[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-21513":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-21513":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1424","ECLI:NL:RBDHA:2025:21513","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2025-10-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.23513\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),\n\nen\n\nminister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).\n\nProcesverloop\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag). Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604\u002F2013) – verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1. Eiser heeft hangende het beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.30184). Dit verzoek is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 augustus 2024 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening verweerder verboden eiser over te dragen aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en R.H. Por Koros Jamalabad als tolk. De rechtbank heeft het onderzoek tijdens deze zitting aangehouden, in afwachting van de procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de situatie voor Dublinterugkeerders in Kroatië.\n\n1.3. Op 29 augustus 2024 heeft eiser nadere medische stukken overgelegd. Verweerder heeft hier op 4 november 2024 op gereageerd.\n\n1.4. Op 7 maart 2025 heeft verweerder aangegeven dat een onderzoek door Bureau Medische Advisering (BMA) is opgestart. Eiser heeft op 14 mei 2025 de rechtbank desgevraagd aangegeven dat – inmiddels – de benodigde gegevens daarvoor aan verweerder zijn verstrekt.\n\n1.5. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies overgelegd. Op 16 juni 2025 heeft verweerder in dat kader een standpunt ingenomen. Eiser heeft hier desgevraagd op 15 juli 2025 op gereageerd.\n\n1.6. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op een nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk voor eiser is verschenen A.R. Izadkhast (2781). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbankFeiten en omstandigheden\n\n2. Eiser heeft op 23 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 14 februari 2024 aan Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft dit verzoek afgewezen op 20 februari 2024, omdat Kroatië op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor eisers asielverzoek. Daarop heeft Nederland op 22 februari 2024 Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard op 7 maart 2024 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.\n\nBestreden besluit\n\n3. Nadat verweerder op 18 maart 2024 daartoe een voornemen kenbaar heeft gemaakt, heeft hij bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000. Dit besluit is – kort samengevat – als volgt gemotiveerd.\n\n3.1.. Volgens verweerder is Kroatië verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. De termijn voor de Dublinclaim – die volgens verweerder drie maanden is – is niet verstreken. De datum van de loopbrief is 7 december 2023, dus verweerder had tot 7 maart 2024 de tijd om een claimverzoek uit te brengen. Nu dit op 22 februari 2024 is gedaan, is er tijdig geclaimd. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid nu bij Nederland ligt op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening. Wat betreft het claimakkoord stelt verweerder dat de autoriteiten van Kroatië het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op dit vijfde lid ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (ECLI:EU:C:2019:280 (H. en R.), paragrafen 47-50). Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van die lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. Dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser nog niet onherroepelijk vaststaat, doet niet af aan de rechtmatigheid van het claimakkoord. Wat betreft de betwisting van het hebben ingediend van een asielaanvraag in Kroatië, stelt verweerder dat uit Eurodac blijkt dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Uit vaste jurisprudentie volgt dat verweerder er van mag uitgaan dat deze informatie juist is. Eisers verklaring dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Kroatië wordt dus niet gevolgd.\n\n3.2.. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat hij ten aanzien van Kroatië in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Volgens verweerder is in Kroatië niet gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals is bedoeld in het arrest Jawo van het HvJ-EU van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de situatie in Kroatië door de hiervoor bedoelde ondergrens zakt. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3411). Bij die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat Nederland aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan ten aanzien van de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten. Op basis van de bevindingen uit dat onderzoek mag wat betreft Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, aldus de Afdeling. Verweerder stelt voorts dat de autoriteiten van Kroatië middels het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij eisers asielverzoek inhoudelijk zullen behandelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant na overdracht te maken zal krijgen met pushbacks. De verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Kroatië en over de situatie in Kroatië leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. Bij voorkomende problemen kan eiser in Kroatië naar de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties gaan. Niet gebleken is dat deze autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen en tevens is niet gebleken dat eiser voldoende inspanningen heeft verricht om zijn klacht in Kroatië kenbaar te maken. Eiser heeft zijn stellingen niet nader onderbouwd en heeft geen (recente) documenten overgelegd waaruit blijkt dat Kroatië zich tegenover eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt.\n\n3.3.. De medische omstandigheden vormen volgens verweerder geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft geen (recente) medische documenten overgelegd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Kroatië kent dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland en daarom mag worden verwacht dat Kroatië eisers medische problemen net zo goed kan behandelen. Bij toestemming vindt een uitwisseling van eisers medische gegevens plaats tussen Nederland en Kroatië zodat Kroatië over bijzondere medische behoeften kan worden geïnformeerd. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het HvJ-EU van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127; hierna arrest C.K.), is niet gebleken en er wordt ook geen aanleiding gezien om een medisch onderzoek op te starten. Verweerder wijst er verder op dat, ondanks de eerdere aankondiging, er nog geen documenten zijn overgelegd over de gestelde behandeling voor psychische problemen zijn overgelegd. Dit kan alsnog in beroep.\n\n3.4.. Verweerder vindt tenslotte dat er geen reden is om de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. De aangevoerde omstandigheden (mishandeld door de autoriteiten van Kroatië en slachtoffer van mensenrechtenschendingen) zijn niet relevant bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Deze hebben namelijk betrekking op de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, en daarvoor bestaan geen aanwijzingen (ECLI:NL:RVS:2014:3164)\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nBeoordeling rechtbank\n\nOmvang geding\n\n5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat zijn beroepsgronden ten aanzien van de betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, voor zover deze betrekking hebben op systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, komen te vervallen, gelet op de nieuwe Afdelingsjurisprudentie op dit punt. De rechtbank heeft eiser tijdens de zitting voorts uitdrukkelijk de vraag gesteld of hij met zijn beroepsgronden óók een beroep wenst te doen op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit is gevraagd omdat de rechtbank dit voorafgaand aan de zitting niet duidelijk kon opmaken uit het beroepschrift. Eiser heeft hierop niet kenbaar gemaakt dat dit het geval is en heeft aangegeven dat het hem te doen is om de medische overdrachtsbeletselen, die volgens eiser maken dat verweerder op grond van de Dublinverordening verplicht is de asielaanvraag van eiser te behandelen en niet – zoals in het geval van de discretionaire bevoegdheid – onverplicht.\n\n6. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, ingaan op eisers beroepsgronden inzake het door hem gestelde voorwaardelijke claimakkoord en op de door hem gestelde medische overdrachtsbeletselen.\n\nVoorwaardelijkheid claimakkoord\n\n7. Eiser voert aan dat sprake lijkt te zijn van een voorwaardelijk claimakkoord, namelijk om door te gaan met de beoordeling wie verantwoordelijk is voor eiser. Daarom zou verweerder navraag moeten doen om te bezien wat er aan de hand is en of er inderdaad wel van kan worden uitgegaan dat de behandeling van het asielverzoek in Kroatië gegarandeerd is. Volgens eiser is niet gegarandeerd dat het asielverzoek in Kroatië in behandeling zal worden genomen. Eiser voert aan dat het bij artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening juist gaat om (de verplichting om) met het oog op afronding van de Dublinprocedure te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling. In deze situatie is de verantwoordelijkheid voor het asielverzoek nog niet vastgesteld. Daarnaast stelt eiser dat uit het claimakkoord blijkt dat Kroatië een beroep doet op (impliciete) intrekking van het asielverzoek, maar dat verweerder ten onrechte niet nader heeft onderzocht en onderbouwd of Kroatië een beroep doet op de uitzondering van de hoofdregel uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak H. en R. tegen Nederland van 2 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:280).\n\n8. Dit betoog slaagt niet. Kroatië is met het terugnameverzoek van Nederland akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening “in order to continue to determine responsibility for the person mentioned above”. Daarmee heeft Kroatië erkend dat zij moet vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Kroatië had die procedure nog niet afgerond en wil het onderzoek naar de verantwoordelijkheidsvaststelling voortzetten. Dat Kroatië de vaststellingsprocedure op grond van de Dublinverordening nog niet heeft afgerond en dus ook nog niet heeft vastgesteld dat Kroatië daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek, betekent niet dat verweerder het bestreden besluit niet mocht nemen en evenmin dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië. Uit de bewoordingen van voornoemd artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op het vijfde lid van artikel 20 van de Dublinverordening ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (zie ook het door eiser genoemde arrest van het HvJ-EU van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280, par. 47-50). In par. 81 van dit arrest heeft het HvJ-EU voorts overwogen dat in de in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening bedoelde gevallen een overdracht in beginsel zal kunnen plaatsvinden zonder dat de verantwoordelijkheid van de aangezochte lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek vooraf is vastgesteld. Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek af te ronden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek nog niet onherroepelijk vaststaat, niet afdoet aan de rechtmatigheid van het claimakkoord.\n\n9. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen reden voor verweerder was om hierover navraag te doen bij de autoriteiten van Kroatië. Uit par. 80-84 van voornoemd arrest volgt dat Nederland niet verplicht was om, voordat zij een terugnameverzoek bij Kroatië indiende, op grond van de Dublinverordening te onderzoeken of Kroatië ook daadwerkelijk de lidstaat is die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Eiser heeft voorts geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Nederland heeft daarom terecht een terugnameverzoek ingediend bij de Kroatische autoriteiten en het is vervolgens aan de Kroatische autoriteiten om te bepalen of zij daadwerkelijk verantwoordelijk zijn, of dat een andere lidstaat dit is.Medische overdrachtsbeletselen\n\n10. Eiser voert aan hij onder behandeling is vanwege depressie en dat hij\n\ninmiddels suïcidaal is geworden vanwege de angst te moeten terugkeren naar Kroatië.\n\nDaarbij doet hij een beroep op het arrest C.K. van het HvJ-EU, de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980), alsook de uitspraak van de Afdeling van\n\n21 maart 2024 (ECLI:NL:2024:1199), waarin een risico op schending van artikel 3 van het EVRM is aangenomen doordat mogelijk geen psychische gezondheidszorg in Kroatië beschikbaar is. Ter onderbouwing heeft eiser in de fase van beroep op 24 juni 2024 medische stukken ingebracht, te weten zijn patiëntdossier van 14 juni 2024 en een brief van de praktijkondersteuner huisartsen voor geestelijke gezondheidszorg van 24 juni 2024. Volgens de gemachtigde van eiser lijkt het dat de ernstige psychische problemen van eiser, met name het serieuze suïcidegevaar, gekoppeld is aan de vrees voor uitzetting en dat gedwongen deportatie zeer ernstige en onomkeerbare gevolgen kan hebben en daarom (mogelijk) strijdig is met artikel 3 van het EVRM.\n\n11. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op dat moment geen grond zag voor medische overdrachtsbeletselen in het geval van eiser en evenmin reden zag om nader onderzoek hiernaar te laten doen (zie ook onder 4.3). Na het overleggen door eiser van de voornoemde medische stukken op 24 juni 2024 heeft verweerder aangegeven dat deze medische stukken geen objectieve gegevens betreffen die aantonen dat de overdracht aan Kroatië onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van eiser, zoals bedoeld in het arrest C.K. Daarbij wijst verweerder op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:10137) die door de Afdeling is omarmd en bevestigd bij uitspraak van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017). Zo wordt in de brief van 24 juni 2024 vermeld dat eiser verklaart suïcidale gedachten te hebben, maar blijkt uit het patiëntdossier dat deze suïcidale gedachten\u002Fpogingen niet bevestigd kunnen worden (aantekening van 14 juni 2024). Alleen op 30 april 2024 is de eerste en enige melding gemaakt dat verzoeker heeft verklaard soms de gedachten te hebben om “het” daadwerkelijk te doen maar dat hij daartoe geen plannen heeft. Ook verder volgt uit het patiëntdossier geen medische (psychische) diagnoses, maar slechts enkele beschrijvingen van vermoeidheid, slecht slapen, piekeren en stress. Uit de aangeleverde informatie blijkt volgens verweerder niet van concrete aanknopingspunten om Bureau Medische Advisering (BMA) advies te vragen om de gevolgen van de overdracht in kaart te brengen.\n\n12. Eiser heeft hierop vervolgens – desgevraagd – gereageerd op 7 augustus 2024. Eiser geeft kort gezegd aan dat hij het standpunt van verweerder niet volgt, te meer gezien het zeer matig beschikbaar zijn van medische zorg in Kroatië. Er is volgens eiser wél aanleiding om een BMA-advies op te vragen. De beschrijving van de symptomen (depressie en PTSS) door de praktijkondersteuner GGZ acht eiser voldoende. In het patiëntdossier is verder vermeld dat er wel eens zelfmoordgedachten zijn. Ambtshalve is de gemachtigde van eiser bovendien ermee bekend dat de bevindingen van de praktijkondersteuner GGZ niet in het patiëntdossier staan – waarom weet zij ook niet. Eiser meent dat de brief van de praktijkondersteuner GGZ wel degelijk relevante informatie geeft over de gevolgen van overdracht aan Kroatië. Tenslotte stelt eiser in deze reactie dat hij vanwege zijn psychische problematiek als kwetsbaar te zien is en dat om die reden aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten nodig zijn.\n\n13. Op 22 augustus 2025 heeft eiser een nadere verklaring van de praktijkondersteuner Zakia Elasri overgelegd (gedateerd 22 augustus 2024). Hierin staat onder meer vermeld: “Suïcide gevaar na deportatie Kroatië vind ik zelf wel reëel aanwezig, omdat zijn depressieve klachten ernstig zijn. Ik weet ook zeker dat zijn depressieve klachten zullen afnemen als de Dublin eraf zal gaan.”\n\n14. Op 4 november 2024 heeft verweerder gereageerd op voornoemde aanvullende verklaring. Hij ziet daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eventuele benodigde medische zorg is volgens verweerder eveneens beschikbaar in Kroatië en de Kroatische autoriteiten zullen desgevraagd op de hoogte worden gebracht van de medische situatie van eiser. Bovendien betreft het een brief van een praktijkondersteuner, en niet van een arts, en wordt daarin geen diagnose gesteld. Eveneens ziet verweerder geen concrete onderbouwing waarop wordt gebaseerd dat er een reëel verhoogd risico op\n\nsuïcide is bij overdracht dan wel dat de psychische klachten zullen afnemen als van een Dublinoverdracht wordt afgezien.\n\n15. In de brief van 7 maart 2025 heeft verweerder zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er uit een oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding is ontstaan het BMA alsnog te vragen om advies uit te brengen. Eiser heeft de hiertoe vereiste medische machtiging verstrekt en heeft een aanvullend schrijven van de praktijkondersteuner GGZ van 25 februari 2025 overgelegd.\n\n16. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies (gedateerd 13 juni 2025) overgelegd. In dit advies staat vermeld dat eiser onder behandeling staat (medicatie en psychotherapie), dat de behandeling in principe tijdelijk van aard is maar net is gestart en dat op basis van de aanwezige informatie niet is aan te geven hoe lang de behandeling precies zal gaan duren. Verder staat vermeld dat uit informatie van de behandelaar naar voren komt dat sprake is van PTSS en een depressieve stoornis, dat eiser symptomen vertoont van aanhoudende somberheid, slaapproblemen, nachtmerries, verminderde eetlust, concentratieproblemen en gevoelens van hopeloosheid, en dat volgens de praktijkondersteuner GGZ sprake is van een verhoogd risico op suïcidaliteit indien eiser terug moet keren naar Kroatië. De BMA-arts concludeert dat eiser kan reizen indien sprake is van een fysieke overdracht, en dat geadviseerd wordt om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen. Deze kan eiser begeleiding bieden, de medicatie in beheer houden en een fysieke overdracht doen aan een behandelaar.\n\n17. Verweerder heeft zich in zijn brief van 16 juni 2025 onder verwijzing naar dit advies op het standpunt gesteld dat eiser – onder bepaalde reisvoorwaarden – kan worden overgedragen aan Kroatië.\n\n18. Eiser heeft in zijn brief van 15 juli 2025 desgevraagd aangegeven dat de BMA-arts de medische toestand van eiser erkent alsmede het verhoogde risico op suïcidaliteit indien eiser zou worden overgedragen. Verder noemt de BMA-arts voorzorgsmaatregelen, maar kan geen enkele concrete waarborg geboden worden voor de feitelijke overdracht (bijvoorbeeld een arts\u002Finstelling in Kroatië). Niet is onderzocht dat de noodzakelijke medische continuïteit daadwerkelijk geboden kan worden. Gezien wat bekend is over de opvang en medische zorg in Kroatië – die notoir slecht is – kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat dit gegarandeerd zal zijn. Die daadwerkelijke toegang tot de medische zorg is volgens eiser wel vereist, gelet op het arrest C.K. Er mag niet uitsluitend worden afgegaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel; vereist is een volledige en casuïstische beoordeling. Eiser heeft bovendien zelf geen enkel vertrouwen in de Kroatische autoriteiten, gezien de eerdere zeer slechte behandeling door hen. Overdracht zal voor eiser reden voor zelfmoord zijn.\n\n19. De rechtbank overweegt als volgt.\n\nHet juridisch kader\n\n20. Het HvJ-EU heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vormen. Het HvJ-EU heeft in de paragrafen 75 en 76 van het arrest C.K. – verkort weergegeven – overwogen dat in de situatie dat de vreemdeling voornoemde gegevens overlegt, het aan de autoriteiten is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen, en dat daarbij, wanneer sprake is van een ernstige psychische aandoening, niet mag worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar rekening gehouden moet worden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.\n\n21. De Afdeling heeft in navolging hiervan overwogen (zie de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7) dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2). In dat geval vereist de vergewisplicht dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. Verweerder kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM (dan wel artikel 4 van het Handvest) als gevolg van de overdracht zelf wegnemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566). In bijzondere omstandigheden volstaat het echter niet om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen door (enkel) te verwijzen naar de reisvoorwaarden die het BMA heeft opgesteld – bijvoorbeeld in een geval waarin (meerdere) behandelaren hebben gesteld dat het risico op suïcide als (zeer) hoog moet worden ingeschat in geval van een overdracht aan de lidstaat en dat dit risico te relateren is aan die overdracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297, onder 3.5-3.7).\n\n22. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat de vraag of de overdracht van een betrokkene met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand inhoudt, zoals bedoeld in par. 73-75 van het arrest C.K., moet worden onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht voor die betrokkene passende medische zorg aanwezig is, zoals beschreven in par. 70-72 van dat arrest (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, onder 6). Zowel de overdracht op zich als de afwezigheid van passende medische zorg, kunnen namelijk een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest tot gevolg hebben.\n\n23. De rechtbank stelt vast – mede gelet op de behandeling ter zitting – dat in deze zaak het eiser te doen is om de gevolgen van de overdracht aan Kroatië op zich en de beschikbaarheid van passende medische zorg in Kroatië. De rechtbank zal beide punten in het hiernavolgende dan ook bespreken.\n\nDe gevolgen van de overdracht op zich\n\n24. Zoals uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak volgt is het uitgangspunt dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een betrokkene kan wegnemen door het BMA om advies te vragen en – vervolgens – toe te zeggen de in het BMA-advies opgenomen reisvereisten te zullen opvolgen (zie in dit kader ook de door verweerder ter zitting aangehaalde, recente uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774).\n\n25. De BMA-arts heeft in de zaak van eiser aangegeven dat eiser kan reizen indien een fysieke overdracht wordt geregeld. Door het BMA is in dit kader geadviseerd om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen die eiser begeleiding kan bieden, de medicatie in beheer kan houden en een fysieke overdracht kan doen aan een behandelaar. De laatstgenoemde fysieke overdracht aan een instelling\u002Farts is het meest vergaande reisvereiste dat het BMA kan adviseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4458, onder 2.5).\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval verweerder de gerezen twijfel heeft weggenomen door te verwijzen naar het uitvoeren van de door het BMA opgestelde reisvereisten. In dit verband laat de rechtbank meewegen dat eiser – ondanks het feit dat de rechtbank hem daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld bij brief van 9 oktober 2025 – geen nadere, actuele medische informatie heeft overgelegd. Ook is onduidelijk gebleven wat de precieze diagnose is die bij eiser is gesteld en wat de aard van de behandeling is die hij ondergaat. Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat – naast het feit dat hij medicatie gebruikt voor zijn psychische klachten – hij eens in de twee weken een afspraak heeft met de praktijkondersteuner GGZ. Gedurende deze procedure is onduidelijk gebleven waar deze praktijkondersteuner precies op baseert dat sprake is van een reëel verhoogd risico op suïcide bij overdracht dan wel dat de psychische klachten van eiser zullen afnemen als van een overdracht wordt afgezien. Verder zijn er geen andere behandelaren in beeld – eiser heeft hier althans niet op gewezen – die het door de praktijkondersteuner gestelde reële risico op suïcide bevestigen. Ook in het patiëntdossier is hiervoor geen onderbouwing te vinden en zijn geen gedocumenteerde suïcidepogingen opgenomen. Daarin staat wel, zoals eiser heeft aangevoerd, het volgende vermeld (bij de datum 30 april 2024) “droomt vaak dat hij van een hoog hoogte valt. soms heeft hij zelfs die gedachtens om het daadwerkelijk te gaan doen. heeft geen plannen.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank nog niet van een concreet suïciderisico. Na 30 april 2024 wordt in het patiëntdossier over dit onderwerp verder niets meer vermeld en eiser heeft – naar aanleiding van de opvraag van de rechtbank op 9 oktober 2025 – ook geen geactualiseerd patiëntdossier overgelegd.\n\n27. Anders dan waar eiser van uitgaat hoeft het BMA in een Dublinprocedure – juist omdat verweerder in beginsel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de in de andere lidstaat aanwezige medische zorg (zie ook de artikelen 17 tot en met 19 van de Opvangrichtlijn) – voorts niet te specificeren bij welke concrete instelling\u002Farts de benodigde zorg beschikbaar is na overdracht. Eiser heeft er ter zitting op gewezen dat dit specificeren altijd vereist is in medische zaken waarin het gaat om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, maar de rechtbank wijst erop dat in deze zaak niet een uitzetting naar het land van herkomst maar een overdracht op grond van de Dublinverordening aan de orde is. Dat is een andere context, omdat in zo’n geval overgedragen\u002Fuitgezet wordt naar een andere lidstaat van de Europese Unie – waarbij verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat in die andere lidstaat het Europese asielrecht nageleefd wordt.\n\n28. In de aan de orde zijnde omstandigheden ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen reden voor het oordeel dat verweerder in dit geval met het opvolgen van de door het BMA opgestelde reisvereisten de gerezen twijfel niet heeft weggenomen.\n\n29. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank uit het dossier afleidt dat eiser kampt met verschillende psychische klachten. De rechtbank wil deze klachten geenszins bagatelliseren. De informatie omtrent deze psychische klachten is echter bij de huidige stand van zaken onvoldoende om aannemelijk te achten dat bij overdracht – ondanks de in dat kader door verweerder te treffen maatregelen – sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser, als gevolg waarvan die overdracht achterwege moet blijven.\n\nDe aanwezigheid van medische zorg in Kroatië\n\n30. Eiser heeft betwist dat in Kroatië voor hem passende medische zorg aanwezig is. Hij heeft er ter zitting in dit kader op gewezen dat uit het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van augustus 2025 blijkt van problemen met de (mentale) gezondheidszorg in Kroatië.\n\n31. Dit betoog slaagt niet. In het kader van de beschikbaarheid van passende medische zorg in de andere lidstaat mag verweerder, zoals hiervoor al is aangegeven, in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat het in beginsel aan eiser is om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586).\n\n32. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2484) heeft overwogen dat adequate psychische gezondheidszorg op dat moment wel (weer) beschikbaar is in Kroatië. De informatie in het door eiser genoemde AIDA-rapport heeft de Afdeling nog niet bij haar beoordeling in de laatstgenoemde uitspraak kunnen betrekken, nu die informatie van een latere datum is. De rechtbank kan uit de relevante paragrafen in dit rapport (pag. 114 e.v.) echter niet afleiden dat de gezondheidszorg in Kroatië op dit punt meer recent wel door de ondergrens zakt, en wijst erop dat eiser dit zelf ook niet concreet heeft gemaakt door te verwijzen naar specifieke passages uit dit rapport. De rechtbank overweegt verder dat uit pag. 117-118 van het rapport wél af te leiden valt dat psychische gezondheidszorg voor asielzoekers beschikbaar was en dat er in dat kader ook verwijzingen plaatsvonden naar psychiatrisch specialisten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om in dit kader tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024.\n\nConclusie en gevolgen\n\n33. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauw, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 oktober 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21513","ecli-nl-rbdha-2025-21513",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]