[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-18612":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-18612":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1492","ECLI:NL:RBDHA:2025:18612","",67,"Haarlem","haarlem","2025-10-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.4845 (beroep) en NL25.4846 (voorlopige voorziening)\n\nuitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. F. Zeven),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T.J.N. Schilder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De wijze van beoordelen van die aanvraag is door de toepassing van de Werkinstructie 2024\u002F6 niet onrechtmatig. De problemen die eiseres in Iran zou hebben vanwege politieke activiteiten, heeft verweerder ongeloofwaardig kunnen vinden. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Verder kon verweerder een terugkeerbesluit tegen eiseres uitvaardigen dat inhoudt dat zij moet terugkeren naar Iran of Turkije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 10 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 januari 2025 in de algemene procedure als kennelijk ongegrond afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een inreisverbod voor twee jaar tegen eiseres uitgevaardigd en een terugkeerbesluit genomen, dat inhoudt dat zij onmiddellijk moet terugkeren naar Iran.\n\n2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft de voorzieningenrechter ook verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening met de strekking dat ze de uitspraak op haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2. Met een besluit van 13 maart 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit aangevuld met de bepaling dat eiseres ook moet terugkeren naar Turkije. Het beroep heeft ook betrekking op dit aanvullende terugkeerbesluit.\n\n2.3. Eiseres heeft op 4 februari 2025, 11 maart 2025, 17 en 28 april 2025 en 23 juni 2025 stukken ingediend. Zij heeft ook een verzoek om schadevergoeding gedaan. Verweerder heeft op 30 juni 2025 een verweerschrift ingediend.\n\n2.4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Afkari als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\n3. Eiseres stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1982. Zij is op 9 januari 2025 met een vlucht vanuit Istanboel op Schiphol aangekomen en heeft daar op 10 januari 2025 een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij in 2022 is opgepakt en een maand heeft vastgezeten vanwege haar deelname aan demonstraties. Eiseres en haar familie waren betrokken bij politieke activiteiten van de Komala-partij. Toen zij nog jonger was is haar vader vanwege zijn activiteiten voor deze partij gevangengezet en vermoord. Op 10 november 2024 is zij betrapt door de autoriteiten toen een vriendin van haar een foto van eiseres maakte zonder hoofddoek naast een foto van de geestelijk leider. De vriendin is opgepakt, maar eiseres heeft weten te ontkomen.\n\n3.1. Op 28 januari 2025 heeft eiseres een verklaring van de Komala-partij overgelegd. In beroep heeft zij foto’s van een gestelde huiszoeking bij de moeder van eiseres en van een bijeenkomst overgelegd. Ook heeft eiseres een kopie en vertaling van een vonnis van de revolutionaire rechtbank van Sanandaj overgelegd.\n\nDe afwijzing van de asielaanvraag\n\n4. Volgens verweerder heeft eiseres de volgende asielmotieven aan haar aanvraag ten grondslag gelegd:\n\n- haar identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- de problemen vanwege haar politieke activiteiten.\n\nVerweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De problemen vanwege politieke activiteiten heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Daarbij stelt verweerder eerst vast dat eiseres haar verklaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Ook heeft eiseres onvoldoende documenten overgelegd en heeft zij daar geen goede verklaring voor, waarmee zij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verder vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel, waarmee niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw. De kennis van eiseres over de Komala-partij is gering en de verklaringen over haar betrokkenheid en die van familieleden zijn vaag. Dat geldt ook voor de verklaringen over haar verblijf in detentie in 2022. De verklaringen van eiseres over de uitspraak van de rechtbank en het vonnis zijn verder in strijd met geverifieerde informatie over Iran. Ook vindt verweerder de verklaringen over het fotomoment met een vriendin ongerijmd. Eiseres kan volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd en daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw. Verweerder heeft vervolgens nog getoetst of de politieke overtuiging van eiseres, haar atheïsme en haar etniciteit redenen zijn waarom zij moet vrezen voor vervolging, maar komt tot de conclusie dat dit niet zo is. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, bepaald dat eiseres onmiddellijk dient terug te keren naar Iran en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.\n\n4.1. Verweerder heeft in de aanvulling op zijn besluit van 29 januari 2025 nog het standpunt ingenomen dat aan de overgelegde brief van de Komala-partij geringe waarde toekomt. Er kan namelijk niet worden geverifieerd door wie de brief is opgesteld en waarop de inhoud van de brief is gebaseerd. Verweerder heeft verder op 13 maart 2025 nog een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin staat dat zij ook naar Turkije moet terugkeren. Gebleken is dat eiseres naar Turkije kan terugkeren met een removal order.\n\nBeoordeling beroepsgronden\n\nIs de werkinstructie 2024\u002F6 onrechtmatig en de beoordeling in strijd met het arrest L.H.?\n\n5. Eiseres voert aan dat de Werkinstructie SUA ‘WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’ (hierna: WI 2024\u002F6) en de daaruit voortvloeiende nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van asielmotieven in strijd is met Europees recht. Er rust een plicht op verweerder om de wijze van beoordeling van de verklaringen en bewijsmateriaal aan te passen aan de eigen kenmerken van elke categorie asielaanvraag. Verklaringen en documenten alleen zijn niet de enige bewijsmiddelen. Als een document niet kan worden geauthentiseerd of objectief verifieerbaar is, kan dat niet van de beoordeling worden uitgesloten. Verweerder vereist dat het uitsluitend gaat om authentieke documenten. Dat is in strijd met het arrest LH.van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het aanvullende besluit over het ingebrachte stuk van de Komala-partij is in strijd met dat arrest.\n\n5.1. De rechtbank overweegt dat uit de WI 2024\u002F6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1). Verweerder beoordeelt vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief (stap 2). Daarbij wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve documenten, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). In dat geval wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw. Deze voorwaarden staan ook in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat deze wijze van beoordeling in strijd is met het Unierecht of onredelijk is. Als de vreemdeling niet in staat is om objectieve documenten te overleggen, beoordeelt verweerder of de vreemdeling zijn asielrelaas geloofwaardig heeft gemaakt door daar samenhangende en aannemelijke verklaringen over af te leggen. Dat er geen authentieke of objectief verifieerbare documenten zijn is dus niet bepalend. In de werkinstructie staat ook dat kopieën wel worden betrokken als het motief niet volledig met documenten is onderbouwd. Dit is in lijn met het arrest LH waarin is geoordeeld dat niet-authentieke documenten bij de beoordeling moeten worden betrokken. Verweerder heeft dat in deze zaak onder meer ten aanzien van de brief van de Komala-partij ook gedaan. Verweerder heeft over die brief het standpunt ingenomen dat de waarde gering is omdat niet geverifieerd kan worden door wie de brief is opgesteld en waarop de inhoud van de brief is gebaseerd. Dat is iets anders dan dit document buiten beschouwing laten. Of de rechtbank dit standpunt van verweerder kan volgen, bespreekt de rechtbank hierna, onder 7.1.\n\nHoort eiseres bij een specifieke sociale groep in Iran omdat zij een activistische vrouw is?\n\n6. Eiseres voert aan dat zij als vluchteling moet worden aangemerkt alleen al vanwege haar vrouw zijn en haar opvattingen over gendergelijkheid, haar inzet voor vrouwen in Iran en haar deelname aan vrouwenrechtendemonstraties. Het Hof heeft in het arrest K en Lgeoordeeld dat meisjes en vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen een ‘specifieke sociale groep’ zijn in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Eiseres valt onder die definitie. Vanwege de inherente ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in Iran, moet worden geconcludeerd dat sprake is van gendergerelateerd geweld en er een gegronde vrees is voor vervolging. Eiseres doet een beroep op verschillende algemene bronnen om te onderbouwen dat zij als vrouw te vrezen heeft voor vervolging in Iran.\n\n6.1. \n\nVerweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet behoort tot de specifieke sociale groep zoals beschreven in het arrest K en L. Eiseres is zich niet tijdens haar verblijf in Nederland gaan identificeren met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Verweerder verwijst naar overweging 51 van het arrest, waarin staat:\n\n“Hieruit volgt dat vrouwen, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst kunnen worden geacht te behoren tot „een specifieke sociale groep” als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011\u002F95.”\n\n6.2. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Eiseres heeft niet gesteld dat zij zich tijdens haar korte verblijf in Nederland is gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Van vereenzelviging zoals beschreven in het arrest K en L is dan ook geen sprake. De rechtbank begrijpt dat eiseres betoogt dat zij in Iran al behoorde tot de specifieke groep van vrouwenrechtenactivisten en vanwege het behoren tot die groep te vrezen heeft voor vervolging. Voor zover zij heeft bedoeld dat zij alleen al als vrouw moet vrezen voor vervolging in Iran, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit kunnen stellen dat niet iedere vrouw in Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die stelling onjuist is. Of eiseres vanwege haar opvattingen over vrouwenrechten heeft te vrezen voor vervolging in Iran, heeft verweerder in het bestreden besluit beoordeeld aan de hand van de individuele situatie van eiseres en mede aan de hand van risicoprofielen. Voor Iran is de groep “personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten of een ander maatschappelijk terrein (in het bijzonder op het terrein van vrouwenrechten en de rechten van etnische minderheden)” aangewezen als risicoprofiel. Ook met een dusdanig profiel, moet de betrokkene echter nog aantonen zodanig actief te zijn of bekend te staan in de politiek dat dit negatieve belangstelling van de autoriteiten meebrengt. Dat heeft eiseres volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder haar op grond van het arrest K en L had moeten aanmerken als vluchteling en dat er geen reden is om te oordelen dat verweerders beoordeling van de asielmotieven van eiseres in strijd is met dit arrest. De rechtbank zal hierna verder, aan de hand van de beroepsgronden, toetsen of verweerder de gestelde activiteiten van eiseres als vrouwenrechtenactiviste juist heeft beoordeeld.\n\nHeeft verweerder de problemen vanwege politieke activiteiten ongeloofwaardig mogen achten?\n\nKomala-partij\n\n7. Eiseres voert aan dat zij vanwege haar betrokkenheid bij de Komala-partij heeft te vrezen voor vervolging in Iran. Zij wijst op het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 (hierna: het ambtsbericht), waaruit blijkt dat Koerdische partijen illegaal zijn in Iran. Ook benadrukt eiseres dat haar familie betrokken was bij de partij. Uit het ambtsbericht blijkt dat familieleden van politieke opposanten in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan. De overgelegde e-mail is een onderbouwing van de betrokkenheid van eiseres. Verweerder stelt ten onrechte dat de afzender niet geverifieerd kan worden. Via Google valt te achterhalen dat het e-mailadres het formele correspondentieadres van de partij is. Verweerder had ook Bureau Documenten kunnen inschakelen om onderzoek te doen.\n\n7.1. Niet in geschil is dat eiseres geen lid is van de Komala-partij. Eiseres stelt een sympathisant te zijn van de partij en activiteiten te ondernemen. Verweerder heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt mogen stellen dat eiseres deze gestelde actieve betrokkenheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres verklaart dat zij activiteiten deed voor de partij, maar dit blijkt, zo stelt verweerder terecht, verder nergens uit. De daaropvolgende verklaring dat de partij op de hoogte was van haar activiteiten omdat de familie van eiseres een politiek actief is, biedt ook geen duidelijkheid over de betrokkenheid van eiseres bij de partij. De ingebrachte brief is geen onderbouwing van de gestelde betrokkenheid van eiseres bij de Komala-partij; daarin staat alleen dat eiseres politiek actief is geweest en betrokken is geweest bij de protesten in 2022. Er staat niet in welke concrete activiteiten eiseres voor de partij heeft verricht. Verweerder heeft daarom geen onderzoek naar de brief hoeven te verrichten.\n\n7.2. Ten aanzien van de familieleden van eiseres heeft verweerder gesteld dat het mogelijk is dat familieleden van eiseres politiek actief waren, maar dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij daardoor heeft te vrezen voor de autoriteiten. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. In het ambtsbericht staat weliswaar dat familieleden van politieke opposanten geregeld onder druk worden gezet vanwege hun familierelatie, maar eiseres heeft niet verklaard dat zij dit zelf heeft meegemaakt. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat de detentie van de broer en vader van eiseres en het overlijden van haar vader al vele jaren geleden hebben plaatsgevonden. Eiseres heeft niet onderbouwd dat haar broer nog altijd actief is voor de Komala-partij en daardoor problemen ervaart. Dat eiseres vanwege de activiteiten van haar vader en broer in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten, heeft verweerder dus niet aannemelijk hoeven vinden.\n\nVonnis van de rechtbank\n\n8. Eiseres heeft op 11 maart 2025 een kopie van een vonnis van de rechtbank in Iran overgelegd. Uit het vonnis blijkt dat eiseres is veroordeeld voor deelname aan demonstraties, illegale samenscholing, het afdoen van haar hijab en het verstoren van de openbare orde. Een kennis die bij de rechtbank werkt heeft foto’s van het vonnis gemaakt. Het overleggen van een authentiek vonnis is niet mogelijk. Ten aanzien van de eerdere tegenwerping dat het niet aannemelijk is dat eiseres dit vonnis per sms heeft ontvangen, wijst eiseres op het ambtsbericht waaruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten juist wel per sms communiceren.\n\n8.1. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft gesteld dat de verklaring van eiseres dat de inhoud van de uitspraak per sms aan haar gestuurd in strijd is met algemene informatie over Iran. Uit de in het voornemen aangehaalde informatie blijkt dat in de sms-berichten van de Iraanse overheid alleen staat dat er een nieuw document in het systeem is opgenomen. Het vonnis zelf wordt dus niet bij zo’n sms-bericht gevoegd. Eiseres heeft dat zelf wel zo verklaard. Zij heeft verklaard dat zij per sms te horen kreeg dat zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en een boete van 200 miljoen rial had gekregen. De stelling van eiseres dat de Iraanse autoriteiten formele communicatie per sms voeren is dus juist, maar daarmee weerlegt zij niet de specifiekere informatie waaruit blijkt dat een vonnis van de rechtbank niet per sms worden gestuurd.\n\n8.1.1. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder naar aanleiding van de overgelegde kopie niet tot een andere conclusie heeft hoeven komen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres. Verweerder heeft het opmerkelijk mogen achten dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard het vonnis niet te kunnen verkrijgen, maar nu toch het document overlegt. Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op tegenstrijdigheden tussen de tekst van het vonnis en de eerdere verklaringen van eiseres. Zo komt de datum van het vonnis, 18 september 2024, niet overeen met de verklaring dat zij in november 2022 zou zijn veroordeeld. Verder staat in de vertaling dat eiseres afwezig was tijdens de zitting en dat het vonnis bij verstek is gewezen, terwijl eiseres heeft verklaard dat zij naar de rechtbank is gebracht en op die dag is vrijgelaten.\n\nFotomoment met vriendin in 2024\n\n9. Eiseres voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom haar politieke actie op 10 november 2024, toen zij zich zonder hijab liet fotograferen bij een poster van geestelijk leider [naam] , niet te rijmen valt met haar voorzichtigheid na de veroordeling in 2022. Er was namelijk een concrete aanleiding voor haar risicovolle politieke actie. Er zouden nieuwe kuisheidswetten in werking treden op 13 december 2024.\n\n9.1. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de verklaringen van eiseres over het fotomoment met een vriendin ongerijmd zijn. Zoals verweerder stelt, past het nemen van de foto niet bij het gedrag dat eiseres na de veroordeling in 2022 heeft vertoond. Het gedrag van eiseres na 2022 was, zo volgt uit haar eigen verklaringen, veel voorzichter geworden en van veel activiteiten zag zij af vanwege de opgelegde voorwaardelijke straf. Dat eiseres door de aankondiging van de nieuwe kuisheidswetten boos was en daar iets tegen wilde doen, is voorstelbaar. Dat zij echter op 10 november 2024 iedere voorzichtigheid liet varen en zich zonder hijab op een drukke publieke plaats liet fotograferen bij een poster van geestelijk leider [naam] valt echter, zoals verweerder stelt, niet te rijmen met haar gedrag in de jaren daarvoor.\n\nConclusie geloofwaardigheid asielrelaas\n\n10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen vanwege de politieke activiteiten van eiseres ongeloofwaardig heeft kunnen vinden.\n\nHeeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet heeft te vrezen voor vervolging in Iran?\n\n11. Verweerder heeft in het bestreden besluit wel geloofwaardig gevonden dat eiseres op 8 maart 2022, op internationale vrouwendag, heeft deelgenomen aan demonstaties. Eiseres heeft daarnaast verklaard dat zij na 8 maart 2022, mee heeft gedaan aan bijeenkomsten van milieuactivisten. Op vragen van de rechtbank ter zitting heeft verweerder verklaard dat die activiteiten niet ongeloofwaardig zijn geacht. De deelname van eiseres aan die activiteiten zijn meegewogen bij de beantwoording van de vraag of eiseres heeft te vrezen voor vervolging als zij terugkeert naar Iran.\n\n11.1. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiseres vanwege haar politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft het standpunt kunnen innemen dat haar politieke activiteiten gering zijn geweest in aantal en in bereik. Tijdens de demonstraties op 8 maart 2022 was eiseres geen organisator en had zij geen leidende rol. De bijeenkomsten met milieuactivisten waren volgens de verklaringen van eiseres meer sociaal maatschappelijke activiteiten, het waren volgens eiseres niet zulke gevaarlijke activiteiten.\n\n11.2.. Ter zitting heeft eiseres nog verwezen naar het ambtsbericht, waarin staat dat het opvalt als iemand terugreist met een laissez-passer. In dat geval is het risico groot dat de autoriteiten de terugkeerder bij aankomst ondervragen over het verblijf in het buitenland. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om wel een gevaar voor vervolging bij terugkeer aan te nemen. Eiseres heeft niet onderbouwd welk risico zij zou lopen als zij wordt ondervraagd. De politieke activiteiten van eiseres in Iran zijn namelijk gering geweest en in Nederland heeft zij zich verder niet politiek geuit. De rechtbank concludeert al met al dat verweerder heeft kunnen aannemen dat eiseres bij terugkeer naar Iran niet hoeft te vrezen voor vervolging.\n\nHeeft verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen?\n\n12. Eiseres voert aan dat verweerder haar asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw. Zij betwist niet dat zij met vervalste documenten heeft gereisd, maar zij heeft bij het eerst mogelijke moment eerlijk toegelicht waarom zij met een vervalst paspoort reisde. Eiseres heeft ook direct foto’s van identificerende documenten overgelegd, toen zij ervan op de hoogte was dat dit van belang was. Zij heeft dus nooit opzettelijk gepoogd om de autoriteiten te misleiden om in een gunstiger positie te komen.\n\n12.1. Op grond van artikel 30b, eerste lid onder c, van de Vw kan een aanvraag als kennelijk ongegrond worden afgewezen als de vreemdeling verweerder heeft misleid door over zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.\n\n12.2. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel niet blijkt dat eiseres direct bij de controle heeft aangegeven dat zij met een Colombiaans paspoort reisde dat niet van haar was. Daarmee is voldaan aan artikel 30b, eerste lid onder c, van de Vw. Dat eiseres een dag later wel heeft toegegeven dat zij met een paspoort reisde die niet van haar was, doet aan die conclusie niet af.\n\n12.3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres ook afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw. Dit heeft eiseres niet bestreden in beroep.\n\nHeeft eiseres recht op schadevergoeding omdat de grensprocedure niet mocht worden toegepast?\n\n13. Eiseres heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat verweerder de grensprocedure niet mocht toepassen en zij daarom ten onrechte in grensdetentie heeft gezeten. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 20 mei 2025namelijk geoordeeld dat een afwijzend asielbesluit niet van invloed is op de rechtmatigheid van de grensdetentie. Dus ook als het bestreden besluit onrechtmatig zou zijn, wat overigens niet het geval is, dan kan dat niet als schadeveroorzakend besluit worden aangemerkt. Het verzoek om schadevergoeding moet de rechtbank hierom al afwijzen.\n\nHeeft verweerder een terugkeerbesluit voor Turkije mogen uitvaardigen?\n\n14. Eiseres voert aan dat het aanvullende terugkeerbesluit onrechtmatig is uitgevaardigd. De toelating tot Turkije is niet gewaarborgd en er is in het aanvullende terugkeerbesluit niet getoetst aan het non-refoulementbeginsel. Eiseres doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2025.Dat zij op grond van een removal order zou kunnen terugkeren, is in strijd met de Terugkeerrichtlijn.\n\n14.1. De rechtbank overweegt dat op grond van de Terugkeerrichtlijn verweerder een terugkeerbesluit kan uitvaardigen waarbij eiseres wordt verplicht terug te keren naar een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen. Verweerder heeft Turkije terecht als doorreisland beschouwd nu eiseres, zoals ook blijkt uit het dossier, vanuit Turkije naar Nederland is gevlogen. Verder heeft verweerder het Verdrag van Chicago, dat mogelijk maakt dat eiseres met een removal order wordt teruggestuurd naar Turkije, aangemerkt als een andere regeling zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit onjuist, anders dan met verwijzing naar de genoemde uitspraak van 12 februari 2025. De rechtbank volgt die uitspraak niet, maar wel de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 april 2025,en van deze rechtbank van 1 mei 2025.Anders dan eiseres betoogt, hoefde verweerder bij het nemen van dit terugkeerbesluit geen onderzoek te doen naar de vraag of eiseres toegang zal krijgen tot Turkije. Met een removal order en een door de ambtenaar belast met grensbewaking op te stellen attestis gewaarborgd dat eiseres wordt toegelaten.\n\n14.2. Verweerder zal wel moeten beoordelen of eiseres in Turkije een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Anders dan eiseres betoogt heeft verweerder dit in het aanvullend terugkeerbesluit wel getoetst. Verweerder heeft eiseres voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit gehoorden naar het oordeel van de rechtbank het standpunt kunnen innemen dat zij met haar verklaringen niet heeft onderbouwd dat door het effectueren van de removal order een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 3 EVRM. In beroep heeft eiseres geen informatie ingebracht om te onderbouwen dat zij dit 3 EVRM-risico wel zou lopen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder in het terugkeerbesluit dat is opgenomen in het bestreden besluit al heeft bepaald dat eiseres naar Iran kan terugkeren en dit naar het oordeel van de rechtbank - zie hiervoor onder 11.2 - ook kon doen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Ook heeft verweerder terecht een aangevuld terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat eiseres moet terugkeren naar Iran of Turkije.\n\nHet beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.\n\n16. Nu de rechtbank op het beroep beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.\n\n17. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter en voorzieningenrechter, en mr. W.B. Klaus en mr. E. van Kampen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp-Lopar, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nArrest van het Hof van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Arrest van het Hof van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2224.\n\n Zaaknummers NL25.2270 en NL25.2601, niet gepubliceerd.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7339.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:7685.\n\n Zie paragraaf A1\u002F9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie rapport nader gehoor, pagina 36-37.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18612","ecli-nl-rbdha-2025-18612",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]