ECLI:NL:RBDHA:2026:18535
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35577
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 14 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
1.1..
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op 26 juni 2026
beroep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding. Op 1 juli 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
1.2.. De minister heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3..
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser via beeldverbinding (Teams) en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten
Beoordeling door de rechtbank
2. De minister betoogt dat het beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat
uit het pro forma beroep en de beroepsgronden van eiser duidelijk blijkt dat het is gericht tegen de maatregel van bewaring van 14 juni 2026 en de maatregel al door de rechtbank in haar uitspraak van 25 juni 2026 is beoordeeld.
2.1..
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het format van het pro
forma beroepschrift blijkt dat het gaat om een vervolgberoep en dat uit de nadere gronden kan worden afgeleid dat het vervolgberoep in verband staat met de al eerder opgelegde bewaringsmaatregel van 14 juni 2026. Verder vergt de vraag of de beroepsgronden kans van slagen hebben, een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank en staat deze vraag los van de ontvankelijkheid. De rechtbank zal derhalve het beroep verder inhoudelijk beoordelen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij de maatregel van bewaring al eerder heeft beoordeeld. Uit de uitspraak van 25 juni 2026volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.
3.1.. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden die eiser op 1 juli 2026 heeft ingediend, al naar voren hadden moeten worden gebracht in de procedure over de bewaringsmaatregel van 14 juni 2026 dan wel al zijn beoordeeld door de rechtbank in de uitspraak van 25 juni 2026 en ongegrond zijn verklaard. Als eiser het met die uitspraak niet eens is, waaronder zijn betoog dat verband houdt met het overgangsrecht, dient eiser in hoger beroep tegen die uitspraak aan de orde te stellen. De minister heeft op zitting meegedeeld dat uit zijn systeem niet blijkt dat er hoger beroep is ingesteld. Dat er geen hoger beroep is ingesteld komt voor rekening en risico van eiser.
4. Gezien het voorgaande staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring
rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 19 juni 2026.
4.1.. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de voortduring van de bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond die verband houdt met het overgangsrecht, geen doel treft, omdat deze in deze procedure over het volgberoep en de daarmee verband houdende beoordelingsperiode van 19 juni tot 3 juli 2026, niet meer naar voren kan worden gebracht.
6. De rechtbank stelt verder vast dat er gedurende de onderhavige beoordelingsperiode nog steeds sprake is van zicht op uitzetting en dat de minister voortvarend handelt. De minister heeft op 24 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.
7. In haar uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. De enkele stelling van eiser op zitting dat hij last heeft van depressieve en andere mentale klachten en verzoekt om clementie, is niet onderbouwd respectievelijk faalt en maakt niet dat thans wel een lichter middel moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat eiser zich voor zijn medische en psychische klachten kan wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Ook thans is niet gesteld noch gebleken, dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn.
8. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Eisers stelling dat eiser op dit moment procedureel rechtmatig verblijf heeft en (mede) als gevolg daarvan ten onrechte in bewaring wordt gehouden, is niet aannemelijk gemaakt en door de minister, op deugdelijke wijze betwist. Uit de stukken blijkt dat bij besluit van 13 juni 2026, eisers opvolgende aanvraag om asiel niet ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Hierop zijn nog geen beslissingen genomen. Uit de stukken blijkt niet dat eiser gedurende de hier te beoordelen periode van 19 juni tot en met 3 juli 2026 rechtmatig verblijf zou hebben en op een verkeerde grondslag in bewaring zou worden gehouden.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep mogelijk.
NL26.33312.