[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-17656":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-17656":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"325","ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","",60,"Arnhem","arnhem","2025-09-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.31147\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], v-nummer [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep over de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juli 2025 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond van deze zaak\n\n4. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en behoort tot de Fars bevolkingsgroep. Hij heeft op 17 augustus 2017 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 12 januari 2018 is die aanvraag afgewezen, omdat de minister de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en zijn bekering tot het christendom niet geloofwaardig heeft geacht. De afwijzing van die aanvraag staat in rechte vast.\n\n4.1.. Vervolgens heeft eiser op 11 september 2019 opnieuw asiel aangevraagd vanwege zijn gestelde geloofsgroei. Op 12 september 2019 is deze opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is op 18 september 2019 uitgezet naar Iran met zijn eigen paspoort.\n\n4.2.. Op 21 februari 2022 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten grondslag dat toen hij werd teruggestuurd naar Iran hij diverse problemen heeft ondervonden. Daarnaast stelt hij afvallig te zijn en zegt hij dat er sprake is van geloofsgroei in het christelijke geloof. Eiser vreest bij terugkeer naar Iran voor de gevolgen dat hij afvallige is en vanwege de bekering tot het christendom van de zijde van de maatschappij, de Iraanse autoriteiten en zijn familie. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:\n\n- kopie scheidingsdocument;\n\n- kopie verblijfsvergunning Turkije;\n\n- kopie bewijs inname paspoort;\n\n- kopie beslissing van de Iraanse rechtbank van eisers ex-vrouw;\n\n- brief van de Evangelische gemeenschap van Sneek;\n\n- brief aanmelding bij GGZ in Noord-Holland.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n 1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. afvalligheid;\n\n 3. problemen bij aankomst vliegveld Iran;\n\n 4. geloofsgroei.\n\nDe minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Verder is de afvalligheid in deze procedure geloofwaardig geacht. De minister acht het ook geloofwaardig dat eiser problemen had bij zijn aankomst op het vliegveld in Iran. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de geloofsgroei van eiser niet geloofwaardig is. Eisers bekering is in 2017 volledig beoordeeld. Dit is destijds niet geloofwaardig geacht en dit is ook met de uitspraak op 1 juli 2019 in rechte vast komen te staan. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers verklaringen geven namelijk geen verder inzicht in zijn geloofsgroei dan in zijn vorige procedure. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verder krijgt eiser uitstel van vertrek om medische redenen met ingang van 9 juli 2025 tot maximaal 9 januari 2026. De minister concludeert dat eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond is.\n\nWat vindt eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat hij wordt vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom én vanwege de afvalligheid van de islam. De minister heeft de impact en het belang van de geloofwaardig geachte afvalligheid miskend. Hierbij stelt de minister ten onrechte dat eiser zich wel terughoudend en onzichtbaar zou moeten kunnen staande houden in geval van terugkeer naar Iran, terwijl eiser duidelijk en gedetailleerd heeft benadrukt dat dit voor hem niet mogelijk is. Eiser is niet bereid bij terugkeer een document te ondertekenen waaruit blijkt dat hij nog moslim zou zijn en hij is niet bereid om mee te doen aan islamitische rituelen en feesten terwijl dat wel verplicht is. Uit het algemeen ambtsbericht Iran(het ambtsbericht) blijkt ook dat het niet meedoen aan de ramadan kan leiden tot vervolging en lijfstraffen. Verder betoogt eiser dat de minister ten aanzien van de bekering niet heeft voldaan aan de drie pijlers en voorschriften uit de Werkinstructie (WI) 2022\u002F3en dan in het bijzonder de verplichte toetsing aan de compensatie-optie. De minister heeft ten onrechte in zowel het voornemen als in het bestreden besluit niet gereageerd op de pijlers, de inhoud en strekking van Bijbelkennis, de activiteiten zoals bedoeld onder pijler 3 en de compensatie-mogelijkheid.\n\n6.1.. In zijn aanvullende gronden van 5 augustus 2025 voert eiser nog het volgende aan. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitzetting heeft aangezegd, terwijl uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Verder betoogt eiser dat het nog de vraag is of hier sprake is van een opvolgende aanvraag. Eiser voert hiertoe aan dat de minister een dubbel spoor is ingeslagen, nu bijvoorbeeld wel ambtshalve een (volgens eiser terechte) toets artikel 64 van de Vw 2000 plaatsvindt, hetgeen alleen het geval is bij een eerste aanvraag. Bij opvolgende aanvragen moet de vreemdeling zelf de complete artikel 64-aanvraag indienen. Daarvan is niet gebleken. Ook blijkt het nader gehoor van 4 maart 2024 betiteld te zijn als “Rapport nader gehoor” en niet “Opvolgende aanvraag”.\n\n6.2.. Eiser betoogt in zijn aanvullende gronden ook dat de minister eerder een voornemen tot afwijzing heeft uitgebracht en deze vervolgens om onduidelijke redenen heeft ingetrokken. Volgens eiser had de minister moeten motiveren waarom het eerste voornemen is ingetrokken.\n\n6.3.. Verder betoogt eiser in zijn aanvullende gronden dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om eisers bekering te toetsen aan het geldende recht en beleid. De eerdere beoordeling heeft namelijk plaatsgevonden in 2017. Dit is een lange tijd geleden en de minister dient de asielaanvraag ex nunc te toetsen, dus op basis van de gegevens die nú zijn aangedragen. Eiser verwijst hierbij wederom naar WI 2022\u002F3 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022, waaruit volgt dat de minister opnieuw moet onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer naar Iran risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling wegens afvalligheid of toegedichte afvalligheid en de gestelde bekering tot het christendom. Ook zou de minister nadat hij de afvalligheid heeft onderzocht en beoordeeld, opnieuw moeten onderzoeken en beoordelen of de gestelde bekering geloofwaardig is.\n\n6.4.. Tot slot heeft eiser verwezen naar een rapport van Stichting Gave, een uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 4 juli 2025, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 28 april 2025, een nieuwsartikel van New York Post van 4 juli 2025en een nieuwsartikel van Iran International van 19 juli 2025.\n\nIs de minister terecht uitgegaan van een opvolgende asielaanvraag?\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 1 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijnwordt als opvolgende aanvraag aangemerkt een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1. Dit wordt ook bevestigd in uitspraken van de Afdeling.\n\nVerder volgt uit de WI 2023\u002F7dat een opvolgende asielaanvraag kan worden ingediend middels een M35-O formulier. Wanneer sprake is van één van de omstandigheden van artikel 3.50 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 hoeft de opvolgende asielaanvraag niet middels model M35-O te worden ingediend en wordt model M35-H gebruikt.\n\nUit de WI 2024\u002F2volgt dat, in tegenstelling tot eerste asielaanvragen, bij herhaalde asielaanvragen geen ambtshalve toets van artikel 64 van de Vw 2000 wordt gedaan na afwijzing van de asielaanvraag.Wel vindt in beginsel een dergelijke toets van medische omstandigheden plaats bij de uitvaardiging van een terugkeerbesluit.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers aanvraag terecht aangemerkt als een opvolgende aanvraag in plaats van een eerste aanvraag. De minister heeft eerder definitief beslist op de asielaanvraag van eiser. Uit het dossier blijkt ook dat eiser een M35-O formulier heeft ingediend op 6 februari 2022. Dat het gehoor van eiser als “nader gehoor” is betiteld, maakt dat niet anders. Tijdens de zitting heeft de minister uitgelegd dat het gehoor “nader gehoor” is genoemd, omdat het format is gebruikt naar aanleiding van de Dublinprocedure waarmee eiser Nederland is binnengekomen. Daar komt bij dat de minister in het voornemenheeft benoemd dat eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt, omdat het een opvolgende aanvraag betreft. In het bestreden besluitstaat dat eiser medische documenten heeft overlegd en dat de minister hem op dat punt volgt, waardoor eiser uitstel van vertrek om medische redenen heeft gekregen. De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij in het bestreden besluit onder punt 5 per abuis heeft opgenomen dat eiser zijn beroep niet in Nederland mag afwachten. Onder punt 4 van het bestreden besluit staat namelijk dat eiser nu rechtmatig in Nederland verblijft, omdat hij voorlopig uitstel van vertrek heeft gekregen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser betoogt dat de minister in deze procedure moet voortborduren op hetgeen eiser in zijn eerdere procedure heeft aangevoerd. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de minister eisers asielaanvraag terecht heeft aangemerkt als een opvolgende aanvraag, juist omdat eiser heeft betoogd dat hij is gegroeid in zijn geloof waartoe hij is bekeerd, zoals hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn eerste procedure. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister het eerste voornemen kunnen intrekken zonder nadere motivering?\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit bevoegd was om zijn voornemen van 4 februari 2025 te vervangen door een nieuw voornemen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen rechtsregel is die met zich meebrengt dat de minister nader dient te motiveren waarom hij tot een ander inzicht is gekomen in het nieuwe voornemen.Eiser is ook in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven en op alle elementen van het nieuwe voornemen te reageren. De rechtbank begrijpt dat de werkwijze van de minister gezien het tijdsverloop van de procedure leidt tot onbegrip en frustratie. Dit maakt echter niet dat de rechtbank de werkwijze van de minister onzorgvuldig acht. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister de gestelde geloofsgroei van eiser ongeloofwaardig kunnen achten?\n\n9. Eiser heeft zijn opvolgende aanvraag ingediend in verband met geloofsgroei. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022volgt dat op eiser een verzwaarde bewijslast ligt, omdat in rechte vaststaat dat de minister de bekering van eiser tot het christendom in de eerdere asielprocedure(s) ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Het asielrelaas waar eiser op voortborduurt, is eerder ongeloofwaardig geacht en die beoordeling is het uitgangspunt van de opvolgende procedure. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister de gestelde geloofsverdieping, gezien de verklaringen van eiser, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.\n\n9.1.. Volgens de WI 2022\u002F3 dient de vreemdeling in het geval van een opvolgende aanvraag aan de hand van verklaringen over zijn motieven voor en proces van bekering aannemelijk te maken dat hij tot intensivering van zijn geloof is gekomen. De nieuwe verklaringen dienen te worden gewogen in samenhang met de verklaringen die de vreemdeling tijdens de voorgaande procedure(s) over deze onderwerpen heeft afgelegd. Indien de vreemdeling de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en\u002Fof activiteiten mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Enkel de verklaringen over voortzetting, intensivering of wijziging van activiteiten en\u002Fof vergroten van kennis, zonder dat daarbij overtuigende verklaringen worden afgelegd over de persoonlijke beleving hiervan, zullen dus in de regel onvoldoende zijn om niet-overtuigende verklaringen over het proces en de motieven van de bekering te compenseren. Bij dit alles is dus van belang dat indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering of afvalligheid, er een verzwaarde bewijslast rust op de vreemdeling om zijn afvalligheid of bekering geloofwaardig te maken.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de geloofsgroei van eiser beoordeeld in het licht van de WI 2022\u002F3. Het standpunt van de minister komt er, kortgezegd, op neer dat eisers verklaringen over zijn groei in het christelijke geloof een herhaling vormen van wat hij hierover al in de eerdere asielprocedure heeft verklaard en dat eiser er niet in is geslaagd zijn innerlijke geloofsgroei inzichtelijk te maken.\n\n9.3.. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit niet specifiek de drie pijlers benoemt, zoals weergegeven in de WI 2022\u002F3. Hierbij gaat het om de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen. Dit brengt echter niet met zich mee dat de minister eisers gestelde geloofsgroei niet heeft beoordeeld aan de hand van de WI 2022\u002F3. De rechtbank overweegt hiertoe dat de minister tijdens het aanvullend gehoor heeft gevraagd naar de ontwikkelingen als het gaat om eisers geloof in de afgelopen jaren en voorbeelden van gebeurtenissen waardoor hij zijn geloofsgroei meemaakte. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit verwezen naar de WI 2022\u002F3 en deze betrokken bij de beoordeling van bijvoorbeeld de gestelde activiteiten van eiser, zoals het evangeliseren van twee mensen. De kennis over de Bijbel, waar volgens eiser niets over is geschreven in het bestreden besluit, is wel meegenomen en beoordeeld in het eerdere besluit van de minister van 12 januari 2018 . De minister heeft uiteengezet dat eiser hiermee niet verder inzicht heeft gegeven in zijn gestelde geloofsgroei, omdat eiser zich voornamelijk heeft herhaald in zijn opvolgende aanvraag.\n\n9.4.. Uit de WI 2022\u002F3 volgt verder dat het zwaartepunt ligt bij de motieven en het proces van bekering. Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit ‘compenseren’, mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te ‘compenseren’. De vreemdeling zal wel een genoegzame verklaring moeten geven voor de omstandigheid dat hij op één van de elementen minder goed kan verklaren. Daarbij dient uiteraard rekening gehouden te worden met het referentiekader van de vreemdeling en het gegeven dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke gevoelens te vertellen. Wat betreft deze compensatie-mogelijkheid waar eiser zich op beroept heeft de minister op de zitting toegelicht dat eiser zijn geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt doordat hij in herhaling viel bij zijn opvolgende aanvraag, terwijl er voldoende is doorgevraagd naar de ontwikkelingen die eisers gestelde geloofsgroei zouden kunnen onderbouwen, waardoor niet getoetst kan worden of de compensatie-mogelijkheid dient te worden toegepast. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de compensatie-mogelijkheid verder niet aan bod hoefde te komen door de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers geloofsgroei.\n\n9.5.. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de gestelde geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat de huidige verklaringen en overgelegde stukken geen nieuw inzicht of verdere diepgang vertonen in vergelijking met zijn eerdere verklaringen over het geloof. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat de voorbeelden van geloofsgroei die eiser heeft genoemd, namelijk de ontmoeting met de Armeense vriend, dat vergiffenis hielp met groeien in eisers geloof, dat eiser rust krijgt van zijn geloof en het incident met de politie bij de douane, voorbeelden zijn waarover eiser in de eerdere procedure al heeft verklaard. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat deze herhaling van verklaringen niet getuigt van enige geloofsgroei of verdieping. Evenmin is eiser erin geslaagd om dit in de beroepsprocedure duidelijk te maken. Wat daarover in het bestreden besluit is opgenomen is daarvoor voldoende dragend gemotiveerd. De minister heeft in dat verband kunnen overwegen dat eisers verklaringen in deze asielprocedure geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen in de zienswijze is aangevoerd, namelijk dat eisers vrouw vreemd ging, in eisers koffer een crucifix was gevonden bij aankomst op het vliegveld in Iran, de ontmoeting bij de psycholoog en de boottocht van Turkije naar Italië, geen verder inzicht geven dan in zijn vorige procedures. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het voorgaande voor hem een wonder was en waarom dit impact had op zijn persoonlijke geloof. Wat betreft de evangelisatie heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat het enkel vermelden van één voorbeeld van hoe eiser anderen heeft geëvangeliseerd onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk geloofsgroei heeft doorgemaakt. Verder is gebleken dat eiser na zijn doop niet meer naar de kerk van zijn doop is geweest. De minister heeft hierbij mogen stellen dat dat vreemd is nu eiser in zijn opvolgende aanvraag van 2019 het voorgaande heeft verklaard om zijn geloofsgroei aan te tonen. Daar komt bij dat uit de verklaring van de Evangelische gemeenschap is gebleken dat eiser geen contact meer heeft met de kerk waar hij gedoopt is. De minister heeft dit kunnen betrekken bij de geloofwaardigheid van eisers gestelde geloofsgroei. De minister heeft de verklaring van de Evangelische gemeenschap betrokken bij de beoordeling en heeft gemotiveerd dat uit de verklaring blijkt dat de gemeenschap vrijwel geen contact meer heeft gehad met eiser. Verder heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het in deze zaak om een opvolgende aanvraag gaat, in tegenstelling tot de zaak in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Die situatie gaat in onderhavige zaak niet op en de verwijzing naar die uitspraak baat eiser niet. Het rapport van Stichting Gave biedt ook geen reden voor een ander oordeel. Op de zitting heeft de minister hierover niet ten onrechte gesteld dat stichting Gave geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.\n\n9.6.. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister de gestelde geloofsgroei van eiser niet ten onrechte heeft beoordeeld als ongeloofwaardig. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLoopt eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Iran?\n\n10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022en het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012volgt dat de minister van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in Iran terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid. De minister moet, zo blijkt uit de Afdelingsuitspraak, onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als de vreemdeling daarover niet uitdrukkelijk verklaart, moet de minister ervan uitgaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid wil geven zoals hij in Nederland heeft gedaan. In het Informatiebericht 2023\u002F35 van de minister is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, de minister conform WI 2022\u002F3 dient te onderzoeken en beoordelen of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van de religieuze identiteit. Ook moet worden onderzocht en beoordeeld hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, als ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit.\n\n10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn leven en dat dit dermate deel uitmaakt van zijn religieuze identiteit dat hij zich bij terugkeer naar Iran hierover openlijk en actief zal gaan uiten. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet en beoordeeld hoe eiser in Iran uiting gaf aan zijn afvalligheid, hoe eiser zich in Nederland heeft geuit en hoe eiser zich bij terugkeer zou willen uiten. Eiser heeft verklaard dat hij tot 2013 moslim was en daarna nog jarenlang in Iran heeft gewoond als afvallige. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij niet altijd op tijd het gebed deed, hij niet naar de moskee ging en hij niet aan vasten deed. De minister heeft hierbij terecht gesteld dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid van eisers vrees. Verder heeft eiser verklaard dat zijn afvalligheid enkel zijn overtuiging was, die in zijn hoofd zat en dat het voor hem niet nodig was om dit naar buiten te uiten. Daarnaast heeft eiser bij zijn eerdere terugkeer immers een verklaring\u002Fdocument ondertekend waarna hij het vliegveld mocht verlaten. Verder blijkt uit algemene landeninformatie niet dat iedere terugkeerder ondervraagd zal worden bij terugkeer in Iran.Er bestaat weliswaar een risico dat eiser ondervraagd zal worden over zijn verblijf in het buitenland, vanwege zijn verblijf in het buitenland, maar de minister stelt zich terecht op het standpunt dat contact met de Iraanse autoriteiten of een ondervraging niet gelijk staat aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. Uit het ambtsbericht volgt dat het aantal terugkeerders dat problemen ondervindt bij terugkeer beperkt is.De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser voor zijn (legale) vertrek niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Hetgeen eiser op sociale media heeft gedeeld is niet direct aan hem te linken.\n\n10.2.. Verder oordeelt de rechtbank dat de door eiser aangehaalde jurisprudentie en bronnen niet leiden tot een ander oordeel. De uitspraken waar eiser naar heeft verwezen betreffen andere situaties. Verder heeft de minister tijdens de zitting aangegeven dat eiser wel is gevraagd naar zijn terugkeer naar Iran in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. Met betrekking tot de nieuwsartikelen over Iran heeft de minister terecht opgemerkt dat niet blijkt dat de situatie zoals omschreven in die artikelen niet is meegenomen.\n\n10.3.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister dat niet wordt ingezien waarom eiser zich bij terugkeer in Iran anders zal gedragen met betrekking tot de uiting van zijn afvalligheid ten opzichte van daarvoor. Ook volgt de rechtbank de minister in zijn conclusie dat eiser zodoende niet dusdanig in zijn religieuze identiteit wordt geraakt dat hij bij terugkeer niet anders kan dan zichzelf als afvallige te uiten. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de geloofsvrijheid. Van eiser mag dus worden verlangd dat hij in Iran een geloofsbelijdenis aflegt. De rechtbank wijst tot slot nog op het ambtsbericht, waaruit volgt dat personen die zich hebben afgewend van de islam niet op voorhand in de problemen komen en maatschappelijk ook niet gedwongen worden deel te nemen aan islamitische rituelen.De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL18.2906 (niet gepubliceerd).\n\nOp grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2023.\n\n Werkinstructie 2022\u002F3 Bekering en afvalligheid.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5349.\n\n Zaaknummer NL24.21839.\n\n Zaaknummer NL24.51040.\n\n New York Post, ‘Iran regime cracks down on its own people with a ‘North Korea-style model’ of ‘terrifying’ repression’.\n\n Iran International, ‘Iran military base guards shoot four people dead amid post-war jitters’.\n\n Richtlijn 2013\u002F32.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:76 en ECLI:NL:RVS:2019:1969.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.\n\n Werkinstructie 2024\u002F2 Artikel 64 van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit hoeft alleen bij een eerste aanvraag tot het verlenen van een VVA bepaalde tijd ambtshalve getoetst te worden of er reden is tot toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Zie ook paragraaf C1\u002F4.5 en A3\u002F7.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Op pagina 9.\n\n Op pagina 3.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4449,\n\n13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, en 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3350.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2713.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:EU:C:2012:518.\n\n Zie ook het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 115.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 117-118.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 85 en 86.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","ecli-nl-rbdha-2025-17656",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]