[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-5069":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-5069":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1243","ECLI:NL:RBDHA:2026:5069","",58,"Den Haag","den-haag","2026-03-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684899 \u002F HA ZA 25-405\n\nVonnis van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Utrecht, 2. FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leeuwarden, 3. ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden, 4. INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V. te Leiden,\n\neiseressen,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: ‘de verzekeraars’,\n\nadvocaat: mr. F.E. Rijpkema,\n\nDe zaak is voor de verzekeraars inhoudelijk behandeld door mr. Rijpkema voornoemd en mr. A.C. van der Salm.\n\ntegen\n\n1. SION ZORG B.V.te Almere,\n\nadvocaat: mr. R. Zwiers,\n\n2. [bestuurder 1]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. R. Zwiers,\n\nen;\n\n3. [commissaris 1]te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer, 4. [bestuurder 2]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer, 5. [commissaris 2]te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. H.W.E. Vermeer,\n\ngedaagden,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: ‘Sion’, ‘Bestuurder 1’, ‘Commissaris 1’, ‘Bestuurder 2’ en ‘Commissaris 2’ en gezamenlijk ‘Sion c.s.’.\n\n1. Inleiding\n\n1.1.. De verzekeraars zijn zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij sluiten als zorgverzekeraar in gezamenlijkheid overeenkomsten met zorgaanbieders.\n\n1.2.. Sion is een zorgaanbieder die (onder meer) wijkverpleging aanbiedt. Bestuurder 1 is de huidige bestuurder van Sion. Bestuurder 2 is bestuurder van Sion geweest. Commissaris 1 en Commissaris 2 zijn commissarissen geweest bij Sion.\n\n1.3.. De verzekeraars en Sion hebben een betaalovereenkomst gesloten voor het jaar 2017 (hierna: de Betaalovereenkomst). Sion heeft uit hoofde van de Betaalovereenkomst voor het jaar 2017 voor een bedrag van € 4.143.669,24 aan declaraties ingediend bij de verzekeraars, die zij aan Sion hebben betaald. In 2019 wilden de verzekeraars onderzoeken of voornoemde gedeclareerde zorg feitelijk was geleverd en of op vergoeding van feitelijk geleverde zorg aanspraak bestond.\n\n1.4.. De verzekeraars vorderen in deze procedure terugbetaling van het door hen over 2017 aan Sion betaalde bedrag, omdat zij menen dat Sion hen niet in staat heeft gesteld de rechtmatigheid van de declaraties vast te stellen en zij er daarom vanuit gaan dat voor betaling van de declaraties geen grond bestond. De verzekeraars stellen dat de (oud)bestuurders en twee van de drie (oud)commissarissen van Sion mede gehouden zijn de door het handelen van Sion veroorzaakte schade te vergoeden, omdat hen ten aanzien daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Sion c.s. heeft dit betwist.\n\n1.5.. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzekeraars terecht hebben willen onderzoeken of over 2017 aanspraak bestond op vergoeding van feitelijk geleverde zorg. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele en wettelijke verplichtingen door niet (voldoende) mee te werken aan dit (materiële) onderzoek. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hun taken ernstig hebben verwaarloosd, met als gevolg dat Sion declaraties heeft ingediend terwijl niet kan worden vastgesteld dat aanspraak bestond op vergoeding daarvan. Van deze gang van zaken binnen Sion kan hen persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Sion c.s. is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van onverschuldigd betaalde declaraties aan de verzekeraars, althans voor vergoeding van de door dit een en ander veroorzaakte schade.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingen van 22 april 2025 en 23 april 2025, zonder producties;\n\nde akte overlegging producties van de verzekeraars, met producties 1 tot en met 29;\n\nde conclusie van antwoord van Sion en Bestuurder 1, zonder producties;\n\nde conclusie van antwoord van Commissaris 1, Bestuurder 2 en Commissaris 2, zonder producties;\n\nhet tussenvonnis van 24 september 2025, waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde akte houdende eiswijziging van 4 december 2025, met producties 30 tot en met 33.\n\n2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Partijen, behalve Commissaris 2 die niet is verschenen, en hun advocaten hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken.\n\n2.3.. Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Sion is opgericht bij notariële akte van oprichting van 9 september 2016. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 zijn daarbij benoemd tot bestuurders van Sion.\n\n3.2.. Sion heeft volgens haar omschrijving bij de Kamer van Koophandel als activiteit:\n\n“a. het (doen) verlenen van zorg en welzijn, waaronder het verzorgen van de huishouding, persoonlijke verzorging, begeleiding, verpleging en\u002Fof behandeling en het bieden van verblijf al dan niet op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de Wet Langdurige Zorg, de Zorgverzekeringswet en eventueel opvolgende wetten; b. het beheren en exploiteren van een (zorg)instelling die is toegelaten conform de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi).”\n\n3.3.. Commissaris 1, Commissaris 2 en mevrouw [naam] zijn per datum oprichting van Sion aangesteld als commissarissen.\n\nDe Betaalovereenkomst\n\n3.4.. De verzekeraars hebben voor het jaar 2017 de Betaalovereenkomst gesloten met Sion. De Betaalovereenkomst luidt als volgt, voor zover hier relevant:\n\n“Betaalovereenkomst Wijkverpleging 2017\n\nPartijen:\n\n(…)\n\nKomen overeen dat de zorgaanbieder declaraties met betrekking tot Wijkverpleging die zijn uitgevoerd bij verzekerden van Zilveren Kruis rechtstreeks bij Zilveren Kruis [kan] aanleveren. Deze rechtstreekse aanlevering en uitbetaling is slechts mogelijk indien de zorgaanbieder voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in de betaalovereenkomst en het declaratieprotocol.\n\n(…).\n\nDefinities\n\nZorgverzekeraarde verzekeringsonderneming(en) die als zodanig zijn toegelaten en verzekeringen in de zin van de Zorgverzekeringwet aanbieden en\u002Fof de verzekeraar die (een) aanvullende verzekering(en) op die zorgverzekering aanbied(t)(en) en die deze overeenkomst (is) (zijn) aangegaan.\n\n(…).\n\nZorgaanbiederde natuurlijke of rechtspersoon die zorg verleent in de zin van de Zorgverzekeringswet en die geen zorgcontract heeft gesloten met Achmea dan wel degene die namens de natuurlijke of rechtspersoon deze zorg bij Achmea declareert en waar een betaalovereenkomst mee is afgesloten\n\n(…).\n\nMateriële controlede controle waarbij nagegaan wordt of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en die geleverde prestatie uit het oogpunt van doelmatigheid en rechtmatigheid daarop naar aard en inhoud en omvang redelijkerwijze het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van verzekerde.\n\n(…).\n\nArtikel 1 Inhoud van de overeenkomst\n\nPartijen hebben afgesproken dat de zorgaanbieder, ondanks dat er geen inhoudelijke zorgovereenkomst is gesloten met de zorgverzekeraar, niettemin rechtstreeks declaraties kan en mag indienen bij Zilveren Kruis vanaf 01-01-2017.\n\n(…).\n\nArtikel 2 Declaratieafspraken\n\nDe specifieke bepalingen omtrent declaraties en betalingen zijn verder uitgewerkt in het declaratieprotocol Zilveren Kruis. Het meest recente declaratieprotocol kunt u downloaden (…).\n\nDeze betaalovereenkomst is van toepassing op behandelingen die zijn gestart in 2017. Zorgverlening aan de verzekerde die valt binnen zijn of haar verzekering leidt tot het ontstaan van een rechtstreekse schuld van Zilveren Kruis aan de zorgaanbieder.\n\n(…).\n\nIndien de zorgaanbieder een declaratie heeft ingediend voor niet verzekerden en\u002Fof onrechtmatige zorgverlening dan komt de nota niet voor vergoeding in aanmerking. Een reeds betaalde nota zal worden teruggevorderd (…).\n\nArtikel 3 Kwaliteit\n\nDe instelling dient overeenkomstig de Wet Toelating Zorginstellingen te zijn toegelaten en draagt er zorg voor dat de zorg alleen door haar zelf geleverd wordt met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving waaronder begrepen (…).\n\nDe geleverde zorg waarvan de instelling uitbetaling vraagt dient verzekerde zorg te zijn conform de polisvoorwaarden van de verzekerde. Alleen die verzekerde zorg komt voor uitbetaling in aanmerking. Dit betekent onder meer dat de geleverde zorg rechtmatig en doelmatig dient te zijn en conform de stand van wetenschap en praktijk. Ook de overige polisvoorwaarden, zoals (…), zijn van toepassing. De instelling dient dus kennis te dragen van de voor de betreffende verzekerde geldende polisvoorwaarden en deze gelden onverkort voor de declaraties en uitbetalingen onder deze overeenkomst.\n\nArtikel 4 Controle\n\nPartijen verschaffen elkaar alle inlichtingen die zij redelijkerwijs nodig hebben voor een inzicht in de nakoming van hun in deze overeenkomst aangegane verplichtingen.\n\nZilveren Kruis voert formele en materiele controle en fraudeonderzoek uit overeenkomstig de regels zoals gesteld bij of krachtens de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet Bescherming Persoonsgegevens, de Zorgverzekeringswet, de Regeling zorgverzekering. Daarnaast controleert Zilveren Kruis op de geleverde zorg die zijn grondslag vindt in de aanvullende verzekering(en).\n\n(…).\n\nArtikel 5 Te nemen maatregelen bij uitkomsten controle\n\n1. Afhankelijk van de ernst en zwaarte van het geconstateerde feit kan Zilveren Kruis overwegen één of meer van de volgende acties te nemen (deze opsomming is niet limitatief):\n\n(…).\n\n Het terugvorder[en] van (een deel van) het bedrag aan onrechtmatig en\u002Fof ondoelmatig bestempelde declaraties en de onderzoekskosten (…) - een en ander door Zilveren Kruis te bepalen – al dan niet via verrekening met nog openstaande dan wel toekomstige declaraties. Voor de termijn waarbinnen de terugvordering wordt ingesteld wordt aangesloten bij het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek.\n\n (…).”3.5.. Sion heeft over het jaar 2017 voor een bedrag van € 4.143.669,24 aan declaraties ingediend bij de verzekeraars en de verzekeraars hebben deze declaraties aan Sion betaald.\n\n3.6.. Per 1 januari 2019 is Bestuurder 2 afgetreden als bestuurder van Sion.\n\n3.7.. In een ‘Specifiek Controleplan Materiële Controle Sion Zorg B.V.’ (hierna: het Controleplan) van 15 april 2019 hebben de verzekeraars aan Sion geschreven dat zij is geselecteerd voor een materiële controle, omdat niet zeker is of de zorg die Sion over 2017 heeft gedeclareerd, rechtmatig is. De verzekeraars hebben alle declaraties van alle (wijk)zorgaanbieders over 2017 gecontroleerd. De door Sion ingediende declaraties zijn daarbij opgevallen, omdat uit een risicoanalyse blijkt dat Sion (i) ten opzichte van het landelijke gemiddelde 3,4 zoveel heeft gedeclareerd en (ii) voor € 25.030,50 aan dubbele prestaties heeft gedeclareerd.\n\na. De verzekeraars willen een materiële controle uitvoeren naar de rechtmatigheid van de gedeclareerde prestaties, omdat zij wettelijk verplicht zijn om te controleren of:\n\ni) de gedeclareerde prestatie daadwerkelijk is geleverd (feitelijke levering) en;\n\nii) de geleverde zorg het meest aangewezen is gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde (terechte levering).\n\nOm de rechtmatigheid van de controlepunten feitelijkeenterechtelevering vast te kunnen stellen, willen de verzekeraars beoordelen of voor elke cliënt een actueel en volledig zorgdossier beschikbaar is dat voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Als dit niet het geval is, leidt dit geheel of gedeeltelijk tot de beoordeling ‘onrechtmatig’.\n\n De materiële controle begint met een procesgesprek met de bestuurder(s) van Sion. De verzekeraars nodigen Sion daarvoor uit en verzoeken haar voorafgaand aan dit gesprek de Administratieve Organisatie \u002F Interne controle(hierna: AO\u002FIC) op te sturen, zodat de verzekeraars een goed beeld hebben van de structuur en de processen binnen Sion.\n\n In het Controleplan is een stroomschema opgenomen waaruit blijkt welke mogelijke vervolgstappen er zijn. De verzekeraars bevestigen dat er hoor en wederhoor zal zijn en dat de controle zal worden afgerond met hun definitieve bevindingen, met vermelding van de eventuele (financiële) gevolgen van de controle.\n\n De verzekeraars geven achtergrondinformatie en leggen uit waarom de rechtmatigheid wordt beoordeeld aan de hand van (inzage in) de cliëntendossiers: daarin staan de afspraken tussen Sion en de cliënt over de te leveren zorg, hoe die zorg door Sion wordt geleverd en of Sion die acties werkelijk heeft uitgevoerd. Er zal een detailcontrole worden uitgevoerd als de verzekeraars na het procesgesprek onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en\u002Fof terechte levering.\n\n De verzekeraars wijzen erop dat zij de privacy van de cliënten van Sion garanderen, omdat voor hun medewerkers het beroepsgeheim van de medisch adviseur geldt en dat Sion is verschoond van het medisch beroepsgeheim en zonder toestemming van de cliënt inzage kan geven in delen van het patiëntendossier die relevant zijn voor het controledoel op grond van (onder meer) artikel 86 tot en met 93a Zvw. De verzekeraars houden zich aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens en zullen zo min mogelijk persoonsgegevens gebruiken voor de controle, aldus steeds de verzekeraars in het Controleplan.\n\n3.8.. Op 30 april 2019 is Commissaris 1 afgetreden als commissaris van Sion.\n\n3.9.. Op 8 mei 2019 is Commissaris 2 afgetreden als commissaris van Sion.\n\n3.10.. Op 9 mei 2019 heeft het procesgesprek plaatsgevonden. Bestuurder 1 is als bestuurder van Sion bij dit gesprek aanwezig geweest. Sion heeft de AO\u002FIC niet van tevoren aan de verzekeraars opgestuurd.\n\n3.11.. Bij brief van 28 mei 2019 aan Sion hebben de verzekeraars geschreven dat het procesgesprek onvoldoende zekerheid biedt over de feitelijke en terechte levering van de declareerde zorg. De verzekeraars schrijven onder meer aan Sion dat:\n\nSion niet beschikt over de vereiste AO\u002FIC;\n\nonduidelijk is wie de te declareren uren registreert;\n\nonvoldoende zeker is of de vereiste indicaties op juiste wijze worden vastgesteld;\n\nSion niet heeft aangetoond dat zij controles uitvoert of beheersmaatregelen treft;\n\ngeïndiceerde zorg wordt gedeclareerd in plaats van de feitelijk geleverde zorg;\n\ner twijfel bestaat over de actualiteit van de indicaties;\n\nde wijze van rapporteren zorgt voor twijfel over de actualiteit en volledigheid;\n\nonvoldoende zeker is of Sion toetst of de geleverde zorg nog past bij de cliënt;\n\nDe verzekeraars schrijven verder dat het afwijkende declaratiegedrag van Sion na het procesgesprek nog onvoldoende is verklaard. Bestuurder 1 heeft tijdens het procesgesprek verteld dat het afwijkende declaratiegedrag mogelijk wordt veroorzaakt door slechts een paar van de 62 onderaannemers waarvoor Sion declaraties heeft ingediend. Daarom verzoeken de verzekeraars Sion om in een beveiligd portaal per cliënt in te vullen welke onderaannemer heeft gedeclareerd, zodat het onderzoek zich kan richten op zorg die is verleend door bepaalde zorgverleners.\n\n3.12.. Uit de daarop volgende correspondentie in de periode van 2 juni 2019 tot en met 7 augustus 2019 volgt dat:\n\nSion onderkent dat zij gehouden is mee te werken aan een materiële controle, maar zich op het standpunt stelt dat de verzekeraars hun controledoelen zo nauwkeurig mogelijk moeten vaststellen en alleen gericht informatie mogen opvragen. Sion wil weten wat de cijfermatige indicatoren waren die aanleiding gaven voor onderzoek en of sprake is van een structureel patroon of van incidentele uitschieters. De verzekeraars moeten eerst specifiek aangeven welke declaraties aanleiding geven voor onderzoek en mogen slechts naar die declaraties onderzoek doen, aldus Sion en;\n\nde verzekeraars onder verwijzing naar het Controleplan hebben toegelicht, althans hebben herhaald, dat (en waarom) Sion volgens hen de gevraagde informatie behoort te verstrekken.\n\n3.13.. Sion heeft niet gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars en heeft geen lijst verstrekt waarop per cliënt is aangegeven welke onderaannemer zorg heeft geleverd.\n\n3.14.. Bij brief van 21 augustus 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij zullen overgaan tot dossiercontrole op basis van een aselecte steekproef. Omdat Sion de verzekeraars niet in staat heeft gesteld het onderzoek te richten op bepaalde onderaannemers, zullen de verzekeraars geen rekening houden met de vraag welke zorgaanbieder zorg heeft verleend.\n\n3.15.. Op 26 augustus 2019 heeft Sion herhaald dat de verzekeraars eerst moeten aangeven welke specifieke declaraties de aandacht hebben getrokken. Een dossiercontrole op basis van een steekproef is niet representatief en de conclusie die daaruit volgt zal op voorhand worden verworpen, aldus Sion.\n\n3.16.. Op 4 september 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij constateren dat Sion weigert mee te werken aan de materiële controle en Sion een laatste kans geboden om een lijst met onderaannemers aan te leveren, bij gebreke waarvan zij een eindconclusie zullen opstellen. In dat geval kan niet worden vastgesteld of de ingediende declaraties terecht zijn betaald en zal de hele omzet over 2017 (€ 4.143.669,24) worden teruggevorderd.\n\n3.17.. Bij brief van 3 oktober 2019 hebben de verzekeraars geschreven dat zij geen reactie hebben ontvangen en (dus) tot de conclusie komen dat zij onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en terechte levering van de door Sion gedeclareerde zorg over 2017. De verzekeraars beschouwen de omzet over 2017 van Sion als onrechtmatig en het bedrag van € 4.143.669,24 als onverschuldigd betaald. De verzekeraars herhalen dat zij hun wettelijke controleplicht uitvoeren en dat Sion verplicht is een administratie te voeren waaruit blijkt welke zorg er is geleverd, aan wie en wanneer. Omdat de verzekeraars niet met zekerheid kunnen vaststellen dat de zorg rechtmatig is geleverd, betekent dit dat het gaat om onterecht uitbetaalde zorg en daarom zullen zij dat wat onverschuldigd is betaald verhalen op Sion. De verzekeraars vragen om een reactie uiterlijk op 17 oktober 2019.\n\n3.18.. Bij brief van 18 oktober 2019 aan Sion hebben de verzekeraars terugbetaling gevorderd van Sion van een bedrag van € 4.143.669,24.\n\n3.19.. Op 3 januari 2020 heeft Sion aan de verzekeraars geschreven dat zij de vordering verwerpt, omdat de verzekeraars niet hebben vastgesteld en niet voldoende zorgvuldig hebben onderzocht of de zorg door de onderaannemers van Sion werkelijk en deugdelijk is geleverd. De gedeclareerde diensten zijn geleverd en voldoen aan de eisen, aldus Sion.\n\n3.20.. Bij brief van 7 oktober 2022 hebben de verzekeraars Sion gesommeerd een bedrag van € 4.143.669,24 terug te betalen. Sion heeft dit niet gedaan.\n\n3.21.. Op 17 augustus 2023 heeft de Inspectie Gezondheidszorg (‘IGJ’) een inspectiebezoek gebracht aan Sion. De reden hiervoor was dat Sion in een steekproef viel voor toezicht op zeer kleine zorgaanbieders van wijkverpleging. In het rapport van november 2023 staat dat de inspecteurs hebben getoetst of Sion zorg levert volgens de toepasselijke wetgeving, professionele standaarden, veldnormen en het kwaliteitskader en dat zij daarom gesprekken hebben gevoerd met de bestuurder, drie zorgverleners, één cliënt en twee mantelzorgers en inzage hebben gehad in drie zorgdossiers en beleidsdocumenten. De inspecteurs stellen vast dat er bij Sion 6 zorgverleners beschikbaar zijn als zzp’er, waaronder de bestuurder zelf, en dat Sion op de bezoekdag zorg heeft geleverd aan 4 cliënten die zorg ontvangen vanuit de Zvw. Vanaf juni 2023 is het aantal cliënten afgenomen van 23 naar 4. De IGJ concludeert onder meer dat:\n\nSion niet voldoet aan de getoetste normen;\n\nde kwaliteit en veiligheid van de zorg risicovolle tekortkomingen laat zien;\n\nde inspectie geen vertrouwen heeft in de wijze waarop Sion stuurt op de kwaliteit en veiligheid van zorg;\n\nactuele zorgbehoeften van cliënten niet goed in beeld zijn;\n\ner onvoldoende zorgverleners zijn om de continuïteit van zorg zorgvuldig te organiseren;\n\ner ongeldige indicaties aanwezig zijn;\n\nzorgverleners niet zelf over de zorgverlening bij de cliënten rapporteren, maar dat de bestuurder dit doet;\n\nrapportages over zorgmomenten nagenoeg gelijk zijn.\n\n3.22.. Bij afzonderlijke deurwaardersexploten van 29 april 2024, 13 mei 2024 en 1 augustus 2024 hebben de verzekeraars de brief van 7 oktober 2022 (r.o. 3.20) laten betekenen aan Sion en haar (oud)bestuurders en -commissarissen. Daarbij is aan hen meegedeeld dat Sion zorg in rekening heeft gebracht, terwijl geen recht op vergoeding daarvan bestond en dat de (oud)bestuurders verwijtbaar hebben gehandeld door Sion er niet van te weerhouden declaraties in te dienen waarop geen aanspraak bestond. De verzekeraars stellen Sion c.s. hiervoor persoonlijk aansprakelijk en sommeren hen om € 4.143.669,24 te voldoen.\n\n3.23.. Bij brief van 26 mei 2024 heeft Bestuurder 1 geschreven dat haar niets kan worden verweten en dat zij bereid is alsnog informatie te verstrekken.\n\n3.24.. Bij e-mailbericht van 18 juni 2024 hebben de verzekeraars Bestuurder 1 verzocht de gevraagde gegevens binnen één week te verstrekken. Omdat Bestuurder 1 laat weten meer tijd nodig te hebben, wordt deze termijn verlengd naar 5 juli 2024.\n\n3.25.. Bij e-mailbericht van 1 juli 2024 aan de verzekeraars heeft Bestuurder 1 geschreven dat zij toch niet in staat is de gevraagde informatie aan te leveren. Dit omdat documenten verloren zijn gegaan door wateroverlast en haar medebestuurder bij haar vertrek documenten heeft meegenomen. Bestuurder 1 schrijft dat het (digitale) systeem inmiddels is afgesloten en dat zij DinZheeft gevraagd informatie over de onderaannemers terug te halen en aan haar toe te sturen.\n\n3.26.. Sion (althans Bestuurder 1 namens Sion) heeft de verzekeraars niet voorzien van informatie. De verzekeraars hebben ook niets vernomen van Bestuurder 2 en\u002Fof Commissaris 1 en Commissaris 2.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De verzekeraars vorderen na eiswijziging, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Sion c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de verzekeraars van:\n\nprimair een bedrag van € 4.143.669,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de datum van algehele voldoening;\n\nsubsidiair een bedrag van € 2.924.942,99 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot de datum van algehele voldoening,\n\nmet veroordeling van Sion c.s. in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis.\n\n4.2.. De verzekeraars leggen het volgende aan de vordering ten grondslag. Op grond van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schiet Sion tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de Betaalovereenkomst door niet mee te werken aan een materiële controle en geen informatie te verschaffen, terwijl zij daartoe (ook wettelijk) gehouden is. De verzekeraars kunnen niet vaststellen dat Sion over het jaar 2017 aanspraak had op de betaalde declaraties. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat die aanspraak niet bestond. Dit betekent dat de verzekeraars onverschuldigd hebben betaald aan Sion (artikel 6:203 BW). Sion heeft daarnaast onrechtmatig gehandeld door zorg in rekening te brengen waarvan zij wist of behoorde te weten dat zij geen aanspraak had op de betaling van de betreffende declaraties (artikel 6:162 BW). De (oud)bestuurders en -commissarissen van Sion hebben hun taak zodanig onzorgvuldig vervuld, dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 6:162 BW en\u002Fof artikel 6:166 lid 1 BW jo artikel 2:9 BW). Sion c.s. is hoofdelijk gehouden het door de verzekeraars onverschuldigd aan Sion betaalde bedrag terug te betalen, althans de door de verzekeraars geleden schade te vergoeden.\n\n4.3.. Sion c.s. voert verweer. Sion en Bestuurder 1 concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de verzekeraars in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de verzekeraars in de kosten van deze procedure (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente. Subsidiair concluderen zij tot matiging van de gevorderde bedragen. Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de verzekeraars in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nGeen verjaring\n\n5.1.. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben, als meest verstrekkende verweer, een beroep gedaan op verjaring van de rechtsvorderingen van de verzekeraars jegens hen. De rechtbank zal hier eerst op ingaan.\n\n5.2.. Sion onderkent dat de verjaringstermijn van de vordering van de verzekeraars op haar is aangevangen per 15 april 2019 en is gestuit op 7 oktober 2022 en 29 april 2024. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 voeren aan dat de betalingen in 2017 zijn verricht en er vijf jaren waren verstreken op het moment dat de onderhavige procedure jegens hen werd gestart.\n\n5.3.. Het beroep op verjaring slaagt niet. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 BW geldt voor de vordering uit onverschuldigde betaling, voor zover het verjaringsberoep ook hier betrekking op heeft, dat de verjaringstermijn pas aanvangt als de schuldeiser bekend is met het bestaan van de vordering. Uit artikel 3:310 BW volgt dat de verjaring van een vordering tot betaling van schadevergoeding pas aanvangt als de schuldeiser bekend is met de schade. Gesteld noch gebleken is dat de verzekeraars eerder bekend zijn geraakt met het feit dat de declaraties over 2017 niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, dan bij het onderzoek dat is aangevangen in april 2019. Gedurende dit onderzoek zijn de verzekeraars tot de conclusie gekomen dat zij onvoldoende zekerheid hebben over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde zorg en dus dat zij een vordering op Sion hebben uit onverschuldigde betaling, dan wel dat zij schade hebben geleden. Dit hebben zij op 3 oktober 2019 aan Sion gemeld, waarna zij op 18 oktober 2019 terugbetaling hebben gevorderd van het bedrag van € 4.143.669,24 (r.o. 3.17 en 3.18). Ervan uitgaande dat de verjaringstermijn is aangevangen op eerstgenoemde datum, was de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet verstreken op het moment dat de verzekeraars Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 aansprakelijk stelde in de periode van 29 april 2024 tot en met 1 augustus 2024 (r.o. 3.22). Dat Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 toen inmiddels uit functie waren, doet hier niet aan af. De gestelde aansprakelijkheid betreft immers feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in 2017, toen zij bestuurder respectievelijk commissarissen van Sion waren.\n\nSion had moeten meewerken aan het materiële onderzoek\n\n5.4.. De rechtbank komt nu toe aan de vraag of Sion voldoende heeft meegewerkt aan de materiële controle die de verzekeraars in 2019 wilden uitvoeren betreffende het jaar 2017.\n\n5.5.. In het kader van de uitvoering van de Zvw zijn zorgverzekeraars bevoegd en verplicht om, in overeenstemming met de bepalingen van de Zvw, het Besluit Zorgverzekering, de Regeling zorgverzekering (Rzv) en de Wet marktordening gezondheidszorg, onder meer materiële controles bij zorgaanbieders uit te voeren. Een materiële controle is een onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en of die geleverde prestatie het meest voor de hand lag, gelet op de gezondheidstoestand van de verzekerde. De controles dienen ertoe de rechtmatigheid en doelmatigheid van de door zorgverleners in rekening gebrachte prestaties te beoordelen.\n\n5.6.. Het uitvoeren van deze controletaak kan ertoe leiden dat een zorgverzekeraar persoonsgegevens (zoals patiëntgegevens) moet inzien. De bepalingen uit de Rzv (in het bijzonder artikel 7.5 tot en met 7.8 in combinatie met artikel 87 Zvw) geven zorgverzekeraars de volgens de Wet bescherming persoonsgegevens noodzakelijke juridische grondslag om formele en materiële controles uit te voeren ten behoeve van de in de Rzv opgenomen doelen. Daarnaast bieden deze bepalingen het noodzakelijke en wettelijke voorschrift voor de zorgverlener om het medische beroepsgeheim te doorbreken.\n\n5.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat Sion verplicht is om op verzoek van een zorgverzekeraar mee te werken aan een materiële controle. Het standpunt van Sion c.s. komt erop neer dat Sion heeft meegewerkt, althans dat zij pas volledige medewerking had hoeven verlenen aan het materiële onderzoek als de verzekeraars hun stelling dat sprake is van afwijkend declaratiegedrag nader hadden onderbouwd. Dit standpunt gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op.\n\n5.8.. In 2019 hebben de verzekeraars alle ingediende declaraties over het jaar 2017 van alle erkende instellingen met een Betaalovereenkomst Wijkverpleging, zoals Sion, gecontroleerd. In het kader van dit onderzoek is vastgesteld dat Sion ten opzichte van het landelijke gemiddelde 3,4 keer zoveel heeft gedeclareerd en voor € 25.030,50 aan dubbele prestaties heeft gedeclareerd. In het licht hiervan waren er naar het oordeel van de rechtbank voor de verzekeraars goede gronden om Sion om verduidelijking te vragen.\n\n5.9.. De verzekeraars hebben in het Controleplan:\n\neen controledoel opgenomen (controleren of de gedeclareerde zorg feitelijk en terecht is geleverd);\n\ngerefereerd aan een algemene risicoanalyse op basis waarvan het afwijkende declaratiegedrag van Sion is geconstateerd;\n\ntoegelicht dat Sion vanwege deze bevindingen is geselecteerd voor een materiële controle;\n\nuitgelegd dat de rechtmatigheid van declaraties wordt beoordeeld aan de hand van (inzage in) cliënten(zorg)dossiers, omdat daarin de afspraken tussen Sion en de cliënt staan over de te leveren zorg, hoe die zorg door Sion wordt geleverd en of Sion die afspraken werkelijk heeft uitgevoerd;\n\nSion erop gewezen dat tot onrechtmatigheid van declaraties kan worden geconcludeerd als de cliëntendossiers niet voldoen aan de eisen en;\n\naangekondigd dat er een detailcontrole zal worden uitgevoerd als na het procesgesprek onvoldoende zekerheid is over de feitelijke en\u002Fof terechte levering.\n\nNa het procesgesprek hebben de verzekeraars bevestigd dat er onvoldoende zekerheid was over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde zorg en Sion gevraagd het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Die verklaring is uitgebleven.\n\n5.10.. Met het voorgaande hebben de verzekeraars naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de toepasselijke wet- en regelgeving. Om voldoende zekerheid te verkrijgen als bedoeld in artikel 7.5 lid 1 Rzv stond het de verzekeraars op grond van de toepasselijke regelgeving vrij Sion vragen te stellen. Met de verzekeraars is de rechtbank van oordeel dat de door Sion aangevoerde verklaringen over de door haar ingediende declaraties in 2017, voor zover die wezenlijk zijn gegeven, niet bevredigend waren ter verklaring van het afwijkende declaratiegedrag. Daarvoor is het volgende relevant.\n\n5.11.. Omdat er voor de verzekeraars een concrete aanleiding was voor het instellen van een materieel onderzoek, waren zij zonder meer gerechtigd nadere informatie op te vragen bij Sion. Het lag dan ook op de weg van Sion om (inhoudelijk) te reageren op de bevindingen van de verzekeraars en het afwijkende declaratiegedrag te verklaren. Zij is daartoe meermaals in de gelegenheid gesteld, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Sion heeft immers niet voorafgaand aan het procesgesprek de opgevraagde AO\u002FIC verstrekt, heeft tijdens het procesgesprek geen afdoende antwoord gegeven op de vragen van de verzekeraars en heeft daarna niet inhoudelijk gereageerd op de bevindingen van de verzekeraars of ook maar een begin van inzicht in de achtergrond van haar declaraties gegeven. Al met al heeft Sion niet veel meer naar voren gebracht dan dat een vraag naar alle onderaannemers volgens haar niet relevant, althans niet gericht en zodoende niet gerechtvaardigd is. Met dit standpunt miskent Sion echter dat het aan de verzekeraars is om uitvoering te geven aan hun wettelijke taak en hun onderzoek in te richten zoals zij dat plegen te doen. Het standpunt van Sion gaat ook voor het overige niet op, omdat uit het Controleplan blijkt waar het materiële onderzoek op ziet en omdat de verzekeraars naar aanleiding van de toelichting van Bestuurder 1 (r.o. 3.11) hebben gevraagd om een overzicht van de onderaannemers en de door hen gedeclareerde zorg per verzekerde, zodat hun onderzoek zich kon richten op bepaaldezorgverleners.\n\n5.12.. Het betoog van Sion dat haar niet te verwijten valt dat zij niet volledig heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek omdat zij is gestuit op praktische belemmeringen zoals het vertrek van Bestuurder 2 en het niet kunnen verkrijgen van toegang tot relevante digitale bestanden waarin de onderaannemers hun prestaties hebben verantwoord, slaagt niet. Uit niets blijkt dat Sion werkelijk heeft willen meewerken aan het onderzoek van de verzekeraars. Sion heeft immers steeds niet inhoudelijk gereageerd op de berichten van de verzekeraars, ook niet nadat zij daarvoor een laatste kans had gekregen en zelfs niet nadat duidelijk werd dat haar mogelijk een zeer aanzienlijke vordering van € 4.143.669,24 boven het hoofd hing. Dat er in het geheel geen toegang was tot (relevante) informatie is ook niet aannemelijk. Per slot van rekening heeft de IGJ in 2023 wel inzage gehad in zorgdossiers en beleidsdocumenten en gesproken met onderaannemers en cliënten van Sion die de IGJ van informatie hebben voorzien (r.o. 3.21). Uit de correspondentie tussen Sion en de verzekeraars blijkt dat de verzekeraars zich in de periode na het bezoek van de IGJ, aan wie Sion inmiddels informatie had verschaft, wederom bereidwillig hebben getoond (r.o. 3.24), maar ook dat heeft Sion c.s. er niet toe kunnen bewegen om ook maar iets van informatie te verstrekken. Dat Sion haar 63 onderaannemers en DinZ heeft aangeschreven met het verzoek haar te helpen bij het vergaren van de door de verzekeraars verlangde informatie, zoals Sion heeft aangevoerd, blijkt ook niet uit het dossier. Sion c.s. heeft geen afschriften overgelegd van deze berichten of de reacties die hierop zouden zijn ontvangen. Kortom, ook in deze procedure blijven antwoorden van de zijde van Sion achterwege en biedt zij geen enkel inzicht in (de rechtmatigheid van) de door haar gedeclareerde zorg over 2017.\n\n5.13.. Bij deze stand van zaken kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat de verzekeraars terecht het standpunt hebben ingenomen dat zij vanwege het ontbreken van medewerking van Sion niet hebben kunnen vaststellen dat de over 2017 gedeclareerde (en uitbetaalde) zorg feitelijk en terecht is geleverd. De verzekeraars hebben Sion c.s. in gebreke gesteld en een redelijke termijn gegeven om alsnog haar verplichtingen na te komen. Hieraan is geen gehoor gegeven.\n\n5.14.. In de Betaalovereenkomst is overeengekomen dat:\n\nhet Sion is toegestaan onder de zorgverzekering gedekte zorg over 2017 rechtstreeks te declareren (artikel 1);\n\ndoor de verzekeraars verrichte betalingen kunnen worden teruggevorderd voor declaraties die Sion heeft ingediend voor niet-verzekerden en\u002Fof onrechtmatige zorgverlening die niet voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 2);\n\nSion zorg dient te leveren met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en dat dit verzekerde zorg moet zijn in de zin van de polisvoorwaarden (artikel 3);\n\ncontractspartijen elkaar alle inlichtingen verschaffen die zij redelijkerwijs nodig hebben voor (het verkrijgen van) inzicht in de nakoming van hun verplichtingen (artikel 4);\n\nde verzekeraars bevoegd zijn een materiële controle te verrichten (artikel 4);\n\nde verzekeraars (een deel van) het bedrag kunnen terugvorderen van declaraties die zij als onrechtmatig hebben bestempeld (artikel 5).\n\n5.15.. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de Betaalovereenkomst door ten onrechte niet (voldoende) mee te werken aan het materiële onderzoek, waartoe zij bovendien verplicht was op grond van de Zvw en Rzv. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de aanspraak op de door de verzekeraars aan haar betaalde zorgdeclaraties over 2017 in ieder geval voor een deel niet bestond en dat de verzekeraars over het jaar 2017 gedeeltelijk zonder rechtsgrond aan Sion hebben betaald. Uit de Betaalovereenkomst volgt immers uitdrukkelijk dat alleen declaraties kunnen worden ingediend voor zorg die voor vergoeding in aanmerking komt. Sion c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat het enkele feit dat zorg is gedeclareerd in strijd met de Betaalovereenkomst in beginsel voldoende is om de (betaling van) de betreffende declaraties terug te vorderen op basis van onverschuldigde betaling. Dit betekent dat de verzekeraars zich uit hoofde van onverschuldigde betaling kunnen verhalen op Sion. Voor welk bedrag de verzekeraars Sion kunnen aanspreken komt aan de orde in r.o. 5.36 e.v. hierna.\n\nDe verzekeraars kunnen zich ook verhalen op de twee (oud)bestuurders\n\n5.16.. De verzekeraars hebben betoogd dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 als bestuurders van Sion onrechtmatig jegens de verzekeraars hebben gehandeld. Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar wettelijke en contractuele verplichtingen en daarvan kan Bestuurder 1 en Bestuurder 2 volgens de verzekeraars persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben dat betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.17.. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er verschillende categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid te onderscheiden. Eén van de categorieën betreft de situatie dat een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Vereist is dat de bestuurder van de gang van zaken een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n5.18.. Als toegelaten instelling die gerechtigd was tot het leveren van zorg aan patiënten die hier op grond van de Wet langdurige zorg op aangewezen zijn, had Sion diverse verplichtingen. Naast het leveren van verantwoorde zorg en het systematisch bewaken van de kwaliteit van de verleende zorg, moest Sion onder meer een deugdelijke administratie voeren waaruit per patiënt blijkt welke verrichtingen zijn uitgevoerd. Ook moest Sion een toezichthoudend orgaan instellen en de toedeling van verantwoordelijkheden binnen Sion schriftelijk vastleggen. Verder gold de verplichting om alleen zorg te declareren ter zake waarvan aanspraak op betaling gemaakt kan worden.\n\n5.19.. Van een bestuurder van een professionele zorgaanbieder als Sion mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de verplichtingen die rusten op een toegelaten zorginstelling en van de voorwaarden waaronder de zorg kan worden gedeclareerd. Ook mag van een bestuurder van een zorgaanbieder worden verwacht dat hij zodanig zicht heeft op de bedrijfsvoering, de administratie en de declaraties, dat hierover deugdelijk verantwoording kan worden afgelegd als daarom wordt verzocht. Dit geldt bovenal nu de zorg wordt gefinancierd uit publieke middelen. Dit brengt mee dat een hoge mate van professionaliteit van bestuurders mag worden verwacht, zodat de zorg volgens de wettelijke en contractuele regels wordt uitgevoerd en de beperkte financiën doelmatig worden besteed.\n\n5.20.. De rechtbank is van oordeel dat Sion, ondanks voormelde (maatschappelijke) belangen, haar contractuele verplichtingen jegens de verzekeraars en haar wettelijke verplichtingen heeft geschonden (r.o. 5.15 en r.o. 5.18). Over het verwijt dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 kan worden gemaakt van de tekortkomingen van Sion overweegt de rechtbank als volgt.\n\n5.21.. Bestuurder 1 heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de door de onderaannemers in het administratieve systeem ingevoerde zorg bij de verzekeraars declareerde, zonder verdere controles uit te voeren. Verder is zij verschenen op het procesgesprek in mei 2019 en heeft zij gecorrespondeerd met de verzekeraars in verband met het materiële onderzoek dat de verzekeraars uitvoerden. Dat en op welke wijze Bestuurder 2 zich heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat Sion voldeed aan haar contractuele en wettelijke verplichtingen, is niet gesteld of gebleken.\n\n5.22.. Het lag op de weg van de bestuurders van Sion om ervoor te zorgen dat de door Sion ingediende declaraties in overeenstemming waren met de voorwaarden van de Betaalovereenkomst en dat tijdens de materiële controle de informatie zou worden aangeleverd die de zorgverzekeraars nodig hadden om de rechtmatigheid van de declaraties te kunnen controleren. Voor Bestuurder 1 moet duidelijk zijn geweest dat Sion door voormelde wijze van declareren van door onderaannemers ingevoerde zorg, geen zicht had op de juistheid en rechtmatigheid van die declaraties. Ook moet voor haar duidelijk zijn geweest dat het voor de verzekeraars door haar opstelling niet mogelijk was het materiële onderzoek uit te voeren. Bestuurder 2 is uit beeld gebleven en in januari 2019 afgetreden als bestuurder, terwijl uit haar toelichting ter zitting blijkt dat zij toen wist dat het onderzoek van de verzekeraars was aangekondigd. Ervan uitgaande dat Bestuurder 2 tot haar aftreden samen met Bestuurder 1 het beleid van Sion bepaalde, geldt hetgeen hiervoor over de wijze van declareren van door onderaannemers ingevoerde zorg over Bestuurder 1 is overwogen ook voor haar.\n\n5.23.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2 met hun handelwijze de verzekeraars hebben benadeeld en hiervan kan hen een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. De benadeling bestaat erin dat Bestuurder 1 en Bestuurder 2:\n\nover het jaar 2017 zorgkosten hebben gedeclareerd voor onderaannemers van Sion terwijl zij wisten of behoorden te weten dat niet was voldaan aan de (contractuele en\u002Fof wettelijke) voorwaarden voor het declareren van (al) die zorg en dat daardoor op Sion een terugbetalingsverplichting zou komen te rusten. Sion heeft de juistheid of rechtmatigheid van de declaraties van de onderaannemers van Sion immers nooit gecontroleerd en;\n\ngeen dan wel onvoldoende medewerking hebben verleend aan het materiële onderzoek van de verzekeraars en ook daarmee hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Sion haar contractuele en wettelijke verplichtingen niet is nagekomen.\n\n5.24.. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 waren ermee bekend of hadden ermee bekend moeten zijn dat onder de Betaalovereenkomst ingediende declaraties worden uitbetaald en dat daarover daarna mogelijk nog verantwoording moet worden afgelegd. Het gaat om publiek geld dat bestemd is voor de vergoeding van zorg. Dit brengt met zich mee dat op de bestuurders van een toegelaten zorginstelling een verantwoordelijkheid rust om over de ontvangen gelden rekening en verantwoording af te leggen. Deze verantwoordelijkheid kunnen Bestuurder 1 en Bestuurder 2 niet ontlopen door:\n\nerop te wijzen dat Sion de overeenkomst met DinZ is aangegaan onder de voorwaarde dat de onderaannemers zelf verantwoordelijk zouden zijn voor hun urenrapportages in de digitale omgeving (een afspraak die overigens niet uit de stukken blijkt) of;\n\nde bestuurstaak neer te leggen, zoals Bestuurder 2 heeft gedaan, zonder ervoor zorg te dragen dat het materiële onderzoek deugdelijk kon worden voortgezet of;\n\naan te voeren dat er in 2017 geen enkele aanwijzing was dat de onderaannemers hun taken niet naar behoren en volgens de gehanteerde normen zouden hebben vervuld of;\n\nerop te vertrouwen dat de verzekeraars hun controletaak adequaat uitvoeren bij initiële goedkeuring van de ingediende declaraties, zoals Bestuurder 1 zegt te hebben gedaan. De verzekeraars hebben onbetwist aangevoerd dat het, gezien de grote aantallen declaraties die zij verwerken, onmogelijk is om declaraties vóór uitbetaling daarvan te controleren. Het systeem van de Betaalovereenkomst behelst ook geen controle vooraf.\n\n5.25.. Bestuurder 1 spreekt zichzelf ook tegen door aan te voeren dat Sion niet beschikt over informatie over de onderaannemers en er tegelijk op te wijzen dat zij “alles op alles heeft gezet” en alle onderaannemers heeft aangeschreven met het verzoek Sion te helpen bij het verzoek van de verzekeraars. Als dit laatste werkelijk het geval is geweest, valt niet in te zien waarom Bestuurder 1 geen overzicht heeft verstrekt van de namen en e-mailadressen van de onderaannemers, waar de verzekeraars meermaals om hebben gevraagd in het kader van het materiële onderzoek.\n\n5.26.. Voor zover Bestuurder 1 heeft willen bepleiten dat haar als bestuurder van Sion niet kan worden verweten dat zij heeft toegelaten dat Sion niet heeft meegewerkt aan het materiële onderzoek, omdat DinZ in het kader van de bescherming van de privacy heeft geweigerd inzage te verlenen in de digitale omgeving, gaat de rechtbank hier ook aan voorbij. Een zorgverzekeraar mag persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid die voor een zorgverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de zorgverzekering of van de Zvw, gebruiken voor het verrichten van een materiële controle en mag deze persoonsgegevens gebruiken voor het uitoefenen van verhaalsrecht (artikel 7.1 Rzv). Voor zover daarover bij (Sion dan wel) Bestuurder 1 enige twijfel had kunnen bestaan, is in het Controleplan toegelicht dat Sion verschoond is van het medisch beroepsgeheim en zonder toestemming van de patiënt inzage kan geven in delen van het patiëntendossier die relevant zijn voor het controledoel op grond van (onder meer) artikel 86 tot en met 93a Zvw. Ook hebben de verzekeraars bevestigd dat zij zich houden aan de AVG en zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens. De verzekeraars hebben dit daarna nogmaals toegelicht. Voorts geldt dat, voor zover al sprake is van een weigerachtige houding van DinZ jegens Sion, dit de verzekeraars hoe dan ook niet regardeert: Sion is in zee gegaan met onderaannemers, maar dat ontslaat haar niet van haar wettelijke verplichtingen of contractuele verplichtingen jegens de verzekeraars.\n\n5.27.. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben verteld dat zij zelf ook werkzaam zijn geweest als zorgverlener en uren hebben geregistreerd in de digitale omgeving. Voor zover deze uren betrekking hadden op het jaar 2017 en de gedeclareerde bedragen, valt niet in te zien waarom Bestuurder 1 en Bestuurder 2 niet op zijn minst inzicht hebben gegeven in hun eigen gedeclareerde uren. De telefonische verzoeken die Sion volgens Bestuurder 1 van de verzekeraars heeft gehad om ruim 4 miljoen euro terug te betalen, hebben hen daartoe kennelijk ook niet kunnen aansporen.\n\n5.28.. Kortom, Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben als (oud)bestuurders van Sion toegelaten dat Sion haar verplichtingen jegens de verzekeraars heeft geschonden. Voor Bestuurder 1 en Bestuurder 2 moet voorzienbaar zijn geweest dat de verzekeraars een vordering op Sion zouden verkrijgen wegens onterechte of oncontroleerbare declaraties. Daarvan valt hen persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Geen redelijk denkend bestuurder had onder dezelfde omstandigheden kunnen veronderstellen dat Sion met de hiervoor beschreven handelwijze voldeed aan haar (contractuele en wettelijke) verplichtingen. Bestuurder 1 en Bestuurder 2 hebben niet bestreden dat zij wisten of behoorden te begrijpen dat Sion geen verhaal zou bieden bij een terugbetalingsvordering of vordering tot schadevergoeding en dat de verzekeraars als gevolg van hun handelen schade zouden lijden. De verzekeraars kunnen daarom Bestuurder 1 en Bestuurder 2 ook aanspreken voor de door hen geleden schade.\n\nDe verzekeraars kunnen zich ook verhalen op de twee oud-commissarissen\n\n5.29.. De verzekeraars stellen dat Commissaris 1 en Commissaris 2 ook persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij door hun handelwijze als commissarissen van Sion zelfstandig onrechtmatig hebben gehandeld en\u002Fof onrechtmatig hebben gehandeld in groepsverband. De verzekeraars hebben uiteengezet dat Commissaris 1 en Commissaris 2 hun taken als commissarissen van Sion grovelijk hebben verwaarloosd en dat door hun handelen samen met Sion, Bestuurder 1 en Bestuurder 2, het risico op schade voor de verzekeraars is vergroot.\n\n5.30.. Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan tekortschieten of het verwaarlozen van hun taak. Commissaris 1 en Commissaris 2 hebben er daarnaast op gewezen dat zij uit functie waren toen de vordering jegens hen werd ingesteld en dat de voorafgaande correspondentie van de verzekeraars uitsluitend was gericht aan Sion en\u002Fof Bestuurder 1.\n\n5.31.. Commissarissen kunnen (intern) jegens de vennootschap (artikel 2:9 BW) of (extern) jegens derden (artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn als zij hun taak niet naar behoren hebben vervuld en hen hiervan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, in die zin dat geen redelijk denkend commissaris onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben. Of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.32.. Blijkens (artikel 9.10 en 9.11 van) de akte van oprichting van Sion (r.o. 3.1) hebben de commissarissen van Sion, kort gezegd, tot taak het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en het geven van advies aan het bestuur. Bij het vervullen van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De commissarissen zijn bevoegd de boeken en bescheiden van de vennootschap in te zien en kunnen zich bij de uitoefening van hun taak laten bijstaan door deskundigen. Het bestuur en de commissarissen passen de Zorgbrede Governancecode toe. De commissarissen houden toezicht op onder meer:\n\nde realisatie van de statutaire en andere doelstellingen van de zorgorganisatie;\n\nde strategie en risico’s verbonden aan de activiteiten van de zorgorganisatie;\n\nde kwaliteit en veiligheid van zorg;\n\nde naleving van wet- en regelgeving;\n\nhet op passende wijze uitvoering geven aan de maatschappelijke doelstelling en verantwoordelijkheid van de zorgorganisatie. De commissarissen bespreken minimaal eenmaal per jaar de strategie en voornaamste risico’s verbonden aan de zorgorganisatie.\n\n5.33.. Commissaris 1 en Commissaris 2 moesten zich bij de vervulling van hun taak als commissaris van Sion richten naar het belang van de zorgorganisatie als maatschappelijke onderneming en moesten de daartoe in aanmerking komende belangen van de bij de zorgorganisatie betrokkenen afwegen. Commissarissen hebben een eigen verantwoordelijkheid om van het bestuur alle informatie te verlangen om hun taak als toezichthouder goed te kunnen uitoefenen. Dat Commissaris 1 en Commissaris 2 langs deze lijnen invulling hebben gegeven aan hun taak, blijkt nergens uit.\n\n5.34.. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat Commissaris 1 en Commissaris 2 het bestuur van Sion voldoende hebben gecontroleerd en tijdig (mogelijke) problemen binnen de zorgaanbieder hebben aangepakt. Commissaris 1 heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat zij wel eens bij Sion op kantoor was en dan van de bestuurders te horen kreeg dat alles goed ging. Zij had er alle vertrouwen in dat het goed ging en keek niet in de administratie. Op het moment dat Commissaris 1 aftrad als commissaris van Sion, was zij ervan op de hoogte dat de verzekeraars de rechtmatigheid van de uitbetaalde declaraties over 2017 wilden onderzoeken. Dit, samen met het aftreden van Bestuurder 2, waren redenen om ermee te stoppen, aldus Commissaris 2 ter zitting.\n\n5.35.. Hieruit is niet anders af te leiden dan een passieve houding van de(ze) commissarissen. Daarmee hebben Commissaris 1 en Commissaris 2 onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij niet hebben voldaan aan hun taakvervulling, zoals de verzekeraars hebben gesteld en onderbouwd. Commissaris 1 en Commissaris 2 hadden voorts adequater moeten reageren toen zij eenmaal bekend werden met het feit dat de verzekeraars de rechtmatigheid van de declaraties over 2017 wilden onderzoeken, temeer toen duidelijk werd dat Sion mogelijk een zeer aanzienlijk bedrag moest terugbetalen. In plaats daarvan hebben zij zich afzijdig gehouden en niets van zich laten horen, zelfs niet toen zij persoonlijk (hoofdelijk) werden aangesproken. Kortom, het toezicht van Commissaris 1 en Commissaris 2 op het bestuur van Sion heeft gefaald en eenmaal afgetreden hebben zij sterke risicosignalen genegeerd waardoor voor hen voorzienbaar was dat de verzekeraars een vordering op Sion zouden verkrijgen die Sion mogelijk niet zou kunnen voldoen. Deze vordering betreft de periode waarin Commissaris 1 en Commissaris 2 commissarissen van Sion waren. Van dit alles valt Commissaris 1 en Commissaris 2 persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Geen redelijk denkend commissaris had onder dezelfde omstandigheden immers kunnen veronderstellen dat (het bestuur van) Sion voldeed aan haar (contractuele en wettelijke) verplichtingen of dat de wijze waarop Commissaris 1 en Commissaris 2 invulling gaven aan hun rol als commissarissen recht deed aan hun toezichthoudende taken en verplichtingen. Dit betekent dat de verzekeraars ook Commissaris 1 en Commissaris 2 kunnen aanspreken voor de door hen geleden schade.\n\nHoeveel moet worden terugbetaald c.q. wat is de omvang van de schade?\n\n5.36.. \n\nDe verzekeraars vorderen terugbetaling van primair het totaalbedrag dat zij aan Sion hebben betaald, derhalve € 4.143.669,24, en subsidiair het bedrag dat Sion in vergelijking met het landelijk gemiddelde in 2017 meer in rekening heeft gebracht, te weten\n\n€ 4.143.669,24 -\u002F- (€ 4.143.669,24 \u002F 3,4 =) € 1.218.726,24, derhalve € 2.924.942,99.\n\n5.37.. Zelfs als komt vast te staan dat Sion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Betaalovereenkomst, rechtvaardigt dit volgens Sion c.s. geen volledige terugvordering van de gedeclareerde bedragen c.q. vergoeding van deze volledige bedragen als schadevergoeding. Sion c.s. bestrijdt dat Sion helemaal geen aanspraak had op vergoeding van de over 2017 gedeclareerde zorg en voert aan dat die zorg daadwerkelijk is verleend door Bestuurder 1, Bestuurder 2 en de onderaannemers als zorgverleners. Sion heeft de van de verzekeraars ontvangen bedragen doorbetaald aan de betreffende zorgverleners, bij de onderaannemers met inhouding van een met hen overeengekomen vergoeding van 1%. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.38.. Op grond van het door de verzekeraars uitgevoerde onderzoek in haar eigen administratie, moet het ervoor worden gehouden dat Sion over het jaar 2017 te veel heeft gedeclareerd. Dat Sion in het jaar 2017 in het geheel geen zorg heeft gedeclareerd die voor vergoeding door de verzekeraars in aanmerking kwam - en het totaalbedrag van de betaalde declaraties dus onverschuldigd zou zijn betaald - is onvoldoende onderbouwd. Door de houding van Sion c.s. tijdens de materiële controle van de zorgverzekeraars en ook in de onderhavige procedure is het voor de verzekeraars echter niet mogelijk om hun standpunt ter zake de onverschuldigde betaling nader te onderbouwen of te bewijzen welke declaraties wel en welke declaraties niet onverschuldigd zijn betaald. Een concrete betwisting door Sion c.s. van het standpunt van de verzekeraars op patiënt- of dossierniveau is immers uitgebleven. Bij die stand van zaken mogen de verzekeraars hun schade begroten op basis van een schatting op grond van gemiddelden. De verzekeraars hebben dat ook gedaan in hun subsidiair geformuleerde vordering. Sion c.s. bestrijdt niet dat Sion over het jaar 2017 ten opzichte van het landelijk gemiddelde 3,4 maal zoveel in rekening heeft gebracht en dat het verschil neerkomt op het door de verzekeraars berekende bedrag van € 2.924.942,99. De rechtbank zal dit subsidiair gevorderde bedrag daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist toewijzen. Sion moet dit bedrag terugbetalen omdat betaling daarvan door de verzekeraars als onverschuldigd wordt aangemerkt. Bestuurder 1, Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2 moeten dit bedrag aan Sion betalen als schadevergoeding, veroorzaakt door hun onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van bestuurders respectievelijk commissarissen van Sion.\n\n5.39.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nGeen matiging\n\n5.40.. Sion en Bestuurder 1 hebben betoogd dat een aan de verzekeraars terug te betalen bedrag, althans een te betalen schadevergoeding, moet worden gematigd. Het terugvorderen van het volledige bedrag is volgens hen disproportioneel en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Sion en Bestuurder 1 zijn ook niet in staat dit bedrag te betalen. Volgens de verzekeraars is er geen grond voor matiging. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\n5.41.. In artikel 6:109 lid 1 BW is bepaald dat de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW). De in artikel 6:109 BW neergelegde maatstaf noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om te matigen.\n\n5.42.. De rechtbank onderkent dat toewijzing van de vordering tot vergoeding van het hiervoor vastgestelde bedrag grote financiële gevolgen zal hebben voor Sion en Bestuurder 1 (evenals voor Bestuurder 2, Commissaris 1 en Commissaris 2). Voor de vraag of in het onderhavige geval ruimte is voor matiging, acht de rechtbank anderzijds van belang dat Sion en Bestuurder 1 zelf in de hand hebben gehad dat zij in deze situatie zijn beland. Sion en Bestuurder 1 wisten, of hadden moeten weten, waartoe Sion als toegelaten zorginstelling en contractspartij van de verzekeraars verplicht was, wat er van haar werd verwacht en wat de mogelijke consequenties zouden zijn als zij niet zou voldoen aan haar verplichtingen. Toch hebben zij de door haar onderaannemers ingediende declaraties nooit gecontroleerd en niet (voldoende) meegewerkt aan het materiële onderzoek van de verzekeraars. Het is daarom aan Sion en Bestuurder 1 zelf te wijten dat een groot deel van de over 2017 gedeclareerde bedragen moet worden terugbetaald. Dat Bestuurder 1 persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is bovendien een contra-indicatie voor matiging. Matiging van het door Sion aan de verzekeraars terug te betalen bedrag, althans de te vergoeden schade, is onder deze omstandigheden niet op zijn plaats en het beroep daarop zal dan ook worden verworpen.\n\nWettelijke rente\n\n5.43.. De verzekeraars vorderen ook betaling van wettelijke rente over het onverschuldigd betaalde bedrag c.q. de schade, met ingang van 1 januari 2018. De rechtbank constateert dat de zaak bij de verzekeraars op verschillende momenten sinds oktober 2019 heeft stilgelegen. Ter zitting is namens de verzekeraars toegelicht dat dat een kwestie van prioritering is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het ruimte tijdsverloop (mede) door de eigen keuzes van de verzekeraars, in combinatie met het aanzienlijke bedrag van de vordering in dit geval niet ten nadele van Sion c.s. moet komen. De rechtbank zal daarom wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag van de (eerste) dagvaarding, te weten 22 april 2025.\n\nProceskosten\n\n5.44.. Sion c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de verzekeraars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaardingen\n\n€\n\n611,25\n\n(5 x € 122,25)\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n16.912,25\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.46.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nveroordeelt Sion c.s. hoofdelijk om aan de verzekeraars te betalen een bedrag van\n\n€ 2.924.942,99, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 april 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Sion c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 16.912,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Sion c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Sion c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.\n\n Type: 2513.\n\n De rechtbank constateert dat de verzekeraars er kennelijk voor hebben gekozen de derde commissaris van Sion (r.o. 3.3) niet aansprakelijk te stellen.\n\n DinZ is de (software)leverancier van Sion. DinZ stelt in die rol een digitale omgeving beschikbaar aan Sion, waarin de onderaannemers van Sion per cliënten(zorg)dossier hun uren bijhouden. Op basis hiervan dient Sion vervolgens declaraties in bij de verzekeraars, die deze declaraties betalen aan Sion op grond van de Betaalovereenkomst.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5069","ecli-nl-rbdha-2026-5069",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]