Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17439

Instanță

Den Haag

Data

28 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-8765

Zaaknummer: C/09/694899

Datum beschikking: 28 mei 2026Gezag

Beschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een brief aan de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.

Op 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de moeder met haar advocaat;

de vader;

mevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2019.

  • Zij zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats];

  • Partijen zijn ook de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats],

  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats],

  • De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

  • Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 13 maart 2019 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2020 zijn [jongmeerderjarige], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 11 november 2020 tot 11 november 2021. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2022 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 11 november 2023.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2022 is – voor zover van toepassing – het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afgewezen en is ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd voor de periode van 11 november 2023 tot 11 november 2024. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 november 2025.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt te bepalen dat haar voortaan alleen het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige kinderen van partijen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft op de zitting heeft gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag

Wettelijk kader

Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Ontvankelijkheid

Het is de rechtbank gebleken dat er al een tijd geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor [minderjarige 2] is dat het geval sinds begin 2024 en voor [minderjarige 1] is dat al langer het geval, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De communicatie tussen partijen is, ondanks de ondertoezichtstelling, onverminderd slecht en er is al geruime tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. Hierin valt volgens de moeder op korte termijn geen verbetering te verwachten. [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] hebben al jarenlang geen contact met de vader. Het is de jeugdbeschermer niet gelukt om contact tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand te brengen. [minderjarige 2] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven geen contact meer te willen met de vader. Volgens de moeder heeft de vader aan de jeugdbeschermer laten weten dat hij geen contact meer wenst met de moeder en de jeugdbeschermer en ook niet mee wil werken aan eventuele hulpverlening. Ook heeft hij aangegeven geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit brengt voor de moeder onherroepelijk problemen met zich mee voor te nemen gezagsbeslissingen, zoals een schoolkeuze of de aanvraag van reisdocumenten. Handhaving van het gezamenlijk gezag betekent hierdoor dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen. Daarom is wijziging van het gezag noodzakelijk, zodat de moeder gezagsbeslissingen voortaan alleen kan nemen.

De vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij heeft bevestigd dat hij heeft gezegd geen contact meer te willen met de hulpverlening en geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit komt door hoe het de afgelopen jaren is gegaan. De moeder heeft de zorgregeling eenzijdig stopgezet. Er is hem niet eerder om toestemming voor gezagsbeslissingen gevraagd. De vader heeft van [minderjarige 1] begrepen dat voor organisaties verzwegen is dat hij de gezaghebbende vader is, waardoor hem niet om toestemming is gevraagd. Volgens de vader komen de kinderen klem te zitten als hij contact heeft met de moeder. Dat gaat altijd lelijk en daar heeft hij geen zin meer in en wil hij de kinderen niet aandoen. De vader wil het gezag wel uit blijven oefenen, maar contact hebben met de moeder gaat niet. In deze situatie acht de vader het beter als de moeder alles zelf gaat doen. De deur voor de kinderen blijft altijd open, maar voor de moeder is deze dicht.

De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader mee heeft gewerkt aan het eerder uitgevoerde Raadsonderzoek voor [minderjarige 1]. De vader heeft overal toestemming voor gegeven en was betrokken. De Raad wilde dan ook graag de zitting afwachten om te horen hoe de vader denkt over het gezag. De Raad vindt het knap wat de vader zegt in het belang van de kinderen. De Raad acht het wel van belang dat de moeder de vader blijft informeren.

De rechtbank overweegt dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er is geen communicatie tussen hen. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij moegestreden is. Hij wil op geen enkele manier contact met de moeder en heeft haar overal geblokkeerd. Hij wil niet betrokken worden in het leven van de kinderen, omdat hij dan contact moet hebben met de moeder en dat wil hij niet in het belang van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken de minimale basis voor gezamenlijk ouderlijk gezag ontbreekt. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de moeder alleen met het gezag wordt belast, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats];

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.

Mai Multe Decizii