ECLI:NL:RBDHA:2026:17919
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.15924 (beroep)
NL25.15925 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1968, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister,
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER
1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden, en namen deel aan de zitting via digitale beeldverbinding.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Waar deze zaak over gaat
5. Aan eiser is op 10 november 2011 een verblijfsdocument EU/EER afgegeven waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt op basis van het gezinsleven met een burger van de Unie, [referente] (hierna: referente), beschikkende over de Hongaarse nationaliteit. Op 13 februari 2024 heeft eiser wederom verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser vraagt hiermee om voortzetting van zijn verblijf als gemeenschapsonderdaan.
Besluitvorming
6. De minister heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen en in wezen medegedeeld dat het verblijfsrecht per 16 januari 2015 van rechtswege is beëindigd. Gebleken is dat eiser en referente per 16 januari 2015 uit de BRPzijn geschreven. Nu eiser niet heeft aangetoond ook na 16 januari 2015 zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad of op dit moment heeft, voldoet eiser niet aan artikel 8.15, eerste lid onder a van het Vb. Daarom is het verblijfsrecht van eiser reeds geëindigd per 16 januari 2015. Aangezien de minister op grond van het voorgaande concludeert dat zowel eiser als referente op dit moment niet hun hoofdverblijf in Nederland hebben, voldoet eiser niet aan artikel 8.7, tweede lid, van het Vb, en kan het verblijfsdocument niet aan eiser worden afgegeven. Zelfs als eiser het hoofdverblijf zou hebben aangetoond, heeft eiser niet aangetoond dat hij of referente over voldoende middelen van bestaan beschikt. De minister heeft dan ook niet ambtshalve hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM.
6.1.. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift geen concrete gronden van bezwaar bevat. Subsidiair blijkt uit systemen van de INDdat referente sinds 16 januari 2015 geregistreerd staat als niet-ingezetene, en er dus sprake is van emigratie uit Nederland. Dit betekent dat het verblijfsrecht van referente hierom van rechtswege is vervallen, evenals het afgeleide verblijfsrecht van eiser.
Standpunt eiser
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem in bezwaar had moeten horen, nu het gaat om een complexe casus met een veelheid aan aangeleverde informatie. Van belang is dat eiser zelf niet vaardig is in het overbrengen van argumenten, feiten en gedachten, zodat er sprake was van een zwaarwegend belang om te horen in persoon.
7.1.. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gewogen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, nu eiser rechtmatig in Nederland heeft verbleven en beschermingswaardig privéleven heeft opgebouwd.
7.2.. Eiser voert tevens aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft wel degelijk een concrete grond van bezwaar aangevoerd waaruit blijkt dat en waarom eiser niet instemt met het primaire besluit. Ook had de minister herstelverzuim moeten bieden.
7.3.. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen zijn uitzetting ingetrokken.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank constateert dat de minister in het verweerschrift heeft erkend dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Na het nemen van het bestreden besluit is namelijk gebleken dat eiser op 11 februari 2025 wel degelijk bezwaargronden heeft ingediend, zij het onder vermelding van een ander V-nummer en zonder vermelding van een zaaknummer. De minister meent dat eiser hierdoor in dit geval niet in zijn belangen is geschaad, nu hetgeen er inhoudelijk in het besluit van 12 februari 2025 is overwogen en hetgeen er subsidiair in het bestreden besluit van 26 maart 2025 is overwogen, niet verandert door hetgeen er door eiser in zijn gronden is aangevoerd. De minister verzoekt de rechtbank primair om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Subsidiair verzoekt verweerder om toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb.
8.1.. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat nu de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, er sprake is van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter, gelet op de in het primaire en bestreden besluit subsidiair gegeven overige motivering, aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.De rechtbank licht dit hieronder nader toe.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat het Unierechtelijk verblijfsrecht van referent is geëindigd op 16 januari 2015. De minister heeft dan ook terecht geconstateerd dat eiser met ingang van 16 januari 2015 geen Unierechtelijk verblijf meer toekwam als partner van een unieburger.
9.1.. Voorts heeft eiser gedurende de procedure geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit anderszins voldeed aan de voorwaarden voor afgifte van het verzochte verblijfsdocument EU/EER. Eiser heeft een begeleidende brief van zijn gemachtigde van 13 november 2024, een verklaring van mevrouw [persoon 1] van 7 oktober 2024, en een verklaring van [persoon 2] van 22 december 2023 overgelegd. In deze stukken staat vermeld dat eiser in 2022 is gestart met vrijwilligerswerk bij het Wereldhuis in Den Haag en dat hij in juli 2022 wegens persoonlijke omstandigheden met dit vrijwilligerswerk is gestopt, waarbij hij het Wereldhuis nadien nog regelmatig zou hebben bezocht. Ook heeft eiser kopieën van abonnementskaarten van ‘Stad & Streek’ over de periode van december 2006 tot en met juni 2007 overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze stukken geen aanknopingspunten om ten tijde van het besluit te kunnen spreken van verblijf als (partner van een) gemeenschapsonderdaan.
9.2.. Bij het voorgaande betrekt de rechtbank ook dat eiser meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om de gewenste stukken over te leggen. Op 1 augustus 2024 en 23 september 2024 is herstelverzuim geboden en bij het voornemen van 30 oktober 2024 zijn nadere vragen gesteld in de bijlage. Het standpunt van de gemachtigde van eiser op de zitting dat sprake zou zijn van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, treft daarom geen doel en is bovendien niet nader onderbouwd.
9.3.. Uitgaande van het hiervoor geschetste feitencomplex, is de rechtbank eveneens van oordeel dat de minister zich in het verweerschrift niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit geen onrechtmatige inmenging in het privéleven van eiser vormt. Eiser heeft minder dan vier jaar legaal verblijf gehad, vanaf 43-jarige leeftijd. Uit deze relatief korte periode van legaal verblijf op ruim volwassen leeftijd is niet gebleken van zeer sterke banden met Nederland. Desgevraagd is op zitting geen nieuwe informatie naar voren gekomen wat betreft de invulling van eiser zijn privéleven in Nederland. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het belang van eiser om hier zijn privéleven uit te oefenen weegt zodoende niet op tegen de belangen van de Nederlandse Staat.
9.4.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Eiser is namelijk, gelet op wat is overwogen onder 9.2., voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn situatie nader toe te lichten, en met stukken te onderbouwen. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat eiser pas twee dagen na het bestreden besluit voor het eerst heeft verzocht om een hoorzitting. De stelling van de gemachtigde van eiser ter zitting dat, althans zo begrijpt de rechtbank de gemachtigde, door middel van een hoorzitting de minister had kunnen nagaan of eiser zich wel kan beroepen op een verblijfsrecht op grond van artikel 8:15, vierde lid, van het Vb, volgt de rechtbank niet. In dit artikellid is bepaald dat een vreemdeling voortgezet verblijf toekomt indien de relatie met een Unieburger is geëindigd en de vreemdeling op dat moment over voldoende middelen van bestaan beschikt. Dat gaat dus over de situatie in 2015. Indien eiser destijds aan de minister had doorgegeven dat zijn relatie is geëindigd, had de minister moeten kijken of eiser op grond van artikel 8:15, vierde lid, van het Vb recht op voortgezet verblijf toekwam. Eiser heeft er geen belang bij dat de minister deze toets in 2025 alsnog uitvoert, reeds nu nergens uit is gebleken dat eiser vanaf 16 januari 2025 zijn hoofdverblijf in Nederland heeft behouden.
9.5.. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister terecht de aanvraag om voorzetting van eisers verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft afgewezen en heeft geconstateerd dat het verblijfsrecht per 16 januari 2015 van rechtswege is geëindigd. Voorts heeft de minister niet ten onrechte eiser geen verblijfsvergunning verstrekt op grond van artikel 8 EVRM (privéleven).
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
11. Omdat met deze uitspraak is beslist op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlenerBeslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.15924,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.15925,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter,
in alle zaken,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Europese Unie/Europese Economische Ruimte.
Basisregistratie Personen.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.