Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18526

Instanță

Utrecht

Data

25 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33045

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg) en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

De minister heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 (in de zaak NL26.18331) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser stelt dat er verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser voert hierbij aan dat de minister weliswaar heeft gerappelleerd naar de Algerijnse autoriteiten, maar dat er

niet kan worden achterhaald of dit een algemeen rappel is voor alle lopende zaken van de minister of voor de zaak van eiser specifiek. Eiser stelt dat een algemeen rappel niet als een uitzettingshandeling kan worden gezien en dat onduidelijk is of verweerder voldoende voortvarend handelt, waardoor de maatregel van bewaring moet worden opgeheven.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting thans ontbreekt.

Voortvarend handelen

6. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 10 april 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermaals, laatstelijk op 4 juni 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meermaals, laatstelijk op 15 juni 2026, vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De minister heeft toegelicht dat er met regelmaat gecommuniceerd tussen de afdeling DIA van de DT&V en de Algerijnse autoriteiten. Deze communicatie is niet inzichtelijk voor eiser, maar wordt wel opgenomen in de M120, waarmee eiser kan vaststellen dat er voor hem persoonlijk wordt gerappelleerd naar de Algerijnse autoriteiten.

Zicht op uitzetting

7. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt.1 Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat dit in zijn specifieke geval anders ligt.

Ambtshalve toetsing

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

1. ECLI:NL:RVS:2025:722.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

25 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Mai Multe Decizii