Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18729

Instanță

Groningen

Data

8 July 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.36442
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van (gestelde) Libische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).

Procesverloop

1. De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.

1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Standpunten eiser

4. Eiser voert aan dat hij gemotiveerd is om terug te keren naar Marokko. Zo heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 28 april 2026 zijn juiste personalia gegeven en tijdens het vertrekgesprek van 4 juni 2026 aangegeven dat hij terug wil keren naar zijn moeder die op leeftijd is. Niet is gebleken dat inmiddels een reisdocument is afgegeven en staat ook geen presentatie of telefonische afspraak gepland. Daarnaast is niet op zaaksniveau gerappelleerd, maar zijn enkel algemene schriftelijke rappellen verstuurd. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort, een identiteitskaart en een vrijwilligersbrief overgelegd. Deze documenten zijn weliswaar doorgestuurd naar de Marokkaanse vertegenwoordiging, maar de minister neemt verder een afwachtende houding aan. De minister handelt dan ook onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.

Beoordeling rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit zowel de stukken in het dossier als de daarop door de minister ter zitting gegeven toelichting blijkt dat op 10 juli 2026 een telefonische presentatie met de Marokkaanse autoriteiten staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank dient de minister in de gelegenheid te worden gesteld om de resultaten hiervan af te wachten.

5.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de minister driemaal schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 26 juni 2026. Daarnaast heeft op 1 juni 2026 en 6 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.

5.3..

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vreemdelingenwet 2000.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).

Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).

Mai Multe Decizii