Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17355

Instanță

Den Haag

Data

26 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht; Materieel strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Strafrecht; Materieel strafrechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/307278-25 en 96/210973-21 (tul)

Datum uitspraak: 26 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 februari 2026 (pro forma) en 12 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Vingerling naar voren is gebracht. Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. R.G. van der Laan namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 hij op of omstreeks 14 november 2025 te Den haag, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met het volle gewicht op de borst en/of buik te gaan staan, - de nek vast te pakken en/of de keel dicht te knijpen, - met de vuist meermaals tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of - met een (honkbal)knuppel met kracht tegen het lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 november 2025 te Den haag, [aangeefster] heeft mishandeld, door - met het volle gewicht op de borst en/of buik te gaan staan, - de nek vast te pakken en/of de keel dicht te knijpen, - met de vuist meermaals tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of - met een (honkbal)knuppel met kracht tegen het lichaam te slaan.

2 hij op of omstreeks 14 november 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "Laat me met rust kankerwijf, ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 hij op of omstreeks 5 april 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] (meermlen) tegen het lichaam, te slaan en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te snijden/steken en/of aan de haren te trekken.

3. De bewijsbeslissing

3.1.. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair onder 1 tenlastegelegde, met dien verstande dat hij het op de borst/buik staan en het dichtknijpen van de keel niet bewezen acht.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, met dien verstande dat niet precies kan worden vastgesteld met welke woorden de verdachte de aangeefster heeft bedreigd.

Ten slotte heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat het steken met ‘althans een scherp en/of puntig voorwerp’ niet kan worden bewezen.

3.2.. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de primair onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bepleit. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot het slaan en het aan de haren trekken gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich met betrekking tot de handelingen met een mes dan wel een scherp of puntig voorwerp op het standpunt gesteld dat deze niet kunnen worden bewezen.

3.3.. Vrijspraak

3.3.1.. Ten aanzien van het primair onder 1 tenlastegelegde

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting constateert de rechtbank dat de verdachte de aangeefster meermaals met een vuist heeft geslagen op haar hoofd. Evenwel kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte de overige aan hem ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd.

Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te komen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.

3.3.2.. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank stelt vast dat er behoudens de verklaring van de aangeefster, geen andere wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn die de verbale bedreiging van de aangeefster op 14 november 2025 ondersteunen.

Gelet hierop kan het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen en zal de rechtbank de verdachte hiervan vrijspreken.

3.3.3.. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Duidelijk is dat de politie op 5 april 2025 in de woning is geweest waar de verdachte en de aangeefster zich destijds bevonden, maar dat toen geen letsel bij de aangeefster is gezien door de politie. De getuige [getuige] heeft eerst bij de politie en later bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wel fors letsel bij de aangeefster had waargenomen na afloop van het incident. Bij zijn verhoor bij de politie geeft [getuige] echter te kennen dat gecorrigeerd moet worden dat sprake was van snijletsel.

De rechtbank ziet hierin een onverklaarbare tegenstrijdigheid. Daar komt bij dat [getuige] op een wezenlijk onderdeel – al dan geen snijletsel – wisselend heeft verklaard.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er weliswaar aanknopingspunten zijn voor een mishandeling, maar dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een dergelijk feit op 5 april 2025 heeft begaan. De rechtbank is dan ook met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, waardoor zij de verdachte ook hiervan zal vrijspreken.

3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025386867, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 95).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 11-12):

Pleegdatum: 14 november 2025

Ik heb al drie jaar een relatie met mijn vriend [verdachte] . Hij woont aan de [adres] .

Rond 08:30 uur ben ik zelfstandig naar hem toe gefietst.

Ik heb aangeklopt en hij deed vervolgens open.

Ik wist dat hij mij ging slaan doordat hij dit vaker deed en precies op dezelfde manier. Daarom hield ik mijn ogen dicht. Hierdoor voelde ik dat hij met zijn rechtervuist tegen mijn hoofd. Het letsel is te zien aan de linkerzijde van het hoofd, specifiek mijn linkeroog sloeg. Door de schik deed ik mijn ogen open en hierdoor kan ik mij ook niet herinneren hoe vaak er is geslagen. Hij sloeg telkens.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 25):

Op 14 november 2025 was ik, verbalisant, samen met

collega belast met noodhulp surveillance. Door het Operationeel

Centrum Den Haag werden wij gestuurd naar de [adres] .

Ter plaatse zag ik een vrouw buiten de woning staan. Ik zag direct dat haar linkeroog dik en opgezwollen was.

Ik hoorde haar zeggen dat haar vriend nog in de woning zat op de [adres] .

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 november 2025, voor zover inhoudende (p. 34):

Ik was belast met een onderdeel in het opsporingsonderzoek van de mishandeling van aangeefster [aangeefster] die had plaatsgevonden op 14 november 2025.

Op 15 november 2025 kwam aangeefster [aangeefster] aan de balie van bureau de Jan Hendrikstraat.

Ik zag toen aangeefster [aangeefster] opstond en mijn richting op liep dat er rondom haar oog een blauw, rood en geel kleurige bloeduitstorting zat. Ik zag dat haar oog ook wat opgezwollen was.

4. Het proces verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 56):

Op 14 november 2025 werd door mij op de locatie [adres]

, aangehouden als verdachte:

Voornamen: [voornaam]

Achternaam: [achternaam]

Geboortedatum: [geboortedatum 1] 1996

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Ter plaatse zag ik dat melder een verwonding had op haar hoofd.

3.5.. De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 14 november 2025 te Den Haag, [aangeefster] heeft mishandeld, door met de vuist meermaals tegen het hoofd te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1.. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met de aangeefster.

6.2.. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen gevangenisstraf van langere duur dient te worden opgelegd dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3.. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner door met zijn vuist meermaals tegen haar hoofd te slaan. Hierbij ging het naar het oordeel van de rechtbank om fors huiselijk geweld, hetgeen bij het slachtoffer heeft geresulteerd in fysiek letsel en angstgevoelens. De verdachte heeft met zijn handelen een onveilige situatie geschapen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2018 is veroordeeld voor mishandeling.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en substantiële zorgen op diverse leefgebieden. Hoewel het recidiverisico volgens de reclassering niet goed kan worden ingeschat, adviseert zij – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en ter bescherming van het slachtoffer – aan de verdachte een meldplicht, ambulante behandeling, een voorwaarde met betrekking tot beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met het slachtoffer op te leggen.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte zich op het moment dat hij het bewezen verklaarde feit beging in een kwetsbare periode in zijn leven bevond door ernstige problemen binnen zijn familie en dat er aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik.

Strafoplegging

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, groot 21 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten mevrouw [aangeefster] .

Uit het dossier volgt dat de aangeefster en de verdachte relatieproblemen hadden en de verdachte – zelfs nadat aan hem een contactverbod was opgelegd als schorsingsvoorwaarde – wederom contact heeft gehad met de aangeefster. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

7.1. De vordering van de benadeelde partij

Mevrouw [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.

7.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd, maar heeft zich ten aanzien van het bedrag waarmee dat dient te gebeuren gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen gebruikelijk is bij een eenvoudige mishandeling als uitgangspunt moet worden genomen bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij.

7.4. Het oordeel van de rechtbank

7.4.1.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering en namens de verdachte ter betwisting daarvan is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000, volledig bestaand uit immateriële schade. Verder zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

7.4.2.. Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7.4.3.. Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 22 januari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 96/210973-21 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 20 november 2023 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.2.. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

8.3.. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsman vast dat de zaak waaruit de vordering tot tenuitvoerlegging is voortgevloeid, een geheel andersoortig feitencomplex betreft dan in de onderhavige zaak aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primaironder 1, onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiaironder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 21 (EENENTWINTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgesteldeproeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179, 254 AH Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een PsyQ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde diagnostiek te laten plaatsvinden en zich te laten behandelen voor traumaverwerking, emotieregulatie. Daarnaast zal de behandeling zich richten op delictanalyse en -preventie. De zorgverlener bepaalt in samenspraak met de reclassering de wijze van behandeling;

  • gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

  • gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met mevrouw [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1995, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

dadelijke uitvoerbaarheid

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.000 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan mevrouw [aangeefster] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van mevrouw [aangeefster] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf

wijst af de (schriftelijke) vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96/210973-21.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. S. Pereth, rechter,

mr. L. Anemaet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.

Mai Multe Decizii