ECLI:NL:RBDHA:2026:17469
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/692121 / JE RK 25-1662 en C/09/705647 / FA RK 26-5095
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij
Afwijzing aangehouden verzoek machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
en
de Raad voor de Kinderbescherming ’sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Ramsaroep uit Den Haag.
De rechtbank merkt in de zaak van de Raad ook als belanghebbenden aan:
mr. K. Moene, hierna te noemen de bijzondere curator,
en
de gecertificeerde instellingvoornoemd.
De rechtbank betrekt de Raadin de zaak van de gecertificeerde instelling voor het inwinnen van advies.
1. Het (verdere) verloop van de procedure(s)
1.1.. Bij beschikking van 14 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 mei 2026. Het verzoektot de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Aan de Raad is verzocht een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van deze zitting.
1.2.. Bij beschikking van 26 februari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aansluitend verleend tot 1 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden en de verdere behandeling is bepaald op 28 mei 2026 bij de meervoudige kamer van deze rechtbank.
1.3.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een briefrapportage van de gecertificeerde instelling ontvangen van 12 mei 2025 met twee bijlagen.
1.4.. Op 21 mei 2026 heeft de rechtbank het verzoekvan de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag ontvangen, met zeven bijlagen, waaronder het rapport van 20 mei 2026.
1.5.. Op 28 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling en het verzoek van de Raad gecombineerd behandeld. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
[naam 3] namens de Raad;
de advocaat van de moeder;
de bijzondere curator;
[minderjarige] .
1.6.. De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest. De advocaat heeft de reden daarvoor medegedeeld en namens de moeder tijdens de zitting haar standpunt naar voren gebracht. De advocaat heeft daarbij zijn spreekaantekeningen overgelegd.
1.7.. Op 27 mei 2026 heeft de kinderrechter, tevens voorzitter van de meervoudige kamer, apart met [minderjarige] gesproken over hoe het met haar gaat en wat zij vindt van de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met goedvinden van [minderjarige] , samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
2.1..
[minderjarige] is erkend door [naam 4] .
2.2.. Bij beschikking van 26 augustus 2025 is bepaald dat de moeder eenhoofdig is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3..
[minderjarige] woont sinds augustus 2026 bij de ouders van haar vriend (hierna: haar schoonouders), samen met haar vriend en hun dochtertje, dat op [datum] 2025 is geboren.
2.4.. Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 november 2026 en de huidige machtiging tot uithuisplaatsing verleend.
2.5.. Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kantonrechter in deze rechtbank de bijzondere curator benoemd.
3. De verzoeken
3.1.. Het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij de schoonouders) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.. De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogd. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling van de rechtbank
4.1.. De rechtbank beoordeelt eerst het verzoek van de Raad, omdat beëindiging van het gezag een verderstrekkende kinderbeschermingsmaatregel is dan het kader waarbinnen een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend (ondertoezichtstelling).
4.2.. Beëindiging van ouderlijk gezag op verzoek van de Raad is een kinderbeschermingsmaatregel. Het doel daarvan is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is of als de ouder het gezag misbruikt.Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. De rechtbank beoordeelt ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
4.3.. In het geval van [minderjarige] en de moeder is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag is voldaan en dat de inmenging van deze maatregel in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] gerechtvaardigd is. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.4.. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] is complex en staat al langere tijd ernstig onder druk. De moeder is het oneens met keuzes die [minderjarige] heeft gemaakt ten aanzien van haar geloof en haar relatie en maakt zich naar eigen zeggen zorgen dat [minderjarige] in een slechte situatie is beland waarvan zij de gevolgen niet kan overzien. Op die zorgen zal de rechtbank later terugkomen. Voor het oordeel over het gezag is voor de rechtbank van belang hoe de moeder haar rol als gezaghebbende ouder vervult. Het beeld dat de Raad hierover heeft geschetst, gesteund door de gecertificeerde instelling, is door de moeder niet met concrete argumenten weerlegd. Wel is namens de moeder naar voren gebracht dat zij een andere visie heeft, samenhangend met haar zorgen, maar dat zij zich erbij neerlegt als haar ouderlijk gezag wordt beëindigd. Zij hoopt dat [minderjarige] daarmee geholpen is en rust krijgt.
4.5.. De rechtbank overweegt daarom als volgt. Sinds [minderjarige] ervoor gekozen heeft de relatie met de vader van haar dochtertje te herstellen heeft de moeder haar handen van [minderjarige] afgetrokken en geen verantwoordelijkheid meer genomen als gezaghebbende ouder. [minderjarige] is toen met haar dochtertje bij haar schoonouders gaan wonen (augustus 2025). Vast staat dat dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal gaan wonen. Ze willen dat allebei niet. De moeder heeft duidelijk gemaakt dat [minderjarige] thuis niet meer welkom is. De moeder heeft ook niet vrijwillig meegewerkt aan belangrijke zaken die nodig zijn als [minderjarige] niet thuis kan wonen, zoals inschrijvingen (voor de huisarts) en het verlenen van toestemming (voor vakanties). Daarnaast kan door toedoen van de moeder [minderjarige] niet over haar bankrekening beschikken en geen nieuwe rekening openen. Dat is de reden geweest voor de benoeming van de bijzondere curator door de kantonrechter. Ook is er kinderbijslag van de rekening van [minderjarige] (bedoeld voor haar dochtertje) gehaald door de moeder. Ter zitting is daarover namens de moeder verklaard dat zij dit geld wilde veiligstellen en heeft bewaard voor haar kleindochter, maar eerder heeft zij gezegd dat zij daarmee een mobiele telefoon heeft verrekend. Wat de reden ook is, de moeder heeft [minderjarige] financieel klem gezet. [minderjarige] heeft daar veel last van en het zorgt enkel voor verdere verwijdering van elkaar. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat de moeder niet in het belang van [minderjarige] handelt en schade toebrengt aan de ontwikkeling en toekomst van [minderjarige] . Het is een verdrietige constatering dat [minderjarige] – als kind en jonge moeder – niet kan rekenen op haar moeder en daarmee een belangrijke steunfiguur in haar leven mist.4.6.. Voor de rechtbank is duidelijk dat de moeder de verzorging en opvoeding van [minderjarige] feitelijk niet draagt en dat ook niet meer zal doen.Daarnaast is de rechtbank ook van oordeel dat de moeder, anders dan zij stelt, bewust op een kwalijke manier met haar gezagspositie omgaat omdat ze het oneens is met de keuze van [minderjarige] voor haar relatie en geloofsovertuiging. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van misbruik van gezag.In het licht van de zorgen die de moeder zegt te hebben is haar handelen ook onbegrijpelijk voor de rechtbank. Door haar weigerachtige houding en het financieel klemzetten moet [minderjarige] juist steunen op haar schoonfamilie, die door de moeder wordt beticht van slechte intenties.
4.7.. De onderliggende zorgen van de moeder maken het oordeel van de rechtbank over het gezag niet anders. De rechtbank hecht eraan deze zorgen wel te bespreken, mede omdat deze aanleiding zijn geweest voor de kinderrechter om de Raad om advies te vragen.4.8.. Kort gezegd is volgens de moeder sprake van een afhankelijkheidsrelatie van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend, tevens de vader van hun dochtertje, en zijn familie. De moeder heeft [minderjarige] zien veranderen en keuzes zien maken die zij niet op een andere manier kan verklaren. Die afhankelijkheid zou onder meer blijken uit een Islamitisch huwelijk gesloten op haar 14e verjaardag (in 2024). De moeder is het er daarom niet mee eens dat [minderjarige] onder toeziend oog van de gecertificeerde instelling bij de schoonouders verblijft.4.9.. De kinderrechter heeft deze zorgen serieus genomen en op basis van de verklaringen geoordeeld dat de signalen van een religieuze huwelijksvoltrekking tijdens de minderjarigheid van [minderjarige] moeten worden onderzocht. De signalen waren onder meer verklaringen over een ceremoniële setting in het bijzijn van een Imam en een foto op de 14e verjaardag van [minderjarige] en haar vriend met een document voor zich dat [minderjarige] in haar bezit zou hebben. Op verzoek van de kinderrechter heeft de Raad onderzoek gedaan naar de situatie van [minderjarige] om advies te kunnen geven over de machtiging tot uithuisplaatsing.
4.9.. Op basis van zijn onderzoek heeft de Raad niets kunnen vinden dat erop duidt dat hier sprake is van een Islamitisch huwelijk, een gedwongen huwelijk of een gedwongen kindhuwelijk. Aan geen van de formele vereisten daarvoor is voldaan. De signalen berusten volgens de Raad op misverstanden. [minderjarige] en haar vriend hebben -in aanwezigheid van een vriend- op haar 14e verjaardag hun verkering naar elkaar uitgesproken, met een zelf gemaakt document. Dit is weggegooid toen [minderjarige] de relatie voor de geboorte van het dochtertje heeft verbroken. Ook is, aldus de Raad, niet gebleken van een gedwongen of ongewenste afhankelijkheid van [minderjarige] ten opzichte van haar vriend en schoonouders. Evenals de gecertificeerde instelling ziet de Raad geen aanleiding om de bedoelingen van de schoonouders in twijfel te trekken. Zij bieden haar geborgenheid en veiligheid en ondersteunen haar op alle gebieden, met oog en ruimte voor haar ontwikkeling als adolescent. Ze gaat weer volledig naar school en pakt samen met haar vriend de verzorging van hun dochtertje goed op. De slotsom is dat het juist fijn is voor [minderjarige] dat zij door dit gezin is opgevangen, nu zij geen steun vindt bij haar moeder.
4.10.. De rechtbank constateert dat de zorgen over een vermeend kindhuwelijk voldoende zijn weggenomen door het rapport van de Raad. De beschikbare informatie wijst niet uit dat het religieuze huwelijk heeft plaatsgevonden. Overigens zou het nietig zijn als dat wel het geval was. Verder worden de zorgen van de moeder over een gedwongen of onwenselijke afhankelijkheidspositie van [minderjarige] ten opzichte van haar schoonfamilie niet door de feiten gesteund. De vrees dat [minderjarige] in een situatie zit waar zij niet uit kan komen is voldoende weggenomen door het onderzoek van de Raad. Daarbij merkt de rechtbank op dat de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend eerder een periode verbroken geweest, en ook toen zijn er geen zorgen ontstaan over dwang vanuit of (negatieve) beïnvloeding door (de familie van) haar vriend. Tot slot zijn er veiligheidsafspraken gemaakt door de gecertificeerde instelling met de schoonouders om risico’s weg te nemen, zoals de afspraak dat indien de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend zou uit gaan, zij met het dochtertje bij de schoonouders kan blijven wonen en hij zal verhuizen. Feit is dat zij nu ook samen ouders zijn en de zorg dragen voor hun dochtertje, over wie overigens geen zorgen bestaan.
4.11.. Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie, voor zover dat aan haar oordeel is onderworpen, dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het gezin van haar schoonouders op dit moment in haar belang is.4.12.. Door de beëindiging van het gezag van de moeder moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen die voortaan de gezagsbeslissingen neemt.De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat te willen doen en de rechtbank vindt dat in het belang van [minderjarige] . De jeugdbeschermers hebben [minderjarige] intensief gesteund in de afgelopen maanden. Daardoor is het [minderjarige] gelukt om ondanks de onrust positieve stappen te zetten, zoals op school en ten aanzien van haar eigen moederschap. De rechtbank heeft het vertrouwen dat de gecertificeerde instelling de belangen van [minderjarige] zal behartigen en in het bijzonder oog zal houden voor de kwetsbare positie van [minderjarige] in relatie tot haar moeder en schoonfamilie. Bovendien draagt de gecertificeerde instelling ook de voogdij over het dochtertje.
4.13.. Bij de benoeming van de voogdij zal de rechtbank bepalen dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dat betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.4.14.. De beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.15.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat.
4.16.. Als gevolg van de beslissing over het gezag, de voogdij en de uitvoerbaarheid bij voorraad is er geen belang meer bij een beslissing op het aangehouden verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing. Voor de volledigheid zal de rechtbank dat verzoek voor het overige afwijzen.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1..
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder
[de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats] ,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
5.2..
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
5.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;5.4.. wijst het aangehouden verzoek van de gecertificeerde instelling over de machtiging tot uithuisplaatsing af;5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, mr. M.H. Rochat en mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
De beslissing is schriftelijk vastgesteld op 25 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 810, eerste lid, Rv.
Zaaknummer C/09/692121 / JE RK 25-1662
Zaaknummer C/09/705647 / FA RK 26-5095.
Zaaknummer 12118647 EJ26-71285, pro forma aangehouden tot 19 september 2026.
Artikel 1:266, eerste lid, BW.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:266, eerste lid, sub a, BW.
Artikel 1:266, eerste lid, sub b, BW.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.