[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-17038":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-17038":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"726","ECLI:NL:RBDHA:2026:17038","",58,"Den Haag","den-haag","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKDEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nbr\u002Fcd\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12066828 \\ RP VERZ 26-50085\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster],\n\ngemachtigde: mr. S. Boer (Solvit Letselschade Advocaten),\n\ntegen\n\n1. WESTLANDSE STICHTING VOOR KATHOLIEK ONDERWIJS (WSKO),\n\nte Poeldijk, 2. SOCIETAS EUROPAEA (BELGIË) MET VESTIGING IN NEDERLAND MSIG EUROPE,\n\nte Amstelveen,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: WSKO en MSIG,\n\ngemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen (Kruitwagen & Partners).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlages 1 tot en met 24, binnengekomen op de griffie op 16 januari 2026,\n\nhet verweerschrift met bijlages 1 tot en met 16.\n\n1.2.. Op 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat toen is besproken. In overleg met partijen heeft de kantonrechter de procedure daarna aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.\n\n1.3.. Nadat partijen de kantonrechter op 11 mei 2026 hebben geïnformeerd dat zij niet tot een schikking zijn gekomen, is de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. WSKO heeft zeventien basisscholen verdeeld in de gemeentes [gemeente 1] en [gemeente 2]. [verzoekster] is vanaf 30 [maand] 2004 tot 1 september 2020 als docent Lichamelijke Opvoeding in dienst geweest van WSKO.\n\n2.2.. \n [verzoekster] is op 4 februari 2019 betrokken geraakt bij een arbeidsongeval (hierna: het ongeval). Toen zij ter voorbereiding van een gymles op een school van WSKO diverse materialen aan het klaarzetten was is een metalen ladder met een geschat gewicht van circa 28 kilogram omgevallen en op de linkerzijde van het achterhoofd, de nek en de schouder van [verzoekster] beland. Daarbij heeft [verzoekster] het bewustzijn niet verloren.\n\n2.3.. \n [verzoekster] heeft WSKO aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval. MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO aansprakelijkheid erkend voor schade ontstaan door het ongeval. Beide partijen hebben vervolgens medische adviezen aangevraagd, die in deze procedure zijn overgelegd.\n\n2.4.. Partijen en hun medisch adviseurs hebben van begin af aan een andere mening over het realiteitsgehalte van de klachten van [verzoekster] en het causaal verband tussen haar klachten en het ongeval. [verzoekster] heeft daarom een verzoek tot het benoemen van een deskundige bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. De door de kantonrechter benoemde deskundige, [neuroloog 2], heeft in zijn concept neurologische expertise van 17 juni 2024 voor zover hier relevant het volgende geschreven en op de vragen van de kantonrechter geantwoord:\n\n“(…)\n\nVroegere ziekten, operaties of ongevallen\n\nIn 2009 moest zij acuut stoppen met topsport handbal. Dat gaf spanningsklachten. In deze periode heeft ze ook een kijkoperatie gehad van de linkerknie waarbij een deel van de meniscus is verwijderd en waarbij er een gedeeltelijke kruisbandletsel werd vastgesteld. Plotseling stoppen gaf problemen. Daarvoor kwam ze onder behandeling van de psychosomatisch therapeut [therapeut]. Dat heeft effect gehad. Rond de zwangerschap (ze beviel in [maand] 2015) heeft ze ook spanningsklachten gehad. De hoofdpijn kan ze zich niet herinneren. Deze klachten waren volstrekt anders dan de klachten die ze na het ongeval had. Ze had toen aan beide kanten klachten, terwijl dit nu enkelzijdig is. Ook rond de zwangerschap waaruit haar zoontje is geboren (2018) waren er spanningsklachten, waarbij ze ook niet goed kon doorslapen. Het waren drukke tijden. Ze heeft toen ontspanningsoefeningen gehad. Een en ander had een goed effect. (…)\n\nSamenvatting en bespreking\n\nIn de voorgeschiedenis is sprake van angstklachten met ook verminderde energie en problemen met slapen waarvoor al behandeling in 2009 en 2011 door psychosomatisch fysiotherapeut heeft plaatsgevonden. Deze meldt in 2015 dat ze al langer tension headache klachten heeft, alsmede spanningsklachten van de nek en schouder\u002Farm regio. In verband met een bevalling is de behandeling in 2015 een periode onderbroken en vervolgens weer gestart in december 2015, waarbij in 2016 wordt gemeld dat onrust, tension headache klachten en nek- en schouder klachten zijn afgenomen c.q. zijn verdwenen. Ze slaapt goed en heeft een normale energie. In mei 2018 meldt [therapeut] opnieuw spanningsklachten en onrust in het hele lichaam. Er volgt dan een behandeling tot juli 2018, waarbij de energie voldoende is. Ze slaapt beter. (…)\n\nDe anamnese voor wat betreft ongeval en ongeval mechanisme komt overeen met de dossierbevindingen. Dat geldt in grote lijnen ook voor het beloop van de klachten en de ingestelde behandelingen. In het dossier meldt de neuroloog dat de duizeligheid op een bepaald moment weg was. Ze geeft aan dat het soms ook op een dag wel even weg kan zijn, maar feitelijk eigenlijk bijna continu aanwezig is. Uit de anamnese werd duidelijk dat ze op 07-09-2019 een telefonisch contact heeft gehad met de huisarts en zo ook op 04-02-2019. Er is op deze dagen geen onderzoek verricht. Ten aanzien van de klachten uit het verleden geeft ze aan dat deze anders waren dan de klachten na het ongeval, waarbij er met name een verschil zit in het feit dat deze toen beiderzijds aanwezig waren en nu slechts aan één kant en ook anders en waarbij ook de duizeligheidklachten nu aanwezig zijn. De vermoeidheid was eerder fysiek en nu lichamelijk en mentaal. In de periode direct voorafgaand aan het ongeval had zij geen klachten en ook geen beperkingen, met uitzondering van het feit dat zij niet moest gaan hardlopen vanwege de linkerknie. Wat betreft de duizeligheidklachten is er met name een zeeziek gevoel en niet zozeer draaiduizeligheid. Het kan ook een valgevoel zijn; dat kan naar alle kanten zijn. Er persisteren klachten van visuele overprikkeling, tinnitus rechts meer dan links, vermoeidheidklachten zowel in haar hoofd als in haar lijf waarbij ze ook niet fit opstaat maar wel voldoende slaapt. Daarnaast is er sprake van pijnklachten links in de nek en bij het schouderblad links als ook in het craniocervicale overgangsgebied links, waarbij de pijn ook kan doortrekken naar het voorhoofd aan de linkerkant. De pijn heeft een zeurend karakter en neemt af bij bewegen. De NRS-score varieert tussen 3 en 8. Bij belasten nemen de klachten toe. De duizeligheid vertoont pieken, is eigenlijk dagelijks aanwezig, maar niet continu. Het is veelal een soort golfidee. Ze heeft overdag rust nodig om te ontprikkelen, waarbij ze gebruik maakt van mindfulness en wandelen. Bij oriënterend neuropsychologisch onderzoek kan zij de anamnese goed en voldoende gedetailleerd vertellen. De aandacht is goed te trekken en te houden. Bij de MOCA scoort zij 27\u002F30. Bij de algemene feiten is er slechts 1 afwijkend antwoord. Neurologisch onderzoek in engere zin laat geen afwijkingen zien aan hersenzenuwen, motoriek, sensibiliteit, coördinatie en reflexen. Met name is er geen sprake van afwijkende oogbewegingen, ook niet bij provocatie. Er is sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio mn links. De onderzoeksbevindingen komen in essentie overeen met de eerder in het dossier beschreven onderzoeksbevindingen van [neuroloog 1]. Beeldvormend onderzoek liet geen afwijkingen zien.\n\nOp basis van de onderzoeksbevindingen is er sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio, met name aan de linkerzijde. Er zijn geen aanwijzingen voor primair vestibulaire afwijkingen. De beschrijving van de duizeligheidklachten past bij PPPD (Staab et al., Journal of Vestibular Research, 2017,27, 191-208); dit betreft een functionele aandoening waarvan de etiologie onduidelijk is. Er is eerder onderzoek verricht, onder andere een EEG en ook neuropsychologisch onderzoek, op basis waarvan postcommotioneel syndroom is gediagnosticeerd, maar op basis van de anamnese is\u002Fwas er niet overtuigend sprake van traumatisch hersenletsel. Daarmee moet naar mijn mening een nieuw en uitgebreider neuropsychologisch onderzoek worden verricht om te zien of de bewering in het verrichte onderzoek stand houdt. De diagnose BPPD is in het verleden gesteld, maar nimmer bevestigd door onderzoeksbevindingen. Het lijkt met name gebaseerd te zijn geweest op anamnestische gegevens. (De neuroloog [neuroloog 1] concludeerde in 2019 tot BPPD en posttraumatische cervicobrachialgie). Zoals hierboven is aangegeven past een en ander beter bij PPPD, een diagnose die ook eerder is gesteld door Kelder. (…)\n\nBeantwoording van uw vragen\n\n1. De situatie met ongeval\n\n(…)\n\nMedische gegevens\n\nb. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:\n\n- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;\n\n- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.\n\nAntwoord:\n\nOp basis van het medisch dossier van betrokkene is de medische voorgeschiedenis beschreven, niet alleen op het vakgebied van de neurologie. Ik wil daarbij verder verwijzen naar het hoofdstuk “Vroegere ziekten, operaties en ongevallen”. Voor de medische behandeling van het letsel van betrokkene en resultaten daarvan wordt verwezen naar de samenvatting zoals die hierboven is weergegeven.\n\nConsistentie\n\nd. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? (…)\n\nAntwoord:\n\nd. op hoofdlijnen is er een overeenkomst tussen anamnese en dossier. Dat geldt ook voor de onderzoeksbevindingen.\n\nDiagnose\n\nf. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?\n\nAntwoord:\n\nEr is sprake van een status na trauma capitis en trauma van de nek en scapularegio aan de linkerkant met nu posttraumatische tendomyogene klachten in de nek en scapularegio links, alsmede energetische klachten en duizeligheidklachten. Voor de duizeligheidklachten kan ik geen neurologisch substraat aangeven. Ik vind geen aanwijzingen voor centraal of perifeer vestibulaire afwijkingen. De ervaren energetische en cognitieve problemen (onder andere “sensore integratie” klachten) lijken mij secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Voor het primair bestaan van cerebraal letsel zijn er op basis van de anamnese en het dossier en de beeldvorming alsmede het onderzoek van drs vd Scheer geen overtuigende aanwijzingen.\n\nBeperkingen\n\ng. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn\u002Fhaar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?\n\nAntwoord:\n\nBij het ontbreken van een neurologisch substraat voor de klachten kan ik conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie op dit moment geen beperkingen aangeven.\n\n2. De situatie zonder ongeval\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval\n\na. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?\n\nb. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen en welk percentage functionele invaliditeit voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?\n\nAntwoord:\n\na. Betrokkene had op basis van anamnese en dossier in de periode direct voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op het vakgebied van de neurologie. In het verleden heeft ze in 2009, 2015 en 2018 tendomyogene pijnklachten gehad rond zwangerschappen en plotseling moeten afkicken van een topsportcarrière. Deze klachten waren toen bilateraal aanwezig, terwijl ze nu enkelzijdig zijn en er ook andere klachten aanwezig zijn die er toen niet waren.\n\nb. N.v.t.\n\nKlachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval\n\nc. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?\n\nd. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?\n\nAntwoord:\n\nc. Op basis van anamnese en dossier heb ik geen reden aan te nemen dat zij de klachten ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen met uitzondering van de spierspanningsklachten die ook eerder al aanwezig waren blijkens het dossier en die derhalve opnieuw hadden kunnen optreden, maar dat laatste is geen zekerheid. Een en ander wil overigens niet zeggen dat daarmee een neurologisch substraat voor de klachten kan aangeven. Er is een relatie in tijd.\n\nd. Zie c.\n\n3. Overig\n\na. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?\n\nAntwoord:\n\na. Ik heb verder geen opmerkingen anders dan het advies om een nieuw neuropsychologisch onderzoek te laten doen. Voor dit onderzoek adviseer ik u om bijvoorbeeld mevrouw drs. [neuropsycholoog], klinisch neuropsycholoog te Zutphen, te vragen betrokkene daartoe uit te nodigen waarna ik desgewenst aanvullend kan rapporteren. Zij is bekend bij uw rechtbank en heeft ervaring in deze.\n\n(…)”\n\n2.5.. \n [verzoekster] is vervolgens neuropsychologisch onderzocht door [neuropsycholoog], die daarover in haar neuropsychologische expertise van 23 juni 2025 voor zover hier relevant het volgende heeft geschreven:\n\n “(…)\n\nEindconclusie\n\nHet neuropsychologisch onderzoek levert in relatie tot de gestelde neurologische werkhypothesen gelieerd aan het ongeval (zie neurologische bevindingen dr. [neuroloog 2]) geen evidentie voor het bestaan van een primair dan wel pijngemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid. De werkhypothese\u002Flabelling dat we mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval is vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar. (…) Om voorts tot verdere labelling (hypothese: somatisch-symptoomstoornis (300.82) dan wel anderszins) te komen én om na te gaan wat de klachtenonderhoudende dan wel herstelbelemmerende factoren zijn, is het zinvol om het oordeel van de psychiater te raadplegen (aanbeveling).\n\nBeantwoording van de vragen\n\n1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in helderheid van het bewustzijn?\n\nHet onderzoek levert geen aanwijzingen voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid.\n\n2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval van 4 februari 2019?\n\n3. Zijn er wellicht andere oorzaken dan dit ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?\n\nAangezien er op basis van onderhavig onderzoek géén stoornissen kunnen worden vastgesteld, is het antwoord op beide vragen (vraag 2 en 3) ‘niet van toepassing’.\n\n4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een als gevolg van het ongeval d.d. 4 februari 2019 ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?\n\nDaar het onderzoek geen evidentie levert voor het bestaan van verminderde cognitieve belastbaarheid, welke mogelijk toegeschreven kan worden aan structurele schade aan het brein, luidt het antwoord op deze vraag ‘niet van toepassing’.\n\n(…)”\n\n2.6.. \n [neuroloog 2] heeft in zijn aanvullend rapport van 27 augustus 2025 geschreven dat zijn eerdere bevindingen in het neuropsychologisch onderzoek van [neuropsycholoog] worden bevestigd en dat de door [neuropsycholoog] aangeraden psychiatrische expertise voor zijn beoordeling niet nodig is.\n\n2.7.. WSKO en MSIG hebben in totaal een bedrag van € 12.000,00 aan voorschotten op schade aan [verzoekster] betaald.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking:\n\nvoor recht verklaart dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval,\n\nWSKO en MSIG beveelt mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] op basis van de vraagstelling zoals die in bijlage 24 bij het verzoekschrift is opgetekend,\n\nWSKO en MSIG beveelt de openstaande kosten van rechtsbijstand ter hoogte van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,\n\nde kosten van dit deelgeschil begroot op een bedrag van € 7.018,09 en WSKO en MSIG hoofdelijk veroordeelt tot betaling van dit bedrag en het griffierecht aan [verzoekster].\n\n3.2.. Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaat een (juridisch) causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval, aangezien het klachtenpatroon van [verzoekster] plausibel is en geen sprake is van een alternatieve oorzaak voor het ontstaan van haar klachten. Om te voorkomen dat de schaderegeling (opnieuw) stokt, wil [verzoekster] dat een verzekeringsgeneeskundige wordt benoemd. Verder staat op dit moment een bedrag van € 19.927,50 aan buitengerechtelijke kosten open. Deze kosten maken onderdeel uit van de schade en komen voor vergoeding in aanmerking. Het is daarom onacceptabel dat WSKO en MSIG dit bedrag onbetaald laten.\n\n3.3.. WSKO en MSIG vragen de kantonrechter de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.\n\n3.4.. WSKO en MSIG voeren daartoe het volgende aan. De gezondheidsklachten van [verzoekster] zijn niet terug te voeren op het ongeval. Van een medisch of juridisch causaal verband tussen de geduide klachten en het ongeval is dan ook geen sprake. De verzochte verklaring voor recht dient daarom te worden afgewezen. Uit de deskundigenberichten van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] volgt dat voor geen van de door [verzoekster] gestelde klachten een neurologisch substraat bestaat waardoor geen beperkingen kunnen worden geduid. Er is daarom geen reden om een verzekeringsgeneeskundige expertise te gelasten. Partijen schieten met eventuele conclusies van een verzekeringsarts ook niets op, aangezien het enkele vastleggen van de geduide beperkingen niets zegt over de vraag of die beperkingen te relateren zijn aan feitelijke letsels of ziektes als gevolg van het ongeval. Daarnaast doorstaan de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet. Aan [verzoekster] zijn al meerdere voorschotten betaald. Gelet op de causaliteitsdiscussie tussen partijen, is op dit moment geen ruimte voor nadere bevoorschotting.\n\n4. De beoordeling\n\nDe deelgeschilprocedure\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de causaliteit tussen de door [verzoekster] geduide klachten en het ongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in worden voortgezet. De kantonrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk bespreken.\n\nDe inhoudelijke beoordeling\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] het gestelde causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd en dat de door haar verzochte verklaring voor recht en het bevel om mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen\n\n4.5.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat haar gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019. Het gaat hierbij om de volgende klachten:\n\nhoofdpijn,\n\n(posttraumatische) tendomyogene schouder- en nekklachten met uitstraling naar de armen aan de linkerzijde (cervicobrachialgie),\n\nenergetische gezondheidsklachten, waaronder ernstige vermoeidheid en (daaruit voorvloeiende) sterk verminderde fysieke en motorische belastbaarheid en verhoogde emotionele sensitiviteit,\n\ncognitieve gezondheidsklachten, waaronder sensorische integratie problematiek, (draai)duizeligheid en overgevoeligheid voor prikkels.\n\n4.6.. De vraag die dan beantwoord moet worden is of de hierboven genoemde klachten zijn veroorzaakt door het ongeval, zoals [verzoekster] stelt en WSKO en MSIG betwisten. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medisch objectiveerbare klachten bij [verzoekster], maar dat sprake is van een juridisch causaal verband omdat sprake is van een plausibel klachtenpatroon en een alternatieve oorzaak voor de klachten ontbreekt.\n\n4.7.. \n\nDeze stelling van [verzoekster] lijkt te zijn ontleend aan de zogenoemde ‘whiplashjurisprudentie’. Deze jurisprudentie kan in deze zaak echter niet (onverkort en naar analogie) worden toegepast. De whiplashjurisprudentie vormt een uitzondering, die beperkt blijft tot gevallen waarin weliswaar sprake is van klachten die voor het ongeval niet bestonden, maar niet van een medische objectiveerbare afwijking die aan die klachten ten grondslag kan liggen. De kantonrechter is met WSKO en MSIG van oordeel dat het in de situatie van [verzoekster] gaat om een ongeval waardoor een medisch objectiveerbare afwijking kán en ook is ontstaan, te weten een kneuzing van de schouder- en nekspieren waarop de ladder is gevallen. Het enkele feit dat [verzoekster] na het ongeval aanhoudende klachten ervaart (waarvoor geen medisch substraat wordt gevonden), is daarom onvoldoende om het conditio sine qua non-verband aan te nemen.\n\nDit geldt te meer nu, zoals hierna wordt overwogen, een deel van de klachten ook al voorafgaand aan het ongeval bestond.\n\n4.8.. Het is aan [verzoekster] om feiten te stellen waaruit volgt dat het letsel en de schade die daaruit is voortgevloeid door het ongeval zijn veroorzaakt en deze feiten, bij gemotiveerde betwisting daarvan, te bewijzen. De kantonrechter merkt op dat door partijen een forse hoeveelheid aan medische informatie en rapportages is verzameld. Omdat ter zitting met partijen is geïnventariseerd dat de deskundigen [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] ten tijde van het uitbrengen van hun expertises over alle eerder verzamelde medische informatie beschikten en dat hun expertises daarom leidend zijn, zijn alleen de bevindingen uit die expertises in de feiten van deze beschikking opgenomen.\n\n4.9.. \n [verzoekster] heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde causaal verband gewezen op hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise over de anamnese, de diagnose en over de consistentie van haar klachten heeft geschreven. Hoewel het klopt dat [neuroloog 2] in zijn expertise schrijft dat hij op basis van de anamnese en het dossier geen reden heeft om aan te nemen dat [verzoekster] de klachten, met uitzondering van de al eerder aanwezige spierspanningsklachten, ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen en dat sprake is van een relatie in tijd, lijkt het hier om een aanname te gaan waar verder geen handen en voeten aan wordt gegeven. Voorts geldt dat [neuroloog 2] geen functionele beperkingen op neurologisch gebied heeft kunnen vaststellen. Ook [neuropsycholoog] komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid van [verzoekster] en schrijft dat de werkhypothese dat we in de situatie van [verzoekster] mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar is. Op basis van de medische expertises van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] kan het causaal verband tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval dus niet worden vastgesteld.\n\n4.10.. Van belang is verder dat (een gedeelte van) de klachten van [verzoekster] voor het ongeval ook al bestonden. Zo volgt uit hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise onder het kopje ‘Vroegere ziekten, operaties of ongevallen’ heeft opgenomen dat [verzoekster] zowel in 2009, 2015 als in 2018 last heeft gehad van spanningsklachten en volgt uit hetgeen onder het kopje ‘samenvatting en bespreking’ is geschreven dat [verzoekster] zowel in 2015 als in 2016 ook al tension headacheervaarde. Daarbij komt dat uit de samenvatting van het medisch dossier van [verzoekster] volgt dat haar klachten vlak na het ongeval snel minder werden en pas na een vakantie in juli 2019 weer toenamen. Op basis van dit alles ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om een causaal verband aan te nemen. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] om voor recht te verklaren dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval wordt afgewezen.\n\nWSKO en MSIG hoeven niet mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise\n\n4.11.. Omdat hierboven is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de gezondheidsklachten van [verzoekster] in juridisch causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019, is het weinig zinvol een verzekeringsarts te benoemen om beperkingen te laten vaststellen. Dit is door [verzoekster] desgevraagd ter zitting ook bevestigd. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] om WSKO en MSIG te bevelen mee te werken een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] daarom vanwege een gebrek aan belang daarbij afwijzen.\n\nOpenstaande kosten rechtsbijstand\n\n4.12.. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.\n\n4.13.. Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schaden beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en\u002Fof is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.\n\n4.14.. Bij de vraag of de gedeclareerde kosten redelijk zijn is het volgende van belang. In het algemeen wordt in letselschadezaken op basis van het aantal gewerkte uren bij de verzekeraar gedeclareerd. Zo is het hier ook gegaan. Een advocaat heeft een grote mate van vrijheid bij de inrichting en de omvang van de werkzaamheden ten behoeve van zijn of haar cliënt. De cliënt en advocaat zijn ook vrij om een bepaald tarief overeen te komen. Maar als de benadeelde verlangt dat de aansprakelijke partij deze kosten van de rechtsbijstand betaalt mag verwacht worden dat de benadeelde en diens professionele belangenbehartiger ook rekening houden met het belang van de aansprakelijke partij door er voor te zorgen dat de kosten binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. Het gaat er niet om of de belangbehartiger alle gedeclareerde werkzaamheden werkelijk heeft verricht, maar om de vraag of het redelijk is dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Eén van de aspecten die daarbij een rol kan spelen is de vraag of de kosten van rechtsbijstand in een aanvaardbare verhouding staan tot de hoogte van de schade. Ook de houding of een gebrek aan medewerking van de aansprakelijke partij kan een rol spelen.\n\n4.15.. Het gaat in deze zaak om een relatief ingewikkelde zaak. Over de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid is weliswaar geen discussie geweest, MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO immers aansprakelijkheid erkend en voorschotten betaald, maar tussen partijen bestaat wel een causaliteitsdiscussie. Mede in dat kader zijn meerdere medische expertises verricht, die de belangenbehartiger van [verzoekster] steeds heeft moeten bestuderen en met [verzoekster] heeft moeten bespreken. Daarbij komt dat die expertises er niet voor hebben gezorgd dat partijen het eens zijn geworden over het antwoord op de vraag of een causaal verband bestaat tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval van 4 februari 2019, waardoor zij ook nog geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schade. Gelet op de looptijd van dit dossier, de hoeveelheid medische expertises en de causaliteitsdiscussie, acht de kantonrechter de gedeclareerde kosten redelijk. WSKO en MSIG worden daarom veroordeeld om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 te betalen.\n\nDe kosten van het deelgeschil\n\n4.16.. Omdat de vorderingen van [verzoekster] voor het belangrijkste deel worden afgewezen zullen WSKO en MSIG niet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil. Wel moet de kantonrechter op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n4.17.. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter wederom de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.18.. \n [verzoekster] maakt aanspraak op € 7.018,09 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. WSKO en MSIG hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben WSKO en MSIG aangevoerd dat twintig uur bovenmatig is. Volgens WSKO en MSIG is een aantal van vijftien uren redelijk.\n\n4.19.. Gelet op de complexiteit van dit geschil, komt de door de gemachtigde van [verzoekster] opgegeven tijdsbesteding de kantonrechter niet bovenmatig voor. De kantonrechter zal de kosten van dit deelgeschil dan ook begroten op (16 uren x € 290,00 inclusief btw) + (4 uren x € 270,00 inclusief btw), zijnde € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. beveelt WSKO en MSIG om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,\n\n5.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17038","ecli-nl-rbdha-2026-17038",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]