[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-14677":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-14677":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"436","ECLI:NL:RBDHA:2026:14677","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-22T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F702122 \u002F KG ZA 26-317\n\nVonnis in kort geding van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nSENSORNET B.V.te Den Haag,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. Tj.P. Grünbauer te Ede,\n\ntegen:\n\nOMGEVINGSDIENST WEST-HOLLANDte Leiden,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. W.J.W. Engelhart en mr. A.C.M. Kusters te Utrecht.\n\nwaarin zich heeft gevoegd aan de zijde van gedaagde:\n\nSPOTTEN B.V.te Utrecht,\n\nadvocaat mr. W.J. de Vries te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ‘Sensornet’, ‘ODWH’ en ‘Spotten’ genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 27 maart 2026, met producties 1 tot en met 15;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging van Spotten;\n\n- de conclusie van antwoord van ODWH, met producties 1 en 2;\n\n- de akte eiswijziging en overlegging aanvullende producties van Sensornet, met producties 16 tot en met 19.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 6 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Sensornet mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot voeging\n\n2.1.. Spotten heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van ODWH. Ter zitting hebben Sensornet en ODWH verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Spotten is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij daarbij een belang heeft als bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. ODWH heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de levering, plaatsing en het beheer van een meetsysteem voor de monitoring van luchtvaartgeluid (voornamelijk afkomstig van en naar luchthaven Schiphol).\n\n3.2.. De aanbestedingsprocedure en de eisen van de opdracht zijn nader omschreven in de aanbestedingsleidraad (hierna: de leidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder het programma van eisen (bijlage 3), en in de twee nota’s van inlichtingen.\n\n3.3.. De opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving, die wordt vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding (paragraaf 3.1.2 leidraad). De gunningscriteria prijs en kwaliteit zijn uitgewerkt in hoofdstuk 5 van de leidraad.\n\n3.4.. Het gunningscriterium kwaliteit is opgedeeld in vier subgunningscriteria, te weten:\n\nSG1: Plan van Aanpak;\n\nSG2: Dataverwerking, Validatie en Informatiewaarde;\n\nSG3: Beheer, Communicatie en Sport;\n\nSG4: Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit.\n\n3.5.. In hoofdstuk 5 van de leidraad is – voor zover in deze zaak relevant – het volgende vermeld over de beoordeling van SG1 tot en met SG4:\n\nNr.\n\nToelichting\n\nSG1\n\nPlan van Aanpak\n\nHet Plan van Aanpak geeft inzicht in de wijze waarop de Inschrijver de opdracht uitvoert en de kwaliteit van de aangeboden oplossing waarborgt.\n\nHet plan dient in ieder geval aandacht te besteden aan de volgende onderdelen:\n\n Technische dienstverlening\n\nBeschrijf het ontwerp van de aangeboden geluidmeetpost, inclusief meetmethodiek en benodigde voorzieningen (zoals internet- en stroomvoorziening).\n\n Koppeling met aanvullende datasystemen\n\nLicht toe welke datasysteemkoppelingen noodzakelijk zijn om het meetsysteem optimaal te laten functioneren en de gewenste data te leveren.\n\n Indicatie meetnetwerk\n\nGeef een onderbouwde indicatie van het aantal benodigde meetposten om voor de acht deelnemende gemeenten een dekkend en valide meetnetwerk te realiseren.\n\n Risicoanalyse\n\nWerk een risicoanalyse uit waarin ten minste de volgende aspecten zijn opgenomen:\n\no Weersbestendigheid van de meetposten;\n\no Betrouwbaarheid en continuïteit van het dataplatform.\n\n Plaatsingsmethode\n\nBeschrijf de verschillende wijzen waarop de meetposten kunnen worden geplaatst, geïnstalleerd en in gebruik genomen afhankelijk van de locatie.\n\n Meetbetrouwbaarheid en continuïteit\n\nLicht toe hoe wordt gezorgd voor betrouwbare, reproduceerbare en nauwkeurige metingen, en beschrijf de maatregelen om continuïteit van metingen te waarborgen (zoals kalibratie, redundantie, storingsdetectie en herstelprocedures).\n\nBeoordelingskader ‘Plan van Aanpak’\n\nOWDH hecht waarde aan:\n\n Een realistisch en uitvoerbaar implementatieplan en plaatsingsmethode;\n\n Structuur en helderheid van het plan;\n\n Technische kwaliteit van het meetsysteem;\n\n Effectieve risicobeheersing en calamiteitenaanpak;\n\n Zorgvuldige en transparante maatregelen om continuïteit van metingen te waarborgen.\n\nSG2\n\n(…)\n\nSG3\n\nBeheer, Communicatie en Support\n\nBeschrijf de organisatie van het beheer, inclusief de waarborging van de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening. Beschrijf tevens hoe effectieve en transparante communicatie en samenwerking met alle betrokken partijen wordt gerealiseerd.\n\nDe toelichting dient in ieder geval de volgende onderdelen te omvatten:\n\n Beheer en onderhoud\n\nDe onderhoudsstrategie en -frequentie (preventief en correctief) van het meetsysteem, inclusief software-updates, systeemmonitoring en beveiliging.\n\n Afstemming bij plaatsing\n\nDe wijze van contact en afstemming met locatiehouders en de contracthouder over de plaatsing van meetposten.\n\n Communicatiestructuur\n\nBeschrijf hoe communicatie tussen alle betrokken partijen is georganiseerd, welke middelen worden ingezet en hoe eenduidige informatievoorziening wordt gewaarborgd.\n\n Incidentafhandeling\n\nGeef inzicht in de procedure voor signalering, responstijden, terugkoppeling en afhandeling van incidenten of storingen in het meetsysteem, inclusief het storingsprotocol.\n\n Support\n\nBeschrijf de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de helpdesk\u002Fsupportorganisatie en de wijze van rapportage over storingen, uptime en prestaties van het meetsysteem.\n\n Proactieve houding\n\nBeschrijf op welke wijze actief initiatief wordt genomen wanneer verplaatsing of aanpassing van een meetpost noodzakelijk is (bijvoorbeeld door veranderende omstandigheden, optimalisatie van het meetsysteem of uitval van een meetpost).\n\nBeoordelingskader ‘Beheer, Communicatie en Support’\n\nODWH hecht waarde aan:\n\n Heldere communicatieprocessen en korte lijnen;\n\n Effectieve risicobeheersing en calamiteitenaanpak;\n\n Tijdige signalering en proactieve opvolging van incidenten.\n\nSG4\n\nDashboard en Gebruikersfunctionaliteit\n\nElke deelnemende gemeente dient via een eigen dashboard inzicht te krijgen in de verzamelde meetdata van de betreffende gemeente.\n\nNa beoordeling van de schriftelijke inschrijvingen worden de Inschrijvers uitgenodigd voor een praktische demonstratie van het aangeboden dashboard. Het doel van de demonstratie is om de werking, functionaliteit en bruikbaarheid van het dashboard in de praktijk te toetsen en te beoordelen in welke mate deze voldoet aan de eisen zoals opgenomen in dit subgunningscriterium.\n\nTijdens de demonstratie wordt gekeken naar:\n\n Gebruiksvriendelijkheid, overzichtelijkheid en intuïtieve navigatie;\n\n Beschikbaarheid van realtime data, historische overzichten en trendvisualisaties;\n\n Mogelijkheden voor personalisatie per gemeente, locatie of gebruiker;\n\n Functionaliteiten voor data-analyse, rapportages en export (bijvoorbeeld CSV, XLSX, PDF);\n\n Filter- en instellingsopties voor het aanpassen van weergaven;\n\n Weergave van storingsmeldingen per meetpost.\n\nBeoordelingskader ‘Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit’\n\nODWH hecht waarde aan:\n\n Transparantie en toegankelijkheid voor gebruikers;\n\n Hoog gebruiksgemak en overzichtelijkheid;\n\n Volledige en inzichtelijke presentatie van relevante meetdata;\n\n Adequate functionaliteiten voor analyse, rapportage en export.\n\n3.6.. In hoofdstuk 6 van de leidraad is beschreven hoe de inschrijvingen worden beoordeeld. De aanbestedende dienst beoordeelt eerst of de inschrijving volledig en rechtsgeldig is (paragraaf 6.1), of geen van de uitsluitingsgronden op de inschrijver van toepassing zijn en of de inschrijver aan de geschiktheidseisen voldoet (paragraaf 6.2). Uit paragraaf 6.3 volgt dat de aanbestedende dienst vervolgens beoordeelt of de inschrijving voldoet aan eisen die, bij het niet voldoen daaraan, kunnen leiden tot uitsluiting van verdere deelname aan de aanbesteding (hierna: knock-out eisen):\n\n“6.3 Fase 3: Knock-out eisen kwaliteit\n\nIndien fase 2 niet leidt tot uitsluiting, dan wordt uw Inschrijving verder inhoudelijk beoordeeld. De beoordeling in deze fase betreft het nalopen van de door u aangeleverde Bijlage Programma van Eisen. Indien u niet aan één of meerdere van deze eisen kan voldoen of u één of meerdere van deze eisen voorwaardelijk of met ‘nee’ hebt beantwoord, kan dit leiden tot uitsluiting van verdere deelname aan de aanbesteding.”\n\n3.7.. De aanbestedende dienst beoordeelt dus of is voldaan aan de eisen zoals neergelegd in het programma van eisen (bijlage 3). In het programma van eisen zijn, voor zover relevant, de volgende eisen vermeld waaraan de inschrijving moet voldoen:\n\n2.3.. Dienstverlening\n\nInhoud\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 12\n\nHet meetsysteem moet kunnen koppelen met ten minste de volgende systemen:\n\n- LNVL\n\n- Weerstations\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 15\n\nDe leverancier test de datakwaliteit op nauwkeurigheid en volledigheid en validiteit. De data die wordt opgehaald door het meetsysteem moet een validiteit hebben van tenminste 90%. Indien dit percentage lager is, dient dit te worden aangegeven bij Opdrachtgever. De oorzaak dient onderbouwd te worden, evenals mogelijke maatregelen.\n\n2.4.. Dashboard\n\nInhoud\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 22\n\nHet dashboard moet minimaal de volgende functionaliteiten bieden:\n\n­ Gemeente-specifieke toegang:Data wordt gepresenteerd afhankelijk van de inlogrechten per gemeente;\n\n­ Realtime datavisualisatie:Geluidsdata per meetpunt(en) wordt realtime weergegeven en gepresenteerd per gemeente;\n\n­ Historische data:Toegang tot alle gemeten data gedurende de looptijd van de overeenkomst;\n\n­ Automatische koppeling met vluchtinformatie:Geluidsdata wordt automatisch gekoppeld aan relevante vluchtinformatie;\n\n­ Exportmogelijkheden:Data kan geëxporteerd worden naar gangbare bestandsformaten, zoals CSV, PDF en Excel;\n\n­ Selectiemogelijkheden:Gebruikers kunnen per meetpost selecties maken in dag, week, maand of jaar met bijbehorende datagegevens.\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 29\n\nOp de dashboards per gemeente moeten minimaal de volgende gegevens overzichtelijk weergegeven zijn:\n\n- Lden, Lnight en LAeq;\n\n- SEL-waarden;\n\n- Type vliegtuigen;\n\n- Vluchtdata per meetpost (vlieghoogte, datum, tijdstip, vluchtnummer, type);\n\n- Per dag\u002Favond\u002Fnacht en totaal;\n\n- Aantal vliegtuigpassages dag\u002Favond\u002Fnacht per meetpost;\n\n- Onderscheid vliegverkeer naar luchthavens.\n\n3.8.. Na de beoordeling van de knock-out eisen, start de beoordeling van de gunningscriteria. Paragraaf 6.4.1 van de leidraad vermeldt dat het gunningscriterium kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de toelichting op de subgunningscriteria. De inschrijvingen worden beoordeeld door een beoordelingsteam dat bestaat uit meerdere medewerkers van ODWH. SG4 wordt beoordeeld door een beoordelingsteam met een andere samenstelling, waaronder gebruikers van het dasboard. De scores per subgunningscriterium worden vastgesteld aan de hand van de volgende beoordelingstabel (paragraaf 6.4.2):\n\nBeoordeling\n\nWaardering\n\nPunten\n\n5\n\nUitstekend\n\nAan allebij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt volledig voldaan en\u002Fof deze aspecten worden uiterst concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt.Bovendienworden er aanvullende, aan het betreffende kwaliteitscriterium gerelateerde onderwerpen benoemd, gemotiveerd en uitgewerkt, die naar oordeel van Opdrachtgever kunnen bijdragen aan een kwalitatief goede uitvoering van de Opdracht. Indien er al sprake is van enig commentaar dan beperkt zich dat enkel tot details.\n\n100\n\n4\n\nGoed\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt (zo goed als) volledigvoldaan en deze aspecten worden concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Slechts een beperkt aantal beoordelingsaspecten scoort minder goed.\n\n70\n\n3\n\nVoldoende\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt grotendeelsvoldaan en\u002Fof deze worden voldoende concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Inschrijver weet te overtuigen zoals van een deskundig Inschrijver verwacht mag worden echter, diverse beoordelingsaspecten worden als minder goed beoordeeld.\n\n40\n\n2\n\nMatig\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt deelsvoldaan en\u002Fof deze worden in mindere mate concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Inschrijver weet met de uitwerking dan ook niet direct te overtuigen doordat een substantieel deel van de beoordelingsaspecten als minder goed wordt beoordeeld.\n\n10\n\n1\n\nOnvoldoende\n\nHet blijkt onvoldoende dat aan (het merendeel van) de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt voldaan en\u002Fof het voldoen aan deze aspecten wordt onvoldoende concreet (kwalitatief)onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Of inschrijver geeft in het geheel geen invulling aan het betreffende onderdeel.\n\n0\n\n3.9.. Verder volgt uit paragraaf 3.7.9 van de leidraad dat het inschrijvers niet is toegestaan om irreëel of manipulatief in te schrijven:\n\n“3.7.9 Irreële of manipulatieve Inschrijving\n\nHet indienen van een irreële of manipulatieve Inschrijving is verboden. Van een manipulatieve Inschrijving kan sprake zijn wanneer – als gevolg van miskenning door de Inschrijver van bepaalde aannames van Opdrachtgever – de beoordelingssystematiek zo wordt gemanipuleerd dat het daarmee beoogde doel, zoals bijvoorbeeld het innemen van een realistische positie, wordt verstoord. Een irreële of manipulatieve Inschrijving is ongeldig en kan terzijde gelegd worden. Een Inschrijving is in ieder geval doch niet uitsluitend manipulatief en\u002Fof irreëel als:\n\n Eén of meer tarieven worden aangeboden die op zichzelf beschouwd niet marktconform en\u002Fof niet realistisch zijn;\n\n De tarieven niet een in de branche gebruikelijke opbouw\u002Fsamenhang hebben;\n\n Eén of meerdere tarieven de gehanteerde formule frustreren;\n\n Er sprake is van nultarieven;\n\n Er in de uitwerking van de Subgunningscriteria veelvuldig zaken worden benoemd of aangeprezen,\n\nterwijl deze niet in het Prijzenblad worden opgenomen.”\n\n3.10.. In de eerste nota van inlichtingen is onder 11 de volgende vraag met betrekking tot paragraaf 2.1.4 van de leidraad opgenomen, met het antwoord van ODWH daarop:\n\nVraag\n\nIn paragraaf [geen nummer opgenomen, voorzieningenrechter] is vermeld dat de exacte locaties van de meetposten in overleg met locatiehouder (gemeente) worden bepaald en dat de gemeente eindverantwoordelijk is voor de locatiebepaling. Tevens dient inschrijver een vaste all-in prijs per meetpunt aan te bieden. Kan opdrachtgever aangeven of er op de door de gemeente aangewezen locaties een vaste stroomvoorziening (bijvoorbeeld via openbare verlichting) beschikbaar wordt gesteld door Opdrachtgever? Of dient Inschrijver in de all-in prijs rekening te houden met kosten voor autonome energievoorziening (zoals zonnepanelen en accu’s) voor locaties waar geen netspanning voorhanden is?\n\nAntwoord\n\nOpdrachtgever bevestigt dat wordt uitgegaan van plaatsing van meetpunten op locaties die door de gemeente (locatiehouder) worden aangewezen. Het uitgangspunt is dat, waar beschikbaar en doelmatig, een vaste stroomvoorziening (netspanning) wordt benut.\n\nOpdrachtgever zal in dat geval de benodigde afstemming met de locatiehouder faciliteren.\n\n(…)\n\nVoor locaties waar geen netspanning beschikbaar is, of waar aansluiting niet doelmatig of niet tijdig realiseerbaar is, zal Opdrachtgever in overleg treden met Opdrachtnemer. Dit valt buiten de inschrijving.\n\n3.11.. In de tweede nota van inlichtingen is onder 7 de volgende vraag opgenomen met betrekking tot eis 2 van het programma van eisen (bijlage 3), met het antwoord van ODWH daarop:\n\nVraag\n\nHet meetsysteem moet te koppelen zijn met LVNL en weerstations. Met welke data van LVNL moet er gekoppeld en hoe wordt dit gedeeld met de opdrachtnemer?\n\nAntwoord\n\nRelevante en geverifieerde data van LVNL wordt gebruikt ten behoeve van de informatie die in het dasboard wordt weergegeven, zoals beschreven in eis 29. Opdrachtgever verwacht van Inschrijvers dat zij weten welke koppelingen noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis (Eis 15) te voldoen.\n\n3.12.. Zowel Sensornet als Spotten hebben op de aanbesteding ingeschreven. Bij brief van 6 maart 2026 heeft ODWH aan Sensornet meegedeeld dat zij voornemens is de opdracht aan Spotten te gunnen.\n\n3.13.. Bij brief van 20 maart 2026 heeft Sensornet zich beklaagd over de gunningsbeslissing en verzocht om een toelichting op de door haar genoemde punten tijdens een – reeds gepland – toelichtend gesprek op 24 maart 2026.\n\n3.14.. Op 24 maart 2026 heeft ODWH gereageerd dat zij geen aanleiding ziet om het eerder ingenomen standpunt te herzien, dat zij geen nadere inhoudelijke informatie zal verstrekken en dat zij tijdens het (op diezelfde dag geplande) gesprek uitsluitend de beoordeling van Sensornet zal toelichten.\n\n3.15.. Op 27 maart 2026 heeft Sensornet ODWH in kort geding gedagvaard.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Sensornet vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken, de inschrijving van Spotten als ongeldig uit te sluiten van deze aanbesteding en, voor zover ODWH nog tot gunning wenst over te gaan, de opdracht aan geen ander te gunnen dan aan Sensornet;\n\nsubsidiair\n\nII. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken, de inschrijving van Spotten als onrealistisch terzijde te leggen en, voor zover ODWH nog tot gunning wenst over te gaan, de opdracht aan Sensornet te gunnen;\n\nmeer subsidiair\n\nIII. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken en beide inschrijvingen binnen vier weken na de datum van het vonnis integraal te laten herbeoordelen, althans alle inschrijvingen op gunningcriteria SG1, SG3 en SG4 te laten herbeoordelen, met inachtneming van het te wijzen vonnis, door een nieuwe beoordelingscommissie, samengesteld uit ter zake deskundige beoordelaars, waarbij kenbaar en gemotiveerd alle onderdelen van de inschrijvingen op die criteria worden besproken in de herbeoordeling, en op basis van de resultaten van die herbeoordeling een nieuwe gunningsbeslissing te nemen, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen open staan;\n\nnog meer subsidiair\n\nIV. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken en opnieuw en thans deugdelijk te motiveren, door bij de beoordeling van gunningcriteria SG1, SG2 en SG4 kenbaar en gemotiveerd alle onderdelen van de inschrijving op die criteria te bespreken in de beoordeling, met inachtneming van het te wijzen vonnis, en op basis van het resultaat van die beoordeling een nieuwe gemotiveerde gunningsbeslissing te nemen, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen open staan;\n\nmet veroordeling van Sensornet in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Het standpunt van Sensornet komt er in de kern op neer dat (i) de inschrijving van Spotten ongeldig is, (ii) de inschrijving van Spotten onrealistisch is, (iii) ODWH de inschrijving van Sensornet onjuist heeft beoordeeld en (iv) ODWH de gunningsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n4.3.. ODWH en Spotten voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. In dit kort geding moet worden beoordeeld of aanleiding bestaat om ODWH te verplichten om (i) de inschrijving van Spotten uit te sluiten althans (ii) terzijde te leggen en de opdracht aan Sensornet te gunnen, of (iii) de inschrijvingen te laten herbeoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie of (iv) de gunningsbeslissing deugdelijk te motiveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat daar geen aanleiding voor. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.\n\n(i) Ongeldige inschrijving Spotten?\n\n5.2.. Sensornet stelt ten eerste dat Spotten een ongeldige inschrijving heeft gedaan, omdat haar inschrijving niet voldoet aan de eisen 12 en 29 uit het programma van eisen. Eis 12 bepaalt dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met LVNL en eis 29 schrijft voor welke gegevens op de dashboards per gemeente overzichtelijk weergegeven moeten zijn, zoals de vluchtdata per meetpost (vlieghoogte, datum, tijdstip, vluchtnummer, type) en het onderscheid van vliegverkeer naar luchthavens. Volgens Sensornet wordt met de (in eis 12 voorgeschreven) koppeling met LVNL bedoeld dat het meetsysteem via het systeem van LVNL directtoegang moet hebben tot gegevens op het punt van vluchtinformatie. Het gaat volgens haar daarbij omreal timeof historische vluchtdata van LVNL, zoals vluchtnummers, vlieghoogtes, tijdstippen en vliegtuigtypes. Volgens Sensornet voldoet Spotten niet aan die eis, omdat de koppeling die Spotten met LVNL heeft, een zogenoemdeopen sourcekoppeling met het Geoportaal van LVNL is. Het Geoportaal bevat alleen statische, geografische datasets en kaarten en geenreal timevluchtinformatie. Nu Spotten niet de volgens Sensornet vereiste koppeling met LVNL heeft en niet over door LVNL geverifieerde vluchtdata beschikt, moet de inschrijving van Spotten ongeldig worden verklaard, aldus Sensornet. ODWH en Spotten betwisten deze stellingen van Sensornet. Volgens hen kan uit de formulering van eis 12 (en de overige aanbestedingsstukken) niet worden afgeleid dat het meetsysteem de door Sensornet bedoelde koppeling met LVNL moet hebben en voldoet de inschrijving van Spotten wel degelijk aan de eisen.\n\n5.3.. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of de in eis 12 bedoelde koppeling inhoudt dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met alle data van LVNL, en dus ook direct toegang moet hebben tot deze (door LVNL geverifieerde) vluchtdata. Daarbij komt het aan op de uitleg van de aanbestedingsstukken. Naar vaste jurisprudentie brengen de toepasselijke beginselen van transparantie en gelijkheid mee dat het er bij de uitleg van de aanbestedingsstukken om gaat hoe een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde een criterium heeft kunnen begrijpen. Hierbij moet worden uitgegaan van de zogenoemde ‘cao-norm’: de bewoordingen van het criterium – gelezen in het licht van de gehele tekst van de overige (relevante) aanbestedingsstukken – zijn van doorslaggevende betekenis, waarbij het aankomt op de betekenis die – naar objectieve maatstaven – volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn opgesteld.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is met ODWH en Spotten van oordeel dat uit de aanbestedingsstukken redelijkerwijs niet kan worden afgeleid dat het meetsysteem moet beschikken over een directe koppeling met alle data van LVNL, waaronder (door LVNL geverifieerde) vluchtinformatie. Eis 12 schrijft slechts voor dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met LVNL. In deze eis wordt niet gespecificeerd hoe die koppeling er precies uit moet zien (met andere woorden: met welke data uit het systeem van LVNL moet worden gekoppeld). Tijdens de inlichtingenfase heeft één van de inschrijvers daarnaar geïnformeerd en aan ODWH gevraagd met welke data van LVNL moet worden gekoppeld (vraag 7 tweede nota van inlichtingen, zie hiervoor bij 3.11). Daarop heeft ODWH geantwoord dat “relevante en geverifieerde data van LVNL wordt gebruikt ten behoeve van de informatie die in het dashboard wordt weergegeven, zoals beschreven in eis 29” en dat“Opdrachtgever verwacht van Inschrijvers dat zij weten welke koppelingen noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis (Eis 15) te voldoen.” Uit het eerste deel van het antwoord volgt alleen dat (relevante en geverifieerde) data van LVNL wordt gebruikt voor het dashboard, maar laat in het midden om welke data het specifiek gaat. Uit het tweede deel van het antwoord blijkt dat ODWH ruimte laat voor de inschrijvers om zelf te bepalen welke soort koppelingen met (onder andere) LVNL) noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis te voldoen. Een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver mocht er op basis van de formulering van eis 12 en het antwoord op vraag 7 in de tweede nota van inlichtingen van uitgaan dat een koppeling met LVNL is vereist, maar het aan de inschrijver zelf is om te bepalen welke koppelingen noodzakelijk zijn, zolang maar aan de validiteitseis wordt voldaan. Hieruit volgt logischerwijs ook dat inschrijvers ervoor kunnen kiezen om de bij eis 29 bedoelde vluchtinformatie via een andere bron te verkrijgen, uiteraard als daardoor wel wordt voldaan aan de validiteitseis. Dat Spotten niet beschikt over een volledige koppeling met (alle data van) LVNL, maakt haar inschrijving dus niet ongeldig. De vordering van Sensornet tot uitsluiting van de inschrijving van Spotten wegens ongeldigheid (vordering I) zal daarom worden afgewezen.\n\n(ii) Irreële inschrijving Spotten?\n\n5.5.. Ten tweede stelt Sensornet zich op het standpunt dat de inschrijving van Spotten onrealistisch (de voorzieningenrechter begrijpt: irreëel) is. Van een irreële inschrijving is sprake als op voorhand vaststaat of als uit onderzoek blijkt dat de inschrijver haar inschrijving (op onderdelen) niet waar zal kunnen maken. Daarbij geldt dat de aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijvingen in beginsel moet uitgaan van de juistheid van de verklaring van een inschrijver dat de inschrijving aan de gestelde eisen voldoet. Bij de beantwoording van de vraag of een inschrijving irreëel is, is het binnen het bestek van een kort geding aan de eisende partij om eerst voldoende concreet te stellen, en zo nodig met stukken te onderbouwen, dat haar concurrent een niet realistische en\u002Fof marktconforme inschrijving heeft gedaan en om concreet uiteen te zetten waarom deze haar inschrijving niet gestand kan doen. Pas als twijfel mogelijk is over het realistische gehalte van de inschrijving dient de aanbestedende dienst voldoende inzichtelijk te maken dat en waarom aan de door haar gestelde eisen en voorwaarden wordt voldaan.\n\n5.6.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Sensornet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het zonder de door haar voorgestane koppeling met LVNL niet mogelijk is om aan de validiteitseis te voldoen en de inschrijving van Spotten daarmee irreëel is. Sensornet stelt dat een volledige koppeling met de data van LVNL de enige verantwoorde manier is om relevante en geverifieerde gegevens te verkrijgen, maar ODWH heeft die stelling weersproken door erop te wijzen dat Spotten een andere werkwijze heeft dan Sensornet en zij voor het verkrijgen van data ook andere bronnen gebruikt dan LVNL, waarbij door Spotten is verklaard dat alle in eis 29 voorgeschreven informatie beschikbaar zal zijn. Sensornet heeft haar stelling vervolgens niet nader onderbouwd, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden bestaat om op voorhand te twijfelen aan het realistisch gehalte van de inschrijving van Spotten. Daarbij weegt mee dat uit de aanbestedingsstukken ook niet af te leiden valt dat allein eis 29 opgenomen informatie geverifieerd dient te worden door LVNL.\n\n5.7.. Verder is ook niet gebleken dat de inschrijving van Spotten op het onderdeel planning onrealistisch is, zoals Sensornet stelt. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit het programma van eisen niet dat inschrijvers moeten beschikken over de door Sensornet voorgestane volledige koppeling met LVNL. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van Sensornet dat Spotten die koppeling nog zou moeten aanvragen en daarmee niet aan de planning kan voldoen. Ook de enkele verwijzing van Sensornet naar het feit dat Spotten geen referentie heeft voor een geluidspostennetwerk en een beroep heeft gedaan op de in de leidraad geformuleerde uitzonderingsregel en in plaats van een referentie een uitgebreid plan van aanpak heeft ingediend, is onvoldoende om aan te nemen dat Spotten er niet in zal slagen om de gevraagde producten en diensten tijdig te leveren. Deze stelling is suggestief en onvoldoende geconcretiseerd. Hetzelfde geldt voor de stelling van Sensornet dat de planning voor een kleine en nieuwe onderneming als Spotten niet realistisch is.\n\n5.8.. Uit het voorgaande volgt dat Sensornet niet aannemelijk heeft gemaakt dat Spotten een irreële inschrijving heeft gedaan. Voor toewijzing van de vordering tot terzijdelegging van de inschrijving van Spotten (vordering II) bestaat dus geen grond.\n\n(iii) Onjuiste beoordeling inschrijving Sensornet?\n\n5.9.. Het derde bezwaar van Sensornet komt erop neer dat ODWH haar inschrijving op drie van de vier onderdelen van het gunningscriterium kwaliteit onjuist heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter zal deze bezwaren per subgunningscriterium bespreken.\n\n5.10.. Bij de beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat aan enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de door ODWH gehanteerde gunningscriteria niet te ontkomen valt. Dat brengt weliswaar enige spanning teweeg met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en\u002Fof die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en\u002Fof onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.\n\nSG 1: Plan van Aanpak\n\nOnderscheiden van vliegtuiggeluid\n\n5.11.. Sensornet verzet zich tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat een concrete uitwerking ontbreekt over hoe vliegtuiggeluid wordt onderscheiden van andere geluiden. Volgens Sensornet heeft de beoordelingscommissie een onjuiste toets gehanteerd, omdat een dergelijk onderscheid iets is dat bij subgunningscriterium 2 (‘Validatie’) thuishoort en er daar ook expliciet naar is gevraagd. De voorzieningenrechter volgt haar niet in dat bezwaar. ODWH heeft er terecht op gewezen dat bij de uitvraag in SG1 wordt verzocht om toe te lichten hoe wordt gezorgd voor betrouwbare, reproduceerbare en nauwkeurige metingen, en de maatregelen te beschrijven om continuïteit van metingen te waarborgen. Dat de beoordelingscommissie bij de uitwerking van Sensornet op dit onderdeel graag had gezien dat Sensornet in haar aanpak had toegelicht hoe vliegtuiggeluid wordt onderscheiden van andere geluiden, valt binnen haar beoordelingsvrijheid en dat oordeel acht de voorzieningen-rechter ook niet onbegrijpelijk.\n\nNetspanning\n\n5.12.. Ook heeft Sensornet bezwaar geuit tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat Sensornet niet heeft uitgewerkt hoe wordt gehandeld als reguliere netspanning ontbreekt. Volgens Sensornet is dat onterecht, omdat uit het antwoord op vraag 11 van de eerste nota van inlichtingen (zie hiervoor bij 3.10) volgt dat in zo’n geval overleg met de opdrachtnemer wordt gezocht en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – nadere uitwerking op dat punt dus niet nodig is. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Zoals ODWH terecht heeft opgemerkt, heeft het antwoord op vraag 11 betrekking op het ontbreken van netspanning bij de plaatsing van een meetpunt, en niet op het uitvallen van netspanning op een later moment. In de uitvraag bij SG1 is op het onderdeel ‘risicoanalyse’ gevraagd om een risicoanalyse uit te werken waarin ten minste de weerbestendigheid en de betrouwbaarheid en continuïteit van het dataplatform aan bod komen. Dat de beoordelingscommissie op dit onderdeel een uitwerking van het scenario bij het uitvallen van de (reguliere) netspanning heeft gemist, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.\n\nPlaatsingsmethode\n\n5.13.. De voorzieningenrechter gaat verder voorbij aan het bezwaar dat Sensornet maakt tegen het kritiekpunt van de beoordelingscommissie dat Sensornet bij de plaatsingsmethode uitsluitend ingaat op platte daken en niet op andere methoden\u002Flocaties, terwijl de plaatsing op platte daken niet de enige gangbare situatie is. Volgens Sensornet maakt de beoordelingscommissie dit kritiekpunt te groot, omdat plaatsing op een andere manier dan op een plat dak in de praktijk maar weinig voorkomt. Dat neemt echter niet weg dat de uitvraag op dit punt (zie hiervoor bij 3.5) vraagt om “de verschillende wijzen” te beschrijven waarop de meetposten kunnen worden geplaatst, geïnstalleerd en in gebruik genomen afhankelijk van de locatie. De beoordelingscommissie heeft gesignaleerd dat Sensornet in haar inschrijving maar op één plaatsingswijze is ingegaan en dat acht de voorzieningenrechter, gelet op de uitvraag, niet onbegrijpelijk. In het verlengde daarvan valt niet in te zien waarom de deskundigheid van de beoordelingscommissie in twijfel zou moeten worden getrokken, zoals Sensornet betoogt.\n\n5.14.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingscommissie bij SG1, gelet op de onder 5.11 tot en met 5.13 genoemde kritiekpunten, in redelijkheid tot een score ‘matig’ heeft kunnen komen.\n\nSG 3: Beheer, Communicatie en Support\n\nAfstemming bij plaatsing\n\n5.15.. Sensornet maakt verder bezwaar tegen de beoordeling van de beoordelingscommissie over haar uitwerking bij SG3. De beoordelingscommissie heeft bij dit onderdeel geoordeeld dat de uitwerking van Sensornet kort en summier is. Daarbij heeft de beoordelingscommissie vermeld dat Sensornet de onderhoudsstrategie en frequentie heeft benoemd, maar zonder concrete termijnen of detaillering van onderhoudsaanpak. Ook is volgens haar onvoldoende duidelijk hoe en door wie een potentiële locatie wordt doorgegeven en op welke wijze de opdrachtgever en gemeente gedurende het proces worden geïnformeerd. Sensornet acht deze kritiek onterecht, omdat zij in haar inschrijving heeft vermeld dat storingen automatisch worden gesignaleerd en zij verder een helder procesverloop heeft beschreven. Ook wijst zij erop dat uit het antwoord op vraag 11 van de eerste nota van inlichtingen (zie hiervoor bij 3.10) volgt dat de gemeente de betreffende locatie aanwijst, Sensornet vervolgens de opdrachtgever (ODWH hetzij de betreffende gemeente) informeert en dat dit –in zijn kortheid– duidelijk is. De voorzieningenrechter gaat ook aan dit bezwaar voorbij. ODWH heeft er terecht op gewezen dat Sensornet in haar inschrijving beschrijft dat communicatie plaatsvindt, maar verder niet heeft geconcretiseerd hoe dat precies in zijn werk gaat: wie met wie communiceert, wanneer en hoe. Kennelijk had de beoordelingscommissie op dit punt een gedetailleerdere uitwerking van Sensornet gewenst en dat acht de voorzieningenrechter, mede gelet op het feit dat ODWH waarde hecht aan heldere communicatieprocessen (zie hiervoor bij 3.5) en de dienstverlening die hier aan de orde is, niet onbegrijpelijk. Ook de stelling van Sensornet dat ODWH haar ten onrechte heeft afgerekend op het gebruik van het woord ‘bewoner’ terwijl duidelijk was dat zij daarmee ‘locatiehouder’ bedoelde, kan haar niet baten. Zelfs als het hier ging om een verschrijving van Sensornet, doet dat niet af aan de hiervoor omschreven meer algemene kritiek van de beoordelingscommissie, die naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid de score ‘voldoende’ rechtvaardigt.\n\nSG4: Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit\n\nIntuïtiviteit en burgers\n\n5.16.. Een andere klacht van Sensornet is dat de beoordelingscommissie bij SG4 heeft geoordeeld dat het dashboard ‘wat ouderwets oogt’, niet erg intuïtief en interactief wordt bevonden en wordt betwijfeld of een burger ook zijn weg erop weet te vinden. Volgens Sensornet gaat het om een subjectief esthetisch oordeel dat geen substantiële puntenaftrek rechtvaardigt. Ook stelt zij dat de beoordelingscommissie ten onrechte inzoomt op burgers als één van de gebruiksgroepen, terwijl wordt gesproken over ‘gebruikers’, en dat het dashboard bovendien al jaren door burgers in de betrokken gemeenten wordt gebruikt en Sensornet geen klachten of signalen heeft ontvangen dat die burgers hun weg niet zouden weten te vinden. Deze stellingen kunnen Sensornet niet baten. Uit de uitvraag op dit onderdeel (zie hiervoor bij 3.5) volgt dat de beoordelingscommissie de gebruiksvriendelijkheid, overzichtelijkheid en intuïtieve navigatie van het dashboard beoordeelt en bovendien waarde hecht aan transparantie en toegankelijkheid voor gebruikers. Het oordeel van de beoordelingscommissie over de esthetiek van het dashboard en de bevindingen bij het gebruik past daar alleszins binnen. Verder acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie specifiek is ingegaan op het gebruik van het dashboard door burgers c.q. inwoners van de gemeente, nu niet ter discussie staat dat zij een belangrijke gebruiksgroep vormen. Dat de beoordelingscommissie er op basis van de demonstratie niet van overtuigd is geraakt dat burgers hun weg weten te vinden bij het gebruik van het door Sensornet gepresenteerde dashboard, valt binnen haar beoordelingsvrijheid en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.\n\nExportfunctie\n\n5.17.. Ook de stelling dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat gebruikers de data op dit moment niet zelf kunnen exporteren, kan Sensornet niet baten. Hoewel Sensornet erop heeft gewezen dat een rapportage kan worden gedownload in ‘CSV’, heeft ODWH in haar conclusie van antwoord toegelicht dat de kritiek van de beoordelingscommissie erop ziet dat voor specifiek burgers (de gebruiksgroep inwoners) geen exporteerknop in het door Sensornet aangeboden –en tijdens de demonstratie gepresenteerde– dashboard zit. Dat tijdens de demonstratie zou zijn besproken dat de exportfunctie voor burgers mogelijk is, zoals Sensornet stelt, maakt dat niet anders. De beoordelingscommissie heeft bij de beoordeling immers uit te gaan van de inschrijving zoals door Sensornet is ingediend.\n\n5.18.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingscommissie bij SG4 in redelijkheid heeft kunnen komen tot de gegeven beoordeling ‘goed’.\n\n5.19.. Gelet op al het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat Sensornet niet aannemelijk heeft weten te maken dat bij de door haar genoemde onderdelen bij SG1, SG2 en SG4 sprake is van een onbegrijpelijke of evident onjuiste beoordeling, dan wel dat er procedurele of inhoudelijke onjuistheden en\u002Fof onduidelijkheden kleven aan de beoordeling, die ertoe zouden moeten leiden dat de voorzieningenrechter – ondanks de beperkte toetsingsruimte zoals vermeld onder 5.10 – moet concluderen dat de beoordeling van de inschrijving van Sensornet door de beoordelingscommissie niet deugt. Voor de gevorderde hernieuwde beoordeling van de inschrijving van Sensornet, laat staan die van Spotten, door een nieuwe beoordelingscommissie is dus geen plaats. Dat betekent dat vordering III zal worden afgewezen.\n\n(iv) Ondeugdelijke motivering gunningsbeslissing?\n\n5.20.. Tot slot stelt Sensornet dat de beoordeling van ODWH te summier is in relatie tot de ingediende inschrijving. Volgens Sensornet bespreekt de gunningsbrief per gunningscriterium slechts enkele kritiekpunten en laat de overige aspecten onbesproken. Zo worden bij SG1 drie punten genoemd op een uitwerking van acht pagina’s en bij SG4 worden vier van de zes te beoordelen aspecten in het geheel niet besproken, aldus Sensornet. Volgens Sensornet kan zij niet nagaan waarom zij punten heeft verloren op de niet-besproken onderdelen en dat is volgens haar in strijd met artikel 2.130 Aanbestedingswet (Aw) en met antwoord 5 van de eerste nota van inlichtingen, waarin ODWH heeft bevestigd dat in de gunningsbrief uitgebreid zou worden ingegaan op de behaalde score en de bijbehorende beoordeling. Ook blijft de vergelijking met de winnende inschrijving steken in algemeenheden, aldus Sensornet.\n\n5.21.. De voorzieningenrechter volgt ODWH daarin niet. Uit artikel 2.130 Aw volgt dat de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen moet bevatten voor die beslissing en dat daaronder in ieder geval wordt verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving, alsmede de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst. Volgens de parlementaire geschiedenis van dit artikel ligt het, indien de aanbestedende dienst (zoals hier) het criterium ‘economisch meest voordelige inschrijving’ heeft gehanteerd, in de rede dat de aan de inschrijvingen toegekende scores en de relatieve positie van de afgewezen inschrijver ten opzichte van de geselecteerde inschrijver ter onderbouwing van de mededeling van de gunningsbeslissing door de aanbestedende dienst worden meegezonden. Hoewel een precieze invulling van de relevante redenen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, geldt in zijn algemeenheid dat de relevante redenen onder meer de volgende elementen zullen bevatten:\n\nbekendmaking van de eindscores van zowel de afgewezen inschrijver als van de geselecteerde inschrijver;\n\nbekendmaking van de scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken en de reden(en) waarom op dat specifieke kenmerk eventueel niet een hogere score is toegekend.\n\n5.22.. Anders dan Sensornet stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de gunningsbeslissing voldoende blijkt waarom Sensornet op de verschillende subgunningscriteria niet een hogere score heeft toegekend. De beoordelingscommissie heeft geoordeeld dat Sensornet op onderdelen steken heeft laten vallen en zij heeft hier per subgunningscriterium ook specifieke voorbeelden bij genoemd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Sensornet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beoordelingscommissie niet tot haar oordeel heeft kunnen komen. Ook valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat de beoordelingscommissie aspecten onbesproken zou hebben gelaten terwijl dat wel tot puntenverlies zou hebben geleid, zoals Sensornet stelt.\n\n5.23.. Verder biedt de gunningsbeslissing voldoende inzicht in de relevante verschillen tussen de inschrijving van Sensornet enerzijds en die van Spotten als winnende inschrijver anderzijds. ODWH heeft de scores van Sensornet op de verschillende (sub)gunningscriteria afgezet tegen die van de overige inschrijvers (Spotten) en daaruit valt de relatieve positie van Sensornet ten opzichte van Spotten af te leiden. Ook heeft ODWH op de subgunningscriteria waar Sensornet lager heeft gescoord dan Spotten een toelichting gegeven over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van Spotten. Die toelichting is weliswaar in algemene bewoordingen gegeven, maar die bewoordingen sluiten aan bij de gehanteerde beoordelingsmaatstaf. De toelichting is summier, maar de op een aanbestedende dienst rustende motiveringsverplichting reikt niet zover dat hij gehouden is afgewezen inschrijvers meer gedetailleerd opgave te doen van de aanbieding van de winnende inschrijver; het ligt in de rede dat die aanbieding bedrijfsvertrouwelijke informatie bevat die de aanbestedende dienst niet prijs mag geven. De conclusie is dat Sensornet met de verstrekte gegevens voldoende in staat moet worden geacht om te beoordelen of het zinvol is om een juridische procedure te starten.\n\n5.24.. Nu niet is gebleken dat de gunningsbeslissing ondeugdelijk is gemotiveerd, is voor de door Sensornet onder IV. gevorderde gebod geen ruimte. Deze vordering wordt daarom afgewezen.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.25.. Slotsom is dat niet is gebleken dat de inschrijving van Spotten ongeldig of irreëel is, noch dat ODWH evidente beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de inschrijving van Sensornet of het beoordelingskader onjuist heeft toegepast en dat moet worden geoordeeld dat ODWH de gunningsbeslissing deugdelijk heeft gemotiveerd. Voor de gevorderde intrekking van de gunningsbeslissing en de uitsluiting\u002Fterzijdelegging van de inschrijving van Spotten, althans herbeoordeling van de inschrijvingen, althans een gebod tot deugdelijke motivering van de gunningsbeslissing is dus geen plaats. De vorderingen van Sensornet zullen daarom worden afgewezen.\n\n5.26.. Sensornet is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van zowel ODWH als Spotten betalen. De proceskosten van Spotten en ODWH worden, ieder afzonderlijk, begroot op:\n\n- griffierecht € 735\n\n- salaris advocaat € 1.177\n\n- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\nTotaal € 2.101\n\n5.27.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst de vorderingen van Sensornet af;\n\n6.2.. veroordeelt Sensornet in de proceskosten van zowel ODWH als Spotten van ieder € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Sensornet niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Sensornet € 98 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.3.. veroordeelt Sensornet in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.4.. verklaart de onder 6.2 en 6.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\nfjs","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14677","ecli-nl-rbdha-2026-14677",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]