Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2025:28009

Instanță

Den Haag

Data

9 April 2025

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/671825 / HA ZA 24-742

Vonnis van 9 april 2025

in de zaak van

1. [eiser] ,

2. [eiseres],

beiden te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: eisers,

advocaat: mr. J.J. Turenhout,

tegen

GEMEENTE NIEUWKOOP,

te Nieuwveen,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mrs. T. Barshini.

1. Samenvatting

1.1.. Deze zaak gaat over de vragen of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [locatie] als gemeentelijk monument aan te wijzen, en zo ja, of de Gemeente de door eisers gevorderde (vertragings)schade moet vergoeden.

1.2.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit van de Gemeente tot aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument onrechtmatig was. De rechtbank kan echter op basis van de nu voorliggende informatie nog niet goed beoordelen of alle schade waarvan eisers vergoeding vorderen, voortvloeit uit die onrechtmatige aanwijzing.

1.3..

De rechtbank draagt eisers daarom op te bewijzen – kort gezegd – dat de gestelde vertraging in de werkzaamheden en de extra kosten die zij hebben moeten maken, voortvloeien uit de onrechtmatige aanwijzing en niet uit de wijzigingen die hun bouwplannen inhielden ten opzichte van de oorspronkelijke situatie (kort gezegd: een groter restaurant in plaats van een kleiner vissportcentrum, met parkeervoorzieningen die er nog niet waren).

Ook draagt de rechtbank de Gemeente het bewijs op van het door haar gevoerde eigen schuld verweer, inhoudende dat een deel van de vertraging bij de verlening van de benodigde vergunningen te wijten is aan eisers zelf.

1.4.. Aan het eind van dit vonnis legt de rechtbank uit hoe de procedure nu verder gaat.

2. Leeswijzer

Dit vonnis is als volgt opgebouwd:

De rechtbank bespreekt eerst hoe de procedure is verlopen (Hoofdstuk 3), van welke feiten zij uitgaat bij de beoordeling van deze zaak (Hoofdstuk 4), wat eisers precies hebben gevorderd en wat de Gemeente daartegen heeft ingebracht (Hoofdstuk 5).

Daarna beoordeelt de rechtbank eerst de rechtmatigheid van het primaire besluit, en dan de toewijsbaarheid van de gevorderde schade. Die beoordeling mondt uit in twee bewijsopdrachten: één aan eisers die ziet op het causaal verband tussen de onrechtmatige aanwijzing en de gevorderde vertragingsschade, en één aan de Gemeente die ziet op haar eigen schuld verweren (Hoofdstuk 6).

Het vonnis sluit af met een uitleg over hoe de procedure verder zal verlopen (Hoofdstuk 7) en een korte opsomming van alle beslissingen (Hoofdstuk 8).

3. De procedure

3.1.. Het procesdossier bestaat uit:

  • de dagvaarding van 10 juli 2024, met producties 1-34,

  • de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024, met producties 1-85,

  • de akte overlegging producties van 4 september 2024, met producties 35A-37G,

  • het tussenvonnis van 6 november 2024,

  • het B-formulier van 31 december 2024 van eisers met daarin een pleitverzoek,

  • het bericht van de griffie van 14 januari 2025 met een zittingsagenda en vragen.

3.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Mr. Turenhout heeft, zoals voor de zitting verzocht en toegestaan, gebruik gemaakt van pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Mr. Barshini heeft afgezien van het gebruik van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

3.3.. Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.

4. De feiten

4.1.. Eisers zijn sinds 29 januari 2015 eigenaar van een perceel in Noorden, inclusief 23 hectare water en natuurgrond, dat aan grenst aan een Natura 2000-gebied (de Nieuwkoopse Plassen). Op hun perceel bevond zich het inmiddels gesloopte [locatie] , een boerderij uit de 18e eeuw, die door grondzettingen deels was verzakt. [locatie] werd laatstelijk gebruikt als vissportcentrum met restaurant en bedrijfswoning. Eisers wilden [locatie] laten slopen en op het perceel een restaurant met een bedrijfswoning realiseren.

4.2.. Bij brief van 15 juli 2015 heeft het college van burgermeester en wethouders (hierna: het college) van de Gemeente aan eisers meegedeeld voornemens te zijn [locatie] aan te wijzen tot gemeentelijk monument.

4.3..

Vervolgens heeft het college de monumentencommissie gevraagd een vervolgonderzoek in te stellen naar de monumentale status en waarde van [locatie] .

De monumentencommissie heeft het college op 8 september 2015 geadviseerd het aanwijzingstraject te vervolgen.

4.4.. Op 24 maart 2016 heeft het college het ontwerpbesluit tot de aanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument aan eisers gestuurd. In dit ontwerpbesluit motiveerde zij in de zogenaamde ‘redengevende omschrijving’ waarom zij aanleiding zag om tot aanwijzing over te gaan. In deze redengevende omschrijving stond onder meer dat het dak van het hoofdgebouw zeer scheve schouders had, en dat de gevels last hadden van scheurvorming. De aard en de omvang van die scheurvorming waren niet verder onderzocht.

4.5.. De monumentencommissie heeft de Gemeente op 8 april 2016 nader geadviseerd over het ontwerp-aanwijzingsbesluit. De commissie vond [locatie] monumentwaardig, op de in de redengevende omschrijving van het college genoemde gronden.

4.6.. Eisers konden zich niet verenigen met het ontwerpbesluit en hebben hiertegen op 12 april 2016 een zienswijze ingediend.

Aanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument

4.7.. Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college [locatie] aangewezen tot beschermd gemeentelijk monument (hierna: het primaire besluit).

4.8.. Op 3 juni 2016 heeft de advocaat van eisers pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

4.9.. Bij brief van 3 augustus 2016 is namens eisers het bezwaar tegen het primaire besluit aangevuld met de gronden van het bezwaar en financiële gegevens.

4.10.. De bezwaarschriftencommissie van de gemeente heeft het college op 20 december 2016 geadviseerd om het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond te verklaren en om dit besluit in te trekken. De commissie overwoog daartoe onder meer het volgende:

“de commissie overweegt dat naast de eerdergenoemde criteria voor cultureel erfgoed bij de aanwijzing als monument ook de financiële gevolgen bij de besluitvorming dienen te worden meegewogen. Daarbij is het college uitgegaan van meerdere objecten in de gemeente die in het (recente) verleden als monument zijn aangewezen en die ook met grondzettingen te maken hadden. Voor het behoud van het object kan volgens het college op grond van ervaringen met andere objecten schade als gevolg van zettingen voorkomen worden met een ter zitting genoemd bedrag van circa € 75.000. Bezwaarmaker daartegen heeft echter een elementen-begroting van het Advies- en ontwerpburo Nico [naam 2] overgelegd, die op een bedrag van € 477.076,73 uitkomt voor het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden ter behoud van het object als monument. Op verzoek van de commissie heeft het college hierover middels gerichte vragen een oordeel gevraagd aan de Monumentenwacht Zuid-Holland. De commissie heeft het noodzakelijk geacht de advisering aan te houden tot het beschikbaar komen van het rapport. In het uitgebrachte inspectierapport van 9 november 2016 (….) concludeert Monumentenwachter [naam 1] dat de door bezwaarmaker opgevoerde herstelkosten in de elementenbegroting van c.a. € 475.000,00 (incl. btw) als reëel bedrag moet worden aangemerkt als het gaat om het stabiliseren en in stand houden van “t [locatie] ”. Op grond hiervan komt de commissie tot het oordeel, dat de noodzakelijke kosten voor behoud van het object (nr. 4924) in zijn huidige vorm voor bezwaarmaker een onevenredige belasting vormt en dat zijn bezwaar op dit punt derhalve als gegrond moet worden aangemerkt.”

Aanvraag omgevingsvergunning fase I

4.11.. Op 12 december 2016 hebben eisers bij het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ aangevraagd, voor het vervangen van vissportcentrum ‘ [locatie] ’ met bedrijfswoning door een ‘restaurant met bedrijfswoning, parkeerkelder en bijbehorende terreinvoorzieningen’.

4.12.. Bij brief van 21 december 2016 heeft het college eisers meegedeeld dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning niet compleet was en dat het bouwplan in strijd was met de bestemmingen ‘horeca’, ‘water’ en ‘waarde-archeologie’ ‘met deels nadere functieaanduidingen’ ‘specifieke vorm van recreatie-vissportbedrijf en bedrijfswoning’ van het destijds geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] (hierna: het bestemmingsplan). Ook moest een BIBOB-toets worden uitgevoerd. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende gegevens binnen vier weken na de verzending van deze brief aan te vullen.

4.13.. Bij brief van 10 januari 2017 heeft [naam 2] , de door eisers ingeschakelde architect, in reactie op deze brief het college namens eisers verzocht om een nadere termijn voor het aanleveren van de gewenste gegevens.

4.14..

Op 2 februari 2017 heeft naar aanleiding van het verzoek om aanvulling van de gegevens een overleg plaatsgevonden tussen eisers en [naam 2] enerzijds en [naam 3] en [naam 4] namens de Gemeente anderzijds.

[naam 3] en [naam 4] waren beiden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag voor de verlening van een omgevingsvergunning. Tijdens dit overleg hebben zij aan eisers en [naam 2] kenbaar gemaakt dat de strijdigheden van het bestemmingsplan niet konden worden opgelost via de afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (‘binnenplanse oplossingen’) en dat daarom ook een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ nodig was om het bouwplan te kunnen uitvoeren.

4.15.. Eisers hebben toen besloten om de benodigde omgevingsvergunningen gefaseerd aan te vragen: omgevingsvergunning fase I voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ en omgevingsvergunning fase II voor de activiteit ‘bouwen’.

4.16.. Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2017 heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 20 december 2016, met een aanvullende motivering en een aangepaste redenering, het door eisers ingediende bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en haar primaire besluit gehandhaafd.

4.17..

Op 21 maart 2017 hebben eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 beroep ingesteld bij deze rechtbank (team bestuursrecht). Gelijktijdig hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht).

De voorzieningenrechter heeft op 13 april 2017, naar aanleiding van de door eisers aangevoerde gronden, aanleiding gevonden om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) als deskundige te raadplegen en een rapport te laten uitbrengen.

4.18.. Op 13 april 2017 heeft het college besloten de aanvraag voor een omgevingsvergunning fase I buiten behandeling te stellen, omdat eisers hadden nagelaten de ontbrekende stukken aan te vullen, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid waren gesteld.

4.19.. Op 15 juni 2017 heeft de STAB een rapport uitgebracht. Zij concludeerde dat [locatie] monumentwaardig was in de zin van de Erfgoedverordening en dat de aanwijzing als gemeentelijk monument niet in de weg stond aan een zinvol gebruik van het object.

4.20.. Op 19 juli 2017 hebben eisers hun aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I aangevuld met het rapport ‘Vernieuwing [locatie] ’ van Anteagroup en een toelichting op de watertoets van 18 juli 2017.

4.21.. In de e-mail van 25 juli 2017 heeft [naam 3] , naar aanleiding van de watertoets, het volgende aan het Hoogheemraadschap van Rijnland geschreven:

“Graag vraag ik u advies uit te brengen voor het planologisch mogelijk maken van een restaurant met bedrijfswoning op het perceel [adres] . Het bouwgedeelte van de aanvraag zal in een latere fase komen. [naam 5] heeft al eerder advies uitgebracht (zie bijlage). Naar aanleiding van het advies heeft de aanvrager een toelichting op de watertoets op laten stellen. Graag vraag ik bij het advies tevens jullie eigen project damwandconstructie langs de [straatnaam] te betrekken vanwege raakvlakken en wensen van de initiatiefnemer. Het zou vervelend zijn als dit niet op elkaar zou aansluiten.”

4.22.. In een e-mail van 27 juli 2017 heeft [naam 5] van het Hoogheemraadschap van Rijnland het volgende – voor zover van belang – geantwoord:

“In het plan zien wij geen toename van verhard oppervlak. Derhalve bestaat er geen compensatieverplichting ten behoeve van het graven van water.

Wel hebben wij een opmerking over dit plan. Intussen is duidelijk geworden dat het plan zoals de opdrachtgever voor staat niet gerealiseerd kan worden zonder de beheergrenzen tussen ons waterschap en het waterschap AGVte wijzigen. (…)

Om de beheergrenzen te wijzigen dienen beide waterschapsbesturen hiertoe de noodzaak in te zien en dit te willen faciliteren. De kans daarop achten wij niet erg groot. Er ontbreekt immers een maatschappelijk belang om dit te doen, uitsluitend een particulier belang. Bovendien zou een dergelijke beheergebiedswijziging nogal wat praktische problemen opleveren ten aanzien van bevoegdheden en beheer.

De reden dat er een beheersgebiedswijziging dient plaats te vinden voor dit project is dat er niet gebouwd kan worden zoals is weergegeven op de locatie waar nu een waterkering is gelegen. De kering zou dan om het plangebied heen verlegd moeten worden zodat op de locatie van de huidige kering geen beperkingen meer gelden. Echter, die nieuwe kering zal net zoals nu het geval is, onder het bevoegd gezag moeten (blijven) vallen van AGV. Dit is echter niet mogelijk omdat het ene bevoegde gezag niet bevoegd kan zijn over beheerobjecten in een beheergebied van een anderbevoegd gezag, hetgeen een gegeven is. Deze optie valt daarom af.

Mocht de initiatiefnemer zijn project willen realiseren dan rest naar onze mening niets anders dan dat hij contact opneemt met AGV omdat zij binnenkort de waterkering ter plaatse gaan versterken en mogelijk deelgenoot willen worden in dit plan en zich daarvoor willen inzetten. Wanneer dit zo is vernemen wij dit van AGV en zullen tegen die tijd onze mening gaan vormen over een eventuele beheergebiedsgrenswijziging.”

4.23.. Op basis van alle door eisers aangeleverde nieuwe gegevens en rapporten heeft het college geconstateerd dat op grond van het Besluit omgevingsrecht en de Wet natuurbescherming de aanhaakverplichting tussen de omgevingsvergunning en de natuurvergunning van toepassing is, en dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb)-natuur nodig is om de omgevingsvergunning fase I te kunnen verlenen.

4.24.. Namens eisers is aan Bureau Aandacht Natuur gevraagd in het kader van de benodigde vvgb-natuur een natuuronderzoek uit te voeren. Op 28 september 2017 heeft Bureau Aandacht Natuur het rapport ‘Toetsing Wet Natuurbescherming’ uitgebracht.

4.25.. Op 5 december 2017 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden, namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, een vvgb-natuur verleend.

4.26.. Op 21 december 2017 heeft de voorzieningenrechter nadere vragen gesteld over het rapport van de STAB.

4.27.. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 24 augustus 2018 het beroep van eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college [locatie] in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument, en dat eisers door die aanwijzing financieel niet onevenredig werden belast.

4.28.. Op 3 oktober 2018 hebben eisers tegen deze uitspraak (pro forma) beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) Op 2 november 2018 hebben eisers de beroepsgronden aangevuld.

4.29.. De Afdeling heeft op 4 december 2019 het beroep van eisers gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 7 februari 2017 vernietigd. De Afdeling heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“6. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat [locatie] monumentwaardig is in de zin van de Erfgoedverordening 2010. Evenmin is in geschil dat [locatie] onderhevig is aan grondzettingen en dat, voor het behoud van dat pand, de gevolgen daarvan moeten worden geredresseerd. Partijen zijn evenwel verdeeld over de wijze waarop dit moet geschieden en of de daarmee gepaard gaande kosten niet dermate hoog zijn dat in redelijkheid had moeten worden afgezien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.

Zinvol (her)gebruik

7. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] aannemelijk hebben gemaakt dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen. Het enkel herstellen van de fundering van het pand leidt, zoals [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben toegelicht en zoals door het college ter zitting is erkend, tot een stahoogte van 1.80 meter in de bedrijfswoning en het daaraan grenzende gedeelte van het restaurant op de begane grond. Het betoog van het college dat tegen niet al te hoge kosten meer stahoogte kan worden gecreëerd door de verdiepingsvloer te verwijderen, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat [naam 2] ter zitting desgevraagd en onbetwist heeft toegelicht dat de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer de stabiliteit van het pand waarborgen en een dragende functie hebben. Volgens [naam 2] kunnen de hoofdspantconstructies niet worden verwijderd, hetgeen betekent dat er geen sprake is van een vrije loop. Ook de verdiepingsvloer kan niet worden verwijderd zonder dat een (staal)constructie in de plaats wordt aangebracht. De kosten voor het plaatsen van een zodanige constructie en een verdiepingsvloer hoger in het pand, waardoor op de begane grond meer stahoogte ontstaat en het op de eerste verdieping gelegen slaapgedeelte van de bedrijfswoning behouden kan blijven, benaderen de kosten voor funderingsherstel met opvijzeling. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de verdiepingsvloer, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of die vloer verwijderd mag worden zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

Dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen, volgt voorts uit de vaststelling dat het enkel herstellen van de fundering van dat pand ertoe leidt dat de in het verzakte gedeelte daarvan gesitueerde deuren een naar huidig gebruik te lage dagmaathoogte krijgen en dat de afstand tussen de zich daar bevindende vensters en de vloer op de begane grond kleiner wordt. Ter zitting is dit door het college erkend. Deze problemen kunnen, naar de Afdeling ter zitting is gebleken, niet allemaal worden weggenomen. Zo kunnen de (kozijnen van de) drie buitendeuren aan de westgevel van [locatie] niet worden opgehoogd door de plaats van de dakrand. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde deuren, zodat ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld of (de kozijnen van) die deuren, voor zover dat al mogelijk is, mogen worden opgehoogd zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

Het betoog slaagt.

Evenredigheid financiële belasting

8. Het behoud van [locatie] en een zinvol (her)gebruik daarvan worden slechts gewaarborgd, zoals de Afdeling hiervoor onder 7 heeft geoordeeld, indien het pand wordt voorzien van een nieuwe fundering en het verzakte gedeelte daarvan wordt opgevijzeld. Niet in geschil is dat de kosten daarvoor, uitgaande van de door [naam 2] opgestelde begroting van 5 juli 2016, minstens € 473.076,73 inclusief btw bedragen.

De vraag of het college in dit bedrag, alsmede de bijkomende renovatiekosten, aanleiding had moeten vinden af te zien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden beantwoord aan de hand van de door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking met de marktwaarde van [locatie], zoals vastgesteld door de SAOZ in het rapport van 2 augustus 2017. Daartoe is van belang dat de marktwaarde van een pand in belangrijke mate wordt beïnvloed door diens staat van onderhoud. De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking brengt derhalve met zich dat monumentwaardige panden met een slechte staat van onderhoud, doorgaans niet kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument, nu de kosten van instandhouding daarvan de (te realiseren) marktwaarde in de regel zullen overtreffen. De Afdeling acht dit niet verenigbaar met het belang van de bescherming van monumentale panden, zoals gewaarborgd in de hier van toepassing zijnde regelgeving.

De door de rechtbank in navolging van het college gemaakte vergelijking tussen de kosten van instandhouding van [locatie], alsmede de bijkomende renovatiekosten, en de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw, komt de Afdeling evenmin juist voor. Daartoe is van belang dat de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw geenszins te relateren zijn aan [locatie], omdat het daarbij wat de grootte van de bedrijfsruimte betreft om een geheel ander project gaat. De kosten voor de beoogde nieuwbouw zijn gebaseerd op een horecaruimte van 220 m2, terwijl die ruimte in [locatie] 65 m2 bedraagt. [appellant A] en [appellant B] gaan er blijkens het verhandelde ter zitting ook vanuit dat de beoogde nieuwbouw meer inkomsten zal genereren. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of [appellant A] en [appellant B] door de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument al dan niet financieel onevenredig worden belast, niet bepalend is dat de kosten van instandhouding en bijkomende renovatie in dezelfde orde van grootte liggen als de kosten van de beoogde nieuwbouw.

Het komt de Afdeling reëler voor om in de vergelijking de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand af te zetten tegen de herbouwwaarde van het bestaande pand. De kosten van een pand met een vergelijkbare maatvoering als die van [locatie] zijn immers meer te relateren aan [locatie] dan de beoogde nieuwbouw. Het college heeft deze vergelijking ten onrechte niet gemaakt.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2017 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 26 april 2016 gemaakte bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.”

4.30.. Bij brief van 5 februari 2020 heeft het college eisers geïnformeerd dat zij met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling (alsnog) het bezwaar van eisers gegrond heeft verklaard en heeft besloten het primaire besluit te herroepen. In de brief staat – voor zover relevant – het volgende:

“Wij hebben met inachtneming van de uitspraak van de afdeling besloten, het op 3 juni 2016 pro forma ingediende bezwaarschrift, welke bij brief van 3 augustus 2016 met gronden van bezwaar is aangevuld, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Wij hebben besloten de aanwijzing van het pand ’t [locatie] , aan [adres] tot gemeentelijk monument te herroepen.

Het vervallen van de gemeentelijke monumentenstatus heeft consequenties voor het ingediende bouwplan door uw cliënt op het perceel (…). Over de voortgang van deze procedure volgt binnenkort een afzonderlijk besluit.”

Aanvraag omgevingsvergunning fase II

4.31..

Op 30 juli 2020 hebben eisers een omgevingsvergunning fase II aangevraagd.

Het college heeft eisers in haar (ongedateerde) brief verzocht de daarin opgesomde aanvullende gegevens uiterlijk 1 december 2020 te verstrekken.

4.32.. Enkele omwonenden hebben bij de Gemeente zienswijzen ingediend tegen het voorgenomen bouwplan, onder meer over verwachte parkeeroverlast, verkeersstromen en de schaalgrootte van de nieuwbouw.

4.33.. Naar aanleiding van de zienswijzen van de omwonenden hebben eisers het bouwplan aangepast. In verband daarmee zijn nieuwe stikstofberekeningen gemaakt en is namens eisers een nieuwe vvgb-natuur aangevraagd.

4.34.. Bij e-mail van 15 september 2020 heeft de Gemeente [naam 2] verzocht om aanvullende gegevens aan te leveren.

4.35.. Op 10 november 2020 heeft [naam 2] namens eisers diverse rapporten aan het college gestuurd.

4.36.. Op 17 december 2020 heeft de Omgevingsdienst West-Holland een advies uitgebracht over het door eisers aangeleverde ‘Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw ten behoeve van de vervanging vissportcentrum [locatie] , [adres] ’. De Omgevingsdienst heeft geconcludeerd dat de locatie nog niet geschikt is voor de nieuwbouw van een restaurant met bedrijfswoning. Geadviseerd wordt om de omgevingsvergunning te verlenen als voldaan wordt aan de in het advies genoemde voorwaarden, waaronder het doen van een zogenoemde BUS-melding.

Verlening omgevingsvergunningen fase I en II

4.37.. Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase I verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van de ruimtelijke ordening’. Bij besluit van diezelfde datum heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase II voor de activiteiten ‘bouwen en inrit aanpassen/verleggen’ verleend. Deze besluiten, met bijbehorende stukken, hebben van 3 juni 2021 tot en met 15 juli 2021 ter inzage gelegen.

Beroepsprocedure omgevingsvergunningen fase I en II

4.38.. Op 13 juli 2021 hebben twee derde-belanghebbenden bij deze rechtbank (team bestuursrecht) beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunningen. Op 27 augustus 2021 hebben zij aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4.39.. Op 21 juli 2021 zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden aangevangen.

4.40.. Bij uitspraak van 29 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van 27 mei 2021 geschorst totdat de rechtbank in beroep een uitspraak heeft gedaan.

4.41.. Op 24 december 2021 hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht de schorsing van de besluiten van 27 mei 2021 op te heffen.

4.42.. Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en de schorsing opgeheven.

Aanvraag watervergunning

4.43..

Op 14 september 2021 heeft [naam 2] , namens eisers, om het bouwplan te kunnen realiseren een watervergunning aangevraagd bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het waterschap) voor de volgende activiteiten:

  1. heien van palen in de kern en beschermingszone van een secundaire waterkering,

  2. bouwen van een gebouw in een secundaire waterkering en

  3. bouwen van een gebouw in een verholen secundaire waterkering (oostzijde).

4.44.. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2021 heeft het waterschap [naam 2] geïnformeerd dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevatte om in behandeling te kunnen worden genomen. [naam 2] is door het waterschap in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen vóór 29 oktober 2021. Op 14 oktober 2021 heeft de Gemeente de ontbrekende gegevens ontvangen.

4.45.. Op 12 november 2021 heeft het waterschap een watervergunning verleend.

Advies in verband met stikstofaspecten en vvgb-planologie

4.46.. Op 10 november 2021 heeft het college een nader advies gevraagd aan de Omgevingsdienst West-Holland voor de stikstofaspecten van het project. Op 16 november 2021 heeft de Omgevingsdienst West-Holland het gevraagde advies uitgebracht.

4.47.. Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad de vvgb-planologie aan eisers verleend.

4.48.. Het college heeft op 8 maart 2022 een herstelbesluit genomen waarin voorschriften met betrekking tot het gebruik van het terras zijn opgenomen.

Aansprakelijkstelling

4.49.. Bij brief van 6 november 2023 hebben eisers de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden (vertragings)schade. De Gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

5. Het geschil

5.1.. Eisers vorderen – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (I). Daarnaast vorderen eisers vergoeding van de schade die zij hebben geleden door het handelen van de Gemeente van in totaal € 630.427,06 met rente en kosten (II) alsmede veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van gederfde huurinkomsten, op te maken bij staat (III). Tot slot vorderen eisers dat de rechtbank de Gemeente veroordeelt in de proceskosten (IV).

5.2.. Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de Gemeente jegens hen een onrechtmatige daad heeft gepleegd door [locatie] aan te wijzen als gemeentelijk monument. Volgens eisers hebben zij daardoor onnodige vertraging opgelopen in het realiseren van het bouwplan. De aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument stond volgens eisers in de weg aan de sloop. Eisers stellen dat zij door het handelen van de Gemeente schade hebben geleden.

5.3..

De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de proceskosten. Volgens de Gemeente is het primaire besluit niet onrechtmatig, omdat de Afdeling zich daarover niet heeft uitgesproken en dit besluit niet is herroepen of gewijzigd.

Verder ontbreekt volgens de Gemeente het causaal verband tussen het primaire besluit en de door eisers gestelde vertraging bij het verlenen van de omgevingsvergunningen. Die vertraging was volgens de Gemeente te wijten aan de afhandeling van de zienswijzen, omdat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan en eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld en voor de brug naar de parkeervoorziening een watervergunning nodig was.

5.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6. De beoordeling

6.1.. De rechtbank moet beoordelen of de Gemeente aansprakelijk is voor de door eisers gestelde schade wegens een door de Gemeente gepleegde onrechtmatige daad, en zo ja, of de zaak moet worden verwezen naar de schadestaatprocedure.

6.2.. Van een onrechtmatige daad is sprake in geval van een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, tenzij er een rechtvaardigingsgrond is (zie artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). De stelplicht en bewijslast rusten daarbij op eisers: zij moeten feiten en omstandigheden aandragen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie rechtvaardigen dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat zij daardoor schade hebben geleden.

Primair besluit tot aanwijzing onrechtmatig? – Ja

6.3.. Met de vernietiging van de beslissing op bezwaar staat nog niet vast dat het primaire besluit ook onrechtmatig is. Het antwoord op de vraag of het primaire besluit rechtmatig of onrechtmatig is, hangt in het algemeen af van de besluitvorming die na de vernietiging van de beslissing op bezwaar plaatsvindt.

6.4.. In deze zaak is het primaire besluit door de Gemeente herroepen. Wanneer een besluit van een bestuursorgaan op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen, hangt het af van de redenen die daartoe hebben geleid en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig was, en zo ja, of deze onrechtmatige daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend.

6.5..

Uit de vernietiging van het besluit op bezwaar kán dus de onrechtmatigheid van het primaire besluit blijken, maar dit hoeft niet: de gebreken die aan het besluit op bezwaar kleefden, kleven niet altijd ook aan het primaire besluit. Wanneer het primaire besluit bijvoorbeeld om beleidsmatige redenen wordt herroepen, of omdat zich na het primaire besluit nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, hoeft het primaire besluit niet onrechtmatig te zijn geweest.

Anders ligt het wanneer het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden wordt herroepen, bijvoorbeeld wegens een onjuiste wetsuitleg of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dan is het primaire besluit wel onrechtmatig – ook als dit niet met zoveel woorden in het nieuwe besluit wordt gezegd.

6.6..

In deze zaak is volgens de Gemeente sprake van nieuwe feiten en omstandigheden omdat de financiële informatie, die nodig was om een zorgvuldige financiële belangenafweging te maken, door eisers pas in de bezwaarprocedure is aangeleverd. De Gemeente meent dat dit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor risico van eisers komt, al kon zij niet benoemen welke jurisprudentie dit betreft.

Eisers menen dat het op de weg van de Gemeente ligt om voorafgaand aan een ingrijpend besluit als een aanwijzing tot monument zorgvuldig alle belangen te inventariseren en af te wegen op de voet van artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zij menen dat de Gemeente dit heeft nagelaten.

6.7.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden is herroepen, zodat dit besluit onrechtmatig is. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

6.7.1..

De gemeente heeft haar besluit tot herroeping niet anders gemotiveerd dan dat dit “met inachtneming van de uitspraak van de afdeling” is genomen, zodat uit het besluit niet direct is af te leiden of de herroeping op rechtmatigheidsgronden heeft plaatsgevonden.

Gelet op het motiveringsbeginsel en het gegeven dat het in deze zaak om een voor eisers belastend primair besluit ging dat de Gemeente op eigen initiatief had genomen, zal de rechtbank eventuele onduidelijkheid over de reden van de herroeping van het primaire besluit voor rekening van de Gemeente laten.

6.7.2.. Omdat het primaire besluit ter motivering volledig verwijst naar de uitspraak van de Afdeling tot vernietiging van de beslissing op bezwaar, zal de rechtbank deze uitspraak betrekken bij de beantwoording van de vraag of het primaire besluit is herroepen op rechtmatigheidsgronden (zoals eisers stellen) of op gewijzigde omstandigheden (zoals de Gemeente aanvoert).

6.7.3.. De Afdeling heeft geoordeeld dat:

de gemeente in het besluit geen rekening had gehouden met de dragende functie van de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer;

de gemeente geen onderzoek had verricht naar de voor het besluit relevante monumentale waarde van de verdiepingsvloer en de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde (kozijnen van) deuren); en dat

de gemeente “ten onrechte” geen vergelijking had gemaakt tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand.

6.7.4.. De door de Afdeling benoemde aspecten waren al relevant ten tijde van het primaire besluit, nu eisers in hun zienswijze tegen het ontwerpbesluit hadden aangegeven dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning van hen zou vergen, gelet op de slechte staat waarin het verkeerde, waaronder de ook door de Gemeente al opgemerkte verzakking en scheurvorming. In hun zienswijze wezen eisers erop dat in het ontwerpbesluit de kanttekening stond dat de scheurvorming in [locatie] niet was onderzocht, terwijl onderzoek daarnaar gezien de slechte onderhoudsstaat volgens eisers wel noodzakelijk was om een zorgvuldige afweging te kunnen maken.

6.7.5.. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdelinggeldt dat als door de eigenaar concreet is gesteld dat de voorgenomen monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam is gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de aanwijzing van belang zijn. Het ligt dan op de weg van het betrokken bestuursorgaan om op deze belangen in te gaan en aannemelijk te maken dat er alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het monument waardoor het met de aanwijzing te dienen belang van het behoud van het monument prevaleert boven het belang van de eigenaar om de aanwijzing achterwege te laten. Ingeval het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijk hergebruik mogelijk is, is het vervolgens aan de eigenaar om het tegendeel aannemelijk te maken.

6.7.6.. Tegen de achtergrond dat sprake was van een belastend besluit op initiatief van de Gemeente en de Gemeente zelf ook al bouwkundige gebreken had opgemerkt, waren de hiervoor in 6.7.4 genoemde stellingen van eisers een voldoende concrete onderbouwing van hun standpunt dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning zou vergen. Daarom lag het op de weg van de Gemeente om daarop in te gaan en zonodig nader onderzoek te (laten) doen naar de staat van [locatie] om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand – zoals de Afdeling ook (concreter) heeft geoordeeld ten aanzien van de beslissing op bezwaar.

6.8.. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.

Causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gevorderde schade - Maatstaf

6.9.. Eisers hebben verschillende schadeposten opgevoerd, waarvan zij stellen dat die het gevolg zijn van het onrechtmatige primaire besluit.

6.10.. Volgens de Gemeente zijn de meeste van deze schadeposten geen gevolgen van het primaire besluit, maar – kort gezegd – van omstandigheden die in de risicosfeer van eisers zelf liggen.

Maatstaf: hypothetische situatie zonder onrechtmatig besluit

6.11.. In deze zaak heeft de Gemeente na de herroeping van het primaire besluit geen nader besluit hoeven nemen. In dergelijke gevallen moet de rechter nagaan hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) als het onrechtmatige besluit niet was genomen. Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW waar het hier om gaat, moet namelijk worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.

Welke schade vloeit i.c. voort uit het onrechtmatige besluit? – Bewijsopdrachten

Gevorderde schade en daartegen gevoerde verweren

6.12.. Eisers vorderen in deze procedure vertragingsschade, in de vorm van hogere bouwkosten en gederfde huurinkomsten.

6.12.1..

Naast een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de vergoeding van gederfde huurinkomsten, vorderen eisers in deze procedure toewijzing van een schadebedrag van in totaal € 630.427,06. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Meerkosten sloop- en bouwwerkzaamheden € 600.263,87

Kosten voor de architect € 22.613,39

Kosten voor het opstellen van het rapport door Van Empel € 7.549,80

€ 630.427,06

6.12.2.. Daarbij gaan eisers ervan uit dat zij zonder de aanwijzing alleen een sloopmelding hadden hoeven doen en dat zij de omgevingsvergunning niet geknipt, maar in één keer hadden kunnen aanvragen voor het gehele bouwplan. Die vergunning had onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) binnen zes maanden na de aanvraag verleend moeten worden, op grond van artikel 3:18 Awb. Volgens eisers waren de planologische afwijkingen in hun bouwplannen beperkt en bovendien op verzoek van de Gemeente toegevoegd, in verband met de verkeersveiligheid. Eisers stellen dat zij daarom in de hypothetische situatie op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over een geldige omgevingsvergunning hadden beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen.

6.12.3.. Eisers stellen dat zij zonder het onrechtmatige besluit dus niet zouden zijn geconfronteerd met de extra verplichtingen en drempelwaarden die voortvloeiden uit de PAS-uitspraak, zodat zij ook geen kosten hadden moeten maken voor de daarmee gemoeide deskundigenrapporten.

6.12.4.. Als eerder met de bouw had kunnen worden begonnen, zou [locatie] eerder klaar zijn geweest, zodat eisers het eerder hadden kunnen verhuren en huurinkomsten hadden kunnen genieten.

6.13.. De Gemeente voert verweer. Zij vindt dat eisers de schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Ook meent de Gemeente dat het niet aan de aanwijzing tot gemeentemonument te wijten is dat het zo lang heeft geduurd dat met de sloop van het oude [locatie] en de werkzaamheden voor het nieuwe [locatie] kon worden begonnen. De Gemeente meent dat de omgevingsvergunning fase I pas omstreeks mei 2020 ter inzage zou zijn gelegd, ook als de aanwijzing van [locatie] tot monument achterwege was gebleven. Daartoe heeft de Gemeente het volgende aangevoerd.

6.13.1.. Na de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I concludeerde het college dat er een aanhaakplicht gold, waardoor een verklaring van geen bezwaar van het waterschap nodig was (een ‘vvgb-natuur’). [locatie] was namelijk gelegen op de scheiding van de beheergebieden waterschap Amstel, Gooi en Vecht en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht was ten tijde van de vergunningsaanvraag bezig met het versterken van de waterkering door middel van het aanleggen van een nieuwe damwandconstructie. De plannen van eisers – vooral de brug naar de parkeervoorziening – raakten aan deze constructie, daarom moesten zij een watervergunning aanvragen. Dit had niets te maken met de aanwijzing tot monument, maar heeft volgens de Gemeente wel geleid tot vertraging in het realiseren van het bouwplan.

6.13.2.. Na het verlenen van de vvgb-natuur was de aanvraag nog niet compleet en kon het college niet overgaan tot terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De voortdurende discussie die eisers met het college hebben gevoerd over de uitleg van het bestemmingsplan en de geldende parkeernormen heeft volgens de Gemeente ook voor een aanzienlijke vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunning fase I gezorgd. Eisers moesten nog onderzoek laten verrichten naar de parkeersituatie in de omgeving van [locatie] . Eisers hadden onvoldoende parkeergelegenheid voor de (grotere) nieuwbouw geregeld.

6.13.3.. Naast het parkeren moest ook rekening worden gehouden met de geluidsaspecten (aantonen van aanvaardbaar woon- en leefklimaat) en de toename van het aantal verkeersbewegingen op en rond het parkeereiland. De vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunningen had volgens de Gemeente ook te maken met de afhandeling van de ingediende zienswijzen, mede gelet op het feit dat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan.De Gemeente verwijst onder meer naar haar brief van 7 februari 2020.Het verwerken van de zienswijzen van de omwonenden heeft volgens de Gemeente ongeveer 11 maanden geduurd.

6.13.4.. Ook was er volgens de Gemeente een uitgebreide Wabo-procedure nodig, omdat de door het college geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan niet konden worden opgelost met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Dit betekent dat eisers de vergunningen ook zonder het onrechtmatige besluit gefaseerd hadden moeten aanvragen.

6.13.5.. Daarbij komt dat eisers hun bouwplannen meermaals hebben aangepast, waardoor het college genoodzaakt was deze aanpassingen opnieuw te beoordelen en nieuwe gegevens moesten worden aangeleverd. De beoordeling van omgevingsvergunning fase II heeft volgens de Gemeente lange tijd stil gelegen door het ontbreken van relevante stukken die eisers moesten aanleveren. De Gemeente verwijst in dit kader onder meer naar haar brieven van 9 februari 2017en 13 april 2017,het bericht van [naam 2] van 29 maart 2018en de verschillende rapporten die als producties 55-58 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd.

6.13.6.. Verder had de PAS-uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 tot gevolg dat de vvgb-natuur van 5 december 2017 niet meer geldig was en een nieuwe vvgb-natuur moest worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Vanwege de hiervoor genoemde vertragende factoren zouden eisers volgens de Gemeente ook last hebben gehad van deze uitspraak, en van de gevolgen van de inval in Oekraïne daarna.

6.13.7.. Tot slot meent de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. Ook hadden eisers het indienen van aanvragen en opgevraagde informatie volgens de Gemeente niet mogen uitstellen totdat duidelijk was wat er met het aanwijzingsbesluit zou gebeuren.

Oordeel rechtbank: toewijsbaarheid vertragingsschade nog onduidelijk

6.14.. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de vertragingsschade en de onrechtmatige aanwijzing tot gemeentelijk monument nadere toelichting behoeft. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

6.14.1.. Eisers stellen dat zij zonder de onrechtmatige aanwijzing hadden kunnen volstaan met een sloopmelding en dat zij een ongesplitste vergunningaanvraag hadden kunnen doen, waardoor zij inschatten dat zij in elk geval op 12 juni 2017 over een geldige omgevingsvergunning hadden kunnen beschikken en met de bouw hadden kunnen beginnen. Deze inschatting komt de rechtbank niet op voorhand aannemelijk voor, omdat de bouwplannen van eisers meer omvatten dan het vervangen van het oude vissportcentrum met bedrijfswoning door nieuwbouw van dezelfde omvang en met dezelfde functie. Het vissportcentrum moest een (groter) restaurant worden, en er moest een parkeerkelder met bijbehorende terreinvoorzieningen komen die in de oorspronkelijke situatie niet bestonden.

6.14.2..

Dergelijke wijzigingen in een bestaande situatie kunnen in het omgevingsrecht gevolgen hebben voor de door de aanvrager te volgen procedure, de betrokken bestuursorganen en belangen, en de inspraakmogelijkheden voor omwonenden. De Gemeente heeft over de gevolgen van die wijzigingen voor de te volgen procedure en het daarmee gemoeide tijdsbestek gemotiveerde standpunten ingenomen (zie hiervoor onder 6.13.1-6.13.5), die eisers met het ter zitting aangevoerde nog niet voldoende hebben geadresseerd.

De rechtbank zal eisers daarom toelaten tot het bewijs van hun stellingen dat:

a. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat

b) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.

6.14.3..

De Gemeente heeft ook eigen schuld verweren gevoerd (zie hiervoor onder 6.13.2 en 6.13.5). Zij heeft gesteld dat het meermaals is voorgekomen dat eisers hun plannen meermaals (uit eigen beweging) hebben gewijzigd, waardoor de Gemeente opnieuw moest beslissen, dat eisers ten onrechte vasthielden aan binnenplanse oplossingen voor strijdigheden met het bestemmingsplan en dat eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld. Ook stelt de Gemeente dat zij eisers in het kader van de omgevingsvergunning meermaals om aanvullende informatie heeft gevraagd, maar dat eisers die informatie met vertraging aanleverden. Eisers hebben dit alles weersproken (zie hiervoor onder 6.12.2 en 6.12.3), zodat het aan de Gemeente is om haar stellingen te bewijzen.

De rechtbank zal de Gemeente daarom toelaten tot het bewijs van haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over vertraging die aan eisers is toe te rekenen.

6.14.4..

Zoals ter zitting al toegelicht, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet van eisers kon worden verwacht dat zij kosten, moeite en tijd zouden besteden aan het aanvragen van een vergunning voor het slopen van het oude [locatie] dat de Gemeente – ondanks hun bezwaren – kort daarvoor als monument had aangewezen. De Gemeente heeft niets aangevoerd op grond waarom eisers in het kader van die vergunningsaanvraag een andere beslissing van de Gemeente hadden mogen verwachten dan diezelfde Gemeente recent in het kader van de aanwijzingsprocedure had genomen.

Daarmee is overigens nog niet beslist op de rest van het in 6.14.3 bedoelde eigen schuld verweer van de Gemeente.

7. Hoe nu verder?

7.1.. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen in een aktekunnen aangeven hoe zij aan hun bewijsopdracht willen voldoen. Ook kunnen zij suggesties doen voor de inrichting van de in dat kader te volgen procedure.

7.2.. Voor zover partijen het bewijs willen leveren door middel van informatie die schriftelijk of digitaal kan worden aangeleverd, moeten partijen die informatie direct met hun akte indienen, zodat de wederpartij daarop in de antwoordakte kan reageren.

7.3.. Als partijen getuigen willen doen horen, moeten zij in de akte opnemen:

  • de namen en contactgegevens van de te horen personen;

  • de verhinderdata van henzelf, de wederpartij en de te horen personen voor de maanden september, oktober en november 2025.

7.4.. Vier weken later komt de zaak weer op de rol voor het nemen van een antwoordakte. In die akte kunnen partijen reageren op de regiesuggesties die de wederpartij heeft gedaan. Ook kunnen zij in reactie op de door de wederpartij overgelegde informatie eventueel aanvullende informatie in het geding brengen, zodat alle schriftelijk/digitaal beschikbare informatie bij iedereen bekend is voordat aan nadere bewijsverrichtingen wordt toegekomen.

7.5.. Daarna komt de zaak op de rol voor rolbeslissing voortprocederen; de rechtbank zal dan naar aanleiding van de akten en mede aan de hand van de suggesties van partijen beslissen hoe de verdere procedure het beste kan worden ingericht.

7.6.. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen in de periode tussen dit vonnis en de in 7.5 bedoelde rolbeslissing contact met elkaar opnemen om te bespreken of zij geheel of gedeeltelijk tot een minnelijke regeling kunnen komen.

7.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8. De beslissing

De rechtbank

8.1.. draagt eisers op te bewijzen dat:

a. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat

b) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.

8.2.. draagt de Gemeente op te bewijzen haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over de vertraging die aan eisers is toe te rekenen.

8.3.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 mei 2025voor de in 7.1 bedoelde akte,

8.4.. bepaalt dat, als partijen bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct bij die akte in het geding moeten brengen,

8.5.. bepaalt dat, als partijen getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maandenseptembertot en metnovember 2025dan direct bij de in 7.1 bedoelde akte moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald,

8.6.. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van C.J-A. Seinen, in het Paleis van Justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,

8.7.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 juni 2025voor de in 7.4 bedoelde antwoordakte,

8.8.. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.

2565

[Rb: Amstel Gooi en Vecht.]

ECLI:NL:RBDHA:2018:12119 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12119).

[Rb: Besluit Uniforme Saneringen.]

HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AW2087)(Enschede/Gerridzen - tot besluitvorming na vernietiging bob is i.c. niet gekomen; dan is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het besluit rechtmatig is); HR 19 december 2008,ECLI:NL:HR:2008:BF3257 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BF3257), r.o. 3.5.2 (Hoogland/Rotterdam – primair besluit bleef in besluitvorming na vernietiging intact  Uiteindelijk heeft de bestuursrechtelijke procedure erin geresulteerd dat het primaire besluit in stand is gebleven en onherroepelijk is geworden. Onder die omstandigheden is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het primaire besluit rechtmatig is, al op het tijdstip waarop het is genomen.)

HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:ZC2588)(Boeder/Staat), r.o. 5.2.

Rechtbank Noord-Holland (MK Haarlem) 28 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12759 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12759).

Rechtbank Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:475 (https://www.legalintelligence.com/documents/31777548?srcfrm=basic+search&docindex=2&stext=herroeping%20van%20een%20primair%20besluit%20op%20rechtmatigheidsgronden).

Vgl. ECLI:NL:RBOVE:2021:1627 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1627).

ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1226, r.o. 4.2.

HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (Hengelo/Wevers), r.o. 3.5.2.

Alinea 35-42 pleitnota eisers.

Producties 47 en 53 bij conclusie van antwoord.

Productie 38 bij conclusie van antwoord.

Productie 17 bij conclusie van antwoord.

Productie 20 bij conclusie van antwoord.

Productie 31 bij conclusie van antwoord.

Mai Multe Decizii