Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18601

Instanță

Arnhem

Data

30 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61474
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister bij de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. Verder heeft de minister de vrees voor detentie en de ondervonden discriminatie terecht onvoldoende zwaarwegend geacht. Ook heeft de minister de aanvraag van eiseres terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres niet direct na aankomst asiel heeft aangevraagd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiseres geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM had hoeven verstrekken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft zes kinderen, waarvan vijf zoons. Eén zoon, die blind is, woont in Nederland, en twee zoons zijn (zwaar) gehandicapt. De twee andere zoons van eiseres zijn deserteurs en op eiseres is druk uitgeoefend door de Eritrese overheid zodat haar zoons zich weer zouden melden. Eiseres wist echter niet waar haar zoons waren. Er zijn meerdere invallen geweest in haar huis en daarbij is ook gedreigd dat zij en haar, zwaar gehandicapte, zoon in de gevangenis zouden worden gezet. Eiseres heeft ook een oproep gekregen van de Eritrese politie om zich te melden op het politiebureau. Inmiddels is één van de zoons die werd gezocht wel weer gevonden, maar de andere zoon wordt nog steeds gezocht. Verder heeft eiseres te maken gehad met discriminatie omdat zij meerdere gehandicapte kinderen heeft. Zij werd daardoor geïsoleerd en afgestoten door haar omgeving en familie. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij in de gevangenis zal belanden, omdat nog één zoon gezocht wordt door de autoriteiten en omdat zij lang is weggebleven. Ook vreest zij opnieuw voor discriminatie.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. huisbezoeken door Eritrese autoriteiten wegens de desertie van de zoons van eiseres;

3. discriminatie wegens de gehandicapte kinderen van eiseres.

De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Echter kan eiseres volgens de minister niet worden aangemerkt als vluchteling omdat de ondervonden discriminatie niet een dusdanige beperking was voor haar bestaansmogelijkheden dat het voor eiseres onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verder heeft de minister gesteld dat eiseres ook geen reëel risico loopt op ernstige schade, omdat zij met haar verklaringen haar vrees voor detentie, niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij speelt ook mee dat eiseres legaal heeft kunnen uitreizen. Ook dat eiseres lange tijd is weggeweest uit Eritrea, maakt niet dat zij een risico loopt op ernstige schade. Er is namelijk geen terugkeertermijn verbonden aan een uitreisvisum, zoals blijkt uit landeninformatie. Aan eiseres is verder geen reguliere verblijfsvergunning verleend, omdat geen sprake is van familie- of gezinsleven met haar zoon die in Nederland woont. Volgens de minister is namelijk geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres?

5. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Hiervoor is onvoldoende dat tijdens het gehoor enkel is gevraagd naar de gezondheid van eiseres, het wijzen op de mogelijkheid om een pauze te kunnen nemen en het op een eenvoudige wijze stellen van vragen. Het referentiekader dient namelijk ook meegenomen te worden bij de beoordeling of iemand wisselend, vaag of ongerijmd verklaard.

5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiseres, namelijk met haar leeftijd, het feit dat zij ongeschoold en analfabeet is, en dat zij opgegroeid is in een klein dorp. Uit het nader gehoor blijkt ook dat de vragen op een eenvoudige manier zijn gesteld en dat zo nodig vragen zijn herhaald als deze niet duidelijk waren. Ook is er rekening mee gehouden dat eiseres moeilijk data kan onthouden. Bij de beoordeling van de asielmotieven heeft de minister ook rekening gehouden met het referentiekader. De asielmotieven zijn namelijk geloofwaardig geacht en er is niet tegengeworpen dat eiseres data niet goed heeft onthouden. Dat is gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over het doorzoeken van de woning, maakt niet dat geen rekening is gehouden met het referentiekader. De minister heeft namelijk terecht gesteld dat ondanks het referentiekader van eiseres van haar wel samenhangende en aannemelijke verklaringen verwacht kunnen worden.

Mocht de minister de vrees voor detentie onvoldoende zwaarwegend achten?

6. Eiseres betoogt dat zij haar vrees voor detentie bij terugkeer naar Eritrea aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij voert eiseres allereerst aan dat de minister een te zware toetst heeft verricht bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Eiseres heeft geen documenten en kan dus de vrees voor detentie enkel aannemelijk maken met haar eigen verklaringen en openbare bronnen. De minister heeft de openbare bronnen onvoldoende meegewogen. Verder voert eiseres aan dat een van de zoons van eiseres nog steeds zoek is, en over hem ook vragen zijn gesteld bij de inval in het huis van eiseres. Het had op de weg van de minister gelegen om uitgebreider in te gaan op deze verklaringen als er onduidelijkheden over waren. Naast deze verklaringen heeft eiseres ook gewezen op algemene openbare bronnen die haar vrees voor detentie ondersteunen. Uit het algemeen ambtsbericht over Eritrea van 2023 (ambtsbericht 2023) blijkt dat de familie van dienstplichtweigeraars het risico lopen op detentie. Daarnaast is het enkele feit dat eiseres toestemming heeft gekregen voor haar uitreis en Eritrea zonder problemen heeft verlaten, onvoldoende om te oordelen dat zij na 16 maanden weer zonder problemen en consequenties kan inreizen. Hierbij wijst eiseres op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht.

6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat, anders dan eiseres stelt, de minister in het besluit wel degelijk openbare bronnen heeft betrokken bij de beoordeling van de vrees voor detentie. De minister heeft in het besluit namelijk gewezen op het ambtsbericht 2023. Eiseres heeft verder niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van een te zware toets. Met betrekking tot de vrees voor detentie stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor detentie. Met betrekking tot de zoon die nog zoek is, heeft eiseres namelijk verklaard niet te weten waar hij is, of hij nog leeft of dat hij misschien gevangen zit. Daarmee is niet aannemelijk dat de Eritrese autoriteiten nog naar hem op zoek zijn en eiseres gevangen willen zetten om hem terug te vinden. Hoewel de minister erop wijst dat het, gelet op het ambtsbericht 2023, mogelijk is dat familieleden van deserteurs onder druk worden gezet of in detentie worden gezet, heeft de minister in geval van eiseres terecht overwogen dat haar vrees niet aannemelijk is. De Eritrese autoriteiten hebben eiseres namelijk bij het eerste bezoek met rust hebben gelaten en zijn weggegaan. Ook de tweede keer heeft de politie enkel medegedeeld dat eiseres zich de volgende dag op het politiebureau moet melden en is daarna weer weggegaan. Daarmee heeft de minister terecht gesteld dat eiseres haar individuele omstandigheden de vrees voor detentie niet aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot het opnieuw kunnen inreizen, stelt de minister terecht dat eiseres met de enkele algemene verwijzing naar het ambtsbericht 2023 en een uitspraak van een rechtbank niet aannemelijk maakt dat zij zelf problemen zal ondervinden bij terugkeer. Verder stelt de minister terecht dat uit de toelichting op het ambtsbericht 2023 blijkt dat aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn is verbonden en dat de houder op elk willekeurig moment kan terugkeren naar Eritrea. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister gewezen op het algemeen ambtsbericht over Eritrea van 2025 (ambtsbericht 2025) waaruit hetzelfde blijkt als uit de toelichting op het ambtsbericht 2023. Ook heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting aangegeven dat uit navraag bij TOELT ook blijkt dat geen terugkeertermijn verbonden is aan een uitreisvisum. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet van de juistheid deze informatie uit te gaan.

Mocht de minister de ondervonden discriminatie onvoldoende zwaarwegend achten?

7. Eiseres betoogt dat de minister onterecht stelt dat de ondervonden discriminatie niet heeft geleid tot een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden. Eiseres heeft er namelijk op gewezen dat de vernedering, isolatie en verstoting door familie en omgeving en de geloofwaardig bevonden discriminatie wel degelijk een aantasting is van mensenrechten zoals gelijkheid en waardigheid. Intimidatie, belediging en bedreiging leiden namelijk tot aantasting van de geestelijke integriteit. Dat eiseres 65 jaar lang in Eritrea heeft geleefd, was noodgedwongen en kan niet opnieuw van haar verlangd worden. Dat haar zoon geregistreerd kon worden bij verenigingen maakt dit niet anders, omdat zij desondanks werd geweerd door haar omgeving en ernstige beperkingen heeft ondervonden. Eiseres heeft jarenlang in een isolement geleefd met de zorg voor haar zwaar gehandicapte kind en zij werd lastiggevallen door de Eritrese autoriteiten vanwege de dienstweigering van haar zoon. Dit maakt de ondervonden discriminatie wel voldoende zwaarwegend is.

7.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de lat voor de zwaarwegendheid van discriminatie hoog ligt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiseres niet makkelijk is (geweest) in Eritrea, heeft de minister terecht gesteld dat de ondervonden discriminatie niet dusdanig ernstige beperkingen van de bestaansmogelijkheden van eiseres heeft opgeleverd dat het voor haar onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Dat eiseres, naar eigen zeggen, geïsoleerd is geraakt en is afgestoten door haar omgeving, is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat eiseres heeft verklaard dat zij naar de kerk ging, en iemand met haar mee is geweest naar het politiebureau. Ook heeft eiseres verklaard dat de buren van eiseres het voor haar hebben opgenomen bij de eerste inval in het huis van eiseres door de politie. De minister heeft dus terecht gewezen op het feit dat eiseres 65 jaar in Eritrea heeft kunnen wonen, leven en functioneren. Verder wijst de minister erop dat voor de zoon van eiseres contact was met instanties over zijn situatie. Eiseres is verder zonder problemen in bezit is gesteld van (identificerende) documenten. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat zij het psychisch zwaar heeft (gehad) in Eritrea, heeft de minister terecht gesteld dat dit niet onderbouwd is.

Mocht de minister de asielaanvraag van eiseres afwijzen als kennelijk ongegrond?

8. Eiseres voert aan dat de minister bij het kennelijk ongegrond verklaren van haar aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Zij is namelijk analfabeet, heeft geen netwerk binnen of buiten Eritrea waar zijn informatie kan verkrijgen, is nooit eerder uit Eritrea gereisd en heeft nooit eerder asiel aangevraagd. Zij is dus niet op de hoogte van de wetten, regels en gebruiken in Nederland. Ook heeft zij geen sociale media en weet niet hoe het internet werkt zodat ze ook op die manier geen informatie kan verkrijgen. Daarom kan van haar niet verwacht worden dat zij voldoet aan het vereiste om zich onverwijld aan te melden of de mogelijkheid van het aanvragen van asiel. Dat haar zoon dit wel wist, doet daar niet aan af. Hij heeft haar namelijk niet geïnformeerd omdat eiseres psychisch kwetsbaar was toen zij in Nederland aankwam. Hij wilde haar de kans geven eerst alles een plek te geven. Het kan eiseres dus niet worden aangerekend dat haar zoon deze keuze heeft gemaakt.

8.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht zich op het standpunt dat de aanvraag mocht worden afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres zich niet zo snel mogelijk na aankomst voor haar asielaanvraag heeft gemeld.De minister heeft in het betoog van eiseres geen verschoonbare reden voor het te laat melden hoeven zien. Met betrekking tot het referentiekader stelt de minister terecht dat desondanks van eiseres verwacht mocht worden dat zij van de mogelijkheid van het aanvragen van asiel afwist. Daarbij heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting toegelicht dat aan eiseres niet wordt tegengeworpen dat haar zoon haar niet zou hebben geïnformeerd, maar van eiseres had verwacht mogen worden dat zij (bijvoorbeeld) had geïnformeerd bij haar zoon. Hij heeft namelijk de asielprocedure doorlopen en is al ruim tien jaar in Nederland. De minister acht het gelet op deze omstandigheden terecht niet aannemelijk dat eiseres niet wist of niet kon weten van het vragen van asiel.

Had de minister aan eiseres een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moeten verstrekken?

9. Eiseres betoogt dat de minister aan haar een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moest verstrekken. Zij woont namelijk sinds aankomst in Nederland bij haar zoon en zij zorgt voor hem en voor het huishouden. Haar zoon houdt de praktische afspraken van eiseres bij en ondersteunt haar emotioneel en financieel. Ook in Eritrea woonden zij samen en zorgde eiseres voor haar zoon. Tussen hen heeft dus altijd gezinsleven bestaan. Er is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid vanwege de psychische afhankelijkheid en blindheid van haar zoon.

9.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat aan eiseres geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM wordt verleend, omdat tussen haar en haar zoon geen gezinsleven bestaat. Daarbij heeft de minister betrokken dat de zoon van eiseres ouder dan 25 jaar is en een relatie heeft gehad met een vrouw waarvoor hij ook nareis heeft aangevraagd. Hieruit blijkt dat hij in staat is om op eigen benen te staan. Verder hebben eiseres en haar zoon jarenlang afzonderlijk gewoond. De zoon van eiseres woont namelijk al sinds 2015 in Nederland en eiseres woonde tot mei 2024 in Eritrea. Verder heeft de minister terecht gesteld dat geen is sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij heeft de minister betrokken dat eiseres voorafgaand aan het vertrek namelijk niet samenwoonde met haar zoon. De financiële hulp die eiseres van haar zoon kreeg kort voordat zij naar Nederland kwam, kan ook op afstand blijven voortduren. Verder blijkt uit de verklaringen van eiseres niet dat zij of haar zoon niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren, ondanks dat zij elkaar hulp bieden met bijvoorbeeld het koken en afspraken bij de huisarts. Dit zijn vooral praktische zaken. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat sprake is van psychische afhankelijkheid, heeft de gemachtigde van de minister op zitting terecht gesteld dat niet onderbouwd is met documenten dat eiseres psychische problemen heeft of hulpbehoevend is. Ook blijkt niet dat de zoon van eiseres zorg en hulp van eiseres nodig heeft, nu hij al tien jaar zelfstandig in Nederland woont en hulp krijgt van thuiszorg. Hij heeft zich al die tijd weten te handhaven. Ook eiseres heeft zich tien jaar lang staande weten te houden in Eritrea zonder haar zoon. Tot slot heeft de minister terecht meegewogen dat eiseres een sterke band heeft met haar land van herkomst, nu zij daar tot aan haar vertrek heeft gewoond.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het besluit van 10 december 2025 in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Rb. Den Haag, zp. Utrecht, 21 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22939.

Zie artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

Mai Multe Decizii