gemeenschapsgeld zit. [naam 4] investeert privé in het vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] waaraan de overheid de handen vol heeft. Ook politie en Openbaar Ministerie zijn op de hoogte gebracht.\n\nOnderzoek\n\n(…) Ook de familie die al sinds jaar en dag eigenaar is van [naam vakantiepark] is niet van\n\nonbesproken gedrag. Zo is [eiser] , de contactpersoon van [naam 4] bij het [naam park] , veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en is hij in het verleden verdacht van witwassen. Diens broer [naam broer] , die de leider zou zijn van een Eindhovense drugsbende, is in 2012 geliquideerd.\n\n(…)\n\nEn daarbij: bedenkelijke signalen rond de familie achter het park.\n\n(…)\n\nErfverpachter\n\n(…) Het onderhoud van de algemene voorzieningen, de infrastructuur en de afvalverwerking gebeurt door Bungalowpark [naam bungalowpark] . Juridisch eigenaar van de bv's is [naam 5] (72). Haar vijftigjarige zoon [eiser] , ook wel [eiser] genoemd, is bestuurder van de Stichting Administratiekantoor [naam administratiekantoor] .\n\n(…)\n\nWitwaspraktijken\n\nContactpersoon bij [naam vakantiepark] [eiser] is ook een drukbezet man. Hij is (vastgoed)belegger, voornamelijk actief in Duitsland en Spanje. Naast zijn adviesrol bij [naam vakantiepark] - dat tot voor kort ook een park met dezelfde naam bezat in [plaats] - was hij, samen met de Turkse Eindhovenaar [naam ondernemer] , lang eigenaar van vele tientallen (studenten)panden in de [plaats] . Aan [naam ondernemer] kleeft een luchtje. Volgens Justitie is hij betrokken bij grootschalige witwaspraktijken, waarbij vermoedelijk drugsgeld wordt ingezet in de vastgoedwereld. Om die reden vordert Justitie, in een reeds jaren slepende procedure, 24 miljoen euro van hem terug.\n\nBij deze kwestie is [eiser] niet betrokken, al is ook hij in de loop der jaren nadrukkelijk in het vizier van de opsporingsautoriteiten. Hij heeft twee veroordelingen wegens opiumwetdelicten op zijn naam, blijkt uit gerechtelijke stukken. De aard van die delicten staat niet vermeld.\n\nOok wordt in vonnissen aangehaald dat [eiser] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht, ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen in Nederland had. Volgens de rechtbank was er sprake van 'een redelijke verdenking van witwassen'. Welk vervolg die verdenking heeft gekregen, is onduidelijk.\n\nStrafrechtelijk\n\nIn een beschikking uit 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staat dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] loopt en dat de administratie van de [naam vakantiepark] in beslag is genomen. Het zou gaan om 'onttrekking van gelden' aan de holding. De Ondernemingskamer gelast daarnaast een onderzoek naar de geldstromen binnen het [naam vakantiepark] -concern en benoemt een onafhankelijke bestuurder. Of en hoe de zaak bij de Ondernemingskamer is afgelopen, is onduidelijk. [eiser] stelt dat de strafrechtelijke kwestie is geseponeerd en dat hij een schadevergoeding heeft gekregen voor de „onterechte verdenking\". Hij stuurt een half screenshot als bewijs maar gaat niet in op verdere vragen. „Dat is allemaal privé\".\n\nIn 2015 is hij, voortvloeiend uit de witwasverdenking, tot in hoger beroep veroordeeld voor hypotheekfraude en gesjoemel met een salarisstrook rond [naam vakantiepark] . Twee jaar later krijgt hij 500 euro boete vanwege het antedateren van documenten rond de samenvoeging van de twee [naam vakantiepark] -parken in [plaats] en [plaats] . In die zaak wordt moeder [naam 5] eveneens veroordeeld.\n\nIn 2016 wordt [eiser] , samen met zakenpartner [naam ondernemer] , na een vormfout vrijgesproken van vermeend gesjoemel met elektriciteitsmeters in hun Eindhovense panden. Een jaar eerder legt de gemeente Eindhoven 1 miljoen aan dwangsommen op wegens vermeende gebreken aan de studentenhuizen; daarvan wordt uiteindelijk 125.000 euro geïnd.\n\nGeliquideerd\n\n [eiser] broer [naam broer] was een grote jongen in de Brabantse drugswereld; hij was volgens Justitie de leider van de regionaal befaamde [naam bende] , die rond 2011 werd opgerold. [naam broer] werd op 17 november 2012, kort voor de rechtszaak, geliquideerd.\n\nOp de bezittingen van [naam broer] wordt beslag gelegd door de Belastingdienst, (…). Die beslagen liggen ook op sommige kavels op [naam vakantiepark] , gezamenlijk eigendom van [naam broer] en [eiser] .\n\n [eiser] , woonachtig in het buitenland, krijgt zelf ook te maken met geweld: in november 2019 ontploft een explosief, vermoedelijk een handgranaat, bij een van zijn panden in [plaats] . [eiser] klaagt in de publiciteit en in de rechtszaal meermaals dat er een 'heksenjacht' op hem gaande is. Volgens hem wordt hij in een kwaad daglicht gesteld vanwege zijn broer [naam broer] , én omdat hij samen met [naam ondernemer] in onroerend goed zat.\n\nInval\n\nDie tactiek lijkt te werken. [naam ondernemer] vertelt tegenover De Limburger dat hij in juni 2017 alle zakelijke banden met [eiser] heeft verbroken. „Bij mij is in 2016 een inval geweest vanwege die verdenking van witwassen. [eiser] had ook continu problemen, vooral vanwege zijn broer. Maar zelf had hij ook wat onderzoekjes en wat dingen met de overheid. Het bleef wringen, telkens waren er belemmeringen. Hij vond dat het aan mij lag, ik vond dat het aan hem lag. Het is net als een huwelijk: als het niet meer gaat, dan ga je uit elkaar\", zo motiveert hij de 'scheiding'. Via de notaris en met toestemming van het Openbaar Ministerie is alle bezit verdeeld, aldus [naam ondernemer] . „Op panden van hem lag beslag door de Belastingdienst, bij mij door Justitie. Het Openbaar Ministerie heeft toestemming gegeven voor de verdeling\".\n\nTwee maanden daarvoor verstrekt [naam 4] zijn lening van 1 miljoen euro aan Bungalowpark [naam bungalowpark] BV . Bij de besprekingen is [eiser] aanwezig. Als onderpand wordt een hypotheek van 1,8 miljoen euro verstrekt. In november 2018 volgt nog een tweede lening van 140.000 euro, vallend onder dezelfde hypotheek. [naam vakantiepark] en [naam 5] staan vermeld in de akte maar de deal is geregeld via [eiser] , aldus [naam 4] .\n\nHij en [eiser] kennen elkaar „al een jaar of tien\". [naam 4] : „Het was een van de honderd contacten die ik had toen ik werkte voor [naam 6] \".\n\n(…)\n\nGeldschieter\n\nIn 2016 komen beiden dus opnieuw bij elkaar uit als [naam vakantiepark] een geldschieter zoekt voor de aankoop van een flink aantal kavels op het [naam park] . Een tussenpersoon doet een warme aanbeveling bij de familie [eiser] (…).\n\n [naam 4] is een private financier. Hij zoekt een belegging met hoog rendement en „zonder al te veel tijd qua beheer” om zijn pensioenvoorziening veilig te stellen, legt hij tegenover De Limburger uit. Maar hij was op zijn hoede, stelt hij nu. „Ik wist van het akkefietje rond de broer, die liquidatie in het kickbox-circuit. Die broer, [naam broer] , was actief in de drugscriminaliteit, denk ik. En [eiser] legde me uit dat de bank hem geen financiering wilde verlenen vanwege de associatie met [naam broer] . Daarom was ik zeer terughoudend, én kritisch over de familieleden. Ik wilde [eiser] dus ook éérst zien en spreken, om een gevoel te krijgen bij de persoon. Dat doe ik normaal nooit bij dit soort financieringen\".\n\n [eiser] : „Wat [naam 4] zegt over de weigering van de bank, klopt niet. Wij hadden gewoon op meerdere plekken een offerte gevraagd en hij kwam als beste uit de bus\".\n\n [naam 4] deed onderzoek „voor zover dat kon\", zo stelt hij. „Maar ik kwam geen berichten tegen die negatief waren, niets over een strafrechtelijk verleden\".\n\n(…)\n\n'Verontrustend’\n\nNu geconfronteerd met de achtergronden van de familie [eiser] schrikt [naam 4] zichtbaar. „Dit is zéér verontrustend. Al deze signalen wekken zeker een bepaalde schijn. Ik wil natuurlijk geen associatie met drugscriminelen of fraudeplegers.\" Met de kennis van nu had hij de lening niet verstrekt, bezweert hij. „Maar ik kan het contract niet zomaar opzeggen. Dat kan alleen als er in strijd wordt gehandeld met de vergunning, maar ik weet niet eens of ze die nodig hebben.\"\n\n(…)\n\n [eiser] : 'Er is niets aan de hand'\n\n [eiser] reageert geïrriteerd op de vragen van De Limburger. „Er is niets aan de hand. Ik heb niets met [naam vakantiepark] te maken, nooit bestuurlijke verantwoordelijkheid gehad. Ik heb geadviseerd bij het regelen van de lening van [naam 4] , dat klopt, maar verder niets. En mijn verleden is privé en totaal niet relevant voor de zakelijke relatie tussen [naam 4] en [naam vakantiepark] . Met de fiscus heb ik nooit problemen gehad en witwassen is me nooit ten laste gelegd. Ik vind uw insinuaties ongefundeerd.” (…)”\n\n2.5.. Na verschijning van dit artikel heeft [eiser] gevraagd om een rectificatie vanwege schending van zijn privacy. Mediahuis heeft aan dit verzoek geen gehoor te geven.\n\n2.6.. Op 22 september 2022 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de RvJ) tegen de hoofdredacteur van de Limburger. De kern van zijn klacht is dat zijn (privacy)belangen door het 2022-artikel onnodig zijn geschaad. De RvJ heeft op 10 januari 2023 uitspraak gedaan en de klacht ongegrond bevonden. De RvJ heeft hierover, voor zover relevant, als volgt geoordeeld:\n\n“(…) Het was maatschappelijk en journalistiek relevant om onderzoek te verrichten naar en te berichten over de handelwijze van [naam 4] , die als directeur van het Limburgs Energie Fonds verantwoordelijk is voor ongeveer 270 miljoen euro aan publieke middelen en vanwege zijn private financiering in bungalowpark [naam vakantiepark] ‘kwetsbaar en mogelijk zelfs chantabel’ is.\n\nOm die kwetsbaarheid te duiden was het relevant ook aandacht te besteden aan klager op de wijze zoals is gedaan. Daarbij is mede van belang dat [naam 4] zelf een verband heeft gelegd met klager en op meerdere momenten in de publicatie wordt aangehaald over de rol van klager bij de investering. Overigens is klager in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en is zijn reactie ook in het artikel verwerkt.\n\nNaar het oordeel van de Raad zijn de (privacy)belangen van klager niet disproportioneel aangetast. Dat zijn volledige naam in het artikel is vermeld, maakt dat niet anders. De Limburger heeft in dat verband aangevoerd dat klagers naam in eerdere publicaties is vermeld en voorkomt in openbare stukken rond het bungalowpark, en dat klager niet heeft gevraagd om anonimisering. Klager heeft dat niet weersproken.(…)”\n\n2.7.. In 2024 heeft [eiser] Google verzocht om het 2022-artikel te blokkeren in haar zoekresultaten voor zoekopdrachten naar “ [eiser] ” of “ [eiser] ”, op grond van het recht om vergeten te worden. Google heeft dit verzoek afgewezen. Vervolgens is [eiser] bij de rechtbank Den Haag een verzoekschriftprocedure gestart tegen Google met hetzelfde verzoek. De rechtbank Den Haag heeft dit verzoek bij beschikking van 28 augustus 2025 afgewezen. In de beschikking is, voor zover relevant, het volgende overwogen:\n\n“4.27 De rechtbank volgt Google in haar betoog. Het artikel waarnaar de URL verwijst is van redelijk recente datum, is feitelijk van aard en betreft een maatschappelijk bijzonder relevant onderwerp: de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat erover dat de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim een miljoen euro eigen geld heeft geïnvesteerd in een volgens het artikel omstreden vakantiepark waarbij [eiser] was betrokken. Door dit onderwerp vormt het artikel een belangrijke bijdrage aan een debat van algemeen belang. Hiervoor is al vastgesteld dat niet is gebleken dat het artikel onjuistheden bevat die een beduidend onderdeel van de publicatie betreffen. Het artikel bevat onder meer informatie over veroordelingen van [eiser] voor valsheid in geschrifte (hypotheekfraude) en het opzettelijk overtreden van de Opiumwet, waarover [eiser] zelf heeft verklaard dat dit te maken had met panden waarvoor hij zakelijk als bemiddelaar optrad. Hypotheekfraude en de opiumwetdelicten zijn ernstige misdrijven en kunnen, anders dan [eiser] meent, in redelijkheid niet worden aangemerkt als “lichte vergrijpen”. Deze informatie heeft te maken met [eiser] professionele activiteiten als vastgoedondernemer en zijn professionele integriteit. Omdat [eiser] nog steeds als vastgoedondernemer werkzaam is, is de informatie over zijn met dat beroep samenhangende strafrechtelijke veroordelingen uit het verleden nog steeds relevant, ook al zijn deze niet recent, zijn de boetes betaald en de proeftijden voorbij. Een vastgoedondernemer speelt door zijn professie een belangrijke rol in het openbare leven. De rechtbank volgt Google in haar standpunt dat bestaande of toekomstige potentiële zakenrelaties van [eiser] daarom de mogelijkheid moeten hebben een eigen afweging te maken of zij met hem zaken willen doen, waarbij de thans voorhanden zijnde informatie op het internet een relevante factor kan en mag zijn. (…)”\n\n2.8.. \n\nHet tweede artikel over [eiser] verscheen op 11 februari 2026 in de Limburger met de titel “Omstreden recreatiepark [plaats] krijgt vergunning van burgemeester ondanks risico op illegale activiteiten: ‘Ongebruikelijk, maar het mag wel’” (hierna: het 2026-artikel).\n\nDit artikel gaat samengevat over de aan vakantiepark [naam vakantiepark] verleende exploitatievergunning, ondanks dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) deels negatief had geadviseerd over die vergunning. In dit artikel wordt de familie van [eiser] , als eigenaar van het vakantiepark besproken, waarbij het strafrechtelijk verleden van [eiser] is aangehaald, namelijk de veroordeling voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en dat hij verdachte is geweest van witwassen. Ook is benoemd dat de broer van [eiser] , [naam broer] , in 2012 is geliquideerd. Voor deze procedure gaat het onder meer om de volgende passages:\n\n“(…) De parkeigenaar is niet van onbesproken gedrag.\n\n (…)\n\nDaar komt bij dat de eigenaar van het park, de Brabantse familie [eiser] , geen al te beste reputatie heeft en zelf de lappendeken aan constructies heeft gecreëerd.\n\n(…)\n\nOok [naam vakantiepark] moest een exploitatievergunning aanvragen. Burgemeester Bob\n\nVostermans van Peel en Maas heeft nu besloten die vergunning te verlenen, ondanks het feit dat de eigenaarsfamilie die achter de vergunningaanvrager schuilgaat niet door de Bibob komt. De vergunning is verleend op naam van de exploitatie-bv van directeur [naam 7] . De eigenaar van [naam vakantiepark] is nog steeds de familie [eiser] . De exploitatie-bv stond tot 2023 nog op naam van de 75-jarige [naam 5] . Ook de familie is voor de vergunning gescreend.\n\nGeliquideerd\n\nZoon [eiser] is in het verleden veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en hij werd verdacht van witwassen. Zijn broer [naam broer] , de vermeende leider van een Eindhovense drugsbende, is in 2012 geliquideerd. Wat de opiumdelicten precies inhouden, is niet bekend. In rechtbankvonnissen over de witwaszaak wordt onder meer gemeld dat [eiser] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen had in Nederland. Volgens de rechtbank was er ‘een redelijke verdenking van witwassen’. Welke gevolgen die verdenking heeft gekregen, blijft onduidelijk. (…)”\n\n2.9.. Op 11 februari 2026 heeft [eiser] Mediahuis verzocht om voorlopig zijn naam uit het 2026-artikel te verwijderen. Mediahuis heeft dit verzoek afgewezen. Op 12 februari 2026 heeft [eiser] Mediahuis nogmaals verzocht om zijn naam te verwijderen uit het 2022-artikel en 2026-artikel. Mediahuis heeft ook dit verzoek op 13 februari 2026 afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Mediahuis te gebieden, binnen zeven dagen nadat het vonnis is gewezen,\n\nprimairalle vermeldingen naar [eiser] , waaronder in ieder geval de vermeldingen over zijn strafrechtelijke verleden en zijn relatie met zijn broer en [naam ondernemer] , te verwijderen uit de online publicaties van het 2026-artikel en het 2022-artikel en deze verwijderd te houden, althans, voor zover het aanpassen van de artikelen niet mogelijk is, deze artikelen geheel te verwijderen en verwijderd te houden;\n\nSubsidiair: te gebieden, de naam, ‘ [eiser] ’ en ‘ [eiser] ’ overal te vervangen door “X”, in de online publicaties van het 2022- artikel en het 2026-artikel, alsook deze vervanging in stand te houden voor zolang de artikelen online beschikbaar zijn;\n\nII. Mediahuis te verbieden om in de toekomst te publiceren over de strafrechtelijke gegevens over [eiser] die staan in het 2022-artikel of het 2026 artikel alsook over diens band met zijn broer en [naam ondernemer] ;\n\nIII. te bepalen dat Mediahuis een dwangsom verbeurt voor iedere overtreding van het onder I of II gevorderde;\n\nIV. Mediahuis te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat zowel het 2022-artikel als het 2026-artikel onrechtmatig zijn omdat hiermee zijn recht op privacy en zijn recht op bescherming van zijn eer en goede naam wordt geschonden. Het is onrechtmatig dat (i) zijn naam en toenaam wordt genoemd (ii) uitgebreid verslag wordt gedaan van zijn strafrechtelijk verleden en (iii) de relatie met zijn broer [naam broer] en met [naam ondernemer] worden aangehaald. [eiser] betwist niet de feiten die in de artikelen staan, maar Mediahuis heeft geen recht en belang bij het opnemen van deze feiten in de artikelen. De feiten omtrent zijn strafrechtelijk verleden, zijn banden met [naam ondernemer] en met zijn in 2012 overleden broer hebben allemaal lang geleden plaatsgevonden. Het publieke belang om daarvan kennis te nemen is er niet meer. Na een tijdsverloop van minimaal 9 jaar moet hij dat achter zich kunnen laten. [eiser] heeft geboet voor zijn daden en hoeft na al die tijd niet meer te dulden dat deze gedragingen hem kunnen worden tegengeworpen. Dit veroorzaakt (reputatie)schade. De artikelen verschijnen in Google als op zijn naam wordt gezocht, zodat privé- en zakelijke relaties er gemakkelijk kennis van kunnen nemen. [eiser] investeert in vastgoed en is als zodanig regelmatig onderwerp van KYC-onderzoeken (‘know your customer’ onderzoek, verplicht cliëntenonderzoek op grond van de Wwft) door banken en notarissen. Deze zoekresultaten kunnen vragen opwerpen in dergelijke onderzoeken, wat een reden kan zijn dat geen samenwerking met hem wordt aangegaan.\n\n3.3.. Mediahuis voert verweer. Mediahuis betoogt dat [eiser] vermeld mag worden in de artikelen zoals dat is gedaan. De artikelen vallen binnen de vrijheid van meningsuiting en Mediahuis heeft voldoende reden gehad om [eiser] te vermelden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat [eiser] woonachtig is in [woonplaats] en Mediahuis is gevestigd in Nederland. De voorzieningenrechter zal (ambtshalve) beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bisbevoegd van de vordering kennis te nemen, omdat gedaagde Mediahuis in Nederland is gevestigd. Daarbij zal Nederlands recht worden toegepast.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Het recht van Mediahuis op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een dergelijke beperking is sprake indien de publicaties onrechtmatig zijn jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van het Mediahuis is er met name in gelegen dat zij zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties die in de publieke belangstelling staan, terwijl het belang van [eiser] er met name in is gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat zijn privacy niet onnodig wordt geschonden.\n\n4.3.. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. Omstandigheden die bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van een perspublicatie een rol kunnen spelen, zijn:\n\nde aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;\n\nde ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de kwestie die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen \u002F raakt de publicatie aan een discussie die in de publieke belangstelling staat (debate of general interest);\n\nde mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal;\n\nde totstandkoming van de publicatie;\n\nde mate waarin degene op wie de publicatie is gericht een publiek figuur is, waarbij tevens van belang is welke functie hij bekleedt;\n\neerder gedrag van de betrokken persoon (prior conduct);\n\nde aard en het bereik van het medium waarin de uitlating is gedaan.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Mediahuis betwist allereerst dat [eiser] een (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat dit wel het geval is. Hoewel de publicatie van het 2022-artikel al vier jaar oud is, is dit artikel ook weer relevant geworden door de publicatie van het 2026-artikel. Dat [eiser] al over het 2022-artikel heeft geprocedeerd bij de RvJ maakt dit niet anders, omdat zijn recht om hierover het oordeel van de civiele rechter te vragen daardoor geenszins is beperkt. Bovendien zijn beide artikelen nog steeds toegankelijk via de website van De Limburger en stelt [eiser] dat daardoor sprake is van een voortdurende inbreuk op zijn privacyrecht.\n\nKern van het geschil\n\n4.5.. Dit geschil gaat over twee artikelen die in De Limburger zijn gepubliceerd over de vakantiepark [naam vakantiepark] . [eiser] betwist niet de juistheid van de feiten in het artikel. Hij erkent dat hij veroordeeld is geweest voor twee opiumwetdelicten en hypotheekfraude en dat hij verdachte is geweest van witwassen. Ook is juist dat zijn broer, [naam broer] , in 2012 is geliquideerd en dat [eiser] in het verleden zaken heeft gedaan met [naam ondernemer] . [eiser] stelt echter dat het onrechtmatig is om deze feiten in deze context en in deze artikelen op te nemen. Daarom zal per artikel, met inachtneming van de context ervan, worden beoordeeld of dit onrechtmatig is.\n\n2022-artikel\n\n4.6.. Het 2022-artikel gaat (zoals weergegeven in 2.4) over de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat specifiek over [naam 4] , de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg, die mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim € 1 miljoen eigen geld heeft geïnvesteerd in het volgens het artikel omstreden vakantiepark [naam vakantiepark] . Dat dit onderwerp maatschappelijke relevantie heeft, is aannemelijk en is tussen partijen ook niet in geschil.\n\n4.7.. De relevantie om ook [eiser] in dit artikel aan te halen heeft Mediahuis voldoende toegelicht. Ten eerste is dit vakantiepark eigendom van de familie [eiser] . [eiser] is daarbij (mede)bestuurder van de STAK, die de aandelen houdt in de holding van de moeder van [eiser] en (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van Bungalowpark [naam bungalowpark] Hoewel [eiser] ontkent dat hij direct betrokken is geweest bij de door [naam 4] verstrekte financiering en alleen zijn moeder in deze kwestie heeft geadviseerd, bleek de persoon van [eiser] voor [naam 4] zelf wel relevant. In het artikel haalt [naam 4] zelf namelijk aan dat de deal is geregeld via [eiser] . [naam 4] wijst vervolgens ook zelf naar [eiser] en zijn verleden, waardoor er sprake zou zijn van integriteitsrisico’s. Het is dan een logisch gevolg dat Mediahuis onderzoek gaat doen naar dat verleden van [eiser] en hierover publiceert. Dat maakt dat de rol van [eiser] en zijn achtergrond, en daarmee zijn strafrechtelijke antecedenten, zijn broer, [naam broer] , die geliquideerd is, en zijn zakelijke banden met [naam ondernemer] met wie hij een groot gezamenlijk vastgoedportofolio had en die verdacht werd van witwassen, daardoor onderdeel zijn geworden van een kwestie die in de publieke belangstelling staat. Het is dan ook niet onrechtmatig dat Mediahuis over [eiser] en deze feiten in het kader van het 2022-artikel heeft geschreven.\n\n4.8.. Het verwijt van [eiser] dat al deze feiten zich in het verleden hebben afgespeeld doet er hier niet toe. Enkel tijdsverloop speelt geen doorslaggevende rol. Het gaat erom of het publiek recht heeft op kennis over de strafrechtelijke informatie en gebeurtenissen uit het verleden, met name wanneer deze relevant blijven voor kwesties die in de publieke belangstelling staan en dat heeft Mediahuis in het kader van 2022-artikel voldoende toegelicht. Bovendien is de informatie die in het 2022-artikel is verwerkt opnieuw relevant geworden door de ontwikkelingen die zich in 2026 (zie hierna over het 2026-artikel) hebben voorgedaan.\n\n2026-artikel\n\n4.9.. Het 2026-artikel gaat samengevat over de aan vakantiepark [naam vakantiepark] verleende exploitatievergunning, ondanks dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) deels negatief had geadviseerd over die vergunning (zie 2.8). De context van dit artikel is dat deze exploitatievergunning moet dienen om ondermijning en criminele activiteiten tegen te gaan. Ook hier is tussen partijen niet in geschil dat dit onderwerp op zichzelf een kwestie is die in de publieke belangstelling staat.\n\n4.10.. Mediahuis heeft ook voor dit artikel de relevantie van het noemen van [eiser] , en familie [eiser] , zijn strafrechtelijke antecedenten en de band met zijn broer, [naam broer] , voldoende toegelicht. De gemeente heeft namelijk aan Mediahuis gemeld dat voor het verkrijgen van de exploitatievergunning de Bibob-procedure moet worden doorlopen en dat daarvoor zogenoemde 'Bibob-relaties' moeten worden gescreend, dat zijn personen die betrokken zijn bij de vennootschap die de aanvraag heeft gedaan, en daarbij moet worden gedacht aan bestuurders, aandeelhouders en financiers. Hieronder vallen dus ook [eiser] en zijn moeder. Dat betekent dat [eiser] is gescreend voor het verkrijgen van een exploitatievergunning in het kader van de Bibob en dat daarbij zijn strafrechtelijke antecedenten zijn meegenomen, waaronder niet alleen de veroordelingen (wet opiumdelicten en hypotheekfraude) maar ook verdenkingen (witwassen). Ook zal [naam broer] , de broer van [eiser] vanwege zijn strafrechtelijk verleden en liquidatie daarbij relevant zijn geweest. Omdat deze informatie relevant is voor het verkrijgen van een exploitatievergunning, zijn deze onderwerpen daardoor ook onderdeel geworden van het publieke debat. Daardoor is ook het 2026-artikel niet onrechtmatig jegens [eiser] .\n\n4.11.. Anders dan [eiser] verder suggereert, staat in het artikel niet dat er een negatief advies is afgegeven vanwegede strafrechtelijke antecedenten van [eiser] . In het artikel staat namelijk: “Burgemeester Bob Vostermans van Peel en Maas heeft nu besloten die vergunning te verlenen, ondanks het feit dat de eigenaarsfamilie die achter de vergunningaanvrager schuilgaat niet door de Bibob komt.” Er staat hier immers dat de ‘familie’ niet door de screening komt, dat hoeft niet op [eiser] te slaan, maar kan bijvoorbeeld ook zien op zijn moeder. Daarnaast betoogt [eiser] dat de lezer door het benoemen van het strafrechtelijk verleden van [eiser] in combinatie met het feit dat de familie niet door de Bibob-screening komt, zal denken dat een negatief advies komtdoorhet strafrechtelijk verleden van [eiser] , maar dat staat er niet, Mediahuis heeft dat verband niet gelegd.\n\nVolledige naam van [eiser]\n\n4.12.. \n\nDat [eiser] in beide artikelen bij zijn volledige naam wordt genoemd en bijvoorbeeld niet geanonimiseerd is niet onrechtmatig. In de Leidraad voor Journalistiekstaat over het kunnen identificeren van personen (verdachten en veroordeelden):\n\n‘Journalisten dienen te voorkomen dat informatie of beelden worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel zijn journalisten niet gehouden wanneer:\n\na. de naam een essentieel bestanddeel van de berichtgeving is,\n\nb. wanneer het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient,\n\nc. wanneer door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad,\n\nd. wanneer het vermelden van de naam gebeurt in het kader van opsporingsberichtgeving, of\n\ne. wanneer de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.’\n\n4.13.. Bij beide artikelen is voldoende aannemelijk dat het legitiem is dat de volledige naam van [eiser] is genoemd omdat sprake is van een situatie zoals hiervoor genoemd onder b. Mediahuis heeft voldoende toegelicht dat er meerdere artikelen zijn waarin [eiser] met zijn volledige naam wordt genoemd. Onder meer in een artikel van het Eindhovens Dagblad van 1 februari 2025 wordt [eiser] met zijn volledige naam genoemd, samen met de naam van zijn broer [naam broer] en het feit dat hij geliquideerd is, en dat het vakantiepark [naam vakantiepark] onder een vergrootglas komt te liggen als ‘vermeend crimineel broeinest’. Ook andere publicaties maken dus melding van de band van [eiser] met het vakantiepark [naam vakantiepark] , zodat het weglaten van de naam van [eiser] of het anonimiseren geen doel dient. Het relevante publiek weet toch wel wie wordt bedoeld, ook als in de artikelen van De Limburger zou hebben gestaan ‘ [eiser] .’, ‘ [eiser] . [eiser] ’, ‘X’, of bijvoorbeeld ‘bestuurder van de Stak van het vakantiepark’ of ‘broer van [naam broer] ’ of ‘voormalig zakenpartner van [naam ondernemer] ’. In al die gevallen zou door de eerdere berichtgeving duidelijk zijn dat hiermee [eiser] wordt bedoeld.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat het 2022-artikel en het 2026-artikel niet onrechtmatig zijn jegens [eiser] waardoor de onder 4.2 genoemde belangenafweging in het voordeel van Mediahuis uitvalt. De vordering onder I. wordt dus afgewezen.\n\n4.15.. \n [eiser] vordert daarnaast (onder II.) een verbod om in de toekomst over zijn strafrechtelijke antecedenten en de band met zijn broer en met [naam ondernemer] te publiceren. Een algemeen preventief verbod voor de toekomst kan niet worden toegewezen. Een publicatie moet immers getoetst worden aan de hand van de specifieke inhoud en context. Alle omstandigheden van het geval moeten kunnen worden meegewogen in het kader van de onder 4.2 genoemde belangenafweging.\n\n4.16.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mediahuis worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n De Verordening (EU) Nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)\n\n https:\u002F\u002Frvdj.nl\u002Fleidraad\u002F\n\ntype: EvK\n\ncoll: MV","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3948","ecli-nl-rbams-2026-3948",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]