ECLI:NL:RBAMS:2026:6466
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Amsterdam
vonnisRECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11767194 CV EXPL 25-8864
vonnis van: 23 juni 2026
fno.: 58865
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser]
wonende te [woonplaats]
Eiser in conventie, verweerder in reconventie
nader te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. Y. Sasson
t e g e n
de stichting Stichting Stadgenoot
gevestigd te Amsterdam
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
nader te noemen: verhuurder
gemachtigde: mr. drs. S.J.M. Verhoeven.
1. Het procesverloop
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 20 juni 2025, met producties;
de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;
het instructievonnis van 9 september 2025, met dagbepaling mondelinge behandeling;
de mondelinge behandeling op 19 december 2025;
de dagbepaling van de voortzetting van de mondelinge behandeling;
de akte aanvullende producties 1 en 2 van verhuurder;
de akte aanvullende producties 9 en 10 van [eiser] .
1.2.. Op 20 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. [eiser] verscheen in persoon, vergezeld van vier toehoorders en bijgestaan door de gemachtigde. Namens verhuurder verscheen [eiser] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, verhuurder deed dat mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Van hetgeen is besproken ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
2.1..
[de moeder] , wijlen moeder van [eiser] (hierna: de moeder), huurde van de (rechtsvoorganger van) verhuurder de woning aan het [adres] (hierna: de woning). De woning werd sinds 1 augustus 1982 gehuurd door de moeder. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 86,55 m² en bestaat uit vier kamers.
2.2..
[eiser] , thans 41 jaar oud, is op het adres van de woning geboren en heeft daar tot op heden altijd gewoond. In de verklaring van de huisarts van 7 februari 2025 is onder meer vermeld dat [eiser] bekend is met een lichte psychomotore retardatie en een lichte diplegia spastica, dat hij mantelzorger was voor moeder, dat hij boodschappen deed, het huishouden en dat hij kookte. Ook staat daarin dat [eiser] gebaat is bij een rustige en voorspelbare omgeving, moeite heeft met veranderingen, dat hij voor zichzelf kan zorgen en gebaat is te mogen blijven in de woning.
2.3.. Eind november 2024 hebben de moeder en [eiser] bij verhuurder een gezamenlijk verzoek ingediend om [eiser] op grond van artikel 7:267 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als medehuurder van de woning aan te merken; dit verzoek is op 3 januari 2025 per e-mail herhaald.
2.4.. Naar aanleiding van het verzoek hebben, begin februari 2025 en op 13 februari 2025, gesprekken plaatsgevonden tussen [eiser] en (een medewerker van) verhuurder. Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft verhuurder [eiser] bericht het verzoek af te wijzen, omdat naar haar oordeel niet was voldaan aan de criteria van artikel 7:267 lid 3 BW.
2.5.. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. Voorafgaand aan haar overlijden verbleef zij in een verzorgingstehuis.
2.6.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] verhuurder verzocht het verzoek tot medehuurderschap te heroverwegen.
2.7.. Bij brief van 3 april 2025 heeft verhuurder geantwoord dat medehuurderschap na het overlijden van de moeder niet meer aan de orde is, dat moet worden uitgegaan van de situatie van artikel 7:268 lid 2 BW, en dat [eiser] niet in aanmerking komt voor de daarvoor benodigde huisvestingsvergunning omdat de woning gelet op haar omvang niet passend is voor een eenpersoonshuishouden. Verhuurder heeft zich daarbij steeds bereid verklaart een passende woning aan te bieden.
2.8..
[eiser] woont nog steeds in de woning.
3. De vorderingen en het verweer
in conventie
3.1..
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat:
I. [eiser] medehuurder zal zijn van de woning, met ingang van de datum van het vonnis, althans met ingang van een door de rechter te bepalen tijdstip;
II. verhuurder veroordeeld wordt tot het verlenen van medewerking aan het aanvragen en verkrijgen van een huisvestingsvergunning ten behoeve van [eiser] voor het bewonen van de woning;
III. verhuurder veroordeeld wordt tot betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.
3.2..
[eiser] legt aan zijn vordering – kort gezegd – ten grondslag dat hij ten tijde van het gezamenlijk met de moeder gedane verzoek voldeed aan alle vereisten voor medehuurderschap van artikel 7:267 lid 3 BW. Omdat dat verzoek reeds vóór het overlijden van de moeder is ingediend, is en blijft artikel 7:267 BW van toepassing en staat het overlijden niet aan toewijzing in de weg. Het niet beschikken over een huisvestingsvergunning is geen afwijzingsgrond onder artikel 7:267 lid 3 BW; een medehuurder wordt bij overlijden van de hoofdhuurder van rechtswege huurder (artikel 7:268 lid 1 BW), aldus [eiser] .
3.3.. Verhuurder voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] , althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.. In reconventie vordert verhuurder, onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het ongelijk wordt gesteld, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat [eiser] – kort gezegd – wordt veroordeeld de woning te ontruimen, en wel één maand nadat verhuurder aan [eiser] een passende sociale huurwoning in [woonplaats] te huur heeft aangeboden. Verhuurder verzoekt daarbij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gemotiveerd uit te spreken en tot slot [eiser] in de proces- en nakosten te veroordelen. Verhuurder legt aan de vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst door het overlijden van de moeder is geëindigd op grond van artikel 7:268 BW en dat [eiser] de woning sindsdien zonder recht of titel gebruikt.
3.5..
[eiser] heeft op zijn beurt daartegen verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen over en weer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
4.1..
[eiser] vordert op de voet van artikel 7:267 BW dat hij medehuurder van de woning wordt. Verhuurder stelt zich primair op het standpunt dat deze weg na het overlijden van de moeder niet meer openstaat en dat [eiser] daarom niet-ontvankelijk is. De kantonrechter ziet zich dus eerst gesteld voor de vraag of [eiser] , na het overlijden van de hoofdhuurder en vóórdat enige gerechtelijke procedure aanhangig was, nog een vordering tot medehuurderschap kan instellen. Die voorvraag is beslissend; pas als zij bevestigend wordt beantwoord, komt de kantonrechter toe aan de criteria van artikel 7:267 lid 3 BW.
Juridisch kader
4.2.. Een vordering tot medehuurderschap op grond van artikel 7:267 lid 1 BW kan worden ingesteld door de huurder én de beoogd medehuurder gezamenlijk, nadat zij de verhuurder eerst schriftelijk om instemming hebben verzocht en de verhuurder daarmee niet binnen drie maanden heeft ingestemd. De gezamenlijkheid van huurder en beoogd medehuurder is een voorwaarde voor het instellen van de vordering.
4.3.. Voor de situatie ná het overlijden van de huurder kent de wet een andere regeling. De medehuurder zet de huur dan van rechtswege als huurder voort (artikel 7:268 lid 1 BW). Wie geen medehuurder is maar wel in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zet de huur gedurende zes maanden na het overlijden voort en daarna alleen indien hij binnen die termijn een vordering tot voortzetting heeft ingesteld (artikel 7:268 lid 2 BW). Tot de afwijzingsgronden van die voortzettingsvordering behoort dat de samenwoner niet beschikt over een vereiste huisvestingsvergunning (artikel 7:268 lid 3, aanhef en onder c, BW). Dat vergunningsvereiste geldt bij medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW niet.
De 7:267-route was na het overlijden niet meer begaanbaar
4.4.. Vast staat dat de moeder, de huurder, op [overlijdensdatum] 2025 is overleden en dat de dagvaarding ruim vier maanden later, op 20 juni 2025, is uitgebracht. Op dat moment was er geen huurder meer die met [eiser] gezamenlijk een vordering kon instellen. [eiser] beroept zich op de uitspraken van de Hoge Raad van 10 oktober 1980 ( [naam 1] ) ECLI:NL:PHR:1980:AC1632, en 18 februari 1994 ( [naam 2] / [naam 3] ) ECLI:NL:HR:1994:ZC1281. Het eerste arrest gaat niet over de hier voorliggende vraag. Het tweede arrest betreft wél over de hier voorliggende vraag, maar betreft een andere situatie.
4.5.. In [naam 2] / [naam 3] hadden de huurster en de beoogd medehuurder vóór het overlijden van de huurster gezamenlijk een gerechtelijke procedure tot medehuurderschap ingesteld; de huurster overleed pas daarna, hangende die procedure. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was omdat de huurder op de datum van indiening van het verzoek nog in leven was, en dat het medehuurderschap kon worden toegewezen met ingang van een datum vóór het overlijden, zodat de beoogd medehuurder de huur na het overlijden als huurder voortzette (thans artikel 7:268 lid 1 BW).
4.6.. Bepalend in die zaak was dus of de huurder nog in leven was toen de gerechtelijke procedure werd ingesteld. In de nu aan de orde zijnde zaak is dat niet het geval. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden en de dagvaarding is pas op 20 juni 2025 uitgebracht. Artikel 7:267 lid 1 BW benoemt expliciet dat “huurder en die andere persoon […] gezamenlijk” de rechter kunnen verzoeken om die persoon medehuurder te laten zijn. Anders dan in [naam 2] / [naam 3] was vóór het overlijden geen gezamenlijke vordering tot medehuurderschap ingesteld. Het aan verhuurder gerichte verzoek van eind 2024 maakt dat niet anders: dat verzoek is slechts de voorwaarde om de gezamenlijke vordering bij de rechter te mogen instellen (artikel 7:267 lid 1 BW) en niet de vordering zelf. [eiser] kon na het overlijden langs de weg van artikel 7:267 BW dus geen medehuurder meer worden. Voor zijn positie als achterblijver kent de wet, zoals hiervoor al is overwogen, nadrukkelijk een eigen regeling (artikel 7:268 BW).De vordering tot vaststelling van het medehuurderschap kan dus uitsluitend samen met de huurder worden ingesteld. Daarvan is hier geen sprake. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.4.7.. Ten aanzien van de vordering om medewerking te verlenen aan het verkrijgen van een huisvestingsvergunning heeft [eiser] geen belang. De verkrijging van een huisvestingsvergunning kan relevant zijn in het kader van de voortzetting van de huur in zin van artikel 7:268 BW. Door [eiser] is echter uitdrukkelijk naar voren gebracht dat deze procedure niet moet worden gezien als een vordering op grond van artikel 7:268 BW. Daarbij is de vervaltermijn van zes maanden na het overlijden van de huurder voor het instellen van een dergelijke vordering al geruime tijd verstreken. Deze vordering wordt dus afgewezen.
4.8..
[eiser] wordt als de in conventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van verhuurder worden begroot op:
salaris gemachtigde € 434,00 (2 x liquidatietarief á € 217,00)
nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 506,00
in reconventie
4.9.. Verhuurder heeft haar vordering tot ontruiming ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] in conventie in het ongelijk wordt gesteld. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie komt de kantonrechter toe aan de reconventionele vordering.
4.10.. Door het overlijden van de moeder op [overlijdensdatum] 2025 is de huurovereenkomst geëindigd. [eiser] is geen medehuurder en verblijft in de woning zonder recht of titel.
4.11.. De gevorderde ontruiming is dus toewijsbaar. Verhuurder heeft die vordering zelf verbonden aan de voorwaarde dat [eiser] de woning pas hoeft te ontruimen één maand nadat zij hem een passende sociale huurwoning in [woonplaats] te huur heeft aangeboden die hij na ondertekening van de huurovereenkomst direct in gebruik kan nemen. Hiermee bedoelt de verhuurder, zo volgt uit de dagvaarding, dat het moet gaat om een woning die in [woonplaats] ligt, ongeacht in welk stadsdeel dit ligt. De rechter zal de ontruiming in die vorm toewijzen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.12.. Verhuurder heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en verzocht dat gemotiveerd te doen. [eiser] heeft zich daartegen verzet en aandacht gevraagd voor zijn medische situatie. De kantonrechter overweegt dat hier geen sprake is van een opgezegde huurovereenkomst, waarbij het wettelijke uitgangspunt is dat de huurovereenkomst van kracht blijft totdat hierover onherroepelijk is beslist door de rechter. [eiser] bevindt zich zonder recht of titel in de woning. Verhuurder heeft er, gezien haar wettelijke taak tot eerlijke verdeling van sociale huurwoningen, een zwaarwegend belang bij dat deze ruime sociale huurwoning beschikbaar komt voor een gezin. Daar komt bij dat [eiser] bij een ontruiming niet dakloos hoeft te worden, er wordt hem immers een alternatieve woning aangeboden. Het vonnis wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.13.. Ook in reconventie wordt [eiser] in het ongelijk gesteld. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden in reconventie vastgesteld op nihil.
BESLISSING
De kantonrechter:
in conventie
I. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in vordering I;
II. wijst vordering II af;
III. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van verhuurder tot en met vandaag vaststelt op € 506,00, voor zover van toepassing, inclusief btw en te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij ook de wettelijke/Btag kosten van betekening betalen;
in reconventie
IV. veroordeelt [eiser] om de woning aan het [adres] , met medeneming van de zijnen en het zijne, te ontruimen en overeenkomstig de huurovereenkomst aan verhuurder op te leveren met inlevering van de sleutels, en wel één maand nadat verhuurder [eiser] een passende sociale huurwoning in [woonplaats] (betreffende alle stadsdelen) te huur heeft aangeboden;
V. veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten welke aan de zijde van verhuurder worden begroot op nihil;
in conventie en reconventie
VI. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
VII. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in tegenwoordigheid de griffier.