ECLI:NL:RBDHA:2026:18705
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10358
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Algerijnse nationaliteit,V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 februari 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Volgens rechtspraak van de Afdelingmoet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.3.1.. Op 25 maart 2026 heeft de minister de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank vervolgens op 16 juni 2026 meegedeeld dat eiser hem heeft laten weten dat hij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep wenst. Op de vraag van de rechtbank of de gemachtigde op dit moment nog contact heeft met eiser, heeft de gemachtigde op 29 juni 2026 als volgt gereageerd: “Op dit moment kan ik geen contact krijgen met eiser. Eerder liet hij mij weten wel een inhoudelijk oordeel te wensen op zijn beroep.”
3.2.. Uit de berichten van de gemachtigde blijkt niet dat hij na de MOB-melding of recent nog contact heeft gehad met eiser. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.