[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-17061":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-17061":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1064","ECLI:NL:RBDHA:2026:17061","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.9309\n uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Taiz in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.\n\n1.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20, terecht voor de provincie Taiz een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. Ook bespreekt de rechtbank voor het eerst wat de gevolgen zijn van het arrest Ebilumvan het Hof van Justitie voor de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025\u002F20 voor de provincie Taiz mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in plaats van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Taiz wegens zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat de minister zijn standpunt, dat de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn, niet toereikend heeft gemotiveerd. De minister hoeft echter geen nieuw besluit te nemen, omdat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen daaraan zijn verbonden.\n\n1.3.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank beoordeelt eerst het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen (5-7). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld (8-12): daarbij zal ingegaan worden op de vraag of de minister in zijn beleid een volledige beoordeling heeft verricht (10), of de minister voor de provincie Taiz de hoogste gradatie van willekeurig geweld had moeten aannemen (11) en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser (12). Onder 13 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgrond over het langdurige verblijf in het Westen (14). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (15).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft, gelet op de loopbrief, op 27 augustus 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en op 26 februari 2026 en 19 mei 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 15 mei 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren in Taiz. Hij heeft Jemen in 2008 of 2009 op vijfjarige leeftijd met zijn familie verlaten en is opgegroeid in Saoedi-Arabië. Na afronding van de middelbare school keerde hij op 27 juli 2023 terug naar Jemen om daar te studeren. Eiser stelt dat hij na zijn terugkeer door de Houthi’s is aangehouden, omdat zij hem vanwege zijn langdurige verblijf in Saoedi-Arabië van spionage verdachten. De Houthi’s wilden hem rekruteren en eiser moest verplicht deelnemen aan een herintegratiecursus, waarna hij naar het front zou worden gestuurd. Om daaraan te ontkomen heeft hij toestemming gevraagd om zijn oma te bezoeken. Nadat dit verzoek was ingewilligd, is hij gevlucht en heeft hij Jemen verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw in de negatieve belangstelling van de Houthi’s zal komen te staan. Daarnaast beroept hij zich op de slechte algemene veiligheidssituatie in Jemen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde problemen met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser die problemen onvoldoende met documenten heeft onderbouwd, omdat het door hem overgelegde arrestatiebevel een kopie is en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser loopt volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Taiz heeft de minister een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.\n\nIs het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig geacht?\n\nIs Werkinstructie (WI) 2024\u002F6 in strijd met het Unierecht?\n\n5. Eiser betoogt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in\n\nWI 2024\u002F6 in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. De minister had de beantwoording van die prejudiciële vragen moeten afwachten.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 25 juni 2025en 8 september 2025geoordeeld dat WI 2024\u002F6, zoals door de minister uitgelegd, in overeenstemming is met het Unierecht. In dat wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. De minister was dan ook niet gehouden de beantwoording van de door zittingsplaats Roermond gesteld prejudiciële vragen af te wachten voordat hij op de aanvraag besliste. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zelf besluitvorming heeft afgedwongen door het instellen van een beroep wegens niet tijdig beslissen.\n\nHeeft eiser het relaas voldoende met documenten onderbouwd?\n\n6. Eiser betoogt dat de inhoud van het door hem overgelegde arrestatiebevel zijn verklaringen over de problemen met de Houthi’s ondersteunt. Volgens hem mag de minister het document niet terzijde schuiven enkel omdat het een kopie betreft, te meer nu in Jemen van gewapende groeperingen geen originele documenten kunnen worden verkregen.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser het arrestatiebevel alleen in kopie heeft overgelegd. Een kopie kan echter niet op echtheid worden onderzocht, zodat de minister daaraan terecht minder bewijswaarde heeft toegekend.Dat eiser een goede verklaring stelt te hebben waarom hij geen origineel kon overleggen, neemt dat niet weg. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielrelaas niet voldoende met documenten heeft onderbouwd (stap 2a van WI 2024\u002F6). Gelet hierop heeft de minister terecht beoordeeld of eiser, gelet op zijn verklaringen, het voordeel van de twijfel moet krijgen en het asielrelaas alsnog geloofwaardig is (stap 2b). In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.\n\n6.2.. Uit de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2025 volgt dat de minister bewijsmateriaal dat niet voldoende sterk is als onderbouwing van een asielmotief in stap 2a, ook betrekt bij de beoordeling of een betrokkene het voordeel van de twijfel moet krijgen, onder stap 2b. Dat blijkt, voor wat betreft kopieën van documenten, ook uit WI 2024\u002F6.De minister heeft in het verweerschrifterkend dat hij ten onrechte – naar de rechtbank begrijpt in het kader van stap 2b van WI 2024\u002F6 – niet inhoudelijk is ingegaan op het arrestatiebevel. Het betoog dat de minister het arrestatiebevel ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, slaagt daarom en het beroep is om die reden gegrond. Wat de gevolgen hiervan zijn, bespreekt de rechtbank onder 7.4.\n\nZijn de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel?\n\n7. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.Aan dat standpunt heeft hij in het besluit vier argumenten ten grondslag gelegd. In het verweerschrift heeft de minister het vierde argument – inhoudende dat eisers verklaringen over de tijdlijn niet aannemelijk zijn – niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal hierna de drie resterende argumenten bespreken aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.\n\nKan tegelijkertijd sprake zijn van een verdenking van spionage en een rekruteringspoging?7.1.. Eiser betoogt dat zijn verklaringen over de aandacht van de Houthi’s niet vreemd zijn. Volgens hem kunnen de Houthi’s hem enerzijds verdenken van spionage vanwege zijn langdurige verblijf in Saoedi-Arabië, terwijl zij hem anderzijds willen rekruteren. Eiser heeft toegelicht dat de Houthi’s ervan uitgaan dat personen die hun ideologie nog niet aanhangen, door middel van een verplichte integratiecursus kunnen worden geïndoctrineerd en overtuigd van hun ideologie.\n\n7.1.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum,het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet valt in te zien dat de Houthi’s eiser enerzijds als spion beschouwden vanwege zijn verblijf in Saoedi-Arabië en hem anderzijds wilden rekruteren. Daarbij is van belang dat eiser volgens zijn verklaringen een verrader is genoemd en verdacht is van steun aan Saoedi-Arabiëen is opgepakt, verhoord en mishandeld,maar een dag later is gerekruteerd.De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gang van zaken niet aannemelijk is. Het ligt immers niet voor de hand dat de Houthi’s een persoon zouden rekruteren die zij verdenken een spion te zijn. Dat zou immers grote risico’s voor de Houti’s kunnen opleveren. Dat eiser eerst een integratiecursus zou moeten volgen, neemt dat risico niet weg. De minister heeft deze tegenwerping daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.\n\nWas het aannemelijk dat eiser onbegeleid zijn oma mocht bezoeken?7.2.. Eiser betoogt dat het niet onaannemelijk is dat de Houthi’s hem toestemming hebben verleend, voordat hij zou beginnen met de herintegratiecursus, om afscheid te nemen van zijn oma, mede gelet op de bemiddeling en garantstelling door lokale gezagsdragers. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het in Jemen geldende referentiekader, waarin bemiddeling en garantstelling door familieleden en dorpsoudsten gebruikelijk zijn.7.2.1.. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemding wekt dat eiser, die door de Houthi’s werd beschouwd als spion, al na korte tijd in de gelegenheid is gesteld om onbegeleid of met beperkte controle zijn oma te bezoeken.Het ligt juist in de rede dat de Houthi’s, gelet op die verdenking en het vluchtgevaar, eiser in de gaten zouden willen houden, te meer nu hij eerder door hen was aangehouden, verhoord en mishandeld. Daarbij komt dat eiser geen overtuigende verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van een minder risicovolle optie, zoals het laten overkomen van zijn oma, die dichtbij woonde, naar de plaats van detentie. De enkele verwijzing naar de invloed van dorpsoudsten binnen de Jemenitische samenleving, welke stelling niet met objectieve landeninformatie is onderbouwd, doet aan het voorgaande niet af. Ook deze tegenwerping heeft de minister daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.\n\nIs het aannemelijk dat eiser de Houthi-controleposten heeft kunnen passeren?7.3.. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat hij tijdens zijn vlucht de Houthi-controleposten heeft kunnen passeren. Hij heeft in zijn zienswijze toegelicht dat meerdere routes naar de door hem gepasseerde grensovergang van Alwadia leiden en dat hij hoofdzakelijk door regeringsgebied heeft gereisd. Dit verklaart volgens hem ook de duur van de reis van circa twee dagen. De route is volgens eiser bovendien door een vriend van zijn oom geregeld, omdat hij zelf na veertien jaar afwezigheid niet bekend was met de situatie ter plaatse. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen (ambtsbericht) van april 2025en een kaart van het district Mawiyah, waaruit volgens hem blijkt dat niet alle routes door Houthi-gebied lopen.\n\n7.3.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij de Houthi-controleposten kon ontwijken. Daarbij is van belang dat de minister zijn tegenwerping grotendeels heeft gebaseerd op algemene informatie over controleposten in de omgeving van Taiz en veronderstellingen over de reisroute van eiser, terwijl die route tijdens het nader gehoor slechts beperkt is uitgevraagd. Weliswaar is eiser gevraagd via welke grensovergang hij Saoedi-Arabië is ingereisd, maar niet via welke route hij het door de Houthi’s gecontroleerde gebied heeft verlaten. Dat klemt temeer nu eiser heeft verklaard dat hij ten tijde van zijn vertrek in Mawiyah verbleef, ten oosten van Taiz en dichterbij regeringsgebied.Daarom valt niet in te zien waarom de minister ervan uitgaat dat eiser langs een zodanig aantal controleposten is gereisd dat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn. Het aangehaalde aantal controleposten langs de weg tussen Taiz en Aden is in dit verband ook niet relevant, omdat eiser, die uit Mawiyah vertrok en naar Saoedi-Arabië reisde, in ieder geval Jemen niet op deze wijze heeft verlaten.\n\nDaarbij komt dat eiser een concrete verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van controles. Zo heeft hij verklaard dat hij zich tijdens de reis verborgen hield in het voertuig.Ook heeft hij volgens zijn verklaringen gebruik gemaakt van de diensten van personen die tegen betaling reizigers begeleiden via routes waar zo veel mogelijk controleposten worden vermeden, dan wel die beschikken over contacten waardoor controles achterwege blijven.Dat eiser en een vriend van zijn oom, die hem heeft geholpen, volgens eisers verklaringen zelf van te voren geen plan bedachten om uit te reizen is daarmee niet in strijd, nu eiser kennelijk, ook gelet op de toelichting ter zitting, de keuze van de route aan deze personen heeft overgelaten. De minister is op deze verklaringen niet kenbaar ingegaan. Deze beroepsgrond slaagt. Ook om deze reden is het beroep gegrond.\n\nKan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?7.4.. Zoals hiervoor is overwogenis het beroep gegrond, omdat de minister in het besluit ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op het arrestatiebevel. Daarnaast is het beroep gegrond omdat de minister twee van de vier tegenwerpingen ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd: dat eisers verklaringen over de tijdlijn niet aannemelijk zijn heeft de minister zelf laten vallenin het verweerschrift en, zoals hiervoor is geoordeeld, de tegenwerping dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt hoe hij de Houthi-controleposten heeft kunnen ontwijken, is onvoldoende door de minister gemotiveerd. Dit betekent dat het besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit punt in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter, volgens dit arrest, een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichtenen niet behoeft terug te verwijzen als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden.Deze situatie is hier aan de orde en dat zal de rechtbank hierna toelichten.\n\n7.4.1.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat de minister het door eiser overgelegde arrestatiebevel in beroep alsnog inhoudelijk heeft beoordeeld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat aan dit document slechts beperkte bewijswaarde toekomt, gelet op de inhoud en de daarin ontbrekende of ongerijmde gegevens. Uit de vertaling van dit stukblijkt enkel dat eiser wordt gezocht wegens de weigering om zich te melden bij het hoofdkwartier van het Jemenitische Openbaar Ministerie. In dit document worden de door eiser gestelde gebeurtenissen zoals de aanhouding, de detentie en de training die eiser zou moeten volgen, niet genoemd. Daarnaast ontbreken, afgezien van de naam van eiser, nadere persoonsgegevens, zoals een geboortedatum. Ook is als woonplaats Taiz genoemd, terwijl eiser woonachtig was in Saoedi-Arabië en hij tijdelijk verbleef bij zijn oma in het dorp [naam dorp] (district Mawiyah), wat niet onder de plaats Taiz valt. De minister heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat het arrestatiebevel weinig bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde gebeurtenissen.\n\nVervolgens is van belang dat de tegenwerpingen die de rechtbank onder 7.1.1 en 7.2.1 heeft besproken wél in stand blijven. Deze tegenwerpingen raken naar het oordeel van de rechtbank de kern van het asielrelaas van eiser: ze zien op de aanleiding voor de gestelde aanhouding, de daaropvolgende behandeling door de Houthi’s en de wijze waarop eiser daaraan zou zijn ontkomen. De minister heeft dit op zitting ook bevestigd en toegelicht dat het wegvallen van de andere twee tegenwerpingen de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders zouden maken. De rechtbank volgt dit. Daarom bestaat aanleiding om in zoverre de rechtsgevolgen in stand te laten.\n\nLoopt eiser het risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer naar Taiz een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid van de minister en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nBeleid minister en relevante rechtspraak\n\n9. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024\u002F9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.\n\n9.1.. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraken was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit ambtsbericht.\n\n9.2.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025\u002F20 het landenbeleid gewijzigd. In dat beleid is, net als in WBV 2024\u002F9, voor de provincie Taiz aangenomen dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit beleid ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.\n\nIs de beoordeling in WBV 2025\u002F20 van de veiligheidssituatie volledig?\n\n10. Eiser betoogt dat de minister in WBV 2025\u002F20, dat volgens hem vrijwel ongewijzigd is ten opzichte van het voorheen voor Jemen geldende beleid, onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd welke humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Ook had de minister een diepgaander onderzoek moeten doen naar de algemene veiligheidssituatie in Taiz. Eiser wijst op meerdere uitspraken, waaronder uitspraken van zittingsplaats Rotterdam, Roermonden Den Haag.\n\n10.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals die luidde tot 12 juni 2026, in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:\n\n• of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\n• of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\n • of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\n • of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\n• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\n• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n10.2.. \n\nDe Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het toenmalige landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk had gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:\n\n (1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;\n\n (2) de recente confrontaties;\n\n(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en\n\n(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.\n\n10.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 10.1. genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten, de meer recente confrontaties in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van de strijdende partijen. De minister heeft in de bijlage 15c-beoordeling namelijk erkend dat de humanitaire situatie slecht is en dat Jemen gekenmerkt wordt door armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise. Ook is daarbij betrokken dat de Houthi’s op grote schaal langs de frontlijnen landmijnen hebben geplaatst in bewoonde gebieden en landbouwgebieden waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie, dat vooral de Houthi-beweging de toegang tot humanitaire hulp dwarsboomt waarbij zij de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp inzet als wapen in de strijd, dat de levering van humanitaire hulp bemoeilijkt werd doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden en humanitaire goederen het land hierdoor niet in konden komen en dat de niet-gouvernementele organisatie Assessment Capacities Project constateerde dat tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp zichtbaar was.Daarnaast is bij de toelichting per provincie op de humanitaire situatie ingegaan, waarbij ook specifiek Taiz is benoemd, en ook in de conclusie worden de humanitaire omstandigheden genoemd. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor zover zij in voldoende rechtstreeks verband staan met willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.Niet is gebleken dat de minister dit uitgangspunt onvoldoende in acht heeft genomen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak, waartegen hoger beroep is ingesteld, wordt ervan uitgegaan dat de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 niet bij de totstandkoming van het gewijzigde beleid zijn betrokken vanwege een oudere datum in de beslisnota. Die veronderstelling is onjuist: sprake is van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota.De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.\n\n10.4.. De minister hoefde de relevant te achten omstandigheden ook niet diepgaander in zijn beoordeling van de algemene situatie te betrekken. Uit het arrest CF en DN volgt dat bij die beoordeling alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name die welke de situatie in het land van herkomst kenmerken, globaal in aanmerking worden genomen.De term ‘globaal’ dient, mede gelet op de andere taalversies, aldus te worden verstaan dat de 15c-beoordeling allesomvattend moet zijn, in de zin dat alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken moeten worden. Het betekent niet dat de minister ieder relevant aspect afzonderlijk tot in detail in het beleid moet analyseren, net zoals het niet betekent dat de minister kan volstaan met een oppervlakkige beoordeling van de situatie in het land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze beoordelingsmaatstaf op een juiste wijze heeft toegepast. Uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’ volgt dat de veiligheidssituatie in Jemen en Taiz is beoordeeld aan de hand van relevante indicatoren en actuele landeninformatie en deze beoordeling is niet oppervlakkig van aard. Daarmee is voldaan aan de vereisten uit het arrest CF en DN. De minister kon daarom volstaan met deze beoordeling. Ook in zoverre slaagt de beroepsgrond niet.\n\nHad de minister een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?\n\n11. Eiser betoogt dat hij niet kan terugkeren naar Taiz. De minister had volgens eiser in WBV 2025\u002F20 moeten uitgaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld in de provincie Taiz. Dat onderbouwt eiser met een verwijzing naar hetzelfde ambtsbericht waarop WBV 2025\u002F20 is gebaseerd, notities van VluchtelingenWerk Nederland van 19 december 2925 en 5 januari 2026 en een groot aantal nieuwsberichten en artikelen die deels ook dateren van na de verslagperiode van het ambtsbericht van april 2025.\n\n11.1.. De minister heeft in WBV 2025\u002F20 aangenomen dat in de provincie Taiz sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld. Daarin verwijst de minister naar de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025. De minister heeft in die bijlage uit het ambtsbericht van april 2025 afgeleid dat sprake is van de middelste gradatie van willekeurig geweld, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking. In het verweerschrift heeft de minister nader toegelicht waarom in de provincie Taiz geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hoewel in Taiz sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. Het geweld is volgens de minister weliswaar aanhoudend en ernstig, maar beperkt zich in belangrijke mate tot confrontaties tussen de gewapende strijdkrachten langs bestaande frontlinies. Ook acht hij van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Taiz slecht is, maar hij acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met het geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet een uitzonderlijk, niveau van willekeurig geweld.\n\n11.2.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat uit de ambtsberichten van september 2023en april 2025volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen zich sinds het bestand van 2022 en het daaropvolgende de facto bestand kenmerkt door een structurele afname van grootschalige militaire escalaties. Waar voorheen sprake was van wijdverspreide gevechten en regelmatige luchtaanvallen, is sindsdien een meer stabiele, zij het fragiele, situatie ontstaan met vooral lokale en langs frontlinies geconcentreerde soms oplaaiende vijandelijkheden.Gegevens van Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED) laten zien dat de geregistreerde incidenten, gecodeerd als ‘gevechten’ en ‘explosies en geweld op afstand’, en het aantal dodelijke slachtoffers daarbij, sinds 2022 gestaag daalden. Uit deze gegevens blijkt wel dat tegenover de daling van de vijandelijkheden aan de bestandslijnen een stijging van het aantal incidenten van geweld tegen burgers stond, hoewel aantallen geregistreerde dodelijke slachtoffers daarbij niet stegen. De twee grootste veroorzakers van burgerslachtoffers waren landmijnen en explosieve oorlogsresten door de toenemende bewegingsvrijheiden willekeurige aanvallen op burgerdoelen (door de Houthi’s met drones of luchtaanvallen door de internationale coalitieen Israël). Het Civilian Impact Monitoring Project (CIMP) registreerde in 2023 de laagste aantallen burgerslachtoffers in Jemen sinds jaren en in 2024 daalde dat aantal verder.Al het voorgaande wijst op een afgenomen intensiteit van het conflict op nationaal niveau.\n\nVoor de provincie Taiz, dat een inwonertal van circa 3.516.000 heeft, blijkt uit deze ambtsberichten dat het geweld zich concentreert langs langdurige frontlinies tussen Houthi-troepen en anti-Houthi-coalities, waarbij de controle over gebieden sterk is verdeeld. Hoewel Taiz nog steeds een van de provincies is met de meeste gewelddadige incidenten, blijkt uit de ambtsberichten dat het geweld zich vooral concentreert langs vaste bestandslijnen en niet het gehele grondgebied in gelijke mate treft. De recente gegevens laten bovendien zien dat het aantal burgerslachtoffers in Taiz in 2023 en 2024 is gedaald (naar 222 en 189), wat door de minister terecht is betrokken als indicatie dat de intensiteit van het geweld niet het niveau bereikt dat vereist is voor de meest uitzonderlijke situatie.\n\nDe minister heeft er in het verweerschrift daarnaast terecht op gewezen dat de meest recente ontwikkelingen in 2025 en begin 2026 weliswaar wijzen op fluctuaties in de veiligheidssituatie, maar dat deze ontwikkelingen niet hebben geleid tot een structurele verslechtering of tot grootschalige nieuwe escalaties in de provincie Taiz zelf. De situatie blijft volgens de minister gekenmerkt door lokale confrontaties en wisselende frontactiviteit, zonder dat dit leidt tot een fundamenteel ander geweldsniveau.\n\nTaiz is één van de provincies waar de meeste landmijnen liggen. Deze liggen vooral in gebieden rondom frontlinies. Deze vormen een blijvend veiligheidsrisico voor de burgerbevolking, maar uit de landeninformatie volgt ook dat ruimingsactiviteiten worden uitgevoerden dat achtergebleven mijnen vooral plaatselijk, namelijk langs voormalige frontlijnen, slachtoffers veroorzaakten.Dit maakt duidelijk dat het gevaar reëel is, maar niet zodanig diffuus en alomtegenwoordig dat iedere burger alleen al door aanwezigheid een reëel risico loopt.\n\nVoorts volgt uit de ambtsberichten dat Taiz behoort tot de provincies met een groot aantal ontheemden, circa 490.000 personen.De ontheemdenproblematiek hangt nauw samen met het conflict en de verslechterende leefomstandigheden. Het aantal nieuwe ontheemden in Jemen is in 2024 echter wel gedaald ten opzichte van voorgaande jaren.\n\nDe humanitaire omstandigheden in Jemen zijn slecht. Uit de landeninformatie volgt dat miljoenen Jemenieten afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de voedselonzekerheid in zowel regeringsgebied als Houthi-gebied is toegenomen. Deze humanitaire situatie is mede een gevolg van het handelen van strijdende partijen, in het bijzonder de Houthi’s, door aanvallen op landbouwgronden, waterinfrastructuur en andere voorzieningen die essentieel zijn voor de voedselvoorziening. Daarnaast hebben de Houthi’s op grote schaal landmijnen geplaatst in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie, en de toegang tot humanitaire hulp, waaronder voedseldistributie, werd beperkt. Hierdoor kwam de toegang van de bevolking tot voedsel en water verder onder druk te staan.In delen van het land, waaronder een district in Taiz, is sprake geweest van hongersnood, hoewel tegelijkertijd Taiz niet wordt genoemd in de opsomming van provincies met de hoogste voedselonzekerheid.Daar komt bij dat overstromingen, aardverschuivingen en extreme weersomstandigheden aanzienlijke schade hebben toegebracht aan infrastructuur, landbouwgronden en watervoorzieningen, waardoor de toch al kwetsbare leefomstandigheden van de bevolking verder zijn verslechterd.Hoewel de humanitaire situatie zorgelijk is, hebben die niet de door eiser bedoelde betekenis. Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend voor de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.Daarnaast heeft de slechte humanitaire situatie deels ook andere oorzaken die niet in een voldoende rechtstreeks verband staan met het willekeurig geweld in Taiz.\n\n11.3.. Alles in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, het geconcentreerde karakter van de gevechten langs bestandslijnen, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de lokale aanwezigheid van mijnen en opruimingsactiviteiten, de omvangrijke ontheemdenstromen en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – biedt de landeninformatie onvoldoende grond voor het oordeel dat in de provincie Taiz sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zich deels beroept op dezelfde landeninformatie als die aan het gewijzigde beleid ten grondslag ligt. Uit het voorgaande volgt al dat de minister in die informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om voor Taiz uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Voor zover eiser heeft gewezen op meer recente informatie, leidt dit niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt daarbij allereerst op dat eiser heeft verwezen naar omvangrijke producties, zonder concreet te duiden op welke passages hij zich beroept. Uit de overgelegde stukken blijkt verder hoofdzakelijk van de aanvallen van de Houthi’s op internationale scheepvaart in de Rode Zee en de daaropvolgende luchtaanvallen van de Verenigde Staten op doelen in Houthi-gebied, van spanningen in Zuid-Jemen en van Israëlische aanvallen op doelen in Sanaa. Deze ontwikkelingen hebben echter geen of slechts een beperkte relatie met de veiligheidssituatie in Taiz. Ook uit de door eiser overgelegde notities van VluchtelingenWerk Nederland volgt niet dat de veiligheidssituatie in Taiz wezenlijk is verslechterd ten opzichte van het beeld dat uit het ambtsbericht van april 2025 naar voren komt. Hoewel uit die notitie blijkt dat zich in 2025 nog steeds geweldsincidenten, aanvallen op burgers en gevechten langs de frontlinies hebben voorgedaan, bevestigt deze informatie het beeld van een militaire patstelling met periodieke escalaties. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister in zijn beleid niet mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincie Taiz, zonder dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\nLoopt eiser een verhoogd risico het slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n12. Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n12.1.. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat juist hij een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hij heeft erop gewezen dat eiser zelf tijdens zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij geen verhoogd risico loopt.Tegen dit standpunt heeft eiser niets aangevoerd in beroep. Eiser heeft wel in beroep genoemd dat hij in Taiz geen woning, werk en netwerk heeft. Eiser heeft echter eerder verklaard dat zijn familieleden en zijn vrouw in de provincie Taiz verblijven en is tijdens zijn eerdere verblijf in Jemen ook door familieleden geholpen. Los hiervan zijn deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om aan te nemen dat eiser op grond daarvan een verhoogd risico loopt in Taiz het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSlaagt het beroep op het arrest Sufi en Elmi?\n\n13. Eiser betoogt dat uit de door hem overgelegde landeninformatie blijkt dat de humanitaire situatie in Jemen zodanig ernstig is dat hij bij terugkeer niet in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Daarom heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi.\n\n13.1.. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van een situatie waarin de algemene humanitaire omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Wanneer sprake is van humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van doelbewust handelen of nalaten van partijen bij een conflict, zoals hier, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’).\n\n13.2.. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het risico loopt dat hij niet zal kunnen voorzien in zijn basisbehoeften. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser kan terugvallen op familieleden in Jemen, waaronder zijn vrouw, schoonouders en oom, die zich daar staande kunnen houden.De situatie van eiser is dus niet vergelijkbaar met de situatie van de twee Somalische vreemdelingen uit het arrest Sufi en Elmi die geen familie hadden naar wie ze konden terugkeren en die in vluchtelingenkampen terecht zouden komen waar de slechte humanitaire omstandigheden tot een schending van artikel 3 van het EVRM zouden leiden. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten aanwezig dat eiser in Jemen geen toegang zal hebben tot basisvoorzieningen als onderdak, voedsel of medische zorg. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser eerder in staat was om in Jemen te studeren, wat het doel was van zijn reis naar Taiz.De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nLoopt eiser een reëel risico op ernstige schade wegens verblijf in het Westen?\n\n14. Eiser betoogt dat de minister zijn langdurige verblijf in Nederland van anderhalf jaar had moeten betrekken in de beoordeling of eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hij verwijst daartoe naar informatie van een onderzoeker aan het Sanaa Center for Strategic Studies. Daaruit volgt dat elke Jemeniet die banden heeft met het Westen ervan beschuldigd kan worden een verrader te zijn in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden.\n\n14.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de informatie, die dateert van juli 2024, betrekking heeft op een persoon die werkzaam was voor de Nederlandse ambassade en juist vanwege die werkzaamheden problemen heeft ondervonden. Niet is gebleken dat dit een vanuit het Westen teruggekeerde Jemeniet betrof, dat eiser vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht of zich in vergelijkbare omstandigheden bevindt, zodat hieruit niet volgt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat het motiveringsgebrek in beroep is hersteld. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.\n\n15.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 16 februari 2026;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay – Cenik, voorzitter, en mr. G.W.B. Heijmans en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:136.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.\n\n Rb. Den Haag 12 november 2025, NL25.41617 (niet gepubliceerd).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, onder 7.1.3.\n\n P. 5.\n\n P. 3.\n\n Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 9.\n\n Nader gehoor, p. 8.\n\n Nader gehoor, p. 11.\n\n P. 58.\n\n [website 1] .\n\n Aanmeldgehoor, p. 10.\n\n Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor, p. 2.\n\n Onder 6.2.\n\n Zie onder 7.\n\n Onder 7.3.1.\n\n Punt 45.\n\n Punt 49 en 50.\n\n Nader gehoor, p. 4.\n\n Zie WBV 2016\u002F18 en (laatstelijk) WBV 2022\u002F26.\n\n Stcrt. 2024, nr. 13067.\n\n HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920.\n\n 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.\n\n Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.\n\n P. 2 en 4 tot en met 6.\n\n P. 2, 5 en 8.\n\n P. 8 tot en met 10.\n\n P. 2 en 3.\n\n Bijlage 15c-beoordeling: p. 1,3,4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.\n\n P. 1 en 2.\n\n P. 4 en 5.\n\n Rb Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.\n\n Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:9143, onder 20.\n\n HvJ EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, onder 40 en 45. Zie ook ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2, ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, onder 5.4 en 6.1 en ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 7.\n\n Volgens de Engelse versie moet de minister een ‘comprehensive appraisal of all the relevant\n\ncircumstances’ maken. De Franse versie hanteert de formulering ‘une prise en compte globale de toutes les circonstances’ en de Duitse versie spreekt over ‘eine umfassende Berücksichtigung aller Umstände des Einzelfalls’.\n\n P. 7, 17 en 20.\n\n P. 17.\n\n Ambtsbericht 2023, p. 22. Ambtsbericht 2025, p. 17 en 18.\n\n ACLED is een niet-gouvernementele organisatie die zich heeft gespecialiseerd in het verzamelen, analyseren en in kaart brengen van conflictgegevens. ACLED registreert alleen dodelijke slachtoffers, en maakt geen onderscheid tussen burgers en combattanten.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 17-19.\n\n Deze slachtoffers vielen hoofdzakelijk in de provincie Al Hudayda aan de westkust van Jemen.\n\n In reactie op de Houthi-aanvallen in de Rode Zee lanceerden de Verenigde Staten in\n\ndecember 2023 Operation Prosperity Guardian, een internationale coalitie van meer\n\ndan twintig landen met een (defensief) mandaat om de scheepvaart in de Rode Zee\n\nen Golf van Aden te beschermen.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 20 en 21.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 20 en 59.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 60.\n\n [website 2] .\n\n Ambtsbericht 2025, p. 20.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 100.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 14.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 13.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 15 en 16.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.\n\n Punt 42 van het arrest.\n\n Nader gehoor, p. 17.\n\n EHRM (Sufi en Elmi) 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Punt 279.\n\n Nader gehoor, p. 18.\n\n Nader gehoor, p. 7.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17061","ecli-nl-rbdha-2026-17061",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]