ECLI:NL:RBDHA:2026:18572
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.2372 (beroep)
NL26.2373 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1989, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die er toe strekt dat hij niet zal worden uitgezet tot dat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser heeft op 1 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Spanje daarvoor op grond van de Dublinverordeningverantwoordelijk is. Dit is gebleken uit onderzoek bij de Nederlandse verbindingsambtenaar in België. De minister heeft Spanje op 20 november 2025 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a van de Dublinverordening. Op 25 november 2025 is Spanje akkoord gegaan op grond van artikel 13, eerste lid van de Dublinverordening.
3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit onzorgvuldig is, nu de minister heeft volstaan met een standaardvoornemen en daarmee niet is ingegaan op de persoonlijke situatie van eiser. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2024.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 23 november 2023volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Aangezien in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor en in de zienswijze aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid.
5. Eiser betoogt verder dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan vanwege het gebrek aan opvangvoorzieningen. Eiser heeft gewezen op de update van april 2025 van het meest recente AIDA-rapport. Uit het aangehaalde rapport blijkt daarnaast dat de Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart in verband met tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening hun internationale verplichtingen nakomen. De Afdeling heeft dit voor Spanje op 25 november 2025 bevestigd.Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Spanje een fundamentele systeemfout bevat die de drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawovan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
7. Eiser is hier niet in geslaagd. Het door eiser genoemde AIDA-rapport en de druk op de opvanglocaties die daarin wordt geschetst, is namelijk bij de Afdelingsuitspraak van
25 november 2025 betrokken. Hierin overwoog de Afdeling dat het meest recente AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten. Eiser heeft geen meer recente informatie naar voren gebracht waaruit anders blijkt. Omdat uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kunnen mogelijke klachten over opvang voorts in Spanje aan de autoriteiten aldaar worden voorgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Spanje voor Dublinclaimanten niet kan of bij voorbaat zinloos is.
8. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister is hierbij niet ingegaan op de persoonlijke ervaringen van eiser – hij heeft immers verklaard dat hij geen opvang heeft gekregen in Spanje. De minister mocht hierbij niet volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen is overwogen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024
9. De rechtbank stelt vast dat de minister alle door eiser benoemde persoonlijke omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken, ook onder artikel 17 van de Dublinverordening. In het bestreden besluit benoemt de minister namelijk dat eiser in Spanje niemand kent en daar niets heeft geen goede reden is om de aanvraag in Nederland in behandeling te nemen. De minister heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiser nog geen asielaanvraag heeft ingediend in Spanje.
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
12. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Arrest van 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
ECLI:NL:RVS:2025:5661.
ECLI:EU:C:2019:218.
ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.