Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17468

Instanță

Den Haag

Data

28 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/704951 / JE RK 26-804

Datum uitspraak: 28 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

[de pleegoma],

hierna te noemen: de pleegoma,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1. Het verloop van de procedure

1.1..

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal;

  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

  • de pleegoma.

1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

2.1.. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2..
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3. Het verzoek

3.1.. De gecertificeerde instelling verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft bij haar pleegoma en haar twee zusjes verblijven in een gezinshuis. [minderjarige] heeft al langer de wens om bij haar zusjes te wonen. De afgelopen periode is met alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma als de jeugdbeschermer, besloten dat dit ook in het belang is van [minderjarige] . Voor de gecertificeerde instelling weegt het belang van family life en de situatie dat de zussen samen kunnen opgroeien zwaar. Dit is essentieel voor de identiteitsontwikkeling van een kind, het gevoel van verbondenheid en emotionele stabiliteit. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat zij zich eenzaam voelt bij pleegoma. De gezinshuisouders (en de betrokken gedragswetenschapper) hebben realistisch zicht op de risico’s die de overplaatsing met zich meebrengt. Dit risico ligt met name in de verzorgende rol die [minderjarige] op zich kan nemen ten opzichte van haar zusjes – zij heeft eerder parentificatie laten zien – en de verandering in de gezinsdynamiek in het gezinshuis. Het is daarom belangrijk dat de overplaatsing plaatsvindt met een duidelijke opbouw, met intensieve begeleiding en duidelijk afspraken over de rollen, grenzen en verwachtingen. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat de afgelopen periode de opbouw boven verwachting goed is verlopen. Verder is het van belang dat de pleegoma, nu zij een belangrijk hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , een structurele rol blijft behouden in het leven van [minderjarige] door vaste contactmomenten en logeerweekenden.

4. De standpunten

4.1.. De vader kan instemmen met de wijziging van het verblijf. Hij vindt het heel fijn dat de drie kinderen samen gaan verblijven in één huis.

4.2.. De pleegoma heeft naar voren gebracht dat zij kan instemmen met het verzoek. Het belangrijkste voor de pleegoma is dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij op de plek is, waar zij het allerliefste is. De afgelopen periode heeft [minderjarige] al veel in het gezinshuis verbleven en op dit moment is er ongeveer een 50/50 verdeling tussen het gezinshuis en de pleegoma. Als [minderjarige] in het gezinshuis verblijft, zal zij wel nog één keer in de drie weken een weekend naar de pleegoma toe gaan, als de gezinshuisouders hun ‘vrije weekend’ hebben. Daarnaast is [minderjarige] altijd welkom om langs te komen.

5. De beoordeling

5.1.. De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegoma wordt opgevoed en verzorgd, waardoor er op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek toestemming van de kinderrechter vereist is om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen.

5.2.. Uit de toelichting op het verzoek en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat het de bedoeling is dat [minderjarige] niet langer bij de pleegoma zal wonen, maar in het gezinshuis, waar ook haar twee zusjes wonen, zal gaan verblijven. Hoewel dit niet met zoveel woorden door de gecertificeerde instelling is verzocht, zal de kinderrechter, nu er sprake is van een andere categorie machtiging, het verzoek zo opvatten dat tegelijkertijd wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening.

5.3.. De kinderrechter zal toestemming geven voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en zal in het verlengde daarvan een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een gezinsgerichte voorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.4..
[minderjarige] heeft tegen zowel de pleegoma als de jeugdbeschermer de wens geuit dat zij graag bij haar zusjes wil wonen en opgroeien. Dit heeft zij ook aan de kinderrechter verteld. Uit de stukken volgt dat de pleegoma ziet dat [minderjarige] zich eenzaam voelt en moeite heeft met aansluiting bij haar leeftijdsgenoten. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] haar ontwikkeling is dat zij in het gezinshuis gaat verblijven. De zusjes hebben bij een uithuisplaatsing recht op family life en dienen in principe samen geplaatst te worden, tenzij er sterke contra-indicaties zijn voor het samen plaatsen van de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat deze contra-indicaties bij [minderjarige] niet aan de orde zijn. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van mening dat de overplaatsing kan bijdragen aan de identiteits- en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast hebben alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma en de gecertificeerde instelling dezelfde (positieve) visie over de overplaatsing en erkennen zij ook de risico’s die dit met zich meebrengt. Het is goed om te horen dat de gefaseerde opbouw naar het gezinshuis tot nu toe positief (en zelfs boven verwachting) verloopt. De kinderrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat alle betrokken partijen steeds zorgvuldig blijven monitoren wat er nodig is voor [minderjarige] , of haar zusjes, om de plaatsing in goede banen te leiden. Daarbij is het ook zeer helpend dat het contact tussen de gezinshuisouders en de pleegoma goed is en er korte lijntjes zijn tussen hen. Verder heeft de overplaatsing geen dusdanige invloed op het contact tussen [minderjarige] en de vader en heeft de vader uitdrukkelijk aangegeven achter het samen plaatsen van de kinderen te staan. Ter zitting heeft de kinderrechter de vader nog wel op het hart gedrukt dat het ontzettend belangrijk is – zoals zij ook in de vorige beschikking heeft opgeschreven – dat hij de bezoekafspraken met [minderjarige] nakomt. [minderjarige] heeft de kinderrechter namelijk verteld dat zij er veel last van heeft als de vader zijn afspraken afzegt. De kinderrechter doet hierom nogmaals een uitdrukkelijk beroep op de vader om de bezoekafspraken na te komen. Ten slotte is het positief, nu de pleegoma een stabiel hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , dat de pleegoma ook na de overplaatsing nog structureel betrokken blijft in het leven van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is kinderrechter van oordeel dat de overplaatsing het meest in het belang van [minderjarige] is.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. verleent William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een gezinsgerichte voorziening;

6.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 28 mei 2026 tot 9 oktober 2026, zijnde het einde van de ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Mai Multe Decizii