ECLI:NL:RBDHA:2026:18534
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.4401
V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.. Eiser heeft op 27 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.
1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.
1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.
1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser was als [functie] werkzaam in Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij veroordeeld is vanwege zijn (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Tijdens zijn detentie is hij gemarteld. Na het uitzitten van 4 jaar en acht maanden gevangenisstraf is eiser voorwaardelijk vrijgelaten. Eiser moest zich onder andere houden aan een wekelijkse meldplicht en een taakstraf uitvoeren. Eiser heeft verklaard dat hij zich vanwege zijn vertrek niet heeft gehouden aan de voorwaarden. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw vervolgd zal worden onder andere omdat hij zich niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden.
Bestreden besluit
5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de eerdere strafrechtelijke veroordeling van eiser.
5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor strafrechtelijke vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij opnieuw strafrechtelijk vervolgd zal worden of dat hij opnieuw in detentie zal worden geplaatst. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat het dossier van de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten. Dat eiser opnieuw vervolgd zal worden, is gebaseerd op vermoedens. De minister betrekt daarbij ook dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten. Verder acht de minister het niet geloofwaardig dat de politie meerdere keren langs de familie van eiser is geweest om navraag te doen naar eiser vanwege de schending van de voorwaarden. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.
Toetsingskader
6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak doet over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.
6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Bespreking van de beroepsgronden
De beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn
7. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.
8. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.
Gegronde vrees voor vervolging
9. Eiser heeft aangevoerd dat hij op individueel niveau aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Hij heeft in dit kader gewezen op het feit dat hij eerder vervolgd is. Volgens eiser hanteert de minister een verkeerd toetsingskader, het is namelijk aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer niet meer te vrezen heeft. Daarbij stelt de minister ten onrechte dat uit het overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten en eiser niet langer hoeft te vrezen. De minister heeft nagelaten om de vertaling van het document te overleggen en het is ook niet duidelijk welke tolk het document heeft vertaald. Niet is gebleken dat de minister gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk. Verder volgt uit het document alleen dat de officier van justitie het dossier naar de rechtbank stuurt in verband met de voltooiing van de tenuitvoerlegging. Dit zegt volgens eiser niks over de overtreding van de voorwaarden die zien op de voorwaardelijke invrijheidsstelling na de procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie bij de Hoge Raad. Uit de beëdigde vertaling van eiser volgt dat de tenuitvoerlegging is voltooid. Vast staat dat eiser de voorwaarden heeft overtreden, wat blijkt uit de overgelegde beëdigde vertaling van de stukken van de reclassering. Verder was eiser in Turkije [functie] en heeft hij uitspraken gedaan in het nadeel van het regime. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser heeft hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.
9.1.. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser gewezen op het feit dat de Turkse autoriteiten nieuwe stukken hebben toegevoegd aan het UYAPsysteem van eiser. Hieruit volgt dat de rechtbank in Ankara met spoed het strafdossier van onder andere eiser op heeft opgevraagd. Verder wijst eiser erop dat de persoon die twee plaatsen hoger staat dan eiser op de lijst als gevolg van de nieuwe onderzoeken is gearresteerd op 9 mei 2026. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een krantenbericht overgelegd waaruit dat blijkt. Verder heeft eiser nog gewezen op een ander krantenbericht waaruit blijkt dat vervolging tegen (oud)rechters nog steeds doorgaat.
9.2.. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van refugie sur place. Eiser is betrokken bij [bedrijf] . Dit is een Gülen-gelieerde instelling met activiteiten in Nederland. Uit onder meer landeninformatie blijkt dat de Turkse autoriteiten dergelijke instellingen in het buitenland in de gaten houden.
10. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid en dat hij enkele jaren gedetineerd is geweest. Ook is niet in geschil dat eiser tijdens zijn detentie is gemarteld. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij het Gülenisme.
11. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere detentie vanwege zijn politieke overtuiging en de martelingen die hij heeft ondergaan in detentie daden zijn van vervolging in de zin van artikel 3.36 van het VV 2000.Uit artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000 volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen ook bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.
14. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd en heeft gedetineerd gezeten. Tijdens zijn detentie is eiser gemarteld. Dit levert daden van vervolging op zoals bedoeld in de Kwalificatieverordening.Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.Dit wordt anders als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken, in tegendeel zelfs. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.
15. Eiser heeft verklaard dat hij direct na de coup is opgepakt en uiteindelijk is veroordeeld tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Eiser heeft hiervan een deel uitgezeten en is in november 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Eiser diende zich te houden aan een meldplicht en moest een taakstraf uitvoeren. Dit is ook onderbouwd met documenten. Deze meldplicht liep tot 13 november 2023. Eiser is echter op 13 september 2023 uit Turkije vertrokken en in Nederland aangekomen. Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat eiser inderdaad niet aan de opgelegde voorwaarden heeft voldaan en dat is een aanwijzing dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling kan komen te staan. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt, anders dan de minister stelt, niet dat eiser zijn voorwaarden niet heeft overtreden. Uit de door eiser overgelegde, beëdigde, vertaling van het document van 18 december 2025 blijkt dat de Officier van Justitie het executiedossier van eiser heeft verstuurd naar de 30ste meervoudige kamer in zware strafzaken van Istanbul. Hierin staat vermeld:
“Het executiedossier betreffende de veroordeelde [eiser] , van wie de identiteitsgegevens en straf hieronder staan vermeld, treft u bijgaand aan wegens Voltooiing van de Tenuitvoerlegging (Vonnis in eerste aanleg). Ik verzoek u om van een en ander kennis te nemen en het benodigde te verrichten.”
Hieruit volgt niet ondubbelzinnig dat eisers strafdossier gesloten is. De zinssnede ‘het benodigde te verrichten’ is immers voor velerlei uitleg vatbaar.
Daar komt bij dat in het executiedossier het volgende staat opgenomen:
“U bent verplicht bovenstaande regels na te leven. U wordt hierbij gewaarschuwd en ervan in kennis gesteld dat het niet naleven van deze regels zal worden aangemerkt als schending van uw verplichtingen en dat er maatregelen tegen u zullen worden genomen, en dat indien u volhardt in het overtreden van de regels en het niet nakomen van de
vereisten van het met betrekking tot uw persoon op te stellen toezichtplan, door de rechter-commissaris kan worden beslist dat u uw straf tot aan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in een open penitentiaire inrichting dient uit te zitten.”
Gelet op de eerdere martelingen die eiser in detentie heeft ondergaan, is het niet onaannemelijk dat indien eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten, hij wederom te maken krijgt met detentieomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.
Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen danwel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.
16. De rechtbank betrekt verder bij haar beoordeling dat eiser geloofwaardig heeft verklaard dat de politie meerdere keren bij zijn familie aan de deur is geweest om naar hem te vragen omdat hij zijn meldplicht heeft overtreden. Eiser heeft hier gedetailleerd en consistent over verklaard. Zo kan eiser desgevraagd meerdere data noemen waarop de politie langs is geweest en ook wat er is gevraagd.Ook hieruit blijkt dat eiser nog steeds in de negatieve belangstelling staat.
17. Uit landeninformatie blijkt voorts dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [persoon 1] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.
18. De legale uitreis van eiser, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.
19. Dat eiser een risico loopt omdat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten wordt daarnaast ook nog door het volgende ondersteund. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser ook nog gewezen op een document van 22 januari 2026 waaruit blijkt dat de 21e meervoudige strafkamer rechtbank Ankara het dossier van eiser heeft opgevraagd. Op dezelfde lijst staat de naam van [persoon 2] , ook diens dossier is opgevraagd. Eiser heeft ook een krantenbericht bijgevoegd waaruit blijkt dat [persoon 2] op 9 mei 2026 is gearresteerd. Ter zitting heeft eiser, op verzoek van de rechtbank, ingelogd in zijn UYAP en het document van 22 januari 2026 getoond. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit document zich inderdaad in eisers UYAP bevindt en dat het hetzelfde document is als eiser heeft overgelegd bij de aanvullende gronden van beroep. Eiser heeft verder gewezen op zijn activiteiten in Nederland en op het feit dat de Turkse autoriteiten ook organisaties in Nederland in de gaten houden.
19.1.. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat als de rechtbank eerst in beroep aangevoerde elementen bij de beoordeling wil betrekken, de minister in de gelegenheid moet worden gesteld om op deze elementen te reageren. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 23 februari 2026 is uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Verder heeft de rechtbank de minister bij bericht van 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 te reageren op de beroepsgronden van eiser. De minister heeft dit nagelaten. Op 16 juni 2026 heeft eiser nadere gronden ingediend. Bij deze nadere gronden heeft eiser gewezen op stukken waaruit blijkt dat zijn strafdossier weer is opgevraagd en dat een van de andere personen die op die lijst staan wederom is opgepakt. Bij bericht van 17 juni 2026 heeft de minister laten weten niet naar de zitting te komen. Hierop heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met de minister en uitdrukkelijk verzocht om dan in ieder geval een schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de beroepsgronden. De minister heeft uitdrukkelijk aangegeven naar het beroep te hebben gekeken en dat het niet nodig is om een schriftelijk standpunt in te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovenstaande gang van zaken voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de in beroep ingebrachte elementen. De minister heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling te heropenen en de minister wederom in de gelegenheid te stellen om te reageren. Een heropening zorgt, bij deze gang van zaken, voor onnodige vertraging en komt niet tegemoet aan de doelstelling van de Procedurerichtlijnom zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen op een verzoek om internationale bescherming. Door niet te reageren als de rechtbank daar uitdrukkelijk om verzoekt en door niet op zitting te verschijnen, zorgt de minister er zelf voor dat hij zich nu niet kan uitlaten over de in beroep ingebrachte elementen. Dit is een keus van de minister. Nu de rechtbank zelf een beoordeling mag maken van de gegrondheid van het beroep, zal de rechtbank dat dan ook doen.
19.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser overgelegde stukken dat er aanwijzingen zijn dat eisers strafdossier inderdaad niet gesloten is en dat hij risico loopt om opnieuw berecht te worden. Eisers dossier is immers opnieuw opgevraagd en andere mensen die op dezelfde lijst staan als eiser zijn inmiddels al opgepakt.
19.3.. Daar komt bij dat eiser ook hier in Nederland activiteiten heeft ontplooid bij [bedrijf] , een Gülen-gelieerde instelling. Dit is onweersproken door de minister. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf.Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eiser heeft zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden.
20. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd, hij zijn voorwaarden heeft overtreden, de politie meerdere keren aan de deur is geweest én eisers naam op een lijst staat van strafdossiers die opnieuw worden bekeken, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.
Conclusie en gevolgen
21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, [functie] , in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.
Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.
Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.
Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.
Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.
Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.
Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Zie artikel 41.
ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.
Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).
Voorschrift Vreemdelingen.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.
Zie artikel 9, Kwalificatieverordening.
Artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, Vw 2000.
Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.
Zie pagina 16 en 17 van het nader gehoor.
Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina’s 46-49.
Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.
Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.
Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.
Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.
Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.
Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Per 12 juni 2026 is de Procedurerichtlijn vervangen door de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348 tot het vaststellen van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Europese Unie). Ook de Procedureverordening heeft de doelstelling om zo spoedig mogelijk te beslissen op een verzoek om internationale bescherming.
Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.