[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2023-20232":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2023-20232":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"753","ECLI:NL:RBDHA:2023:20232","",58,"Den Haag","den-haag","2023-12-20T00:00:00.000Z","VonnisRECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam handel\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F636623 \u002F HA ZA 22-867\n\nVonnis van 20 december 2023\n\nin de zaak van\n\n1. VEGA INTERNATIONAL CAR-TRANSPORT AND LOGISTIC-TRADING GESELLSCHAFT M.B.H., te Salzburg (Oostenrijk),\n\n2. VEGA INTERNATIONAL CAR-TRANSPORT GMBH, te Ulm (Duitsland),\n\neisers,\n\nadvocaat mr. D.G.J. Sanderink te Enschede,\n\ntegen\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. E.H. Pijnacker Hordijk te Den Haag.\n\nPartijen zullen hierna VEGA en de Staat genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 11 oktober 2022, met producties 1 tot en met 35,\n\nde conclusie van antwoord,\n\nhet tussenvonnis van 5 juli 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nde akte overlegging producties van de Staat, met producties 1 tot en met 9.\n\n1.2.. Op 8 november 2023 is de mondelinge behandeling gehouden. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen, die tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\nDeze zaak gaat, kort weergegeven, over het volgende.2.1.. VEGA is een in Duitsland en Oostenrijk gevestigde transportonderneming. VEGA vervoert in opdracht van klanten voertuigen binnen de EU, in het bijzonder trekkers van vrachtwagens. Het gaat veelal om fabrieksnieuwe voertuigen. VEGA brengt de motorvoertuigen over, door deze op hun eigen wielen over de weg (dus niet via ‘truck-on-truck’ vervoer) van de fabriek naar vestigingen of afnemers van de fabrikant in andere EU-lidstaten te rijden. De voertuigen zijn geen eigendom van VEGA. VEGA is alleen de transporteur en levert de chauffeurs. VEGA maakt daarvoor gebruik van eigen chauffeurs of van zzp’ers.\n\n2.2.. De nieuwe voertuigen die VEGA vervoert staan nog niet ingeschreven in Nederland of in een andere lidstaat. Voor de overbrenging beschikt VEGA over Oostenrijkse en Duitse ‘handelaarskentekens’. Deze handelaarskentekens zijn daartoe door de bevoegde autoriteiten in Oostenrijk en Duitsland aan VEGA afgegeven. De handelaarskentekens worden door VEGA op de over te brengen voertuigen aangebracht. Op de eindbestemming worden de kentekens weer verwijderd. De over te brengen voertuigen zijn tijdens de rit verzekerd door de verzekeringsmaatschappij van VEGA.\n\n2.3.. Een belangrijk onderdeel van de vervoersactiviteiten van VEGA betreft het vervoer van fabrieksnieuwe voertuigen vanuit Gent (België) via Nederland naar Duitsland. Een deel van de voertuigen wordt dan vanuit Duitsland verder vervoerd (via het spoor) naar eindbestemmingen elders in Europa. De Nederlandse politie houdt met enige regelmaat chauffeurs van VEGA in Nederland staande tijdens het overbrengen van de voertuigen. Ook worden dan met enige regelmaat voertuigen in beslag genomen en boetes opgelegd aan de chauffeurs. De reden hiervoor is dat de Nederlandse autoriteiten zich op het standpunt stellen dat de door VEGA gebruikte Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens geen kentekens zijn als bedoeld in de artikelen 36 en 37 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).\n\n2.4.. Artikel 36 WVW 1994 bepaalt, kort gezegd, dat aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig op de weg door de Dienst Wegverkeer (RDW) een geldig kenteken voor dat voertuig moet zijn afgegeven. Artikel 37 lid 1 onder b WVW 1994 houdt een uitzondering in voor voertuigen met een buitenlands kenteken. Artikel 37 lid 1 onder b bepaalt dat artikel 36 VWW 1994 niet van toepassing is op:\n\n“in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen en aanhangwagens, die zich in het internationaal verkeer bevinden, mits ter zake van de registratie van het betrokken voertuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een bewijs is afgegeven dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de tussen Nederland en het betrokken land van kracht zijnde internationale overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet aan de eisen die in die overeenkomst dan wel bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van die overeenkomst aan dat voertuig worden gesteld met betrekking tot de toelating tot het internationaal verkeer.”\n\n2.5.. De Staat neemt het standpunt in dat de Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens van VEGA niet aan artikel 37 lid 1 onder b WVW 1994 voldoen, omdat de voertuigen waarvoor een handelaarskenteken wordt gebruikt niet in het buitenland geregistreerd zijn. De handelaarskentekens staan namelijk op naam van de onderneming (VEGA) en zijn niet gekoppeld aan een bepaald voertuig, aldus – kort weergegeven – de Staat.\n\n2.6.. VEGA stelt – kort gezegd – dat de Staat in strijd handelt met het vrije verkeer van goederen, zoals gewaarborgd door de artikelen 34 en 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie(‘WVEU’) door VEGA te verbieden om met voertuigen met Oostenrijkse of Duitse handelaarstekens in Nederland op de openbare weg te rijden (hierna kortheidshalve te noemen: ‘het Verbod’). Ook is VEGA van mening dat het Verbod een beperking vormt van de door de artikelen 15 lid 2 en\u002Fof 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘het Handvest’) gewaarborgde vrijheden omdat het Verbod VEGA belemmert bij het verrichten van haar diensten en het verrichten van haar economische activiteiten en handelsactiviteiten.\n\n2.7.. VEGA heeft vanaf begin 2021 overleg gevoerd met de Staat over haar gebruik van de Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens in Nederland. Tijdens deze gesprekken is onder meer aan de orde gekomen dat de Staat het gebruik van Belgische, Luxemburgse en Duitse handelaarskentekens op de Nederlandse wegen onder bepaalde voorwaarden en voor bepaalde doeleinden toestaat, op grond van respectievelijk een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 2 december 1992 (hierna ook te noemen: ‘de Benelux-beschikking’) en een internationale afspraak met Duitsland, vervat in een brief van het Duitse Bundesministerium für Verhehr, Bau und Stadsentwicklung van 2 april 2009. De transportactiviteiten van VEGA vallen buiten de met Duitsland gemaakte afspraak, omdat tussen Nederland en Duitsland alleen is afgesproken dat het handelaarskenteken mag worden gebruikt voor de overbrenging van voertuigen van het bedrijf zelf en voor de opbouw en ombouw van of herstelwerkzaamheden aan het voertuig.\n\n2.8.. Tijdens verdere gesprekken in 2022 heeft de Staat te kennen gegeven op zichzelf ervoor open te staan om ook met Oostenrijk in bilateraal verband afspraken te maken over het gebruik van handelaarskentekens. Het was in oktober 2022 nog niet duidelijk of zo’n bilateraal verdrag zal worden gesloten en zo ja, wanneer en of zo’n verdrag het gebruik van handelaarskentekens voor de activiteiten van VEGA zal toestaan. De Staat heeft aan VEGA medegedeeld dat zij tot het (mogelijke) moment dat enig verdrag tot stand komt, handhavend zal blijven optreden tegen het gebruik van Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens in Nederland.\n\n2.9.. VEGA is daarop deze bodemprocedure begonnen, waarin VEGA – kort weergegeven – een verklaring voor recht vordert dat het Verbod in strijd is met het door het WVEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen (zie hierna, onder 3).\n\n2.10.. VEGA erkent daarbij dat VEGA en haar chauffeurs geen onbeperkt recht hebben om met voertuigen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens over de weg te rijden, gezien het algemeen belang van verkeersveiligheid en het tegengaan van strafbare feiten. VEGA is dan ook van mening dat dit vervoer aan bepaalde cumulatieve voorwaarden moet voldoen, vergelijkbaar met de voorwaarden die in de Benelux-beschikking zijn gesteld voor het gebruik van Belgische en Luxemburgse handelaarskentekens in Nederland. De door VEGA genoemde voorwaarden voor het rijden en\u002Fof stilstaan op de Nederlandse wegen met voertuigen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens houden het volgende in:\n\nHet kentekenbewijs dat hoort bij de handelaarskentekens die op het voertuig zijn aangebracht, is in het voertuig aanwezig;\n\nDe handelaarskentekens die op het voertuig zijn aangebracht, worden gebruikt in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat die de handelaarskentekens heeft afgegeven;\n\nHet voertuig is verzekerd tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer in Nederland aanleiding kan geven en het bij die verzekering behorende verzekeringsbewijs is aanwezig in het voertuig;\n\nIn het voertuig is een document aanwezig waaruit de verzender, de ontvanger, het vertrekpunt en de eindbestemming van de overbrenging van het voertuig met de handelaarskentekens blijken; en\n\nDe deelname van het voertuig aan het verkeer in Nederland vindt plaats in het kader van de overbrenging van dat voertuig binnen de EU.\n\n3. Het geschil3.1.. VEGA vordert in deze procedure – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nvoor recht verklaart dat de artikelen 36 en 37 WVW 1994 wegens strijd met het VWEU en\u002Fof het Handvest ten aanzien van VEGA en haar chauffeurs buiten toepassing moeten blijven, voor zover zij bij de overbrenging van voertuigen Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens gebruiken en aan de hiervoor onder 2.10 omschreven voorwaarden voldoen;\n\nvoor recht verklaart dat VEGA en haar chauffeurs op grond van het VWEU en\u002Fof het Handvest het recht hebben met voertuigen met Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens over de Nederlandse wegen te rijden en\u002Fof daarop stil te staan in het kader van de overbrenging van die voertuigen, voor zover zij daarbij aan de onder 2.10 genoemde voorwaarden voldoen en de wettelijke voorschriften naleven die geen betrekking hebben op de kentekenplicht als bedoeld in de artikelen 36 en 37 WVW 1994;\n\nde Staat verbiedt om strafrechtelijke en\u002Fof bestuursrechtelijke maatregelen tegen VEGA, haar chauffeurs en\u002Fof door hen overgebrachte voertuigen te treffen of door de politie te doen treffen om de enkele reden dat die voertuigen met Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens op de Nederlandse weg rijden of stilstaan, mits zij aan de onder 2.10 omschreven voorwaarden voldoen;\n\nbepaalt dat de Staat aan VEGA een dwangsom van € 10.000 verbeurt voor elke strafrechtelijke en\u002Fof bestuursrechtelijke maatregel die de Staat in strijd met het onder iii. bedoelde verbod tegen VEGA, haar chauffeurs en\u002Fof door hen overgebrachte voertuigen treft of door de politie doet treffen;\n\nmet veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet betaling binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis.\n\n3.2.. De Staat heeft verweer gevoerd. De Staat is van mening dat de vorderingen van VEGA niet-ontvankelijk verklaard moeten worden voor zover zij op de individuele chauffeurs zien en voor het overige moeten worden afgewezen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.\n\n4. De beoordelingIs VEGA ontvankelijk in al haar vorderingen?\n\n4.1.. Centraal in deze zaak staat de uit de artikelen 36 en 37 WVW 1994 voortvloeiende kentekenplicht, op grond waarvan het voor ondernemingen zoals VEGA niet is toegestaan om (nog niet in Nederland of het buitenland geregistreerde) voertuigen met gebruikmaking van Oostenrijkse of Duitse handelaarskentekens op hun eigen wielen over de Nederlandse weg te rijden. Tussen partijen is in geschil of het Verbod een ontoelaatbare beperking vormt op het vrije verkeer van goederen, zoals dat wordt gewaarborgd door de artikelen 34 en 35 WVEU.\n\n4.2.. De Staat heeft vóór alle inhoudelijke verweren aangevoerd dat de vorderingen van VEGA voor een deel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, namelijk voor zover VEGA in deze procedure mede opkomt voor de belangen van de chauffeurs. De individuele chauffeurs kunnen een strafbeschikking afwachten en hun klachten over de rechtmatigheid van de artikelen 36 en 37 WVW 1994 door de strafrechter laten toetsen aan het Europees Unierecht. Er staat hiermee voor de individuele chauffeurs een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open, aldus de Staat.\n\n4.3.. De rechtbank volgt de Staat niet in dit verweer. Met VEGA is de rechtbank van oordeel dat VEGA met de toevoeging ‘en haar chauffeurs’ niet beoogt op te komen voor de (gebundelde) individuele belangen van haar chauffeurs, maar dat VEGA hiermee opkomt voor haar eigen commerciële bedrijfsbelang om haar chauffeurs zonder belemmeringen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens voertuigen te kunnen laten vervoeren over de Nederlandse weg. Bij alle ingestelde vorderingen gaat het om dit eigen (bedrijfseconomische) belang van VEGA. VEGA ondervindt op dit moment rechtstreeks hinder van het uit de artikelen 36 en 37 WVW 1994 voortvloeiende Verbod, omdat zij niet met haar handelaarskentekens door Nederland kan rijden, ook omdat – volgens VEGA – sommige chauffeurs dat inmiddels weigeren. VEGA kan zich tot de burgerlijke rechter wenden om een oordeel te krijgen over de verbindendheid of de rechtmatigheid van het Verbod (wegens mogelijke strijd met Europees Unierecht). Van VEGA kan niet worden verlangd dat zij het op strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregelen laat aankomen, om deze vraag beantwoord te krijgen.VEGA is dus ontvankelijk in al haar vorderingen.\n\nIs het Verbod een kwantitatieve beperking als bedoeld in de artikelen 34 en 35 WVEU?\n\n4.4.. De Staat heeft aanvankelijk in de conclusie van antwoord nog aangevoerd dat het hem niet duidelijk is of, en zo ja waarom, VEGA op grond van Duitse en Oostenrijkse regelgeving gerechtigd is om handelaarskentekens te gebruiken voor haar activiteiten. VEGA heeft vervolgens voorafgaand aan de zitting de betreffende Duitse en Oostenrijkse nationale wettelijke voorschriften overgelegd, op grond waarvan aan VEGA Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens zijn afgegeven.VEGA heeft toegelicht dat zij op grond van die nationale wetgeving de aan haar uitgegeven handelaarskentekens mag gebruiken voor het overbrengen van (nieuwe) voertuigen op hun eigen wielen. Uit randnummer 3.2 van de pleitnota van de Staat maakt de rechtbank op dat de Staat – gezien deze nadere toelichting – niet langer betwist dat de Duitse en Oostenrijkse wetgeving het gebruik van nationale handelaarskentekens door transportondernemingen zoals VEGA toestaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de Staat – op grond van het Unierechtelijk gewaarborgde vrije verkeer van goederen – vervolgens moet toestaan dat die uitgegeven buitenlandse handelaarskentekens ook op Nederlands grondgebied door VEGA kunnen worden gebruikt voor de invoer en overbrenging van voertuigen.\n\n4.5.. Bij de beantwoording van deze vraag moet, allereerst, het volgende worden vooropgesteld. Er is op EU niveau wel geharmoniseerde regelgeving met betrekking tot de wederzijdse erkenning van de kentekenbewijzen die door andere lidstaten bij de inschrijving van motorvoertuigenzijn afgegeven. Zo bepaalt artikel 4 van de Richtlijn 1999\u002F37\u002FEG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (hierna: ‘de Kentekenbewijzenrichtlijn’) dat lidstaten het door een andere lidstaat afgegeven kentekenbewijs erkennen voor de identificatie van het voertuig in het wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat. Ook het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer, Wenen van 8 november 1968(hierna: ‘het Verdrag’) – waarvan artikel 37 lid 1 onder b van de WVW 1994 de implementatie vormt – neemt de inschrijving van een voertuig met een daaraan gekoppeld kentekenbewijs als grondslag voor de internationale wederzijdse erkenning en het toestaan van het gebruik van die voertuigen op de weg.\n\n4.6.. Echter: er is op EU niveau geen geharmoniseerde regelgeving voor de verstrekking en de erkenning van handelaarskentekens, die niet aan een (ingeschreven) voertuig zijn gekoppeld. Het ontbreken van een gemeenschappelijke regeling op dit gebied betekent, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘het HvJEU’), dat de individuele lidstaten bij uitsluiting bevoegd zijn om zelf voorschriften te stellen voor de erkenning en de toelating van handelaarskentekens op hun grondgebied. Wel moeten de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid de in het WVEU opgenomen fundamentele vrijheden eerbiedigen, waaronder dus ook het vrije verkeer van goederen, zoals beschermd door de artikelen 34 en 35 WVEU.\n\n4.7.. Een eerste geschilpunt tussen partijen is of in dit geval wel sprake is van een beperking van het vrije verkeer van goederen. VEGA stelt dat dit zo is, maar de Staat betwist dat. Volgens de Staat volgt uit de Europese jurisprudentie dat, wil sprake zijn van een beperking van het vrije verkeer van goederen, moet komen vast te staan dat ofwel (1) buitenlandse ondernemers minder gunstig worden behandeld dan binnenlandse ondernemers, ofwel (2) de toegang van bepaalde goederen op een markt in aanzienlijke mate wordt beperkt. De Staat verwijst daartoe naar de uitspraken van het HvJEU C-591\u002F17 (Oostenrijk\u002FDuitsland), punten 120 tot en met 122, en C-110\u002F05 (Commissie\u002FItalië), punten 56 tot en met 58.\n\n4.8.. Van discriminatie (1) is volgens de Staat geen sprake, omdat het ook voor Nederlandse ondernemingen niet is toegestaan om handelaarskentekens te gebruiken voor de handelstransacties zoals VEGA die voor ogen heeft. Handelaarskentekens kunnen in Nederland namelijk alleen maar door twee groepen (rechts)personen worden verkregen. De eerste groep betreft (in Nederland ingeschreven) ondernemingen met een erkenning ‘bedrijfsvoorraad’, die in voertuigen handelen die zij in hun bedrijfsvoorraad hebben opgenomen om te verkopen en waarbij het handelaarskenteken kan worden gebruikt voor bijvoorbeeld een proefrit. De tweede groep omvat exploitanten van een onderneming die voertuigen bedrijfsmatig herstellen of bewerken en waarbij het voertuig met een handelaarskenteken voor een derde wordt gebracht, gehaald of getest, bijvoorbeeld in het kader van een reparatie of een poetsbeurt. Een vervoersbedrijf zoals VEGA kan in Nederland dus geen handelaarskenteken verkrijgen.\n\n4.9.. Ook de markttoegang van goederen (het toelaten van niet-geregistreerde voertuigen) wordt door het Verbod niet belemmerd (2). Ook zonder handelaarskenteken kunnen niet-geregistreerde voertuigen in Nederland worden ingevoerd en overgebracht. Eventuele belemmeringen zijn hoe dan ook te onzeker en indirect om te kunnen spreken van een beperking van het vrije verkeer van goederen, aldus – telkens en kort weergegeven – de Staat.\n\n4.10.. De rechtbank gaat niet mee in dit betoog van de Staat. Daarvoor is het volgende redengevend. Gezien de activiteiten van VEGA, gaat het in deze procedure met name erom of VEGA goederen (voertuigen) in Nederland met gebruikmaking van Duitse of Oostenrijkse handelaarskentekens moet kunnen invoeren of via Nederland moet kunnen doorvoeren naar een andere EU-lidstaat (met name Duitsland). Artikel 34 WVEU verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen tussen de lidstaten en maatregelen van gelijke werking. Onder ‘maatregel van gelijke werking’ wordt volgens vaste rechtspraak van het HvJEU verstaan iedere overheidsmaatregel die de handel tussen de lidstaten direct of indirect, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren.Ook volgt uit de rechtspraak van het HvJEU dat het vrije verkeer van goederen één van de fundamentele beginselen van het WVEU is en dat dit vrije verkeer een algemeen beginsel van vrije doorvoer van goederen binnen de Europese Unie (hierna: ‘de EU’) impliceert. Maatregelen die de doorvoer van goederen binnen de EU over een bepaalde route met een bepaald vervoersmiddel belemmeren kunnen dan ook onverenigbaar zijn met de uit de artikelen 34 en 35 WVEU voortvloeiende verplichtingen, ook als er alternatieve routes en andere vervoerswijzen zijn om de betrokken goederen te kunnen transporteren.\n\n4.11.. De rechtbank stelt vervolgens vast dat VEGA voldoende gemotiveerd en onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het Verbod VEGA ertoe dwingt om:\n\nofwel over te brengen voertuigen om Nederland heen te rijden, met langere transporttijden en extra kosten tot gevolg;\n\nofwel de voertuigen op een oplegger te vervoeren (‘truck-on-truck’), wat complexer, duurder en trager is dan vervoer op eigen wielen,\n\nofwel elk van de voertuigen enkel voor het vervoer in of door Nederland in een andere lidstaat te registreren, wat meer administratie vraagt en eveneens extra kosten met zich brengt.\n\nHet Verbod raakt volgens VEGA meer dan 300 voertuigen per week en dus duizenden voertuigen per jaar. VEGA heeft eveneens gesteld dat chauffeurs vanwege de aanhoudingen en maatregelen van de Nederlandse politie weigeren om door Nederland te rijden.\n\n4.12.. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende onderbouwd dat het Verbod nadelige gevolgen kan hebben voor de invoer van goederen naar Nederland en voor de doorvoer van goederen binnen de EU via Nederland en omgekeerd, omdat transportondernemingen zoals VEGA door het Verbod af kunnen zien van het vervoer van voertuigen naar en via Nederland, of gedwongen worden om te kiezen voor duurdere en minder efficiënte alternatieven. Het Verbod moet daarmee worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, die in beginsel onverenigbaar is met de uit artikelen 34 en 35 WVEU voortvloeiende verplichtingen, tenzij die maatregel kan worden gerechtvaardigd door één van de in artikel 36 VWEU omschreven redenen van algemeen belang of op grond van dwingende vereisten. De rechtbank gaat hierna in op de vraag of zo’n rechtvaardigingsgrond zich hier voordoet.\n\nIs de beperking gerechtvaardigd?\n\n4.13.. Volgens vaste Europese rechtspraak kan een belemmering van het vrije verkeer van goederen worden gerechtvaardigd door één van de in artikel 36 VWEU omschreven redenen van algemeen belang of op grond van dwingende vereisten, zoals – maar niet alleen – de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid en de verkeersveiligheid.Wel moet de beperkende maatregel, om een beperking op het vrije verkeer van goederen te rechtvaardigen, aan het evenredigheidsbeginsel voldoen. Dit houdt in dat de beperkende maatregelen geschikt moeten zijn om de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen van algemeen belang te verzekeren (geschiktheidseis) en niet verder mogen gaan dan voor het bereiken van die doelstellingen noodzakelijk is (noodzakelijkheidseis). Verder is in de Europese rechtspraak het volgende opgemerkt met betrekking tot de toets of een beperkende maatregel in kwestie voldoende evenredig is:\n\n Een beperkende maatregel kan alleen geschikt worden geacht om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, wanneer het bereiken daarvan daadwerkelijk op coherente en stelselmatige wijze wordt nagestreefd.\n\n Het is aan de nationale autoriteiten van de lidstaat om aan te tonen dat de beperkende regeling passend en noodzakelijk is om de gestelde doelen te bereiken en dat die doelen niet kunnen worden bereikt met gebodsbepalingen of beperkingen die minder ver gaan of minder nadelig zijn voor de handel binnen de EU.\n\n De lidstaat moet deugdelijk bewijs of een onderzoek overleggen waaruit de geschiktheid en de evenredigheid van de genomen beperkende maatregel blijkt.\n\n Wel moet hierbij in acht worden genomen dat het, bij gebreke van geharmoniseerde regelgeving, aan de lidstaat is om te beslissen op welk niveau hij de bescherming van de verkeersveiligheid wil verzekeren en hoe dit moet gebeuren. De lidstaat beschikt hier dus over een bepaalde beoordelingsmarge. Dat betekent dat de op de lidstaat rustende bewijslast niet zo ver gaat dat hij positief moet aantonen dat met geen enkele andere voorstelbare maatregel het bereiken van de nagestreefde doelstelling onder dezelfde omstandigheden kan worden verzekerd. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om een doelstelling zoals de verkeersveiligheid te verwezenlijken door algemene en eenvoudige regels in te voeren die bestuurders gemakkelijk kunnen begrijpen en toepassen en die de bevoegde autoriteiten zonder moeilijkheden kunnen handhaven en controleren.\n\n4.14.. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat het verbod op het gebruik van handelaarskentekens voor de overbrenging van voertuigen wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, namelijk het belang van een effectieve handhaving van wet- en regelgeving ter bescherming van onder meer de verkeersveiligheid, milieuvoorschriften en de bestrijding van criminaliteit, zoals het voorkomen van fraude en de handel in gestolen voertuigen. Tussen partijen staat – terecht – niet ter discussie dat dit op zichzelf doelstellingen van algemeen belang zijn die, mits evenredig, een beperking op het vrije verkeer van goederen kunnen rechtvaardigen. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Verbod aan het evenredigheidsbeginsel voldoet. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat dit zo is. Daartoe wordt het volgende overwogen.\n\n4.15.. Vast staat dat de Staat voor de controle op en sanctionering van strafbare feiten (zoals verkeersovertredingen) onder meer gebruik maakt van geautomatiseerde systemen van kentekenherkenning, via het Automatic Number Plate Recognition(ANPR) systeem. Een speciale camera met ANPR-techniek leest kentekens van voorbijrijdende voertuigen en vergelijkt die met kentekens uit een achterliggend databestand. Bij kentekens uit andere lidstaten maakt de Staat hiervoor gebruik van de Europese softwaretoepassing EUCARIS (European Vehicle and Driving Licence Information System). Bij voertuiggeregistreerde kentekens kunnen via EUCARIS details worden gevonden over het merk en type voertuig, het bouwjaar en bepaalde technische gegevens (onder andere de voertuigcategorie), alsook gegevens over de eigenaar van het voertuig. Dit is anders bij buitenlandse handelaarskentekens. De Staat heeft met een voorbeelduitdraai uit EUCARIS laten zien – en voldoende onderbouwd – dat bij een zoektocht op een (Duits) handelaarskenteken geen gegevens kunnen worden gevonden over het bij dat kenteken behorende voertuig of de eigenaar van dat voertuig. Wel is de houder van het kenteken te zien (in VEGA’s geval: VEGA).\n\n4.16.. Volgens de Staat belemmert dit ontbreken van de voertuiggegevens bij buitenlandse handelaarskentekens de effectieve handhaving van wet- en regelgeving op (onder andere) het gebied van de verkeersveiligheid en milieuvoorschriften. Zo zijn in sommige gevallen de technische gegevens van het voertuig van belang om te kunnen vaststellen of er überhaupt een overtreding is begaan, bijvoorbeeld als het gaat om overtreding van milieuvoorschriften (het niet eerbiedigen van milieuzones) waarvoor de technische specificaties van een voertuig van belang kunnen zijn.\n\n4.17.. Ook is de registratie van het voertuig van belang voor de efficiënte handhaving op verkeersveiligheidsgerelateerde overtredingen. De Staat heeft in dit verband gewezen op de Cross Order EnforcementRichtlijn (EU) 2015\u002F413met betrekking tot de preventie en handhaving van verkeersveiligheid gerelateerde verkeersovertredingen (hierna ook: ‘de CBE-richtlijn’), die tot doel heeft verkeersregels binnen de EU effectiever te handhaven door de toepassing van sancties te vergemakkelijken, ongeacht de lidstaat waar het voertuig is ingeschreven. In artikel 4 van de CBE-richtlijn is bepaald dat de lidstaten voor onderzoek naar verkeersveiligheidsgerelateerde overtredingen (automatisch) gegevens met betrekking tot voertuigen en gegevens met betrekking tot de eigenaar of houder van het voertuig uit elkaars kentekenregisters moeten kunnen opvragen. Als sprake is van een buitenlands geregistreerd kenteken worden die gegevens door de Staat uit EUCARIS gehaald en worden boetes opgelegd aan de kentekenhouder conform de CBE-richtlijn. Buitenlandse handelaarskentekens zijn niet (voertuig)geregistreerd, waardoor de handhaving bij voertuigen met een handelaarskenteken minder goed mogelijk is, zeker wanneer de overtredingen met automatische nummerplaatherkenning (ANPR) zijn geconstateerd en geautomatiseerd worden verwerkt, zoals snelheidsovertredingen en rijden door rood licht. Het ANPR-systeem kan niet zomaar worden toegepast op buitenlandse handelaarskentekens en, voor zover dit al zou kunnen, heeft de Nederlandse politie moeten constateren dat de aanlevering van gegevens in EUCARIS over houders van handelaarskentekens vanuit andere lidstaten zeer verschillend en vergaand incompleet is: sommige landen leveren wel (wat) gegevens over de verantwoordelijke, andere helemaal niets. Het is dus bij buitenlandse handelaarskentekens – in strijd met het doel van de CBE-richtlijn – veel lastiger om (automatisch) onderzoek te doen naar verkeersovertredingen en daarvoor boetes te innen, aldus – nog steeds – de Staat.\n\n4.18.. De Staat heeft verder gesteld dat het toelaten van handelaarskentekens – om de onder 4.15 genoemde redenen – ook de controle en opsporing van commune strafbare feiten, zoals fraude en (grensoverschrijdende) handel in gestolen auto’s bemoeilijkt. Zo kan bijvoorbeeld aan de hand van een foto van een voertuig en het kenteken, via het kentekenregister (bijvoorbeeld via EUCARIS) worden opgezocht of het kenteken hoort bij het betreffende voertuig. Als dat niet het geval is, is dat een duidelijk aanknopingspunt dat er iets niet in de haak is. Bij buitenlandse handelaarskentekens is zo’n controle niet op dezelfde efficiënte manier mogelijk, omdat bij handelaarskentekens gegevens over het voertuig in EUCARIS ontbreken. Het is bij handelaarskentekens veel moeilijker om het voertuig en de eigenaar daarvan via het kenteken (via nummerplaatherkenning) te identificeren. Door dit gebrek aan identificatiemogelijkheden zou het risico ontstaan dat gestolen voertuigen door het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens onder de radar blijven en voor criminele doeleinden worden gebruikt, aldus de Staat.\n\n4.19.. VEGA heeft hiertegenover betoogd dat een algeheel verbod op het gebruik van Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens niet evenredig is, omdat de door de Staat genoemde controle- en opsporingsbelangen ook met minder vergaande maatregelen kunnen worden beschermd, namelijk door aan het gebruik van handelaarskentekens alle voorwaarden te verbinden die VEGA in deze procedure (zie 2.10) heeft voorgesteld. VEGA wijst erop dat de Nederlandse autoriteiten bij een controle op een handelaarskenteken in EUCARIS kunnen zien wie de houder van het Duitse of Oostenrijkse handelaarskenteken is en sancties aan die kentekenhouder kunnen sturen; eventuele ontbrekende (adres)gegevens kunnen dan door samenwerking met de Duitse of Oostenrijkse autoriteiten worden verkregen. Bovendien kunnen, als het voertuig staande wordt gehouden en een overtreding heeft begaan, boetes of andere sancties aan de bestuurder worden opgelegd, aldus VEGA.\n\n4.20.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat in deze procedure voldoende onderbouwd dat het Verbod een geschikte en noodzakelijke maatregel is om de openbare zedelijkheid en de verkeersveiligheid te beschermen, omdat bij het toestaan van het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens minder goed kan worden gecontroleerd en gehandhaafd op overtreding van (verkeers)wet- en regelgeving. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van VEGA dat het Verbod ontoelaatbaar is, omdat de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid ook met de door VEGA voorgestelde – minder vergaande – maatregelen goed kunnen worden beschermd. Uit de onder 4.13 weergegeven Europese rechtspraak volgt dat het, bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling, aan de Staat is om te bepalen op welk niveau hij de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid wil beschermen en dat de Staat op grond van deze beoordelingsmarge mag kiezen voor een systeem dat effectief en eenvoudig door de bevoegde autoriteiten kan worden gehandhaafd. In dit geval maakt de Staat voor een efficiënte handhaving op verkeersovertredingen en de identificatie van voertuigen veel gebruik van automatische nummerplaatherkenning, zonder dat het voertuig wordt aangehouden. Hiermee kan de Staat – bij buitenlandse kentekens van geregistreerde voertuigen – via EUCARIS snel gegevens opvragen over het voertuig en de eigenaar of houder, en grensoverschrijdend boetes innen. Ook met de door VEGA voorgestelde maatregelen is ditzelfde efficiënte niveau van (geautomatiseerde) handhaving bij buitenlandse handelaarskentekens niet mogelijk, omdat dan via EUCARIS niet aan de hand van het kenteken automatisch gegevens over het voertuig en de bestuurder of houder kunnen worden verkregen. Bovendien blijft dan het probleem bestaan dat de politie voor de verificatie van die gegevens afhankelijk is van de aanlevering daarvan door andere lidstaten, die volgens de Staat in de praktijk wisselend en gebrekkig is. Dat de aanlevering en de verificatie van de voertuig- en houdergegevens bij een Oostenrijkse onderneming zoals VEGA mogelijk op weinig problemen zal stuiten, betekent niet dat aan de Staat het recht kan worden ontzegd om – ter bescherming van de belangen van een effectieve en eenvoudige handhaving op (verkeers)wet- en regelgeving – het gebruik van alle buitenlandse handelaarskentekens op de Nederlandse weg niet toe te staan, behalve in een aantal beperkte door de Staat zelf in bilateraal verband met andere landen afgesproken – gevallen.\n\n4.21.. Van belang hierbij is ook, dat de door de Staat gehanteerde eis dat voertuigen in het buitenland moeten zijn geregistreerd om in Nederland op de weg te kunnen rijden en een aan het voertuig gekoppeld kenteken moeten dragen, aansluit op de Europese regelgeving en samenwerkingsafspraken met betrekking tot het gebruik van voertuigen op elkaars wegennet en informatie-uitwisseling met betrekking tot voertuigen. Zo is in de inleidende overwegingen van de Kentekenrichtlijnbepaald: “alle lidstaten eisen dat een bestuurder van een in een ander lidstaat ingeschreven voertuig, om aan het wegverkeer op hun grondgebied te mogen deelnemen, houder is van een bij dat voertuig behorend kentekenbewijs”. Daarnaast is in de Kentekenrichtlijn bepaald dat het door een andere lidstaat afgegeven kentekenbewijs wordt erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale verkeer en dat de lidstaten via een doeltreffend systeem gegevens moeten kunnen uitwisselen om beter te kunnen controleren, met name ter bestrijding van fraude en handel in gestolen auto’s.\n\n4.22.. Dit uitgangspunt, dat lidstaten aan de hand van een kenteken een voertuig moeten kunnen identificeren, keert ook terug in de Europese samenwerkingsafspraken die specifiek zijn gemaakt ten behoeve van de doelen die de Staat met het Verbod nastreeft. Gewezen kan worden op de al eerder genoemde CBE-richtlijn, die tot doel heeft om de verkeersveiligheid beter te waarborgen door lidstaten in staat te stellen effectiever onderzoek te kunnen naar verkeersovertredingen door buitenlandse verkeersdeelnemers. Maar ook kan worden gewezen op het Besluit 2008\u002F615\u002FJBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, dat tot doel heeft de informatie-uitwisseling tussen lidstaten te verbeteren met het oog op het opsporen en onderzoeken van (grensoverschrijdende) strafbare feiten. In beide regelingen is tot uitgangspunt genomen dat de autoriteiten van een lidstaat – met het oog op het bereiken van deze doelen – in elkaars kentekenregisters aan de hand van het kenteken (automatisch) gegevens moeten kunnen opvragen met betrekking tot de voertuigen en de eigenaars of houders.\n\n4.23.. De rechtbank is van oordeel dat het tegen deze achtergrond niet onevenredig kan worden geoordeeld dat de Staat, voortbouwend op deze samenwerkingsafspraken, ter bescherming van de verkeersveiligheid en ten behoeve van een betere opsporing en bestrijding van strafbare feiten verlangt dat voertuigen en de eigenaars en houders daarvan aan de hand van hun kenteken (via automatische nummerplaatherkenning) kunnen worden geïdentificeerd en daarom het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens, waarbij die voertuiggegevens niet of veel moeilijker te verifiëren zijn, op de Nederlandse weg niet toestaat.\n\n4.24.. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van VEGA dat de Staat de door haar genoemde opsporings- en veiligheidsbelangen niet stelselmatig en consequent nastreeft – en willekeurig handelt – doordat de Staat het gebruik van Belgische, Luxemburgse en Duitse handelaarskentekens voor niet-geregistreerde voertuigen wél onder bepaalde voorwaarden toestaat (op basis van respectievelijk de Benelux-beschikking en een bilaterale afspraak), ondanks dat het door de Staat genoemde kernbezwaar (controle en voertuigidentificatie via automatische nummerplaatherkenning is niet mogelijk) ook dan blijft bestaan.\n\n4.25.. De Staat heeft toegelicht dat de met de Benelux-landen en Duitsland afgesproken uitzonderingen zien op beperkte categorieën, die in aard en omvang verschillen van de (in aantallen omvangrijke) transportactiviteiten die VEGA uitvoert. De afspraken die de Staat in de Benelux-beschikking heeft gemaakt over het gebruik van Belgische en Luxemburgse handelaarskentekens, zien volgens de Staat op een beperkte, handelbare verkeersstroom. Het gaat uitsluitend om voertuigen die op basis van een intra-Benelux koopovereenkomst naar een afnemer in Nederland worden gebracht. Door nauwe samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische politie is hierop goed te handhaven. Deze verkeersstroom verschilt van de activiteiten van VEGA, die op wekelijkse basis 300 voertuigen Nederland wil invoeren of via Nederland wil doorvoeren. Bovendien heeft Nederland een soortgelijke afspraak niet met Duitsland gemaakt. De Staat heeft onweersproken gesteld dat de bilaterale afspraak met Duitsland inhoudt dat het handelaarskenteken alleen mag worden gebruikt voor de overbrenging van voertuigen van het bedrijf zelf en voor de opbouw en ombouw van of herstelwerkzaamheden aan het voertuig. Met die beperkte afspraken is het Duitse ondernemingen dus niet toegestaan om handelaarskentekens in te zetten voor transacties waarvoor VEGA transportdiensten aanbiedt, aldus (onweersproken) de Staat.\n\n4.26.. Aan de omstandigheid dat de Staat met drie van zijn buurlanden afspraken heeft gemaakt over het toelaten van handelaarskentekens voor beperkte categorieën onder bepaalde voorwaarden, kan niet de conclusie worden verbonden dat de Staat incoherent handelt, als het gaat om de bescherming van de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid. Het uit de artikelen 36 en 37 WVW 1994 voortvloeiende verbod op het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens op de Nederlandse weg is een geschikte en evenredige maatregel om te bewerkstelligen dat voertuigen en hun eigenaars kunnen worden geïdentificeerd en dat effectief kan worden gecontroleerd en gehandhaafd op overtreding van (verkeers)wet- en regelgeving. Aan de Staat komt de vrijheid toe om zelf met aangrenzende landen voor beperkte categorieën verkeersstromen en onder voorwaarden een uitzondering op dit verbod overeen te komen. Het maken van die beperkte uitzonderingen, maakt niet dat de Staat haar doelstellingen niet op coherente of consequente wijze nastreeft. Evenmin betekent het maken van die beperkte uitzonderingen voor vervoersstromen uit grensstaten, dat de Staat verplicht is om ook handelaarskentekens uit andere EU-lidstaten onder dezelfde voorwaarden toe te staan. VEGA kan zich dan ook niet met succes beroepen op de afspraken die in de Benelux-beschikking zijn gemaakt.\n\n4.27.. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat het Verbod geen ontoelaatbare beperking van het vrije verkeer van goederen vormt, omdat de beperking van het vrije verkeer wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, te weten de bescherming van de verkeersveiligheid en de openbare zedelijkheid. Om dezelfde reden is geen sprake van een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van diensten en ondernemerschap, zoals gewaarborgd door de artikelen 15 lid 2 en 16 van het Handvest (vergelijk artikel 52 lid 1 van het Handvest).\n\n4.28.. De vorderingen van VEGA worden dus afgewezen. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt VEGA veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de kant van de Staat worden begroot op:\n\n- griffierecht € 676,-\n\n- salaris advocaat € 1.196,- (2 punten × tarief II € 598,-)\n\n- nakosten € 173,-(plus de evt. verhoging zoals genoemd in de beslissing)\n\nTotaal € 2.045,-\n\nDe rente over de proceskosten wordt vanaf de in de beslissing genoemde datum toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2.. veroordeelt VEGA in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.045,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VEGA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet gedaagde € 90,- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.3.. veroordeelt VEGA in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n5.4.. verklaart de kostenveroordeling onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.\n\nPbEU2012, C 326.\n\n Vergelijk Hoge Raad 11 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2169 en Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, 4.2.2.\n\n In Oostenrijk: § 45 Kraftfahrgesetz; in Duitsland: § 16 Fahrzeug-Zulassungsverordnung (thans: § 41 lid 1 en 3 Fahrzeug-Zulassungsverordnung.\n\nTrb.2023, 139.\n\n Vergelijk HvJEU 2 oktober 2003, ECLI:EU:C:2003:538 (Grilli), punt 37-40.\n\n HvJEU 18 juni 2019, ECLI:EU:C:2019:504 (Oostenrijk\u002FDuitsland) en HvJEU 10 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:66 (Commissie\u002FItalië).\n\n Zie HvJEU 11 juli 1974, ECLI:EU:C:1974:82 (Dassonville), punt 5.\n\n Zie bijvoorbeeld HvJEU 21 december 2011, ECLU:EU:C:2011:854 (Commissie\u002FOostenrijk), punt 113.\n\n Zie ten aanzien van de verkeersveiligheid o.a. HvJEU Commissie\u002FItalië(voetnoot 4), punt 60.\n\n Zie o.a. HvJEU Commissie\u002FOostenrijk(voetnoot 6), punt 125 en 126e; HvJEUCommissie\u002FItalië(voetnoot 4), punten 65-67 en HvJEU 23 december 2015, ECLI:EU:C:2015:845 (Scotch Whisky Association\u002FLord Adocate), punten 53 tot en met 55.\n\n Richtlijn 2015\u002F413\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PbEU2015, L 68).\n\n Richtlijn 199\u002F37\u002FEU van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEU1999, L 138), overweging 2.\n\n Zie artikelen 4 en 9 en inleidende overwegingen 2 en 9 van de Kentekenbewijzenrichtlijn.\n\n Besluit 2008\u002F615\u002FJBZ van de Raad van 23 juni 2008 (PbEU2008, L 210).\n\n Zie artikel 12 van Besluit 2008\u002F615\u002FJBZ.\n\ntype: 2431","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:20232","ecli-nl-rbdha-2023-20232",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Europees civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]