ECLI:NL:RBDHA:2026:17298
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/705130 / JE RK 26-831
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. C.M. Emeis uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.. Bij beschikking van 13 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;
de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 mei 2026.
1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met haar advocaat;
[naam 1] namens de Raad;
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
een pedagogisch medewerker vanuit [zorginstelling] is door de kinderrechter aangemerkt als informant.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van haar advocaat en de pedagogisch medewerker - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
2.1..
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .
2.2.. Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 13 mei 2026.
3. Het verzoek
3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Sinds november 2025 onttrekt zij zich structureel aan toezicht vanuit haar ouders, school, hulpverlening en verblijfslocaties en laat zij zich onvoldoende begrenzen. [minderjarige] liep herhaaldelijk langdurig weg en geeft geen openheid over waar zij verbleef of met wie zij was. [minderjarige] is door de politie aangetroffen met een mes op zak. Er is een reëel risico dat [minderjarige] wordt beïnvloed, ingezet of uitgebuit door anderen. Zij is betrapt bij winkeldiefstallen en brandstichting en heeft zelf aangegeven drugs te hebben gedeald. [minderjarige] gaat al langere tijd niet naar school, onder meer doordat zij niet meer welkom is na meerdere dreigincidenten. Zij heeft geen passende dagbesteding en geen stabiel dag- en nachtritme. Er zijn zorgen over het eetgedrag, zelfbeeld, de emotieregulatie en het probleeminzicht van [minderjarige] . [minderjarige] doet suïcidale uitspraken en heeft aangegeven thuis mishandeld te worden, wat de vader en de moeder ontkennen. De moeder lijkt handelingsverlegen en onvoldoende in staat te zijn om [minderjarige] te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. Binnen het vrijwillig kader is er veel hulpverlening ingezet. Eerdere plaatsingen binnen het open kader hebben onvoldoende veiligheid geboden, omdat [minderjarige] daar weg is gelopen. Een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp is noodzakelijk om [minderjarige] in een veilige en beschermde setting tot rust te laten komen en te stabiliseren. Daarnaast moet onderzocht worden waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt en welke hulpverlening passend is zodat er toegewerkt kan worden naar een open setting. Het is belangrijk dat [minderjarige] open is over wat zij heeft meegemaakt en hulpverlening aanvaardt. Daarna kan er mogelijk gewerkt worden aan de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders.
4. De standpunten
4.1.. Door en namens [minderjarige] is ingestemd met de voorlopige ondertoezichtstelling. Zij vindt het goed dat er een jeugdbeschermer uitzoekt welke hulp zij nodig heeft en wat er ingezet kan worden. Namens [minderjarige] heeft de advocaat zich met betrekking tot de gesloten machtiging gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. [minderjarige] wil niet thuis wonen, maar begrijpt niet waarom zij gelijk gesloten geplaatst moet worden. Het gaat goed met haar en [minderjarige] gaat op [zorginstelling] elke dag naar school. Zij wil naar een open plek die goed bij haar past en [minderjarige] zal hier elke dag naar school gaan. [minderjarige] liep weg, omdat zij overdag niet naar school kon en thuis probleem had met haar ouders. [minderjarige] denkt dat een gesloten plaatsing averechts werkt, omdat zij geïrriteerd wordt als zij te weinig naar buiten kan om haar energie kwijt te raken. De advocaat heeft aangevuld dat als aan [minderjarige] te veel regels worden opgelegd en haar vrijheid te veel wordt beperkt, dit escalerend werkt.
5. De beoordeling
5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.. Er zijn zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Zo zijn er zorgen over haar wegloopgedrag, het netwerk van [minderjarige] en de risicovolle situaties waarin zij terecht komt. Daarnaast heeft [minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over suïcide en wat zij heeft meegemaakt in de thuissituatie. Het is noodzakelijk dat er nader onderzocht wat er in de thuissituatie van [minderjarige] en tijdens de periodes dat zij weg is gelopen is gebeurd. Daarnaast is het noodzakelijk dat er met [minderjarige] wordt gesproken over waar haar gedrag vandaan komt en welke hulpverlening passend voor haar kan zijn. Het is positief dat [minderjarige] heeft aangegeven hulpverlening te willen en dagelijks weer naar school zou willen gaan. Het is noodzakelijk dat er de komende periode een jeugdbeschermer betrokken is die een band met [minderjarige] op kan bouwen, goed naar haar kan luisteren, en onderzoekt welke hulpverlening passend is.
5.3.. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
5.4.. De vader en de moeder van [minderjarige] zijn momenteel niet in staat om haar te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. In het vrijwillig kader heeft [minderjarige] meermaals op open groepen verbleven, maar is zij hier steeds weggelopen. Er zijn grote zorgen over waar en met wie [minderjarige] dan is en in welke onveilige situaties zij zich begeeft. Hoewel [minderjarige] zelf aangeeft dat zij er altijd voor zorgt dat zij niet in onveilige situaties terecht komt, overziet zij de risico’s onvoldoende. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] binnen het gesloten kader veilig is en kan stabiliseren. Het is belangrijk dat zij hier passende ondersteuning, begeleiding en dagbesteding heeft. Het van belang dat [minderjarige] open is naar de jeugdbeschermer en de hulpverleners en dat zij laat zien dat zij zich aan de regels van de groep kan houden. [minderjarige] kan dan verdere vrijheden opbouwen en laten zien dat zij met verantwoordelijkheid om kan gaan zodat er toegewerkt kan worden naar een passende vervolgplek,
5.5.. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 13 augustus 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 augustus 2026.5.6.. De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026;
6.2.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.