[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-28009":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-28009":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1786","ECLI:NL:RBDHA:2025:28009","",58,"Den Haag","den-haag","2025-04-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F671825 \u002F HA ZA 24-742\n\nVonnis van 9 april 2025\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser] ,\n\n2. [eiseres],\n\nbeiden te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\nadvocaat: mr. J.J. Turenhout,\n\ntegen\n\nGEMEENTE NIEUWKOOP,\n\nte Nieuwveen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaat: mrs. T. Barshini.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1.. Deze zaak gaat over de vragen of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [locatie] als gemeentelijk monument aan te wijzen, en zo ja, of de Gemeente de door eisers gevorderde (vertragings)schade moet vergoeden.\n\n1.2.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit van de Gemeente tot aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument onrechtmatig was. De rechtbank kan echter op basis van de nu voorliggende informatie nog niet goed beoordelen of alle schade waarvan eisers vergoeding vorderen, voortvloeit uit die onrechtmatige aanwijzing.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank draagt eisers daarom op te bewijzen – kort gezegd – dat de gestelde vertraging in de werkzaamheden en de extra kosten die zij hebben moeten maken, voortvloeien uit de onrechtmatige aanwijzing en niet uit de wijzigingen die hun bouwplannen inhielden ten opzichte van de oorspronkelijke situatie (kort gezegd: een groter restaurant in plaats van een kleiner vissportcentrum, met parkeervoorzieningen die er nog niet waren).\n\nOok draagt de rechtbank de Gemeente het bewijs op van het door haar gevoerde eigen schuld verweer, inhoudende dat een deel van de vertraging bij de verlening van de benodigde vergunningen te wijten is aan eisers zelf.\n\n1.4.. Aan het eind van dit vonnis legt de rechtbank uit hoe de procedure nu verder gaat.\n\n2. Leeswijzer\n\nDit vonnis is als volgt opgebouwd:\n\nDe rechtbank bespreekt eerst hoe de procedure is verlopen (Hoofdstuk 3), van welke feiten zij uitgaat bij de beoordeling van deze zaak (Hoofdstuk 4), wat eisers precies hebben gevorderd en wat de Gemeente daartegen heeft ingebracht (Hoofdstuk 5).\n\nDaarna beoordeelt de rechtbank eerst de rechtmatigheid van het primaire besluit, en dan de toewijsbaarheid van de gevorderde schade. Die beoordeling mondt uit in twee bewijsopdrachten: één aan eisers die ziet op het causaal verband tussen de onrechtmatige aanwijzing en de gevorderde vertragingsschade, en één aan de Gemeente die ziet op haar eigen schuld verweren (Hoofdstuk 6).\n\nHet vonnis sluit af met een uitleg over hoe de procedure verder zal verlopen (Hoofdstuk 7) en een korte opsomming van alle beslissingen (Hoofdstuk 8).\n\n3. De procedure\n\n3.1.. Het procesdossier bestaat uit:\n\n- de dagvaarding van 10 juli 2024, met producties 1-34,\n\n- de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024, met producties 1-85,\n\n- de akte overlegging producties van 4 september 2024, met producties 35A-37G,\n\n- het tussenvonnis van 6 november 2024,\n\n- het B-formulier van 31 december 2024 van eisers met daarin een pleitverzoek,\n\n- het bericht van de griffie van 14 januari 2025 met een zittingsagenda en vragen.\n\n3.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Mr. Turenhout heeft, zoals voor de zitting verzocht en toegestaan, gebruik gemaakt van pleitnotities, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Mr. Barshini heeft afgezien van het gebruik van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.\n\n3.3.. Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.\n\n4. De feiten\n\n4.1.. Eisers zijn sinds 29 januari 2015 eigenaar van een perceel in Noorden, inclusief 23 hectare water en natuurgrond, dat aan grenst aan een Natura 2000-gebied (de Nieuwkoopse Plassen). Op hun perceel bevond zich het inmiddels gesloopte [locatie] , een boerderij uit de 18e eeuw, die door grondzettingen deels was verzakt. [locatie] werd laatstelijk gebruikt als vissportcentrum met restaurant en bedrijfswoning. Eisers wilden [locatie] laten slopen en op het perceel een restaurant met een bedrijfswoning realiseren.\n\n4.2.. Bij brief van 15 juli 2015 heeft het college van burgermeester en wethouders (hierna: het college) van de Gemeente aan eisers meegedeeld voornemens te zijn [locatie] aan te wijzen tot gemeentelijk monument.\n\n4.3.. \n\nVervolgens heeft het college de monumentencommissie gevraagd een vervolgonderzoek in te stellen naar de monumentale status en waarde van [locatie] .\n\nDe monumentencommissie heeft het college op 8 september 2015 geadviseerd het aanwijzingstraject te vervolgen.\n\n4.4.. Op 24 maart 2016 heeft het college het ontwerpbesluit tot de aanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument aan eisers gestuurd. In dit ontwerpbesluit motiveerde zij in de zogenaamde ‘redengevende omschrijving’ waarom zij aanleiding zag om tot aanwijzing over te gaan. In deze redengevende omschrijving stond onder meer dat het dak van het hoofdgebouw zeer scheve schouders had, en dat de gevels last hadden van scheurvorming. De aard en de omvang van die scheurvorming waren niet verder onderzocht.\n\n4.5.. De monumentencommissie heeft de Gemeente op 8 april 2016 nader geadviseerd over het ontwerp-aanwijzingsbesluit. De commissie vond [locatie] monumentwaardig, op de in de redengevende omschrijving van het college genoemde gronden.\n\n4.6.. Eisers konden zich niet verenigen met het ontwerpbesluit en hebben hiertegen op 12 april 2016 een zienswijze ingediend.\n\nAanwijzing van [locatie] tot gemeentelijk monument\n\n4.7.. Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college [locatie] aangewezen tot beschermd gemeentelijk monument (hierna: het primaire besluit).\n\n4.8.. Op 3 juni 2016 heeft de advocaat van eisers pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.\n\n4.9.. Bij brief van 3 augustus 2016 is namens eisers het bezwaar tegen het primaire besluit aangevuld met de gronden van het bezwaar en financiële gegevens.\n\n4.10.. De bezwaarschriftencommissie van de gemeente heeft het college op 20 december 2016 geadviseerd om het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond te verklaren en om dit besluit in te trekken. De commissie overwoog daartoe onder meer het volgende:\n\n“de commissie overweegt dat naast de eerdergenoemde criteria voor cultureel erfgoed bij de aanwijzing als monument ook de financiële gevolgen bij de besluitvorming dienen te worden meegewogen. Daarbij is het college uitgegaan van meerdere objecten in de gemeente die in het (recente) verleden als monument zijn aangewezen en die ook met grondzettingen te maken hadden. Voor het behoud van het object kan volgens het college op grond van ervaringen met andere objecten schade als gevolg van zettingen voorkomen worden met een ter zitting genoemd bedrag van circa € 75.000. Bezwaarmaker daartegen heeft echter een elementen-begroting van het Advies- en ontwerpburo Nico [naam 2] overgelegd, die op een bedrag van € 477.076,73 uitkomt voor het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden ter behoud van het object als monument. Op verzoek van de commissie heeft het college hierover middels gerichte vragen een oordeel gevraagd aan de Monumentenwacht Zuid-Holland. De commissie heeft het noodzakelijk geacht de advisering aan te houden tot het beschikbaar komen van het rapport. In het uitgebrachte inspectierapport van 9 november 2016 (….) concludeert Monumentenwachter [naam 1] dat de door bezwaarmaker opgevoerde herstelkosten in de elementenbegroting van c.a. € 475.000,00 (incl. btw) als reëel bedrag moet worden aangemerkt als het gaat om het stabiliseren en in stand houden van “t [locatie] ”. Op grond hiervan komt de commissie tot het oordeel, dat de noodzakelijke kosten voor behoud van het object (nr. 4924) in zijn huidige vorm voor bezwaarmaker een onevenredige belasting vormt en dat zijn bezwaar op dit punt derhalve als gegrond moet worden aangemerkt.”\n\nAanvraag omgevingsvergunning fase I\n\n4.11.. Op 12 december 2016 hebben eisers bij het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ aangevraagd, voor het vervangen van vissportcentrum ‘ [locatie] ’ met bedrijfswoning door een ‘restaurant met bedrijfswoning, parkeerkelder en bijbehorende terreinvoorzieningen’.\n\n4.12.. Bij brief van 21 december 2016 heeft het college eisers meegedeeld dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning niet compleet was en dat het bouwplan in strijd was met de bestemmingen ‘horeca’, ‘water’ en ‘waarde-archeologie’ ‘met deels nadere functieaanduidingen’ ‘specifieke vorm van recreatie-vissportbedrijf en bedrijfswoning’ van het destijds geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] (hierna: het bestemmingsplan). Ook moest een BIBOB-toets worden uitgevoerd. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende gegevens binnen vier weken na de verzending van deze brief aan te vullen.\n\n4.13.. Bij brief van 10 januari 2017 heeft [naam 2] , de door eisers ingeschakelde architect, in reactie op deze brief het college namens eisers verzocht om een nadere termijn voor het aanleveren van de gewenste gegevens.\n\n4.14.. \n\nOp 2 februari 2017 heeft naar aanleiding van het verzoek om aanvulling van de gegevens een overleg plaatsgevonden tussen eisers en [naam 2] enerzijds en [naam 3] en [naam 4] namens de Gemeente anderzijds.\n\n [naam 3] en [naam 4] waren beiden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag voor de verlening van een omgevingsvergunning. Tijdens dit overleg hebben zij aan eisers en [naam 2] kenbaar gemaakt dat de strijdigheden van het bestemmingsplan niet konden worden opgelost via de afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (‘binnenplanse oplossingen’) en dat daarom ook een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ nodig was om het bouwplan te kunnen uitvoeren.\n\n4.15.. Eisers hebben toen besloten om de benodigde omgevingsvergunningen gefaseerd aan te vragen: omgevingsvergunning fase I voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ en omgevingsvergunning fase II voor de activiteit ‘bouwen’.\n\n4.16.. Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2017 heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 20 december 2016, met een aanvullende motivering en een aangepaste redenering, het door eisers ingediende bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en haar primaire besluit gehandhaafd.\n\n4.17.. \n\nOp 21 maart 2017 hebben eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 beroep ingesteld bij deze rechtbank (team bestuursrecht). Gelijktijdig hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht).\n\nDe voorzieningenrechter heeft op 13 april 2017, naar aanleiding van de door eisers aangevoerde gronden, aanleiding gevonden om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) als deskundige te raadplegen en een rapport te laten uitbrengen.\n\n4.18.. Op 13 april 2017 heeft het college besloten de aanvraag voor een omgevingsvergunning fase I buiten behandeling te stellen, omdat eisers hadden nagelaten de ontbrekende stukken aan te vullen, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid waren gesteld.\n\n4.19.. Op 15 juni 2017 heeft de STAB een rapport uitgebracht. Zij concludeerde dat [locatie] monumentwaardig was in de zin van de Erfgoedverordening en dat de aanwijzing als gemeentelijk monument niet in de weg stond aan een zinvol gebruik van het object.\n\n4.20.. Op 19 juli 2017 hebben eisers hun aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I aangevuld met het rapport ‘Vernieuwing [locatie] ’ van Anteagroup en een toelichting op de watertoets van 18 juli 2017.\n\n4.21.. In de e-mail van 25 juli 2017 heeft [naam 3] , naar aanleiding van de watertoets, het volgende aan het Hoogheemraadschap van Rijnland geschreven:\n\n“Graag vraag ik u advies uit te brengen voor het planologisch mogelijk maken van een restaurant met bedrijfswoning op het perceel [adres] . Het bouwgedeelte van de aanvraag zal in een latere fase komen. [naam 5] heeft al eerder advies uitgebracht (zie bijlage). Naar aanleiding van het advies heeft de aanvrager een toelichting op de watertoets op laten stellen. Graag vraag ik bij het advies tevens jullie eigen project damwandconstructie langs de [straatnaam] te betrekken vanwege raakvlakken en wensen van de initiatiefnemer. Het zou vervelend zijn als dit niet op elkaar zou aansluiten.”\n\n4.22.. In een e-mail van 27 juli 2017 heeft [naam 5] van het Hoogheemraadschap van Rijnland het volgende – voor zover van belang – geantwoord:\n\n“In het plan zien wij geen toename van verhard oppervlak. Derhalve bestaat er geen compensatieverplichting ten behoeve van het graven van water.\n\nWel hebben wij een opmerking over dit plan. Intussen is duidelijk geworden dat het plan zoals de opdrachtgever voor staat niet gerealiseerd kan worden zonder de beheergrenzen tussen ons waterschap en het waterschap AGVte wijzigen. (…)\n\nOm de beheergrenzen te wijzigen dienen beide waterschapsbesturen hiertoe de noodzaak in te zien en dit te willen faciliteren. De kans daarop achten wij niet erg groot. Er ontbreekt immers een maatschappelijk belang om dit te doen, uitsluitend een particulier belang. Bovendien zou een dergelijke beheergebiedswijziging nogal wat praktische problemen opleveren ten aanzien van bevoegdheden en beheer.\n\nDe reden dat er een beheersgebiedswijziging dient plaats te vinden voor dit project is dat er niet gebouwd kan worden zoals is weergegeven op de locatie waar nu een waterkering is gelegen. De kering zou dan om het plangebied heen verlegd moeten worden zodat op de locatie van de huidige kering geen beperkingen meer gelden. Echter, die nieuwe kering zal net zoals nu het geval is, onder het bevoegd gezag moeten (blijven) vallen van AGV. Dit is echter niet mogelijk omdat het ene bevoegde gezag niet bevoegd kan zijn over beheerobjecten in een beheergebied van een anderbevoegd gezag, hetgeen een gegeven is. Deze optie valt daarom af.\n\nMocht de initiatiefnemer zijn project willen realiseren dan rest naar onze mening niets anders dan dat hij contact opneemt met AGV omdat zij binnenkort de waterkering ter plaatse gaan versterken en mogelijk deelgenoot willen worden in dit plan en zich daarvoor willen inzetten. Wanneer dit zo is vernemen wij dit van AGV en zullen tegen die tijd onze mening gaan vormen over een eventuele beheergebiedsgrenswijziging.”\n\n4.23.. Op basis van alle door eisers aangeleverde nieuwe gegevens en rapporten heeft het college geconstateerd dat op grond van het Besluit omgevingsrecht en de Wet natuurbescherming de aanhaakverplichting tussen de omgevingsvergunning en de natuurvergunning van toepassing is, en dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb)-natuur nodig is om de omgevingsvergunning fase I te kunnen verlenen.\n\n4.24.. Namens eisers is aan Bureau Aandacht Natuur gevraagd in het kader van de benodigde vvgb-natuur een natuuronderzoek uit te voeren. Op 28 september 2017 heeft Bureau Aandacht Natuur het rapport ‘Toetsing Wet Natuurbescherming’ uitgebracht.\n\n4.25.. Op 5 december 2017 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden, namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, een vvgb-natuur verleend.\n\n4.26.. Op 21 december 2017 heeft de voorzieningenrechter nadere vragen gesteld over het rapport van de STAB.\n\n4.27.. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 24 augustus 2018 het beroep van eisers tegen het besluit van 7 februari 2017 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college [locatie] in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument, en dat eisers door die aanwijzing financieel niet onevenredig werden belast.\n\n4.28.. Op 3 oktober 2018 hebben eisers tegen deze uitspraak (pro forma) beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) Op 2 november 2018 hebben eisers de beroepsgronden aangevuld.\n\n4.29.. De Afdeling heeft op 4 december 2019 het beroep van eisers gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 7 februari 2017 vernietigd. De Afdeling heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:\n\n“6. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat [locatie] monumentwaardig is in de zin van de Erfgoedverordening 2010. Evenmin is in geschil dat [locatie] onderhevig is aan grondzettingen en dat, voor het behoud van dat pand, de gevolgen daarvan moeten worden geredresseerd. Partijen zijn evenwel verdeeld over de wijze waarop dit moet geschieden en of de daarmee gepaard gaande kosten niet dermate hoog zijn dat in redelijkheid had moeten worden afgezien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\nZinvol (her)gebruik\n\n7. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] en [appellant B] aannemelijk hebben gemaakt dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen. Het enkel herstellen van de fundering van het pand leidt, zoals [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben toegelicht en zoals door het college ter zitting is erkend, tot een stahoogte van 1.80 meter in de bedrijfswoning en het daaraan grenzende gedeelte van het restaurant op de begane grond. Het betoog van het college dat tegen niet al te hoge kosten meer stahoogte kan worden gecreëerd door de verdiepingsvloer te verwijderen, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat [naam 2] ter zitting desgevraagd en onbetwist heeft toegelicht dat de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer de stabiliteit van het pand waarborgen en een dragende functie hebben. Volgens [naam 2] kunnen de hoofdspantconstructies niet worden verwijderd, hetgeen betekent dat er geen sprake is van een vrije loop. Ook de verdiepingsvloer kan niet worden verwijderd zonder dat een (staal)constructie in de plaats wordt aangebracht. De kosten voor het plaatsen van een zodanige constructie en een verdiepingsvloer hoger in het pand, waardoor op de begane grond meer stahoogte ontstaat en het op de eerste verdieping gelegen slaapgedeelte van de bedrijfswoning behouden kan blijven, benaderen de kosten voor funderingsherstel met opvijzeling. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de verdiepingsvloer, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of die vloer verwijderd mag worden zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.\n\n Dat [locatie] alleen in stand kan worden gehouden door deze te voorzien van een nieuwe fundering en door het reeds verzakte gedeelte daarvan op te vijzelen, volgt voorts uit de vaststelling dat het enkel herstellen van de fundering van dat pand ertoe leidt dat de in het verzakte gedeelte daarvan gesitueerde deuren een naar huidig gebruik te lage dagmaathoogte krijgen en dat de afstand tussen de zich daar bevindende vensters en de vloer op de begane grond kleiner wordt. Ter zitting is dit door het college erkend. Deze problemen kunnen, naar de Afdeling ter zitting is gebleken, niet allemaal worden weggenomen. Zo kunnen de (kozijnen van de) drie buitendeuren aan de westgevel van [locatie] niet worden opgehoogd door de plaats van de dakrand. Daarbij komt dat het college desgevraagd ter zitting heeft aangegeven geen onderzoek te hebben verricht naar de monumentale waarde van de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde deuren, zodat ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld of (de kozijnen van) die deuren, voor zover dat al mogelijk is, mogen worden opgehoogd zonder een daarvoor verleende omgevingsvergunning.\n\nHet betoog slaagt.\n\nEvenredigheid financiële belasting\n\n8. Het behoud van [locatie] en een zinvol (her)gebruik daarvan worden slechts gewaarborgd, zoals de Afdeling hiervoor onder 7 heeft geoordeeld, indien het pand wordt voorzien van een nieuwe fundering en het verzakte gedeelte daarvan wordt opgevijzeld. Niet in geschil is dat de kosten daarvoor, uitgaande van de door [naam 2] opgestelde begroting van 5 juli 2016, minstens € 473.076,73 inclusief btw bedragen.\n\n De vraag of het college in dit bedrag, alsmede de bijkomende renovatiekosten, aanleiding had moeten vinden af te zien van de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden beantwoord aan de hand van de door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking met de marktwaarde van [locatie], zoals vastgesteld door de SAOZ in het rapport van 2 augustus 2017. Daartoe is van belang dat de marktwaarde van een pand in belangrijke mate wordt beïnvloed door diens staat van onderhoud. De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane vergelijking brengt derhalve met zich dat monumentwaardige panden met een slechte staat van onderhoud, doorgaans niet kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument, nu de kosten van instandhouding daarvan de (te realiseren) marktwaarde in de regel zullen overtreffen. De Afdeling acht dit niet verenigbaar met het belang van de bescherming van monumentale panden, zoals gewaarborgd in de hier van toepassing zijnde regelgeving.\n\n De door de rechtbank in navolging van het college gemaakte vergelijking tussen de kosten van instandhouding van [locatie], alsmede de bijkomende renovatiekosten, en de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw, komt de Afdeling evenmin juist voor. Daartoe is van belang dat de door [appellant A] en [appellant B] begrote kosten voor de door hen beoogde nieuwbouw geenszins te relateren zijn aan [locatie], omdat het daarbij wat de grootte van de bedrijfsruimte betreft om een geheel ander project gaat. De kosten voor de beoogde nieuwbouw zijn gebaseerd op een horecaruimte van 220 m2, terwijl die ruimte in [locatie] 65 m2 bedraagt. [appellant A] en [appellant B] gaan er blijkens het verhandelde ter zitting ook vanuit dat de beoogde nieuwbouw meer inkomsten zal genereren. Anders dan de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of [appellant A] en [appellant B] door de aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument al dan niet financieel onevenredig worden belast, niet bepalend is dat de kosten van instandhouding en bijkomende renovatie in dezelfde orde van grootte liggen als de kosten van de beoogde nieuwbouw.\n\n Het komt de Afdeling reëler voor om in de vergelijking de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand af te zetten tegen de herbouwwaarde van het bestaande pand. De kosten van een pand met een vergelijkbare maatvoering als die van [locatie] zijn immers meer te relateren aan [locatie] dan de beoogde nieuwbouw. Het college heeft deze vergelijking ten onrechte niet gemaakt.\n\nHet betoog slaagt.\n\nConclusie\n\n9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2017 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 26 april 2016 gemaakte bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.”\n\n4.30.. Bij brief van 5 februari 2020 heeft het college eisers geïnformeerd dat zij met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling (alsnog) het bezwaar van eisers gegrond heeft verklaard en heeft besloten het primaire besluit te herroepen. In de brief staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“Wij hebben met inachtneming van de uitspraak van de afdeling besloten, het op 3 juni 2016 pro forma ingediende bezwaarschrift, welke bij brief van 3 augustus 2016 met gronden van bezwaar is aangevuld, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Wij hebben besloten de aanwijzing van het pand ’t [locatie] , aan [adres] tot gemeentelijk monument te herroepen.\n\nHet vervallen van de gemeentelijke monumentenstatus heeft consequenties voor het ingediende bouwplan door uw cliënt op het perceel (…). Over de voortgang van deze procedure volgt binnenkort een afzonderlijk besluit.”\n\nAanvraag omgevingsvergunning fase II\n\n4.31.. \n\nOp 30 juli 2020 hebben eisers een omgevingsvergunning fase II aangevraagd.\n\nHet college heeft eisers in haar (ongedateerde) brief verzocht de daarin opgesomde aanvullende gegevens uiterlijk 1 december 2020 te verstrekken.\n\n4.32.. Enkele omwonenden hebben bij de Gemeente zienswijzen ingediend tegen het voorgenomen bouwplan, onder meer over verwachte parkeeroverlast, verkeersstromen en de schaalgrootte van de nieuwbouw.\n\n4.33.. Naar aanleiding van de zienswijzen van de omwonenden hebben eisers het bouwplan aangepast. In verband daarmee zijn nieuwe stikstofberekeningen gemaakt en is namens eisers een nieuwe vvgb-natuur aangevraagd.\n\n4.34.. Bij e-mail van 15 september 2020 heeft de Gemeente [naam 2] verzocht om aanvullende gegevens aan te leveren.\n\n4.35.. Op 10 november 2020 heeft [naam 2] namens eisers diverse rapporten aan het college gestuurd.\n\n4.36.. Op 17 december 2020 heeft de Omgevingsdienst West-Holland een advies uitgebracht over het door eisers aangeleverde ‘Verkennend bodemonderzoek nieuwbouw ten behoeve van de vervanging vissportcentrum [locatie] , [adres] ’. De Omgevingsdienst heeft geconcludeerd dat de locatie nog niet geschikt is voor de nieuwbouw van een restaurant met bedrijfswoning. Geadviseerd wordt om de omgevingsvergunning te verlenen als voldaan wordt aan de in het advies genoemde voorwaarden, waaronder het doen van een zogenoemde BUS-melding.\n\nVerlening omgevingsvergunningen fase I en II\n\n4.37.. Bij besluit van 27 mei 2021 heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase I verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van de ruimtelijke ordening’. Bij besluit van diezelfde datum heeft het college aan eisers een omgevingsvergunning fase II voor de activiteiten ‘bouwen en inrit aanpassen\u002Fverleggen’ verleend. Deze besluiten, met bijbehorende stukken, hebben van 3 juni 2021 tot en met 15 juli 2021 ter inzage gelegen.\n\nBeroepsprocedure omgevingsvergunningen fase I en II\n\n4.38.. Op 13 juli 2021 hebben twee derde-belanghebbenden bij deze rechtbank (team bestuursrecht) beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunningen. Op 27 augustus 2021 hebben zij aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4.39.. Op 21 juli 2021 zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden aangevangen.\n\n4.40.. Bij uitspraak van 29 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter de besluiten van 27 mei 2021 geschorst totdat de rechtbank in beroep een uitspraak heeft gedaan.\n\n4.41.. Op 24 december 2021 hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team bestuursrecht) verzocht de schorsing van de besluiten van 27 mei 2021 op te heffen.\n\n4.42.. Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en de schorsing opgeheven.\n\nAanvraag watervergunning\n\n4.43.. \n\nOp 14 september 2021 heeft [naam 2] , namens eisers, om het bouwplan te kunnen realiseren een watervergunning aangevraagd bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het waterschap) voor de volgende activiteiten:\n\n1) heien van palen in de kern en beschermingszone van een secundaire waterkering,\n\n2) bouwen van een gebouw in een secundaire waterkering en\n\n3) bouwen van een gebouw in een verholen secundaire waterkering (oostzijde).\n\n4.44.. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2021 heeft het waterschap [naam 2] geïnformeerd dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevatte om in behandeling te kunnen worden genomen. [naam 2] is door het waterschap in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen vóór 29 oktober 2021. Op 14 oktober 2021 heeft de Gemeente de ontbrekende gegevens ontvangen.\n\n4.45.. Op 12 november 2021 heeft het waterschap een watervergunning verleend.\n\nAdvies in verband met stikstofaspecten en vvgb-planologie\n\n4.46.. Op 10 november 2021 heeft het college een nader advies gevraagd aan de Omgevingsdienst West-Holland voor de stikstofaspecten van het project. Op 16 november 2021 heeft de Omgevingsdienst West-Holland het gevraagde advies uitgebracht.\n\n4.47.. Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad de vvgb-planologie aan eisers verleend.\n\n4.48.. Het college heeft op 8 maart 2022 een herstelbesluit genomen waarin voorschriften met betrekking tot het gebruik van het terras zijn opgenomen.\n\nAansprakelijkstelling\n\n4.49.. Bij brief van 6 november 2023 hebben eisers de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden (vertragings)schade. De Gemeente heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n5. Het geschil\n\n5.1.. Eisers vorderen – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (I). Daarnaast vorderen eisers vergoeding van de schade die zij hebben geleden door het handelen van de Gemeente van in totaal € 630.427,06 met rente en kosten (II) alsmede veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van gederfde huurinkomsten, op te maken bij staat (III). Tot slot vorderen eisers dat de rechtbank de Gemeente veroordeelt in de proceskosten (IV).\n\n5.2.. Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat de Gemeente jegens hen een onrechtmatige daad heeft gepleegd door [locatie] aan te wijzen als gemeentelijk monument. Volgens eisers hebben zij daardoor onnodige vertraging opgelopen in het realiseren van het bouwplan. De aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument stond volgens eisers in de weg aan de sloop. Eisers stellen dat zij door het handelen van de Gemeente schade hebben geleden.\n\n5.3.. \n\nDe Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de proceskosten. Volgens de Gemeente is het primaire besluit niet onrechtmatig, omdat de Afdeling zich daarover niet heeft uitgesproken en dit besluit niet is herroepen of gewijzigd.\n\nVerder ontbreekt volgens de Gemeente het causaal verband tussen het primaire besluit en de door eisers gestelde vertraging bij het verlenen van de omgevingsvergunningen. Die vertraging was volgens de Gemeente te wijten aan de afhandeling van de zienswijzen, omdat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan en eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld en voor de brug naar de parkeervoorziening een watervergunning nodig was.\n\n5.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. De rechtbank moet beoordelen of de Gemeente aansprakelijk is voor de door eisers gestelde schade wegens een door de Gemeente gepleegde onrechtmatige daad, en zo ja, of de zaak moet worden verwezen naar de schadestaatprocedure.\n\n6.2.. Van een onrechtmatige daad is sprake in geval van een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, tenzij er een rechtvaardigingsgrond is (zie artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). De stelplicht en bewijslast rusten daarbij op eisers: zij moeten feiten en omstandigheden aandragen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie rechtvaardigen dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en dat zij daardoor schade hebben geleden.\n\nPrimair besluit tot aanwijzing onrechtmatig? – Ja\n\n6.3.. Met de vernietiging van de beslissing op bezwaar staat nog niet vast dat het primaire besluit ook onrechtmatig is. Het antwoord op de vraag of het primaire besluit rechtmatig of onrechtmatig is, hangt in het algemeen af van de besluitvorming die na de vernietiging van de beslissing op bezwaar plaatsvindt.\n\n6.4.. In deze zaak is het primaire besluit door de Gemeente herroepen. Wanneer een besluit van een bestuursorgaan op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen, hangt het af van de redenen die daartoe hebben geleid en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig was, en zo ja, of deze onrechtmatige daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend.\n\n6.5.. \n\nUit de vernietiging van het besluit op bezwaar kán dus de onrechtmatigheid van het primaire besluit blijken, maar dit hoeft niet: de gebreken die aan het besluit op bezwaar kleefden, kleven niet altijd ook aan het primaire besluit. Wanneer het primaire besluit bijvoorbeeld om beleidsmatige redenen wordt herroepen, of omdat zich na het primaire besluit nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, hoeft het primaire besluit niet onrechtmatig te zijn geweest.\n\nAnders ligt het wanneer het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden wordt herroepen, bijvoorbeeld wegens een onjuiste wetsuitleg of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dan is het primaire besluit wel onrechtmatig – ook als dit niet met zoveel woorden in het nieuwe besluit wordt gezegd.\n\n6.6.. \n\nIn deze zaak is volgens de Gemeente sprake van nieuwe feiten en omstandigheden omdat de financiële informatie, die nodig was om een zorgvuldige financiële belangenafweging te maken, door eisers pas in de bezwaarprocedure is aangeleverd. De Gemeente meent dat dit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor risico van eisers komt, al kon zij niet benoemen welke jurisprudentie dit betreft.\n\nEisers menen dat het op de weg van de Gemeente ligt om voorafgaand aan een ingrijpend besluit als een aanwijzing tot monument zorgvuldig alle belangen te inventariseren en af te wegen op de voet van artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zij menen dat de Gemeente dit heeft nagelaten.\n\n6.7.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het primaire besluit op rechtmatigheidsgronden is herroepen, zodat dit besluit onrechtmatig is. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.\n\n6.7.1.. \n\nDe gemeente heeft haar besluit tot herroeping niet anders gemotiveerd dan dat dit “met inachtneming van de uitspraak van de afdeling” is genomen, zodat uit het besluit niet direct is af te leiden of de herroeping op rechtmatigheidsgronden heeft plaatsgevonden.\n\nGelet op het motiveringsbeginsel en het gegeven dat het in deze zaak om een voor eisers belastend primair besluit ging dat de Gemeente op eigen initiatief had genomen, zal de rechtbank eventuele onduidelijkheid over de reden van de herroeping van het primaire besluit voor rekening van de Gemeente laten.\n\n6.7.2.. Omdat het primaire besluit ter motivering volledig verwijst naar de uitspraak van de Afdeling tot vernietiging van de beslissing op bezwaar, zal de rechtbank deze uitspraak betrekken bij de beantwoording van de vraag of het primaire besluit is herroepen op rechtmatigheidsgronden (zoals eisers stellen) of op gewijzigde omstandigheden (zoals de Gemeente aanvoert).\n\n6.7.3.. De Afdeling heeft geoordeeld dat:\n\nde gemeente in het besluit geen rekening had gehouden met de dragende functie van de hoofdspantconstructies en de verdiepingsvloer;\n\nde gemeente geen onderzoek had verricht naar de voor het besluit relevante monumentale waarde van de verdiepingsvloer en de in het verzakte gedeelte van het pand gesitueerde (kozijnen van) deuren); en dat\n\nde gemeente “ten onrechte” geen vergelijking had gemaakt tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand.\n\n6.7.4.. De door de Afdeling benoemde aspecten waren al relevant ten tijde van het primaire besluit, nu eisers in hun zienswijze tegen het ontwerpbesluit hadden aangegeven dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning van hen zou vergen, gelet op de slechte staat waarin het verkeerde, waaronder de ook door de Gemeente al opgemerkte verzakking en scheurvorming. In hun zienswijze wezen eisers erop dat in het ontwerpbesluit de kanttekening stond dat de scheurvorming in [locatie] niet was onderzocht, terwijl onderzoek daarnaar gezien de slechte onderhoudsstaat volgens eisers wel noodzakelijk was om een zorgvuldige afweging te kunnen maken.\n\n6.7.5.. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdelinggeldt dat als door de eigenaar concreet is gesteld dat de voorgenomen monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit genoegzaam is gemotiveerd, deze aspecten reeds bij de aanwijzing van belang zijn. Het ligt dan op de weg van het betrokken bestuursorgaan om op deze belangen in te gaan en aannemelijk te maken dat er alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het monument waardoor het met de aanwijzing te dienen belang van het behoud van het monument prevaleert boven het belang van de eigenaar om de aanwijzing achterwege te laten. Ingeval het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijk hergebruik mogelijk is, is het vervolgens aan de eigenaar om het tegendeel aannemelijk te maken.\n\n6.7.6.. Tegen de achtergrond dat sprake was van een belastend besluit op initiatief van de Gemeente en de Gemeente zelf ook al bouwkundige gebreken had opgemerkt, waren de hiervoor in 6.7.4 genoemde stellingen van eisers een voldoende concrete onderbouwing van hun standpunt dat instandhouding van [locatie] een onevenredige financiële inspanning zou vergen. Daarom lag het op de weg van de Gemeente om daarop in te gaan en zonodig nader onderzoek te (laten) doen naar de staat van [locatie] om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de kosten van instandhouding en bijkomende renovatiekosten van het pand en de herbouwwaarde van het bestaande pand – zoals de Afdeling ook (concreter) heeft geoordeeld ten aanzien van de beslissing op bezwaar.\n\n6.8.. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.\n\nCausaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gevorderde schade - Maatstaf\n\n6.9.. Eisers hebben verschillende schadeposten opgevoerd, waarvan zij stellen dat die het gevolg zijn van het onrechtmatige primaire besluit.\n\n6.10.. Volgens de Gemeente zijn de meeste van deze schadeposten geen gevolgen van het primaire besluit, maar – kort gezegd – van omstandigheden die in de risicosfeer van eisers zelf liggen.\n\nMaatstaf: hypothetische situatie zonder onrechtmatig besluit\n\n6.11.. In deze zaak heeft de Gemeente na de herroeping van het primaire besluit geen nader besluit hoeven nemen. In dergelijke gevallen moet de rechter nagaan hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) als het onrechtmatige besluit niet was genomen. Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW waar het hier om gaat, moet namelijk worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.\n\nWelke schade vloeit i.c. voort uit het onrechtmatige besluit? – Bewijsopdrachten\n\nGevorderde schade en daartegen gevoerde verweren\n\n6.12.. Eisers vorderen in deze procedure vertragingsschade, in de vorm van hogere bouwkosten en gederfde huurinkomsten.\n\n6.12.1.. \n\nNaast een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de vergoeding van gederfde huurinkomsten, vorderen eisers in deze procedure toewijzing van een schadebedrag van in totaal € 630.427,06. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\nMeerkosten sloop- en bouwwerkzaamheden € 600.263,87\n\nKosten voor de architect € 22.613,39\n\nKosten voor het opstellen van het rapport door Van Empel € 7.549,80\n\n € 630.427,06\n\n6.12.2.. Daarbij gaan eisers ervan uit dat zij zonder de aanwijzing alleen een sloopmelding hadden hoeven doen en dat zij de omgevingsvergunning niet geknipt, maar in één keer hadden kunnen aanvragen voor het gehele bouwplan. Die vergunning had onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) binnen zes maanden na de aanvraag verleend moeten worden, op grond van artikel 3:18 Awb. Volgens eisers waren de planologische afwijkingen in hun bouwplannen beperkt en bovendien op verzoek van de Gemeente toegevoegd, in verband met de verkeersveiligheid. Eisers stellen dat zij daarom in de hypothetische situatie op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over een geldige omgevingsvergunning hadden beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen.\n\n6.12.3.. Eisers stellen dat zij zonder het onrechtmatige besluit dus niet zouden zijn geconfronteerd met de extra verplichtingen en drempelwaarden die voortvloeiden uit de PAS-uitspraak, zodat zij ook geen kosten hadden moeten maken voor de daarmee gemoeide deskundigenrapporten.\n\n6.12.4.. Als eerder met de bouw had kunnen worden begonnen, zou [locatie] eerder klaar zijn geweest, zodat eisers het eerder hadden kunnen verhuren en huurinkomsten hadden kunnen genieten.\n\n6.13.. De Gemeente voert verweer. Zij vindt dat eisers de schadeposten onvoldoende hebben onderbouwd. Ook meent de Gemeente dat het niet aan de aanwijzing tot gemeentemonument te wijten is dat het zo lang heeft geduurd dat met de sloop van het oude [locatie] en de werkzaamheden voor het nieuwe [locatie] kon worden begonnen. De Gemeente meent dat de omgevingsvergunning fase I pas omstreeks mei 2020 ter inzage zou zijn gelegd, ook als de aanwijzing van [locatie] tot monument achterwege was gebleven. Daartoe heeft de Gemeente het volgende aangevoerd.\n\n6.13.1.. Na de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning fase I concludeerde het college dat er een aanhaakplicht gold, waardoor een verklaring van geen bezwaar van het waterschap nodig was (een ‘vvgb-natuur’). [locatie] was namelijk gelegen op de scheiding van de beheergebieden waterschap Amstel, Gooi en Vecht en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht was ten tijde van de vergunningsaanvraag bezig met het versterken van de waterkering door middel van het aanleggen van een nieuwe damwandconstructie. De plannen van eisers – vooral de brug naar de parkeervoorziening – raakten aan deze constructie, daarom moesten zij een watervergunning aanvragen. Dit had niets te maken met de aanwijzing tot monument, maar heeft volgens de Gemeente wel geleid tot vertraging in het realiseren van het bouwplan.\n\n6.13.2.. Na het verlenen van de vvgb-natuur was de aanvraag nog niet compleet en kon het college niet overgaan tot terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De voortdurende discussie die eisers met het college hebben gevoerd over de uitleg van het bestemmingsplan en de geldende parkeernormen heeft volgens de Gemeente ook voor een aanzienlijke vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunning fase I gezorgd. Eisers moesten nog onderzoek laten verrichten naar de parkeersituatie in de omgeving van [locatie] . Eisers hadden onvoldoende parkeergelegenheid voor de (grotere) nieuwbouw geregeld.\n\n6.13.3.. Naast het parkeren moest ook rekening worden gehouden met de geluidsaspecten (aantonen van aanvaardbaar woon- en leefklimaat) en de toename van het aantal verkeersbewegingen op en rond het parkeereiland. De vertraging in de beoordeling van de omgevingsvergunningen had volgens de Gemeente ook te maken met de afhandeling van de ingediende zienswijzen, mede gelet op het feit dat delen van het bouwplan in strijd waren met het bestemmingsplan.De Gemeente verwijst onder meer naar haar brief van 7 februari 2020.Het verwerken van de zienswijzen van de omwonenden heeft volgens de Gemeente ongeveer 11 maanden geduurd.\n\n6.13.4.. Ook was er volgens de Gemeente een uitgebreide Wabo-procedure nodig, omdat de door het college geconstateerde strijdigheden met het bestemmingsplan niet konden worden opgelost met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Dit betekent dat eisers de vergunningen ook zonder het onrechtmatige besluit gefaseerd hadden moeten aanvragen.\n\n6.13.5.. Daarbij komt dat eisers hun bouwplannen meermaals hebben aangepast, waardoor het college genoodzaakt was deze aanpassingen opnieuw te beoordelen en nieuwe gegevens moesten worden aangeleverd. De beoordeling van omgevingsvergunning fase II heeft volgens de Gemeente lange tijd stil gelegen door het ontbreken van relevante stukken die eisers moesten aanleveren. De Gemeente verwijst in dit kader onder meer naar haar brieven van 9 februari 2017en 13 april 2017,het bericht van [naam 2] van 29 maart 2018en de verschillende rapporten die als producties 55-58 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd.\n\n6.13.6.. Verder had de PAS-uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 tot gevolg dat de vvgb-natuur van 5 december 2017 niet meer geldig was en een nieuwe vvgb-natuur moest worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Vanwege de hiervoor genoemde vertragende factoren zouden eisers volgens de Gemeente ook last hebben gehad van deze uitspraak, en van de gevolgen van de inval in Oekraïne daarna.\n\n6.13.7.. Tot slot meent de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. Ook hadden eisers het indienen van aanvragen en opgevraagde informatie volgens de Gemeente niet mogen uitstellen totdat duidelijk was wat er met het aanwijzingsbesluit zou gebeuren.\n\nOordeel rechtbank: toewijsbaarheid vertragingsschade nog onduidelijk\n\n6.14.. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de vertragingsschade en de onrechtmatige aanwijzing tot gemeentelijk monument nadere toelichting behoeft. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.\n\n6.14.1.. Eisers stellen dat zij zonder de onrechtmatige aanwijzing hadden kunnen volstaan met een sloopmelding en dat zij een ongesplitste vergunningaanvraag hadden kunnen doen, waardoor zij inschatten dat zij in elk geval op 12 juni 2017 over een geldige omgevingsvergunning hadden kunnen beschikken en met de bouw hadden kunnen beginnen. Deze inschatting komt de rechtbank niet op voorhand aannemelijk voor, omdat de bouwplannen van eisers meer omvatten dan het vervangen van het oude vissportcentrum met bedrijfswoning door nieuwbouw van dezelfde omvang en met dezelfde functie. Het vissportcentrum moest een (groter) restaurant worden, en er moest een parkeerkelder met bijbehorende terreinvoorzieningen komen die in de oorspronkelijke situatie niet bestonden.\n\n6.14.2.. \n\nDergelijke wijzigingen in een bestaande situatie kunnen in het omgevingsrecht gevolgen hebben voor de door de aanvrager te volgen procedure, de betrokken bestuursorganen en belangen, en de inspraakmogelijkheden voor omwonenden. De Gemeente heeft over de gevolgen van die wijzigingen voor de te volgen procedure en het daarmee gemoeide tijdsbestek gemotiveerde standpunten ingenomen (zie hiervoor onder 6.13.1-6.13.5), die eisers met het ter zitting aangevoerde nog niet voldoende hebben geadresseerd.\n\nDe rechtbank zal eisers daarom toelaten tot het bewijs van hun stellingen dat:\n\na. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat\n\nb) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\n6.14.3.. \n\nDe Gemeente heeft ook eigen schuld verweren gevoerd (zie hiervoor onder 6.13.2 en 6.13.5). Zij heeft gesteld dat het meermaals is voorgekomen dat eisers hun plannen meermaals (uit eigen beweging) hebben gewijzigd, waardoor de Gemeente opnieuw moest beslissen, dat eisers ten onrechte vasthielden aan binnenplanse oplossingen voor strijdigheden met het bestemmingsplan en dat eisers onvoldoende parkeergelegenheid hadden geregeld. Ook stelt de Gemeente dat zij eisers in het kader van de omgevingsvergunning meermaals om aanvullende informatie heeft gevraagd, maar dat eisers die informatie met vertraging aanleverden. Eisers hebben dit alles weersproken (zie hiervoor onder 6.12.2 en 6.12.3), zodat het aan de Gemeente is om haar stellingen te bewijzen.\n\nDe rechtbank zal de Gemeente daarom toelaten tot het bewijs van haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over vertraging die aan eisers is toe te rekenen.\n\n6.14.4.. \n\nZoals ter zitting al toegelicht, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de Gemeente dat eisers ondanks het aanwijzingsbesluit een vergunning voor sloop van een monument hadden kunnen aanvragen, waardoor eventuele vertraging door de aanwijzing voorkomen of beperkt had kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet van eisers kon worden verwacht dat zij kosten, moeite en tijd zouden besteden aan het aanvragen van een vergunning voor het slopen van het oude [locatie] dat de Gemeente – ondanks hun bezwaren – kort daarvoor als monument had aangewezen. De Gemeente heeft niets aangevoerd op grond waarom eisers in het kader van die vergunningsaanvraag een andere beslissing van de Gemeente hadden mogen verwachten dan diezelfde Gemeente recent in het kader van de aanwijzingsprocedure had genomen.\n\nDaarmee is overigens nog niet beslist op de rest van het in 6.14.3 bedoelde eigen schuld verweer van de Gemeente.\n\n7. Hoe nu verder?\n\n7.1.. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen in een aktekunnen aangeven hoe zij aan hun bewijsopdracht willen voldoen. Ook kunnen zij suggesties doen voor de inrichting van de in dat kader te volgen procedure.\n\n7.2.. Voor zover partijen het bewijs willen leveren door middel van informatie die schriftelijk of digitaal kan worden aangeleverd, moeten partijen die informatie direct met hun akte indienen, zodat de wederpartij daarop in de antwoordakte kan reageren.\n\n7.3.. Als partijen getuigen willen doen horen, moeten zij in de akte opnemen:\n\n- de namen en contactgegevens van de te horen personen;\n\n- de verhinderdata van henzelf, de wederpartij en de te horen personen voor de maanden september, oktober en november 2025.\n\n7.4.. Vier weken later komt de zaak weer op de rol voor het nemen van een antwoordakte. In die akte kunnen partijen reageren op de regiesuggesties die de wederpartij heeft gedaan. Ook kunnen zij in reactie op de door de wederpartij overgelegde informatie eventueel aanvullende informatie in het geding brengen, zodat alle schriftelijk\u002Fdigitaal beschikbare informatie bij iedereen bekend is voordat aan nadere bewijsverrichtingen wordt toegekomen.\n\n7.5.. Daarna komt de zaak op de rol voor rolbeslissing voortprocederen; de rechtbank zal dan naar aanleiding van de akten en mede aan de hand van de suggesties van partijen beslissen hoe de verdere procedure het beste kan worden ingericht.\n\n7.6.. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen in de periode tussen dit vonnis en de in 7.5 bedoelde rolbeslissing contact met elkaar opnemen om te bespreken of zij geheel of gedeeltelijk tot een minnelijke regeling kunnen komen.\n\n7.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n8.1.. draagt eisers op te bewijzen dat:\n\na. a) zij op 26 april 2016, of uiterlijk op 12 juni 2017, over de benodigde vergunningen zouden hebben beschikt en met de bouw hadden kunnen beginnen, en dat\n\nb) de opgelopen vertraging volledig te wijten is aan de onrechtmatige aanwijzing van [locatie] als gemeentelijk monument.\n\n8.2.. draagt de Gemeente op te bewijzen haar onder 6.13.2 en 6.13.5 verkort weergegeven stellingen over de vertraging die aan eisers is toe te rekenen.\n\n8.3.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 14 mei 2025voor de in 7.1 bedoelde akte,\n\n8.4.. bepaalt dat, als partijen bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct bij die akte in het geding moeten brengen,\n\n8.5.. bepaalt dat, als partijen getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maandenseptembertot en metnovember 2025dan direct bij de in 7.1 bedoelde akte moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald,\n\n8.6.. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van C.J-A. Seinen, in het Paleis van Justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,\n\n8.7.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 juni 2025voor de in 7.4 bedoelde antwoordakte,\n\n8.8.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.\n\n2565\n\n [Rb: Amstel Gooi en Vecht.]\n\nECLI:NL:RBDHA:2018:12119 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12119).\n\n [Rb: Besluit Uniforme Saneringen.]\n\n HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:2006:AW2087)(Enschede\u002FGerridzen - tot besluitvorming na vernietiging bob is i.c. niet gekomen; dan is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het besluit rechtmatig is); HR 19 december 2008,ECLI:NL:HR:2008:BF3257 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BF3257), r.o. 3.5.2 (Hoogland\u002FRotterdam – primair besluit bleef in besluitvorming na vernietiging intact  Uiteindelijk heeft de bestuursrechtelijke procedure erin geresulteerd dat het primaire besluit in stand is gebleven en onherroepelijk is geworden. Onder die omstandigheden is voor de burgerlijke rechter uitgangspunt dat het primaire besluit rechtmatig is, al op het tijdstip waarop het is genomen.)\n\n HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:1998:ZC2588)(Boeder\u002FStaat), r.o. 5.2.\n\n Rechtbank Noord-Holland (MK Haarlem) 28 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12759 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12759).\n\n Rechtbank Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:475 (https:\u002F\u002Fwww.legalintelligence.com\u002Fdocuments\u002F31777548?srcfrm=basic+search&docindex=2&stext=herroeping%20van%20een%20primair%20besluit%20op%20rechtmatigheidsgronden).\n\n Vgl. ECLI:NL:RBOVE:2021:1627 (https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2021:1627).\n\n ABRvS 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1226, r.o. 4.2.\n\n HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112 (Hengelo\u002FWevers), r.o. 3.5.2.\n\n Alinea 35-42 pleitnota eisers.\n\nProducties 47 en 53 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 38 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 17 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 20 bij conclusie van antwoord.\n\n Productie 31 bij conclusie van antwoord.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28009","ecli-nl-rbdha-2025-28009",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]