ECLI:NL:RBDHA:2026:18500
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/10343
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak van
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer] ,
hangende het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geschil tussen
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In de uitspraak van 21 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13742, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft verzet (AWB 26/4023 V) gedaan tegen deze uitspraak. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
2. Volgens het besluit van 11 maart 2026 op de asielaanvraag van verzoeker moet hij worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland op grond van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Artikel 29, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat overdracht moet plaatsvinden binnen zes maanden na aanvaarding van het terugnameverzoek. De autoriteiten van Duitsland hebben op 22 januari 2026 het verzoek van verweerder om verzoeker terug te nemen aanvaard. Gelet daarop komt de uiterste overdrachtsdatum (UOD) in zicht. Daarmee is de vereiste onverwijlde spoed gegeven, zodat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak kan worden gedaan.
3. Verzoeker heeft aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat hij een mondelinge behandeling van het verzetschrift wenst en dat hij daarbij in persoon aanwezig wenst te zijn. Daarom verzoekt hij de voorzieningenrechter om de overdracht op te schorten totdat op het verzetschrift is beslist.
4. Gelet op artikel 8:55, vierde lid, van de Awb moet het verzetschrift op een zitting worden behandeld. Verzoeker heeft een belang om daarbij aanwezig te zijn. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hij niet wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzetschrift aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. Daarnaast betekent opschorting van de overdracht dat de UOD wordt gestuit, zodat dit in zoverre niet nadelig is voor de mogelijkheden om verzoeker over te dragen.
5. Er is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen voordat op zijn verzetschrift in de zaak met nummer AWB 26/4023 V is beslist.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.