Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17366

Instanță

Den Haag

Data

26 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; OmgevingsrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/1234
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college

(gemachtigde: mr. T. Janssens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.

2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.

2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.

2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Voorgeschiedenis

3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.

3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.

3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26/1237).

Omvang van het verzoek

4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.

4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.

Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.

5.1. De weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.

Voor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.

5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.

Conclusie en gevolgen

6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RVS:2025:5796

Mai Multe Decizii