ECLI:NL:RBDHA:2026:18644
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/24378
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: [naam] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) ten behoeve van [naam] (hierna: de vreemdeling). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 7 februari 2025 heeft eiseres namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 7 juli 2025 afgewezen onder verwijzing naar een advies van het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV) van 4 juli 2025.
2.1.. Eiseres heeft tegen het besluit van 7 juli 2025 bezwaar gemaakt. De minister heeft aanleiding gezien het UWV opnieuw om advies te vragen. Het UWV heeft op 25 november 2025 advies uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies is de minister met het besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 27 mei 2026 heeft eiseres nog een nader stuk ingediend.
2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Namens het UWV zijn verschenen mr. M. Dundas en mr. S. Kruijthof.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Aan haar is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ verstrekt met een geldigheidsduur van 2 mei 2023 tot 20 april 2025.
3.1.. Eiseres heeft op 7 februari 2025 namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend en daarmee om verlenging van de verleende verblijfsvergunning. Bij haar aanvraag heeft eiseres opgegeven, voor zover van belang, dat de naam van de te vervullen functie is “verzorgende IG”. Ook heeft eiseres daarbij opgegeven dat zij de vacature heeft gemeld bij het UWV, alsook dat zij heeft geworven in Nederland en in de andere landen van de EU/EER.
Bestreden besluit
4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd onder verwijzing naar het tweede negatieve advies van het UWV van 25 november 2025. In dat advies concludeert het UWV dat voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) niet te verlenen.
Standpunt eiseres
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Wat eiseres daartoe heeft aangevoerd, bespreekt de rechtbank hierna.
Wettelijk kader
6. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan – voor zover van belang – de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 8 van de Wav.
7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav weigert de minister een gecombineerde vergunning:
a. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;
b. (…);
c. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;
d. (…).
8. Bij wet van 25 november 2013 is de Wav herzien. In de memorie van toelichtingbij die wet is vermeld:
"Abstractere toets op prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, onder a)
(…). In deze benadering van de bemiddelingsfunctie van het UWV past niet meer dat het UWV in het kader van een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning bij elke individuele vacature beoordeelt of er een geschikte kandidaat voorhanden is. Het UWV kan voortaan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, in plaats van beschikbaar, die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Als dit zo is moet UWV de aanvraag afwijzen.
(…).
Artikel 8, eerste lid, aanhef, onderdeel a
Het aanwezig zijn van prioriteitgenietend aanbod moet in het licht van de doelstelling van de Wav worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond voor de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. Onder prioriteitgenietend aanbod moet worden verstaan: aanbod van de zijde van Nederlanders, vreemdelingen waarvoor vrij verkeer van werknemers geldt en vreemdelingen die beschikken over een op grond van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verblijfsvergunning waaruit blijkt dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Toetsen aan het prioriteitgenietend aanbod betekent niet dat dit aanbod concreet voor de werkgever beschikbaar moet zijn. De werkgever dient zelf actief op dit aanbod te werven. Als bij het UWV bekend is dat er voldoende werkzoekenden binnen de EER zijn die gezien hun opleiding of werkervaring de functie bij de werkgever zouden kunnen uitoefenen, dient het UWV deze weigeringsgrond toe te passen.”
9. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8 van de Wav zijn dwingend recht. Dit betekent dat de minister de aanvraag voor een gvva moet weigeren als een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wav van toepassing is. De tekst van deze bepalingen bieden geen ruimte om hiervan af te wijken.
Oordeel rechtbank
10. De rechtbank stelt voorop dat het advies van het UWV kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Wanneer de minister – zoals in een geval als dit – een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn besluitvorming van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om de inhoud of de conclusie daarvan in twijfel te trekken.
11. In dat wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.
Prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav)
12. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte in haar advies stelt dat voldoende personeel beschikbaar is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Eiseres vindt dat deze aanname geen stand houdt bij toetsing aan de feitelijke inzetbaarheid. Het overgrote deel van de personen uit de diverse uitkeringsregelingen beschikt niet over de benodigde diploma- en kwalificatievereisten, zoals relevante diploma’s, een geldige verklaring omtrent het gedrag, scholing of beheersing van de Nederlandse taal. Scholingstrajecten vergen tijd en bieden geen oplossing voor acute personeelstekorten. Bovendien kunnen uitkeringsgerechtigden niet worden verplicht om in de zorgsector te werken. Zij hebben een vrije arbeidskeuze. Eiseres wijst verder erop dat er structurele en oplopende personeelstekorten zijn in de zorg. Het UWV heeft daarnaast niet onderbouwd hoe uitkeringsgerechtigden zonder zorgopleiding of taalvaardigheid reëel inzetbaar zijn. Eiseres stelt dat het UWV zich op een theoretische beschikbaarheid baseert, terwijl gekeken moet worden naar de feitelijke en reële mogelijkheden. Het advies van het UWV is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en kan daarom volgens eiseres het bestreden besluit niet dragen.
13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor de beoogde functie prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In het advies van het UWV van 25 november 2025 is vermeld dat op dat moment landelijk 809 – en ten tijde van het verweerschrift van 18 mei 2026 811 – werkzoekenden stonden ingeschreven voor de functie “verzorgende IG”. De minister mocht volstaan met die vaststelling. Uit de in rechtsoverweging 8 opgenomen memorie van toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav volgt al dat het UWV niet (meer) hoeft aan te tonen dat dit aanbod van werkzoekenden concreet voor eiseres geschikt en beschikbaar is.Zoals vaker overwogenis ook sprake van prioriteitgenietend aanbod indien werkzoekenden na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen.
Voldoende inspanningen (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav)
14. Eiseres stelt zich op het standpunt aantoonbare en voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd door onder meer te werven via Facebook, (V)KP/(V)PK vacaturebanken, Werk.nl, regionale zorgplatforms, opleidings- en samenwerkingspartners, de gemeente, het UWV, Instagram en LinkedIn. Eiseres betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze inspanningen niet voldoen zijn en welke aanvullende werving redelijkerwijs nog verlangd kan worden van haar. Eiseres wijst daarbij op de structurele krapte in de zorg. Zij vindt dat het UWV een te formalistisch standpunt inneemt door aan haar tegen te werpen dat de vacatureteksten niet volledig zijn bijgevoegd en daaruit vervolgens af te leiden dat haar wervingsinspanningen onvoldoende zijn. Eiseres voert aan dat het gaat om standaard vacatureteksten die binnen de zorgsector algemeen worden gebruikt en waaruit ondubbelzinnig blijkt dat wordt gezocht naar zorgpersoneel. De inhoud van de teksten is niet maatgevend. Volgens eiseres dient doorslaggevend te zijn of en waar is geworven en met welk bereik. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar overgelegde wervingsbewijzen onvoldoende zijn. Eiseres vindt verder dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de wervingsinspanningen geen rekening mag worden gehouden met een taalbarrière en de vraag of niet-Nederlandstalig personeel in de zorgsector kan worden ingezet. Dit standpunt miskent volgens eiseres de feitelijke zorginhoudelijke realiteit en haar wettelijke plicht om zorg te verlenen met inzet van deskundig en bekwaam zorgpersoneel. Eiseres wijst op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg op grond waarvan zij slechts personeel kan inzetten dat beschikt over de juiste competenties, waaronder adequate communicatieve vaardigheden. Met name in de ouderenzorg is daarbij beheersing van de Nederlandse taal essentieel, aldus eiseres.
15. Dit betoog kan eiseres ook niet baten. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft in zijn advies op goede gronden als uitgangspunt genomen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om haar vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod en dat daarbij slechts de wervingsinspanning in de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van belang zijn, te weten de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025. Het UWV heeft na een grondig onderzoek van het door eiseres overgelegde bewijs vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat zij in de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025 ook heeft geworven via LinkedIn en diverse vacaturesites is – zonder verdere onderbouwing – onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat de inhoud van de vacaturetekst niet maatgevend is, kan geen doel treffen. Het UWV stelt zich op goede gronden op het standpunt dat met het ontbreken van die vacaturetekst niet te controleren is of eiseres een normaal uurloon had aangeboden. Het UWV heeft eiseres daarnaast terecht tegengeworpen dat ook vast is komen te staan dat naar aanleiding van de wervingsinspanningen van eiseres zich geïnteresseerden hebben gemeld bij haar, maar dat niet duidelijk is geworden waarom deze kandidaten ongeschikt waren voor het vervullen van de functie van “verzorgende IG”.
16. Uit rechtsoverwegingen 13. en 15. volgt dat minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wav van toepassing zijn, zodat hij gehouden is de gevraagde ggva te weigeren.
Belangenafweging, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel
17. Eiseres betoogt dat de afwijzing van haar aanvraag berust op een nationaalrechtelijke beoordelingsbevoegdheid en dat geen sprake is van dwingend voorgeschreven bepalingen uit het Unierecht. Dit betekent volgens eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn. Door vrijwel integraal het UWV-advies te volgen zonder zelfstandige toetsing en zonder expliciete afweging van de door eiseres aangevoerde feiten en belangen heeft de minister het motiverings- en evenredigheidsbeginsel geschonden. Dit klemt volgens eiseres temeer, nu het UWV in het advies van 25 november 2025 expliciet heeft aangegeven dat zij het loon op de juiste manier heeft nabetaald aan de vreemdeling en dat dit punt ook niet langer aan haar wordt tegengeworpen. Door deze erkenning niet zelfstandig mee te wegen en niet expliciet te motiveren waarom dit desondanks niet tot een ander besluit leidt, heeft de minister volgens eiseres niet voldaan aan zijn motiveringsplicht. Verder voert eiseres aan dat de afwijzing van de aanvraag zeer zware gevolgen heeft voor de vreemdeling vanwege het verlies van inkomen, bestaanszekerheid en verblijfsperspectief. Ook heeft het afwijzende besluit onevenredige gevolgen voor eiseres en haar cliënten. De minister had deze belangen volgens eiseres kenbaar moeten meewegen en tot de conclusie moeten komen dat de afwijzing van haar aanvraag niet evenredig is.
18. Dit betoog van eiseres kan geen doel treffen. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8, eerste lid, van de Wav zijn dwingend geformuleerd. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging 9. laat de tekst van deze wettelijke voorschriften de minister geen ruimte om daarvan af te wijken. De Wav is bovendien een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze wet daarom, zoals ter zitting ook al voorgehouden aan eiseres, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De essentie van de dwingend geformuleerde bepaling van artikel 8, eerste lid, van de Wav is dat een gvva moet worden geweigerd als één van de in dat artikellid opgenomen weigeringsgronden zich voordoet. De striktheid van deze bepaling kan de wetgever niet zijn ontgaan. Daarbij is bovendien nog van belang dat de wetgever – zoals volgt uit de in rechtsoverweging 8. opgenomen memorie van toelichting – bij de totstandkoming van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod in het licht van de doelstelling van de Wav moet worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond.
Gelijkheidsbeginsel
19. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat een bij haar vertrokken medewerker wel een gvva heeft gekregen voor het verrichten van vergelijkbaar werk bij een grotere zorginstantie. Ook heeft eiseres gesteld dat een grotere groep buitenlandse zorgprofessionals een vergunning heeft gekregen binnen de Nederlandse zorgsector.
20. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiseres heeft met haar niet nader onderbouwde of geconcretiseerde stellingen aannemelijk gemaakt dat sprake is van vergelijkbare gevallen. Het UWV heeft ter zitting bovendien toegelicht dat in de situatie dat een desbetreffende werkgever – anders dan gedaan door eiseres – met diverse bewijsmiddelen aantoont voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd, het UWV in dat geval tegenbewijs aanneemt voor de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod voor de desbetreffende functie op dat moment.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.I. van der Wijngaart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
TK, 2012-2013, 33 475, nr. 3, blz. 5 en 12.
Zie bijvoorbeeld uitspraken van 27 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2659, en 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.
Vgl. de uitspraak van 26 april 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1236.
Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 18 van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7575.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.