ECLI:NL:RBAMS:2026:6790
Rezumatul Cauzei
Strafrecht; Materieel strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
vonnisRECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/056191-24
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. T. van Wanrooij) en van wat verdachte en zijn raadsman (mr. D. Fontein) naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de verzoeken tot schadevergoeding van benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]), beiden bijgestaan door mr. C.A. Bouw, en het verzoek tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3]), bijgestaan door mr. M.M. de Boer. De genoemde benadeelde partijen, de vader van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de moeder van [benadeelde partij 3] hebben daarnaast gebruikgemaakt van het spreekrecht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
het op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 19 december 2019 in Amsterdam en/of Amstelveen met [benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, plegen van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
het op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 1 juli 2023 in Amsterdam en/of Amstelveen met [benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
het op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2014 tot en met 9 september 2017 in Amsterdam en/of Amstelveen met [benadeelde partij 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, plegen van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
het op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2015 tot en met 9 september 2017 in Amsterdam en/of Amstelveen met [benadeelde partij 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen;
het op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 2 augustus 2018 in Amsterdam en/of Amstelveen en/of Zandvoort met [benadeelde partij 3], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
3.1. Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten.
De verklaringen van de drie aangeefsters zijn betrouwbaar. Van zogeheten storytellingtussen de aangeefsters en andere betrokkenen onderling is geen sprake.
Bij feit 1 kan voor wat betreft de leeftijd van [benadeelde partij 1] bij aanvang van de seksuele handelingen uitgegaan worden van haar verklaring dat deze zijn begonnen op haar elfde. [benadeelde partij 1] heeft consistent verklaard over haar leeftijd ten tijde van de start van de seksuele handelingen. Verdachte heeft wisselend verklaard over het startmoment, terwijl zijn verklaring over hoe en onder welke omstandigheden de eerste seksuele handeling (het met de hand in de broek gaan) plaatsvond, wel aansluit bij de verklaring van [benadeelde partij 1]. Het aankoopbewijs van de AirPods waarover [benadeelde partij 1] heeft verklaard, vormt bovendien een bevestiging van haar verklaring. Verdachte heeft alle ten laste gelegde ontuchtige handelingen bekend waar het [benadeelde partij 1] betreft, waaronder ook het binnendringen. Dit alles maakt dat zowel feit 1 als 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Voor wat betreft feit 3 kan steunbewijs worden gevonden voor de verklaring van [benadeelde partij 2] in haar dagboek en de door haar geschreven notitie en in de seksueel getinte berichten die verdachte naar haar heeft gestuurd. Ook de verklaring van [benadeelde partij 1] over hetgeen zij van [benadeelde partij 2] heeft gehoord ondersteunt de verklaring van [benadeelde partij 2]. Dit alles maakt dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Voor wat betreft feit 4 kan steunbewijs worden gevonden in de herkenning van verdachte van het moment van de door [benadeelde partij 2] beschreven situaties. Over het aanraken van de billen van [benadeelde partij 2] tijdens het spelen van verstoppertje, hetgeen [benadeelde partij 2] direct tegen haar ouders heeft gezegd, is daarnaast contact geweest met de vader van verdachte. Verdachte heeft bevestigd dat dit contact heeft plaatsgevonden. Ook dit alles dient als steunbewijs. Het voorgaande maakt dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Voor wat betreft feit 5 kan steunbewijs worden gevonden in de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] het incident op het toilet direct tegen haar moeder heeft verteld. Over dit incident is vervolgens contact geweest met verdachte. Verdachte heeft de situatie bovendien herkend en heeft zijn aanwezigheid bij [benadeelde partij 3] op het toilet bevestigd. Voor het incident in de zee kan steunbewijs gevonden worden in de foto die in het dossier aanwezig is. Ook de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] zichzelf op latere leeftijd beschadigd heeft (de gedragsverandering) en de door haar moeder en een vriendin van [benadeelde partij 3] bij haar waargenomen emotie bieden ondersteuning voor de verklaring van [benadeelde partij 3]. Dit alles maakt dat ook feit 5 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2. Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft een aantal vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Hun verklaringen bevatten tegenstrijdigheden, onzekerheden en aanwijzingen van onderlinge beïnvloeding. Ook bij de verklaring van [benadeelde partij 3] heeft de raadsman vraagtekens geplaatst. Haar verklaringen bevatten de nodige inconsistenties waar het gaat om de bewijsvraag.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde feit. Verdachte heeft de ten laste gelegde seksuele handelingen bekend. Hij stelt echter dat het eerste seksuele contact heeft plaatsgevonden toen [benadeelde partij 1] al twaalf jaar oud was, namelijk in januari 2020. [benadeelde partij 1] zelf heeft op dit punt niet consistent verklaard. Er is bovendien geen objectief of onafhankelijk steunbewijs dat het eerste seksuele contact in het elfde levensjaar van [benadeelde partij 1] plaatst. Het aankoopbewijs van de AirPods plaatst het eerste seksuele contact na de twaalfde verjaardag van [benadeelde partij 1] en biedt daarmee ondersteuning voor de verklaring van verdachte op dit punt.
Volgens de raadsman is feit 2 wettig en overtuigend te bewijzen, maar dient de pleegperiode aan te vangen in januari 2020.
De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit voor het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde. Het dossier bevat namelijk geen bewijs dat de verklaringen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] daadwerkelijk ondersteunt. Het bewijsminimum is daarmee niet gehaald.
3.3. Oordeel van de rechtbank
3.3.1. Feiten 1 en 2 ([benadeelde partij 1]): veroordeling
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
De verklaring van aangeefster
[benadeelde partij 1] heeft op 15 februari 2024 aangifte gedaan van jarenlang seksueel misbruik door verdachte, haar achterneef. Het misbruik heeft plaatsgevonden tijdens samenkomsten en gezamenlijke vakanties van verschillende gezinnen die deel uitmaakten van dezelfde familie/vriendengroep. De vader van verdachte is een neef van de vader van [benadeelde partij 1]. Tussen [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007) en verdachte bestaat een leeftijdsverschil van bijna zes jaar.
In haar aangifte verklaart [benadeelde partij 1] – samengevat – het volgende. Het misbruik is begonnen toen zij elf jaar oud was. [benadeelde partij 1] zat samen met haar zusje ([benadeelde partij 2]) en verdachte op zijn kamer (de rechtbank begrijpt: op het adres van verdachte in [woonplaats 1]). Dit was tijdens een barbecue in de zomer. Op een gegeven moment ging verdachte met zijn hand in de broek van [benadeelde partij 1] en ging hij met een vinger in haar vagina. [benadeelde partij 1] kan zich herinneren dat verdachte scherpe nagels had en dat het pijn deed. Dit vingeren door verdachte heeft in de periode daarna op meerdere momenten plaatsgevonden.Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] opnieuw verklaard dat verdachte meerdere keren met zijn vinger in haar vagina ging.Toen [benadeelde partij 1] (bijna) twaalf jaar oud was, was ze met haar gezin en het gezin van verdachte op vakantie in Zeeland. Dit was in de winter. [benadeelde partij 1] had op dat moment nieuwe AirPods. Verdachte heeft geholpen met het installeren daarvan. Hij begon haar op dat moment opnieuw te vingeren. Ook pakte hij de hand van [benadeelde partij 1] en deed deze in zijn broek, waarna ze hem met haar hand moest aftrekken. Later die avond/die nacht is [benadeelde partij 1] op verzoek van verdachte naar zijn kamer gegaan. Daar heeft [benadeelde partij 1] verdachte moeten pijpen. Vervolgens heeft verdachte [benadeelde partij 1] gebeft. Daarna zei verdachte tegen [benadeelde partij 1] dat ze op hem moest komen zitten. Verdachte is uiteindelijk tot de helft met zijn penis in [benadeelde partij 1] geweest. Dit deed heel veel pijn.In de periode daarna heeft [benadeelde partij 1] verdachte vaker moeten pijpen en heeft verdachte [benadeelde partij 1] verscheidene keren gevingerd en gebeft. Verdachte wreef ook met zijn stijve penis langs de vagina van [benadeelde partij 1]. Vanaf een gegeven moment was er ook vaak sprake van seks, waarbij verdachte met zijn penis in de vagina van [benadeelde partij 1] ging en klaarkwam. Al met al denkt [benadeelde partij 1] dat het ongeveer vijftien keer tot seks is gekomen.Tijdens het pijpen kwam verdachte klaar in de mond van [benadeelde partij 1] en moest ze zijn sperma doorslikken.Het is ook voorgekomen dat verdachte de borsten van [benadeelde partij 1] pakte en zijn penis ertussen deed, waarna hij met zijn penis heen en weer bewoog.De seks heeft voornamelijk plaatsgevonden op de slaapkamer van verdachte, maar ook een keer op de slaapkamer van [benadeelde partij 1](de rechtbank begrijpt: op haar adres in [woonplaats 2])en in Zeeland.De laatste keer dat er daadwerkelijk seksueel contact heeft plaatsgevonden was vóór de zomervakantie van 2023.Verdachte heeft na die tijd nog wel meermalen aan [benadeelde partij 1] gevraagd of ze nog een keer seks met hem wilde hebben.
De betrouwbaarheid van de verklaring
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde partij 1] betrouwbaar is. Ze heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gedetailleerd en consistent verklaard.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft al de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde seksuele handelingen met [benadeelde partij 1] bekend: het brengen van zijn vingers tussen haar schaamlippen, het likken van haar vagina, het beffen, het brengen van zijn penis in haar mond, het zich door haar laten pijpen en het haar zijn sperma door laten slikken, het pakken van haar hand en arm en het zich door haar laten aftrekken, het zichzelf en zijn penis door haar laten betasten, het duwen van zijn penis tussen haar schaamlippen, het met zijn penis over haar vagina wrijven, het betasten van haar borsten en het met zijn penis heen en weer bewegen tussen haar borsten.
Plaatsing in de tijd
Verdachte heeft alle seksuele handelingen bekend, maar plaatst de eerste keer dat seksueel contact heeft plaatsgevonden (de keer waar ook [benadeelde partij 1] over heeft verklaard, het aanraken van haar vagina op zijn kamer) in januari 2020. Dat zou betekenen dat [benadeelde partij 1] op dat moment al twaalf jaar oud was en dat vrijspraak moet volgen voor het onder 1 ten laste gelegde, zoals de raadsman heeft bepleit. De rechtbank gaat echter uit van de verklaring van [benadeelde partij 1] dat ze ten tijde van het eerste seksuele contact elf jaar oud was. De rechtbank komt tot deze vaststelling op grond van het navolgende.
[benadeelde partij 1] heeft consistent verklaard over het eerste moment dat verdachte verder ging dan vingeren. Ze heeft steeds verklaard dat dat moment tijdens een vakantie in de winter in Zeeland was en dat ze op dat moment nieuwe AirPods had gekregen.Verdachte had haar geholpen met de installatie daarvan. Dit moment in Zeeland was rond de twaalfde verjaardag van [benadeelde partij 1].Het moment van de aanschaf van de AirPods vindt verankering in het dossier. Deze AirPods zijn gekocht in Middelburg op 27 december 2019.Voorafgaand aan dat moment, waarbij verdachte met zijn penis vaginaal is binnengedrongen, is er meerdere keren sprake geweest van vingeren. Volgens [benadeelde partij 1] is dat al begonnen in de zomer voorafgaand aan de vakantie in Zeeland (in december 2019). Ook verdachte heeft verklaard dat sprake is geweest van een opbouw in de seksuele contacten voorafgaand aan die keer in Zeeland, en ook hij heeft verklaard dat het seksuele contact begonnen is met vingeren.Hij heeft echter verklaard dat de verdergaande handelingen (waaronder het met de penis vaginaal binnendringen) hebben plaatsgevonden in de zomer van 2020. Dit was volgens hem tijdens de tweede gezamenlijke vakantie in Zeeland. De rechtbank volgt echter – gelet op het voorgaande – de (betrouwbaar geachte) verklaring van [benadeelde partij 1] en plaatst de seksuele handelingen, waaronder het met de penis vaginaal binnendringen, in december 2019 gelet op de gedetailleerde en onderbouwde verklaring van [benadeelde partij 1] mede over het door verdachte installeren van de AirPods. Ook de verklaring van verdachte is in zoverre ondersteunend dat hij heeft verklaard dat deze handelingen in Zeeland hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat [benadeelde partij 1] in december 2019 twaalf jaar oud is geworden en dat zowel [benadeelde partij 1] als verdachte hebben verklaard dat voorafgaand aan het met de penis vaginaal binnendringen, diverse keren sprake is geweest van ontucht die bestond uit vingeren. Deze handelingen (het vingeren) hebben dus plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het verblijf in Zeeland in december 2019. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [benadeelde partij 1] op dat moment nog geen twaalf jaar oud was. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het onder 1 ten laste gelegde (seksueel binnendringen terwijl [benadeelde partij 1] jonger is dan twaalf jaar), en het onder 2 ten laste gelegde (ontucht terwijl [benadeelde partij 1] tussen de twaalf en zestien jaar oud is) worden bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht de onder 1 en 2 aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.3.2. Feiten 3 en 4 ([benadeelde partij 2]): vrijspraak
De verklaring van aangeefster
Ook de zus van [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte en heeft verklaard over een aantal incidenten. [benadeelde partij 2] heeft allereerst verklaard over een incident dat zich zou hebben voorgedaan toen ze op de kamer van verdachte was terwijl hij FIFA aan het spelen was. Hij zou haar billen hebben aangeraakt en zou met zijn vingers in haar vagina zijn gegaan. [benadeelde partij 2] noemt ook nog een keer waarbij verdachte haar aangeraakt zou hebben tijdens het kijken van een film samen met haar zus [benadeelde partij 1]. Van haar ouders heeft [benadeelde partij 2] gehoord dat verdachte ook een keer haar billen aangeraakt zou hebben tijdens het spelen van verstoppertje en dat hij toen gezegd zou hebben dat ze ‘lekkere billen’ had. [benadeelde partij 2] zou ten tijde van dit incident ongeveer vijf jaar oud geweest zijn. [benadeelde partij 2] zelf kan zich dit voorval niet herinneren, maar zou dit destijds aan haar opa en haar ouders hebben verteld. Haar ouders hebben dit later weer aan [benadeelde partij 2] verteld.
[benadeelde partij 2] heeft ook verklaard dat verdachte gedurende een langere periode (vanaf ongeveer haar zevende tot haar dertiende) seksueel getint chatverkeer met haar onderhield. In de in het dossier aanwezige screenshots van deze chats is onder andere te zien dat verdachte aan [benadeelde partij 2] vraagt of ze zichzelf al eens aangeraakt heeft.
De betrouwbaarheid van de verklaring
Zonder afbreuk te willen doen aan de ervaringen van [benadeelde partij 2], overweegt de rechtbank dat zij de betrouwbaarheid van hetgeen [benadeelde partij 2] heeft verklaard niet voldoende kan beoordelen. De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij 2] onvoldoende gedetailleerd en niet geheel consistent heeft verklaard over welke seksuele handelingen verdachte bij haar zou hebben verricht en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Er kan niet worden uitgesloten dat haar herinneringen in enige mate beïnvloed zijn door de gesprekken met [benadeelde partij 1] over haar ervaringen met verdachte, en dat zij ook is beïnvloed door de aangifte van [benadeelde partij 3]. Voor het incident tijdens het spelen van verstoppertje geldt meer in het bijzonder dat [benadeelde partij 2] zich dat incident zelf niet meer kan herinneren.
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hetgeen waarover [benadeelde partij 2] heeft verklaard al dan niet gebeurd is. In zijn ogen hebben de incidenten niet plaatsgevonden.
Steunbewijs
Daarnaast bevat het dossier ook onvoldoende steunbewijs om te komen tot een bewezenverklaring. Hoewel naar vaste rechtspraak het steunbewijs niet specifiek betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, dient de verklaring van de aangever steun te vinden in (een) ander(e) bewijsmiddel(en), afkomstig uit een andere bron, terwijl tussen dat steunbewijs en de inhoud van de verklaring niet een te ver verwijderd verband mag bestaan, zodat die verklaring niet op zichzelf staat. Onvoldoende is in ieder geval als het steunbewijs ‘slechts’ ondersteuning biedt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever.
Voor het incident waaraan [benadeelde partij 2] geen eigen herinnering meer heeft, geldt dat er enkel zogeheten de auditu-verklaringen in het dossier aanwezig zijn. Alle verklaringen over dat incident zijn immers van horen zeggen en daarbij afkomstig van dezelfde bron, namelijk [benadeelde partij 2]. Daar komt bij dat [benadeelde partij 2] haar opa hierover als eerst heeft geïnformeerd, maar dat haar opa zich van dit incident niets meer kan herinneren. Ook de seksueel getinte berichten tussen verdachte en [benadeelde partij 2] die zich in het dossier bevinden vormen geen concreet steunbewijs voor de incidenten waarover [benadeelde partij 2] verklaard heeft. Uit de berichten valt namelijk niet af te leiden dat er daadwerkelijk seksueel contact is geweest tussen [benadeelde partij 2] en verdachte. Voor de handgeschreven tekst in het dagboek van [benadeelde partij 2] geldt dat deze niet is gedateerd en voor een deel niet of slecht leesbaar is. Om deze reden kan dit dagboek geen voldoende steunbewijs vormen. De dagboeknotitie in de telefoon van [benadeelde partij 2] is van 25 december 2023, met andere woorden: jaren na het vermeende incident. Ook deze notitie kan daarom niet als steunbewijs dienen. Hetzelfde geldt voor de emotie die [benadeelde partij 2] getoond heeft bij het vertellen van haar verhaal, want dit vond pas jaren na het vermeende misbruik plaats, terwijl zij op dat moment al bekend was met de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3].
Conclusie
De rechtbank acht niet bewezen wat onder 3 en 4 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Vast staat wel dat verdachte zeer ongepaste en seksueel getinte berichten naar [benadeelde partij 2] heeft gestuurd, terwijl zij zeer jong was en er sprake was van een leeftijdsverschil van meer dan acht jaar met verdachte. Deze berichten zouden aangemerkt kunnen worden als grooming, maar dat is niet aan verdachte tenlastegelegd.
3.3.3. Feit 5 ([benadeelde partij 3]): vrijspraak
De verklaring van aangeefster
[benadeelde partij 3], een nichtje van verdachte, heeft ook aangifte tegen hem gedaan van seksueel misbruik. Toen [benadeelde partij 3] vijf jaar oud was zou verdachte met haar naar het toilet gegaan zijn en zou hij zijn penis tegen haar billen hebben aangehouden. [benadeelde partij 3] kan zich dit incident niet herinneren, maar zou het destijds tegen haar moeder verteld hebben. Haar moeder heeft het later weer aan [benadeelde partij 3] verteld. [benadeelde partij 3] kan zelf wel een incident op het strand herinneren dat plaatsgevonden zou hebben in augustus 2018. Ze was op dat moment acht jaar oud en zou tijdens een bezoek aan het strand met verdachte in zee zijn geweest. Op een gegeven moment was het te diep voor [benadeelde partij 3] om te staan en zou verdachte haar opgetild hebben. Tijdens het optillen zou hij met zijn hand aan haar vagina gezeten hebben.
De betrouwbaarheid van de verklaring
Zonder op de ervaringen van [benadeelde partij 3] af te dingen, geldt voor wat betreft de betrouwbaarheid van haar verklaring deels hetzelfde als voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij 2]. Aan het incident dat zich op het toilet zou hebben afgespeeld, toen zij vijf jaar oud was, heeft [benadeelde partij 3] zelf geen herinnering. Evenmin kan getoetst worden wat [benadeelde partij 3] precies heeft verteld over wat er gebeurd zou zijn en hoe het gesprek tussen [benadeelde partij 3] en haar moeder verlopen is. De verklaring van [benadeelde partij 3] over het incident in zee daarentegen acht de rechtbank wel betrouwbaar. [benadeelde partij 3] heeft op dit punt consistent en voldoende gedetailleerd verklaard.
De verklaring van verdachte
Ook over dit feit heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hetgeen waarover [benadeelde partij 3] heeft verklaard al dan niet is gebeurd. Volgens hem hebben de incidenten niet plaatsgevonden. Verdachte kan zich de bewuste dag op het strand wel herinneren. Hij zou toen met meerdere kinderen, waaronder [benadeelde partij 3], in zee hebben gespeeld. Zij waren daar samen met een aantal volwassenen en zij zouden de kinderen in zee hebben gegooid, waarbij hij ook [benadeelde partij 3] heeft vastgehouden.
Steunbewijs
Het dossier bevat ook voor het onder 5 tenlastegelegde onvoldoende steunbewijs om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. Voor het incident waaraan [benadeelde partij 3] geen eigen herinnering heeft, geldt dat er op dat punt enkel zogeheten de auditu-verklaringen in het dossier aanwezig zijn. Alle verklaringen zijn immers van horen zeggen en daarbij afkomstig van dezelfde bron, namelijk [benadeelde partij 3]. De chatberichten die zich in het dossier bevinden en die zouden gaan over het bespreken van het incident op het toilet met de vader van verdachte zijn onvoldoende concreet om hier als steunbewijs te dienen. De foto van de stranddag en de verklaring van verdachte dat hij zich die dag kan herinneren, bevestigen dat er een gezamenlijke stranddag was, maar bieden geen steun aan de verklaring van [benadeelde partij 3] voor zover die ziet op de aan verdachte tenlastegelegde handeling. De door anderen, waaronder een vriendin van [benadeelde partij 3] ([vriendin benadeelde partij 3]), bij [benadeelde partij 3] waargenomen emoties kunnen evenmin als steunbewijs dienen, omdat deze emoties pas vele jaren na het vermeende incident (toen [benadeelde partij 3] hierover naar buiten trad) zijn waargenomen. Ook de veranderingen in het gedrag, waarbij [benadeelde partij 3] zichzelf ook heeft beschadigd, zijn ernstig en naar, maar niet zonder meer (alleen) aan de verweten gedragingen te koppelen, en daarmee onvoldoende om op zichzelf als steunbewijs te dienen.
Conclusie
De rechtbank acht niet bewezen wat onder 5 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
in de periode van 20 december 2018 tot en met 19 december 2019 te Amstelveen met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], te weten het meermalen brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1];
t.a.v. feit 2:
in de periode gelegen tussen 20 december 2019 tot en met 1 juli 2023 in Nederland, met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], te weten het een of meermalen,
brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1] en
likken van de vagina van die [benadeelde partij 1] en
beffen van die [benadeelde partij 1] en
brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [benadeelde partij 1] en
zich laten pijpen door die [benadeelde partij 1] en
laten doorslikken van zijn sperma door die [benadeelde partij 1] en
pakken van de hand en arm van die [benadeelde partij 1] en
zich laten aftrekken en
zich laten betasten door die [benadeelde partij 1] en
laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij 1] en
brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1] en
wrijven met zijn, verdachtes, penis over de vagina van die [benadeelde partij 1] en
betasten van de borsten van die [benadeelde partij 1] en het heen en weer bewegen met zijn, verdachtes, penis tussen de borsten van die [benadeelde partij 1].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
7.1. Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie gaat in zijn geheel uit van het volwassenenstrafrecht en het daarbij horende sanctiestelsel. Hij verzoekt de gevorderde gevangenisstraf op te leggen voor het deel van de feiten dat vanaf het 16e levensjaar van verdachte is gepleegd. De rechtbank begrijpt zijn eis met het oog op de wet daarom zo, dat er voor de door de officier van justitie bewezen geachte feiten vóór het 16e levensjaar van verdachte geen straf geëist is.
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak wordt opgeheven.
Ook heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [benadeelde partij 3] gevorderd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Voor elke overtreding daarvan verzoekt de officier van justitie zeven dagen hechtenis te verbinden, met een maximum van zes maanden.
7.2. Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft allereerst gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn en heeft verzocht om deze overschrijding te verdisconteren in de strafmaat. De raadsman heeft daarnaast gewezen op een aantal strafmatigende omstandigheden. Hij ziet geen reden voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.
Voor het deel van de feiten dat gepleegd is vóór de achttiende verjaardag van verdachte heeft de raadsman verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Voor het deel van de feiten dat gepleegd is ná de achttiende verjaardag van verdachte heeft hij verzocht het adolescenten-strafrecht toe te passen.
7.3. Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van de feiten laten meewegen. Verdachte heeft gedurende vijf jaar zijn jongere achternichtje, [benadeelde partij 1], vele keren vergaand seksueel misbruikt. Hij heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van haar jonge leeftijd en het grote vertrouwen dat [benadeelde partij 1] in hem had. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] daarnaast ook emotioneel belast door haar voor te houden dat de familie uit elkaar zou vallen als het misbruik uit zou komen. Door de vergaande seksuele handelingen aan [benadeelde partij 1] op te leggen heeft verdachte haar lichamelijke en seksuele integriteit geschonden. Dit heeft bij [benadeelde partij 1] aanzienlijk psychisch letsel tot gevolg. Ze heeft jarenlang met een geheim moeten rondlopen. Haar seksuele ontwikkeling is door verdachte bovendien verstoord en doorkruist. De rechtbank heeft van verdachte het beeld gekregen dat hij vooral en alleen bezig is geweest met zijn eigen seksuele behoeften. In het opzoeken van zijn eigen seksuele grenzen is hij de grens van [benadeelde partij 1] ver overgegaan. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte zich niet heeft kunnen verplaatsen in de jonge leeftijd en daarbij behorende kwetsbaarheid van zijn jongere achternichtje. Op zitting heeft de rechtbank evenmin de indruk gekregen dat hij daar inmiddels wel volledig toe in staat is. Bij dit alles komt ook dat verdachte met zijn handelen veel kapot heeft gemaakt in de onderlinge verhoudingen in zijn familie. Dit raakt alle betrokkenen. De vergaande gevolgen blijken ook uit de slachtofferverklaring van [benadeelde partij 1] op de terechtzitting. Ook in de maatschappij wordt met afkeer en verontwaardiging hierop gereageerd.
De ernst van de feiten zoals hierboven omschreven weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte zijn problematiek en fouten in enige mate erkent. Hij is op dit punt tot op zekere hoogte open en is in behandeling geweest bij De Waag. Verder heeft hij veel in zijn leven op orde: hij heeft werk, woont samen met zijn vriendin en ervaart steun van zijn ouders en vrienden. Ook weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat verdachte gedurende een deel van de bewezenverklaarde periode minderjarig was.
Verdachte heeft in het kader van de onderhavige zaak gesproken met een psycholoog, hetgeen geresulteerd heeft in het Pro Justitia-rapport van 16 januari 2025. Bij De Waag is verdachte gediagnosticeerd met een ‘andere gespecificeerde parafiele stoornis’ met ‘niet-exclusieve hebefiele interesse’. Dit betekent volgens De Waag dat verdachte zich aangetrokken voelt tot vrouwen van zijn leeftijd en ouder, maar dat hij ook meisjes in de puberteit seksueel aantrekkelijk vindt waarbij reeds de secundaire geslachtskenmerken rijpen. De Pro Justitia-psycholoog die over verdachte heeft gerapporteerd sluit zich niet aan bij deze diagnose. Volgens deze psycholoog vormt een hebefiele voorkeur in formele zin geen parafiele stoornis. Verdachte is jong en de hebefiele voorkeur is niet erg uitgesproken en lijkt te vallen onder de nog weinig gedifferentieerde waaier van een nog beperkt gerijpte seksuele voorkeur. Volgens de psycholoog is er bij verdachte dan ook geen sprake van een psychische stoornis. Dit brengt met zich mee dat er geen sprake kan zijn van een vermindering van de mate waarin het tenlastegelegde aan verdachte kan worden toegerekend. Het herhalingsgevaar wordt door de psycholoog ingeschat als matig tot laag.
De reclassering heeft op 1 juni 2026 een rapport aangaande verdachte uitgebracht. Ook de reclassering spreekt van een matig tot laag recidiverisico. De behandeling die verdachte bij De Waag ondergaan heeft is inmiddels positief afgerond. De reclassering geeft aan geen meerwaarde te zien in het voortzetten van reclasseringsinterventies. Over de eventuele toepassing van het adolescentenstrafrecht heeft de reclassering als volgt gerapporteerd:
“Ten tijde van het ten laste gelegde woonde betrokken thuis en leek hij ontvankelijk voor sociale en emotionele ondersteuning van ouders en anderen. Echter is geen sprake van een licht verstandelijke beperking. Betrokkene komt conform kalenderleeftijd over. Er is sprake van voldoende handelingsvaardigheden. Wij hebben de indruk dat de [verdachte] de risico's van zijn handelen goed in
kan schatten, ook ten tijdens het ten laste gelegde; zo geeft hij in gesprek met ondergetekende te kennen dat hij wist dat wat hij deed, niet goed was. Daarnaast is er geen interventie en/of maatregel nodig die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De [verdachte] staat onder toezicht van de volwassenenreclassering. Alles samenvattend adviseren wij het volwassenenstrafrecht toe te passen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aan het begin van de bewezenverklaarde periode (de periode die hoort bij feit 1) de leeftijd van zestien jaar al had bereikt. Het is om die reden mogelijk om verdachte in zijn geheel volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. De rechtbank ziet, mede gelet op het hierboven aangehaalde advies van de reclassering, geen reden om dit niet te doen. Toepassing van het volwassenenstrafrecht is bij feiten die zich zowel tijdens minderjarigheid (vanaf het zestiende levensjaar) als tijdens de volwassenheid hebben afgespeeld het uitgangspunt. Gedurende een aanzienlijk deel van de bewezenverklaarde periode was verdachte meerderjarig. Ook in de manier en de wijze waarop verdachte blijkens de rapportages nu in het leven staat ziet de rechtbank geen reden om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte is dusdanig ontwikkeld dat plaatsing in een jeugdinrichting niet passend is. Verdachte heeft zelf hulp gezocht en heeft zijn behandeling afgerond. Dit alles ondersteunt de vaststelling dat hij als volwassene functioneert. Concluderend kiest de rechtbank voor toepassing van het volwassenenstrafrecht met het bijbehorende sanctiestelsel en houdt daarbij als hiervoor overwogen in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte deels minderjarig was.
De rechtbank overweegt als volgt over de strafmodaliteit en de hoogte daarvan. Het doel van de aan verdachte op te leggen straf dient, gelet op het lage tot matige recidiverisico, vooral ter vergelding en in het kader van algemene preventie. Bij feiten als de onderhavige is enkel een gevangenisstraf mogelijk. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de oriëntatiepunten die gelden voor zedenzaken en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De feiten in deze zaak zijn te ernstig om een taakstraf op te leggen, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank – gelet op het advies van de reclassering – geen reden. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn met een aantal maanden is overschreden. De rechtbank zou zonder overschrijding van deze termijn een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden hebben opgelegd.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden op, met aftrek van voorarrest. Bij het bepalen van deze straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de reeds hiervoor genoemde (persoonlijke) omstandigheden van verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank ziet geen reden om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat de omstandigheden sinds de schorsing niet zijn veranderd.
8. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
een computer (een HP RTL8821CE-notebook met serienummer [serienummer]) (goednummer PL1300-2024035768-6462760);
een telefoon (een rode Apple iPhone) (goednummer PL1300-2024035768-6462767).
De bovengenoemde voorwerpen zijn niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring en worden om die reden aan verdachte teruggegeven.
9. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
9.1. Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
9.1.1. De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 40.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het materiële deel van de vordering bestaat uit mogelijk toekomstige medische kosten. Deze mogelijke kosten zijn op dit moment nog niet te overzien. De benadeelde partij heeft verzocht om haar in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het bedrag is enkel gevorderd omdat de vordering in een eventuele procedure in hoger beroep niet meer verhoogd kan worden.
9.1.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1.3. Standpunt van de raadsman
Voor zover de vordering betrekking heeft op de schade die is voortgevloeid uit het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde feit heeft de raadsman, gelet op zijn verweer strekkende tot vrijspraak voor dat feit, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde materiële schade, dan wel om dit deel van de vordering af te wijzen.
Over de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Het bestaan van klachten en de PTSS-diagnose wordt niet betwist. De raadsman heeft verzocht het eventueel toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag dat past bij de omvang en de ernst van de bewezenverklaarde handelingen. Daarbij moet onder andere betrokken worden dat verdachte tijdens een aanzienlijk deel van de pleegperiode zelf minderjarig was.
9.1.4. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij, conform haar eigen verzoek, niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot schadevergoeding voor zover dat ziet op de gevorderde materiële schade van € 1.000,-.
Vast staat daarnaast dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit en de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat er bij de benadeelde partij sprake is van PTSS blijkt genoegzaam uit de aangeleverde stukken van de psycholoog en is bovendien niet betwist.
De rechtbank zoekt, net als de benadeelde partij, aansluiting bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank gaat echter uit van andere categorieën. Bij hoofdstuk 14, paragraaf 2 (PTSS) zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie c) (middelzwaar). Bij die categorie hoort een bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,-. Bij hoofdstuk 15, paragraaf 2 (ontucht met binnendringen) zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie a) (meest ernstig). Bij die categorie hoort een bandbreedte van € 12.500,- tot € 32.000,-. Bij de verschillende bandbreedtes is het niet zo dat bedragen bij elkaar opgeteld worden. De verschillende categorieën moeten in samenhang bekeken worden. In het kader van de opgelopen PTSS (door de ontuchtige handelingen) bepaalt de rechtbank de immateriële schade op € 15.000,-. In het kader van de bedragen die bij ontucht horen bepaalt de rechtbank de (aanvullende) immateriële schade op € 5.000,-. De benadeelde partij heeft verzocht om het toe te kennen bedrag twee keer met 25% te verhogen, enerzijds omdat het gaat om een slachtoffer tot en met 14 jaar en anderzijds omdat het een uiterst verwijtbare gedraging betreft. De rechtbank merkt echter op dat deze omstandigheden al zijn verdisconteerd in de in de Rotterdamse Schaal genoemde categorieën. Zo ziet hoofdstuk 14, paragraaf 2 al op PTSS als gevolg van onder andere seksueel misbruik (per definitie een opzetdelict). Hoofdstuk 15, paragraaf 2 ziet daarnaast reeds op ontucht met binnendringen bij benadeelden tot 16 jaar oud.
Het bovenstaande maakt dat de rechtbank de totale immateriële schade waardeert op € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij de bepaling van de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van de datum die zich in het midden van de bewezenverklaarde periode bevindt.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.2. Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 12.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 22.650,- aan vergoeding van materiële schade en € 33.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Omdat verdachte zal worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], zal de rechtbank deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
feit 2:
met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte], van:
een computer (een HP RTL8821CE-notebook met serienummer [serienummer]) (goednummer PL1300-2024035768-6462760);
een telefoon (een rode Apple iPhone) (goednummer PL1300-2024035768-6462767).
Ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 20.000 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat
€ 20.000 (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]:
Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]:
Verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Grüschke, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en A.Ş. Doğan, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en M. Khalil, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.
[…]
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 060 onder ‘Aangever’.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, vierde antwoord.
Proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris op 25 februari 2025, blad 2 onderaan en blad 3 bovenaan.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, laatste antwoord en pagina 062, eerste helft.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina’s 063 t/m 065.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 066, vierde en vijfde antwoord.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 066, laatste antwoord.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 067, bovenaan.
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 064, laatste antwoord.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2026.
Zie naast de reeds besproken aangifte op dit punt ook het proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris op 25 februari 2025, blad 3 (eerste helft), blad 6 (eerste helft), blad 7 (eerste helft) en blad 10 (eerste helft).
Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, laatste antwoord.
Proces-verbaal van bevindingen met nummer 24 en documentcode 19284807, doorgenummerde pagina’s 277 en 278.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2026.
Gerechtshof Amsterdam, 8 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1576.