Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17481

Instanță

Den Haag

Data

28 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-6256

Zaaknummer: C/09/690293

Datum beschikking: 28 mei 2026Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling

Beschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het bericht van 10 november 2025 met bijlage van de moeder;

het bericht van 11 november 2025 met bijlage van de moeder;

het bericht van 12 november 2025 met bijlage van de moeder;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.

Op 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de moeder bijgestaan door haar advocaat;

de vader bijgestaan door zijn advocaat;

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Feiten

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.

Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

  • [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1].

  • Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 in [geboorteplaats 2].

De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

een raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken hoe [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben;

een dwangsom van €500,00 aan de moeder op te leggen voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van €15.000,00.

Beoordeling

Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling

De moeder stelt dat de ouders nauwelijks contact hebben en als zij contact hebben, dit in discussies vervalt. De houding van de vader heeft er in het verleden voor gezorgd dat de moeder niet makkelijk met de kinderen op vakantie kon. De moeder moet elke keer weer een procedure voeren of dreigen met een procedure om toestemming te krijgen. De vader maakt volgens de moeder misbruik van het gezag, waardoor zij steeds weer extra onnodige kosten moet maken om de kinderen een vakantie in het buitenland te kunnen geven. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader meermaals aan haar heeft laten weten dat hij akkoord zal gaan met beëindiging van het gezag.

De vader stelt dat de moeder op allerlei manieren het contact tussen hem en de kinderen heeft gefrustreerd. De vader heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] hoewel er in de echtscheidingsbeschikking een zorgregeling is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige], welke door het Hof is bekrachtigd. De moeder blokkeert echter het contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist het inzetten van procedures om toestemming te krijgen voor vakanties, omdat hij al eerder toestemming had gegeven. Daarnaast legt de moeder geen bewijs over van haar andere stellingen. De vader stelt dat de moeder hem van een aantal zaken beschuldigt, wat de communicatie moeilijk maakt. De vader staat open voor hulpverlening of mediation om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Gezien de weigerachtigheid van de moeder om mee te werken met hulpverlening om de omgang weer op gang te krijgen, is de vader van mening dat een verwijzing naar Cardea niet meer voldoende is.

De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de ouders elkaar over en weer van verschillende zaken beschuldigen. De moeder stelt dat er bij Veilig Thuis een melding is gemaakt over seksueel misbruik en de vader heeft daartegenover gesteld dat Veilig Thuis telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een misverstand. Hier zijn echter door beide ouders geen stukken van overgelegd. Voorts is gebleken dat de ouders bij Cardea een hulpverleningstraject zijn gestart, maar deze is beëindigd waarvan wederom geen stukken zijn overgelegd. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat zij meerdere malen een kort geding is gestart om vervangende toestemming te vragen voor vakanties, terwijl de vader daartegenin brengt dat hij deze toestemming telkens wel heeft gegeven. Ook hiervan ontbreken de stukken waaruit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid. De rechtbank constateert dat er sprake is van spanningen tussen de ouders, maar dat de beschikbare informatie ontoereikend is om de feitelijke situatie en de belangen van [minderjarige] te kunnen beoordelen.

Op dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:

Is gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag?

Zo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]?

Is hulpverlening voor [minderjarige] en/of de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?

Beslissing De rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en de dwangsomaan tot1 februari 2027 pro forma;

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.

Mai Multe Decizii