ECLI:NL:RBAMS:2026:6559
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773721 / HA ZA 25-1370 en C/13/778508 / HA ZA 25-1688 (gevoegd)
Vonnis van 29 april 2026
in de zaken van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. I. Soetens,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Das Gupta.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure in C/13/773721 / HA ZA 25-1370 blijkt uit:
de dagvaarding van 4 juli 2025, met producties,
de conclusie van antwoord, met producties,
het tussenvonnis van 26 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.
1.2.. Het verloop van de procedure in C/13/778508 / HA ZA 25-1688 blijkt uit:
het vonnis in het incident van 21 januari 2026 waarin deze procedure is gevoegd met de zaak met zaak- en rolnummer C/13/773721 / HA ZA 25-1370,
het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.
1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald in beide zaken.
2. De feiten
2.1..
[gedaagde] was voorheen via [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. indirect aandeelhouder van twee derde deel van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. ([bedrijf 3]). Bestuurder van [gedaagde] is de heer [naam 1] ([naam 1]). Een deel van de aandelen in [bedrijf 2] werd ook gehouden door Vermes B.V. (Vermes).2.2.. In 2018 heeft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) [naam 1] gewezen op de verwerving van vijf online spellen en daartoe heeft [naam 1] (via [gedaagde]) [bedrijf 3] overgenomen. [bedrijf 3] is actief in de branche van online spellen en casino’s.
2.3.. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] is mevrouw [naam 3]. [naam 2] (de echtgenoot van [naam 3]) heeft als consultant (via [eiser]) en als werknemer inkomsten gegenereerd bij [bedrijf 3], na de overname van [bedrijf 3] door [gedaagde].
2.4.. Op 26 juli 2024 hebben [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (samen met andere verkopers) hun aandelen in [bedrijf 3] verkocht aan de Japanse onderneming SegaSammy. Op die dag zijn [bedrijf 2] en SegaSammy ook een earn-out agreementaangegaan.
2.5..
De adviseurs van [eiser] en [gedaagde] zijn daarna met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de relatie tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] is vertegenwoordigd door adviseur [naam 4] ([naam 4]) van Strava Advies B.V. en [gedaagde] door adviseur
[naam 5] ([naam 5]) van BDO Nederland. De achtergrond van deze gesprekken was onder meer dat [eiser] zou gaan meedelen in een deel van de opbrengst van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3].
2.6.. Op 27 augustus 2024 heeft [naam 5] namens [gedaagde] aan [naam 4] onder meer gemaild dat bij de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus uit de verkoopopbrengst van de [bedrijf 3] aandelen ook de nabetaling vanuit de escrowwordt gedeeld.
2.7..
Onder bemiddeling van advocaat mr. L.V. Claassens (Claassens) hebben de adviseurs van [eiser] en [gedaagde] op 28 oktober 2024 met elkaar gesproken. Op 29 oktober 2024 heeft Claassens een gespreksverslag opgesteld. Dat verslag is per e-mail gestuurd naar [naam 4] en [naam 5]. In het verslag staat onder meer:
“(…)
Gisteren hebben jullie opnieuw bij mij op kantoor met elkaar gesproken. Daarbij zijn de punten besproken die partijen verdeeld houden, voor zover nog aanwezig.
Onder voorbehoud van goedkeuring van de (rechts)personen die jullie vertegenwoordigen, zijn de navolgende afspraken gemaakt. Op bepaalde onderdelen dient nog nadere uitwerking plaats te vinden. Dat zal in principe gebeuren in onderling overleg tussen [naam 4] [[naam 4]] en [naam 5] [[naam 5]].
Zij zullen eveneens de inhoud van de concept incentive-overeenkomst nader met elkaar afstemmen en, voor zover aan de orde, aanpassen. (…)
De afspraken op hoofdlijnen luiden als volgt:
Incentive
(…)
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat een gedeelte van de verkoopopbrengst in escrow zal blijven. (…) De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.
(…)
Verrekening bedrag ad € 135.000,00
Indien overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SammySega plaatsvindt op basis van de condities van de getekende SPA en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, kan er door [gedaagde] een bedrag ad € 135.000,00 verrekend worden met het incentive-bedrag, althans daarop in mindering worden gebracht. Anders gezegd, dit gedeelte van de incentive wordt betaald middels verrekening, zodat er effectief een bedrag ad € 135.000,00 minder aan [eiser] wordt overgemaakt.
(…)
Bij deze het verzoek aan [naam 4] en [naam 5] om per email aan elkaar te bevestigen dat de familie [naam 2] en [naam 6] akkoord zijn met de afspraken zoals in deze mail zijn weergegeven.
(…)”
2.8..
[naam 4] heeft dezelfde dag aan Claassens en [naam 5] geschreven dat zijn achterban ([eiser]) akkoord is en [naam 5] namens [gedaagde] later die dag aan Claassens en [naam 4] ‘Bij deze ook mijn akkoord’.
2.9.. Daarna hebben de adviseurs van partijen met elkaar contact gehad over de nog te sluiten incentive overeenkomst.
2.10..
In dit kader heeft [naam 4] (namens [eiser]) op 11 november 2024 aan [naam 5] ([gedaagde]) onder meer geschreven:
“(…)
Berekening incentive
Op basis van alle correspondentie over en weer kom ik tot de volgende formule voor de berekening van de incentive:
1/3e maal het eigen vermogen van [bedrijf 2] [[bedrijf 2]] zoals dat zal luiden direct na closing
Verminderd met 1/3e deel van het in RBH gestorte aandelenkapitaal van €.300,==
Vermeerderd met 1/3e van de eventueel door [bedrijf 2] vanaf datum oprichting tot aan het moment van closing uitgekeerde dividenden
Vermeerderd met €.402.933,==
Vermeerderd met 21% BTW
Met de op basis van bovenstaande uitgangspunten berekende factuur worden vervolgens verrekend de lening van €.1.425.316,48 alsmede de lening van €.402.933,==
Graag akkoord bij deze berekening zodat ik de incentive-overeenkomst kan finaliseren.
(…)”
2.11..
[gedaagde] en [eiser] hebben op 13 november 2024 een incentive overeenkomst gesloten waarin onder meer staat:
“(…)
OVERWEGINGEN:
A. [gedaagde] is middellijk houder van het merendeel van de aandelen in het
aandelenkapitaal van [bedrijf 3] BV (“[bedrijf 3]”).
(…)
I. Medio 2024 is er met één van die partijen, het Japanse SegaSammy een koopovereenkomst (…) tot stand gekomen over de verkoop en levering van (100% van de aandelen in het aandelenkapitaal van) [bedrijf 3] aan SegaSammy (de ‘Transactie’).
(…)
K. [eiser] is geen aandeelhouder van [bedrijf 3]. Zij kan derhalve geen enkel (financieel) recht ontlenen aan de verkoop van [bedrijf 3].
L. [gedaagde] is van mening dat [eiser] in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het succes van [bedrijf 3]. Zij is niet alleen degene geweest die [gedaagde] destijds heeft gewezen op de zakelijke opportunity om [bedrijf 3] over te nemen, maar [eiser] heeft ook haar bijdrage geleverd aan de groei en ontwikkeling van de onderneming, welke er mede toe heeft geleid dat [bedrijf 3] (met winst) is verkocht aan SegaSammy. Zonder [eiser] zou dit waarschijnlijk niet hebben kunnen plaatsvinden.
M. [gedaagde], althans haar middellijk aandeelhouder de heer [naam 1], voelt zich om die reden moreel verplicht om [eiser] financieel te laten meeprofiteren van het behaalde succes in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus, een incentive (…) aan [eiser], uiteraard mits de Transactie daadwerkelijk wordt geeffectueerd.
(…)
PARTIJEN ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:
1. Incentive1.1.. Onder de voorwaarde dat de Transactie wordt geëffectueerd en de verkoopopbrengst door [gedaagde], althans een vennootschap waarvan [gedaagde] (middellijk) aandeelhouder of gelieerde is, is ontvangen, heeft [eiser] recht op een eenmalige Incentive, te betalen door [gedaagde] aan [eiser].1.2.. De hoogte van de Incentive bedraagt 33,33% van het eigen vermogen van [bedrijf 2] B.V. zoals dat zal luiden direct na afronding en ontvangst/betaling van de koopsom betreffende de Transactie, verminderd met één derde deel van het in [bedrijf 2] B.V. gestorte aandelenkapitaal ten bedrage van € 300,== en vermeerderd met één derde deel van eventuele dividenden vastgesteld vanaf datum oprichting van [bedrijf 2] B.V. tot en met de dag van ontvangst/betaling van de koopsom betreffende de Transactie. De op basis van de voorgaande volzin berekende Incentive zal worden vermeerderd met € 402.933,==, het totaalbedrag vervolgens te vermeerderen met BTW.1.3..
[gedaagde] zal binnen 2 werkdagen nadat de Transactie is afgerond en de verkoopopbrengst door [bedrijf 2] B.V. is ontvangen, [eiser] hierover per email informeren. [gedaagde] zal binnen 7 werkdagen na afronding van de Transactie de tussentijdse balansen laten opstellen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Dan zullen binnen 7 werkdagen na het opstellen van de tussentijdse balansen via buitengewone aandeelhoudersvergaderingen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. dividendbesluiten worden genomen voor het volledig uitkeerbare bedrag (…). Het Incentive bedrag, zulks vergezeld van de balans van [bedrijf 2] B.V. per datum van de closing (de Transactie), zal binnen 2 werkdagen nadat het dividend is vastgesteld worden uitbetaald op door [gedaagde] te ontvangen factuur (…).
(…)1.5 (…).
(…) Indien aan deze voorwaarden is voldaan, zal [gedaagde] het resterende factuurbedrag
uiterlijk binnen twee werkdagen voldoen aan [eiser], zonder enige vorm van verrekening of anderszins een achterhouding van gelden.
(…)1.7.
Een eventuele betaling aan [gedaagde], althans een vennootschap waarvan zij (middellijk)
aandeelhouder of gelieerde is, uit hoofde van een met SegaSammy overeengekomen
earn-out-regeling komt volledig aan [gedaagde] toe. [eiser], incl. haar bestuurder en
medewerkers, is daartoe op geen enkele wijze gerechtigd.
(…)”
2.12.. Op 25 april 2025 zijn de aandelen in het aandelenkapitaal van [bedrijf 3] overgedragen aan SegaSammy.
2.13..
Op 6 mei 2025 heeft [naam 5] namens [gedaagde] een document genaamd afwikkeling incentive overeenkomst(hierna: de afwikkelovereenkomst) gestuurd aan [naam 4] ([eiser]).
In de begeleidende e-mail schrijft [naam 5] onder meer:
“(…) Ik heb Lars [Claassens] gevraagd ons te berichten over het bedrag van € 135.000. Deze heb ik er nu in gelaten (is afgetrokken van incentive). (…)”
2.14..
[eiser] heeft de afwikkelovereenkomst niet voor akkoord getekend. In de voorgestelde afwikkelovereenkomst staat onder meer dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot een additioneleincentive, zijnde 1/3e deel van het werkelijk ontvangen bedrag.
2.15..
[eiser] heeft op 21 mei 2025 een factuur gestuurd aan [gedaagde], voor een bedrag van € 11.824.968,00. [gedaagde] heeft daarna in deelbetalingen totaal € 11.705.422 aan [eiser] voldaan.
2.16..
Over de aandelentransactie zijn geschillen ontstaan. Uiteindelijk hebben [bedrijf 2], SegaSammy, [gedaagde], [naam 1] en [bedrijf 3] een Termination and Settlement Agreement(Vaststellingsovereenkomst) gesloten op 22 juli 2025, ter beslechting van de geschillen. In artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang:
“(…) In full and final settlement of the Dispute and subject to the termination of the EOA in accordance with Clause 3, the Parties hereby agree that SSC [SegaSammy] shall pay to [bedrijf 2] a fixed amount of EUR 5,000,000 (…) (the Settlement Amount), (…) however subject to the terms and conditions of this Agreement. The Settlement Amount shall qualify as a deferred purchase price payment under the SPA payable by SSC to [bedrijf 2] for the Shares (as defined in the SPA) sold and transferred by [bedrijf 2] to SCC. (…)”
2.17..
[eiser] heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [gedaagde] beslag gelegd onder ING Bank, de Belastingdienst en [bedrijf 3].
3. Het geschil
C/13/773721 / HA ZA 25-1370
3.1..
[eiser] vordert - samengevat - om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:
I. € 119.546,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 dan wel 26 juni 2025 dan wel vanaf 4 juli 2025;
II. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.970,46, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente en
IV. de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten van [gedaagde].
C/13/778508 / HA ZA 25-1688
3.3..
[eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen:
ten aanzien van de nabetaling op de koopprijs
primair
I. aan [eiser] € 1.666.667,00 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2015, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;
subsidiair
II. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van € 5.000.000,00 voldaan te krijgen, waaronder onder meer:
i. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;
ii. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;
bij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;
ten aanzien van de escrow
III. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van de escrowvoldaan te krijgen, waaronder onder meer:
iii. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;
iv. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 19 december 2025 dan wel 4 september 2025;
bij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;
IV. tot het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.675,00, te vermeerderen met wettelijke rente;
V. om aan [eiser] de beslagkosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en
VI. om aan [eiser] de proceskosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.4..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] (tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat in deze procedure niet om een volledige proceskostenveroordeling wordt gevraagd). Ook verzoekt [gedaagde] om een eventuele veroordeling van haar niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Vooraf in beide zaken
4.1..
Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over een door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy. De achtergrond van die afspraken is kort gezegd dat de heer [naam 2] (via [eiser]) een rol heeft gehad in het succes en de groei van [bedrijf 3]. [gedaagde] (haar bestuurder de heer [naam 1]) wilde [eiser] daarvoor belonen.
De adviseurs van partijen hebben overleg met elkaar gehad en hun afspraken zijn eerst vastgelegd in het zogeheten gespreksverslag van mr. Claassens van 28 oktober 2024 (2.7). Tussen partijen staat vast dat de afspraken daarin bindend zijn. De adviseurs van partijen hebben namens [eiser] en [gedaagde] op 29 oktober 2024 ingestemd met de afspraken die staan in het gespreksverslag. De adviseurs van partijen hebben vervolgens overleg gehad over de incentive overeenkomst waarna die overeenkomst tot stand is gekomen op 13 november 2024. Daarin is onder meer vastgelegd op welke manier de bonus (incentive) van [gedaagde] aan [eiser] moet worden berekend en gefactureerd. [gedaagde] heeft na de aandelenoverdracht een uitkering gedaan aan [eiser]. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet aan al haar verplichtingen voldaan. [eiser] vordert dat [gedaagde] de verplichtingen die zij heeft op grond van de afspraken die partijen hebben gemaakt, alsnog nakomt: (i) [gedaagde] heeft ten onrechte een bedrag verrekend en moet het verrekende bedrag uitkeren aan [eiser], (ii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens het ontvangen van een nabetaling op de koopprijs en (iii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens de vrijgekomenescrow. [gedaagde] meent dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer moet betalen aan [eiser].
Partijen geven voor de drie vorderingen die [eiser] heeft ingesteld elk een andere uitleg aan hun afspraken - het gespreksverslag en de incentive overeenkomst - en aan hoe die twee documenten zich tot elkaar verhouden. Die afspraken moeten daarom worden uitgelegd. Bij de uitleg komt het niet alleen aan op de letterlijke tekst van de op schrift gestelde afspraken, maar ook op wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij speelt in dit geval ook mee dat beide partijen beroepsmatig bij de contractuele relatie zijn betrokken en dat zij zijn bijgestaan door professionele adviseurs.
In de zaak met zaak- en rolnummer C/13/773721 / HA ZA 25-1370
Mocht [gedaagde] een bedrag van € 119.546,00 verrekenen: ja
4.2.. Op 29 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] met elkaar afgesproken dat als overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SegaSammy plaatsvindt en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, [gedaagde] een bedrag van € 135.000,00 mag verrekenen met hetincentivebedrag. De achtergrond hiervan was het bestaan van een schuld van [naam 2]/[eiser] aan [bedrijf 3]. De verrekening staat in het gespreksverslag waarmee beide partijen akkoord zijn gegaan. Na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy heeft [gedaagde] aan [eiser] deincentivebetaald, nadat zij daarop een bedrag van € 119.546,00 heeft ingehouden (het bedrag van € 135.000,00 dat later is bijgesteld). Hierna zal blijken dat [gedaagde] dat mocht doen.
4.3..
[eiser] stelt dat [gedaagde] niet mocht verrekenen. Dat is uitgesloten in artikel 1.5 van de incentive overeenkomst. Na het akkoord op het gespreksverslag is de verrekening onderwerp van gesprek geweest bij de onderhandelingen over de incentive overeenkomst. Partijen hebben toen andere afspraken gemaakt over de verrekening en die afspraken zijn daarna vastgelegd in de incentive overeenkomst. Ook uit de berekening die adviseur [naam 4] namens [eiser] heeft gemaakt (2.10) en waarin de verrekening niet terugkomt, kan worden afgeleid dat partijen de eerder gemaakte afspraak over het verrekenen hebben aangepast, aldus [eiser].
4.4..
[gedaagde] voert hiertegen aan dat de afspraak over het verrekenen uit het gespreksverslag nadien niet is gewijzigd. [gedaagde] heeft haar aanspraken op grond van het gespreksverslag niet prijsgegeven. De incentive overeenkomst bevat geen bepalingen die het gespreksverslag op dit punt vervangen. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst staat niet in de weg aan de verrekening. Dat artikel ziet op de situatie dat betalingen die feitelijk nog door [gedaagde] dienen te worden gedaan niet verrekend kunnen worden of kunnen worden achtergehouden. Na het gespreksverslag is de verrekening zoals die staat in het gespreksverslag niet meer aan de orde gesteld, aldus [gedaagde].
4.5..
[eiser] en [gedaagde] zijn op 29 oktober 2024 overeengekomen dat [gedaagde] bij het voldoen van de incentiveaan [eiser] nog een bedrag mocht verrekenen. Volgens [eiser] is vervolgens opnieuw onderhandeld over de verrekening. [gedaagde] betwist dit. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] niet concreet gemaakt dat de verrekening na 29 oktober 2024 tussen partijen (dan wel hun adviseurs) aan de orde is gesteld en dat partijen daarover toen andersluidende afspraken hebben gemaakt. Zo is niet duidelijk gemaakt wie met een voorstel tot het wijzigen van de afspraak over het verrekenen van € 135.000,00 kwam, wanneer een dergelijk voorstel is gedaan en ook niet wat de adviseurs op dat punt concreet met elkaar hebben besproken. Verder hebben de adviseurs meerdere e-mails met elkaar gewisseld in de periode tussen 29 oktober 2024 en het ondertekenen van de incentive overeenkomst en in die e-mails staat niets over het terzijde schuiven van de verrekening. Het ligt voor de hand dat dit onderwerp, dat volgens beide partijen een belangrijk geschilpunt was, ook in de e-mails ter sprake zou zijn gebracht, vooral in het geval dat (zoals [eiser] betoogt) de daarover gemaakte afspraak kwam te vervallen. Dat is niet gebeurd. Adviseur [naam 4] heeft in zijn e-mail van 11 november 2024 namens [eiser] uitgelegd hoe deincentivemoet worden berekend. [eiser] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat wegens het ontbreken van de verrekening in die berekening, de verrekening van € 135.000 alsnog werd uitgesloten. De berekening van deincentivegaat vooraf aan de verrekening. De berekening zegt op zichzelf dan ook niets over het al dan niet verrekenen.
4.6..
[eiser] heeft dus niet voldoende onderbouwd dat partijen ná het akkoord op het gespreksverslag hebben afgesproken dat de verrekeningsbevoegdheid van [gedaagde] zoals die staat in het gespreksverslag zou komen te vervallen. Ook artikel 1.5 van de incentive overeenkomst waarin staat dat verrekening is uitgesloten, maakt niet dat [eiser] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de eerder gemaakte afspraak van tafel was. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst is een algemene bepaling en de verrekening uit het gespreksverslag bevat een specifieke afspraak. Nu niet is gebleken dat die specifieke afspraak nog ter discussie is gesteld en ook niet dat partijen akkoord zijn gegaan met het wijzigen van die afspraak, kan [eiser] aan artikel 1.5 niet het vertrouwen ontlenen dat partijen hebben bedoeld ook de verrekening van het bedrag van € 135.000 onder die bepaling te laten vallen.
Slotsom, kosten en beslag
4.7.. Dit betekent dat [gedaagde] mocht overgaan tot verrekening en dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
4.8..
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. [gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Daartoe voert [gedaagde] aan dat [eiser] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden door in de dagvaarding te zwijgen over de onderhandelingen en het akkoord tussen partijen over het gespreksverslag. [eiser] heeft ook in strijd met de waarheid gehandeld door te knippen en te plakken uit het gespreksverslag, daaruit de pagina over de verrekening weg te laten, dit stuk in te dienen en te doen alsof het stuk is opgesteld door Claassens, hetgeen niet zo is.
4.9.. Toewijzing van de werkelijke proceskosten is denkbaar in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van recht of onrechtmatige daad. Hierbij past terughoudendheid, gelet op het recht tot toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM). [eiser] heeft toegelicht waarom bij de dagvaarding niet het originele gespreksverslag is overgelegd, maar een bewerkte versie waarmee is geprobeerd een te ondertekenen versie te maken van het gespreksverslag. Alhoewel juist is dat [eiser] al in de dagvaarding had moeten laten zien dat de adviseurs namens partijen akkoord zijn gegaan met het gespreksverslag, is van misbruik van recht of onrechtmatige daad geen sprake. [eiser] heeft een stuk met daarin de afspraken overgelegd en dat stuk is qua inhoud hetzelfde als de e-mail van Claassens van 28 oktober 2024, bij de stukken die de rechtbank heeft gekregen ontbreekt niet de pagina over de verrekening en [eiser] heeft later in de procedure erkend dat partijen hebben ingestemd met de afspraken uit het gespreksverslag. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.
4.10.. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
11.152,00
4.11..
[gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.
In de zaak met zaak- en rolnummer C/13/778508 / HA ZA 25-1688
[eiser] maakt geen aanspraak op een deel van de nabetaling
4.12.. Op 22 juli 2025 hebben (onder meer) [gedaagde] en SegaSammy met de Vaststellingsovereenkomst (2.16) een schikking bereikt op grond waarvan door SegaSammy aan [bedrijf 2] een nabetaling van € 5.000.000,00 is gedaan. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of een derde deel van die nabetaling nog moet worden betaald aan [eiser]. [eiser] vindt dat de schikking een nabetaling op de koopprijs inhoudt en dat zij daarom aanspraak maakt op een deel van de nabetaling. [gedaagde] ziet dat anders. Hierna komt de rechtbank tot het oordeel dat aan [eiser] niet een deel van de nabetaling toekomt. Daarvoor is het volgende van belang.
4.13..
[eiser] stelt dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst de betaling door Segasammy aan [bedrijf 2] is aangemerkt als nabetaling op de koopprijs van de aandelen (‘deferred purchase price payment’). De afspraak was dat partijen alledrie ([eiser], [gedaagde] en Vermes die ook een deel van de aandelen in [bedrijf 3] hield) zouden profiteren van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3]. Nu de koopprijs door de nabetaling aan [bedrijf 2] achteraf is aangepast, moet [gedaagde] de incentive overeenkomst nakomen en alsnog een deel afdragen aan [eiser]. Aanvullend is sprake van onvoorziene omstandigheden (partijen hebben niet voorzien in een aanpassing van de koopprijs) en doet [eiser] een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.14..
[gedaagde] voert hiertegen het volgende aan. Voor de hoogte van de uitkering door [gedaagde] aan [eiser] is het peilmoment uit artikel 1.2 van de incentive overeenkomst relevant. Uit onderdeel M van die overeenkomst volgt dat het gaat om een onverplichte uitkering die eenmalig is. Daarnaast heeft de betaling uit de Vaststellingsovereenkomst van € 5.000.000,00 geen effect op de hoogte van de koopsom. De Vaststellingsovereenkomst ziet uitsluitend op de verplichtingen van [naam 1] en zijn vennootschappen ten opzichte van SegaSammy; op afkoop van de managementovereenkomst en hoofdzakelijk op de afkoop van de Earn Out Agreement. De bewoordingen uit de Vaststellingsovereenkomst die erop zouden kunnen duiden dat de koopprijs is aangepast, hebben te maken met de fiscale deelnemingsvrijstelling. Van een aanpassing van de koopprijs is feitelijk geen sprake geweest. De overige verkopers hebben van de nabetaling geen profijt. Zij hebben geen bemoeienis gehad met deEarn Out Agreementof met de Vaststellingsovereenkomst, aldus [gedaagde].
4.15.. Uit artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst kan worden afgeleid dat de betaling aan [bedrijf 2] ziet op de beslechting van het geschil met SegaSammy en op de afwikkeling van de Earn Out Agreement(‘EOA’). [eiser] maakt geen aanspraak op (een deel van) deearn out, zo volgt uit artikel 1.7 van de incentive overeenkomst. In de Vaststellingsovereenkomst zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van [eiser] dat de betaling moet worden aangemerkt als een nabetaling op de koopprijs voor de aandelen. In dat licht kan de enkele omstandigheid dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat ‘deferred purchase price payment’dat niet anders maken. [gedaagde] heeft toegelicht dat die bewoordingen zijn gekozen vanwege de fiscale deelnemingsvrijstelling en [eiser] heeft dat niet concreet bestreden. [eiser] kan dan ook geen aanspraak maken op een deel van de nabetaling.
4.16.. Het beroep van [eiser] op onvoorziene omstandigheden en op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan haar niet baten nu daaraan ten grondslag ligt dat de nabetaling onderdeel is van de koopprijs die SegaSammy heeft betaald voor de aandelen in [bedrijf 3]. Uit het voorgaande blijkt dat daarvan geen sprake is.
De inescrow gehouden bedragen vallen onder deincentive
4.17.. Tussen partijen is tot slot in geschil of hun afspraken inhouden dat de incentiveook moet worden berekend over deescrow. De rechtbank komt tot de slotsom dat op grond van de afspraken [eiser] aanspraak maakt op een deel van het inescrowgehouden bedrag. Daarvoor is het volgende van belang.
4.18.. In het gespreksverslag staat onder het kopje ‘Incentive’ onder meer ‘De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.De bewoordingen van het gespreksverslag zijn duidelijk. Het bedrag dat vrijkomt uit deescrow, maakt deel uit van de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus. Dat heeft de adviseur van [gedaagde] ook voorafgaand aan het gespreksverslag aan de adviseur van [eiser] geschreven (2.6). Dat is het uitgangspunt. Het klopt dat deincentivenog nader zou worden uitgewerkt middels de incentive overeenkomst. Ook dat is opgenomen in het gespreksverslag. Dat betekent niet dat het gespreksverslag, zoals [gedaagde] aanvoert, volledig is vervangen door de incentive overeenkomst. Voor zover van de uitgangspunten in het gespreksverslag wordt afgeweken, is nodig dat partijen daarover overeenstemming bereiken. Partijen en hun adviseurs hebben in de periode tussen 29 oktober 2024 en het sluiten van de incentive overeenkomst op 13 november 2024 niet gesproken over deescrow. De situatie dat beide partijen akkoord zijn gegaan met een wijziging van de eerdere afspraak, doet zich niet voor. Gelet hierop kan de enkele omstandigheid dat in de incentive overeenkomst een verwijzing naar deescrowontbreekt, er niet toe leiden dat deincentivemoet worden berekend over de verkoopopbrengst exclusief deescrow. Daarvoor ontbreken feiten en omstandigheden op grond waarvan partijen ervan konden uitgaan of moesten begrijpen dat deescrowniet (meer) zou worden gedeeld.
4.19.. Aan een nabetaling van de escrowstaat volgens [gedaagde] verder in de weg dat partijen zijn uitgegaan van één peilmoment (artikel 1.2 van de incentive overeenkomst) alsook van een eenmalig door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus (onderdeel M van de considerans). Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. In artikel 1.2 van de incentive overeenkomst staat welk deel van het eigen vermogen van [bedrijf 2] relevant is voor de hoogte van deincentive. Dat is het eigen vermogen direct na afronding en ontvangst/betaling van de koopsom voor de aandelentransactie. In onderdeel M van de considerans van de incentive overeenkomst staat dat [gedaagde], althans [naam 1], zich moreel verplicht voelt om [eiser] financieel te laten meeprofiteren in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus (deincentive). Deze bepalingen in onderlinge samenhang geven weer dat deincentiveziet op enkel de verkoopopbrengst én dat zal worden uitgekeerd zodra de verkoopopbrengst is ontvangen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat als een betaling is gedaan door [gedaagde] aan [eiser] en daarna nog een deel van de verkoopopbrengst wordt ontvangen, die nabetaling op de koopprijs niet meer ter zake doet. Dat zou ook afbreuk doen aan de achterliggende afspraak dat [eiser] voor een derde deel deelt in het behaalde succes.
4.20..
Tot slot heeft [gedaagde] met het aan [eiser] aanbieden van de afwikkelovereenkomst bevestigd dat de incentiveook wordt berekend over deescrow. [gedaagde] heeft in dat document immers opgenomen dat zij een deel van deescrowdoorbetaalt aan [eiser].
Volgens [gedaagde] was dit geen uitwerking van de bestaande afspraken maar een aanbod aan [eiser] voor een extra vergoeding in het licht van de spanningen die waren ontstaan met koper SegaSammy. De rechtbank ziet voor deze stelling geen ondersteuning. Onder punt 2 van de afwikkelovereenkomst staat dat partijen in het document de financiële verplichtingen vastleggen die zij uit hoofde van de incentive overeenkomst jegens elkaar hebben. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [gedaagde] met dit document heeft beoogd om de hoogte van de vergoeding die zij op grond van de eerder gemaakte afspraken aan [eiser] verschuldigd was in een overeenkomst vast te leggen. Daarmee heeft [gedaagde] bevestigd dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot 1/3e deel van het ontvangen bedrag.
4.21.. De slotsom is dat [gedaagde] ertoe is gehouden een deel van de in escrowgehouden bedragen uit te keren aan [eiser], overeenkomstig de in de incentive overeenkomst gemaakte afspraken. Een deel van het inescrowgehouden bedrag is inmiddels aan [gedaagde] uitgekeerd, zes maanden na 25 april 2025. Het laatste deel zal drie jaren na 25 april 2025 worden uitgekeerd. Betaling aan [eiser] zal plaatsvinden eerst nadat deescrowtot uitkering is gekomen, zo volgt uit het gespreksverslag. Dat betekent dat [gedaagde] ertoe is gehouden aan [eiser] een deel van het al uitgekeerde bedrag te betalen en dat zij in de toekomst een nabetaling zal moeten doen.
4.22..
[eiser] vordert kort gezegd dat [gedaagde] haar de informatie geeft die nodig is om de hoogte van de incentiveuit hoofde van deescrowvast te stellen en dat [gedaagde] vervolgens na ontvangst van de factuur het gefactureerde bedrag betaalt, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 19 december 2025 althans vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot het geven van inzicht wordt op de wijze zoals in het dictum omschreven toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over de reeds vrijgevallenescrowis niet weersproken en zal worden toegewezen, ook op de manier zoals in het dictum vermeld. De wettelijke handelsrente over de nog uit te kerenincentiveover deescrow(die vrijkomt drie jaren na 25 april 2025) is toewijsbaar vanaf het moment van het verstrijken van de betaaltermijn van de factuur.
Aan de veroordeling wordt een dwangsom gekoppeld die als volgt wordt bepaald en gemaximeerd.
Slotsom, kosten en beslag
4.23.. De vorderingen van [eiser] onder I en II worden afgewezen. De vordering onder III wordt toegewezen op de hierna te melden wijze.
4.24..
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. De kosten moeten worden aangemerkt als kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt en worden afgewezen.
4.25..
[eiser] vordert tevens vergoeding van de beslagkosten. De conservatoire beslagen zijn gelegd voordat de vermeerdering van eis met betrekking tot de escrowwerd ingesteld. De beslagen zien op de vorderingen tot het betalen van het verrekende bedrag en tot het vergoeden van de nabetaling. Die vorderingen worden afgewezen. Daarom bestaat geen grond voor het vergoeden van de beslagkosten.
4.26..
[gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.
4.27..
[gedaagde] is voor een deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Bij de berekening wordt één punt toegekend voor de akte vermeerdering van eis en één punt voor de mondelinge behandeling. Voor de dagvaarding wordt geen punt toegekend (met uitzondering van de kosten van de dagvaarding), omdat de daarmee ingeleide vordering niet is toegewezen. Voor de hoogte van de proceskosten zal aansluiting worden gezocht bij het tarief ‘onbepaalde waarde’, omdat de vordering strekt tot het geven van inlichtingen en betaling van een nader te bepalen bedrag en niet tot veroordeling van een al vaststaand bedrag. Het door [gedaagde] te vergoeden griffierecht wordt ook bijgesteld naar het tarief ‘onbepaalde waarde’. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,40
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.328,40
4.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.29..
[gedaagde] heeft gevraagd om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet toe te staan en zij heeft daarbij gewezen op een restitutierisico. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat op een (eventueel) rechtsmiddel is beslist. [eiser] heeft belang bij betaling van het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst. [gedaagde] stelt dat sprake is van een ernstig restitutierisico, omdat [naam 2] grote geldbedragen vergokt, maar dit is niet van een concrete toelichting voorzien. Verder is daarmee niet gegeven dat wat betreft [eiser] sprake is van een ernstig restitutierisico. De vordering om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal daarom worden toegewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
In de zaak met zaak- en rolnummer C/13/773721 / HA ZA 25-1370
5.1.. wijst de vorderingen af en
5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
In de zaak met zaak- en rolnummer C/13/778508 / HA ZA 25-1688
5.3..
veroordeelt [gedaagde] ten aanzien van de escrowtot het verrichten van al die handelingen die op grond van de incentive overeenkomst noodzakelijk zijn om hetgeen op grond van de incentive overeenkomst is verschuldigd aan [eiser] voldaan te krijgen, waaronder wordt verstaan:
a. het met stukken inzichtelijk maken welk bedrag [eiser] kan factureren, voor zover het gaat om het al uitgekeerde escrowbedrag binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en voor zover het gaat om deescrowdie nog niet is vrijgevallen binnen veertien dagen nadat deescrowis uitgekeerd en
b. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, waarbij het uit te keren deel dat ziet op de (ten tijde van het wijzen van dit vonnis) al uitbetaalde escrowwordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 19 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening en het uit te keren deel dat ziet op deescrowdie in de toekomst wordt uitgekeerd wordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf het moment dat de betaaltermijn van de factuur is verstreken tot aan het moment van algehele voldoening,
5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met het voldoen aan het onder 5.3 onder a en b bepaalde tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.328,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.. verklaart de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad en
5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.