[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-8341":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-8341":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"735","ECLI:NL:RBDHA:2026:8341","",58,"Den Haag","den-haag","2026-04-07T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F4506\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. I.A. Koele),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres een aanslag erfbelasting (de aanslag) opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 april 2025 de aanslag verminderd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026.\n\nEiseres is verschenen, vergezeld door haar zus [naam 1] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .\n\nDe zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van de andere erfgenamen [erfgenaam 1] (zaaknummer SGR 25\u002F3031) en [erfgenaam 2] (zaaknummer SGR 25\u002F3032).\n\nEiseres heeft na afloop van de zitting nog een aanvullend formulier proceskosten ingediend waarbij zij haar reiskosten voor het bijwonen van de zitting als proceskosten heeft opgevoerd.\n\nEiseres en de andere erfgenamen hebben ter zitting nog een stuk willen overleggen betreffende een ‘fiscaal rapport SB voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2021 van de heer [broer van erflater]’ (de broer van erflater). Verweerder heeft tegen overlegging van dit stuk bezwaar gemaakt, omdat hij daarvan geen kennis had en niet in staat was daar ter zitting op te reageren. Gelet op het protest van verweerder – wat naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden rust en terecht is – heeft de rechtbank overlegging van dit stuk geweigerd, omdat het te laat en daarmee in strijd met een goede procesorde is ingediend. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat ook niet is gesteld of gebleken dat dit stuk niet eerder overlegd had kunnen worden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Op [datum] 2019 is de [erflater] (erflater), overleden.\n\n2. Erflater was onder huwelijksvoorwaarden inhoudende koude uitsluiting gehuwd met [erfgenaam 1] . De huwelijksvoorwaarden zijn bij akte d.d. 28 juli 2005 aangevuld met een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding bij einde van het huwelijk.\n\n3. Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Zijn twee dochters, [erfgenaam 1] en [eiseres] (eiseres), zijn ieder voor een gelijk deel erfgenaam. Aan zijn echtgenote, [erfgenaam 1] (hierna samen met [erfgenaam 1] en [eiseres] gezamenlijk te noemen: de erfgenamen), is het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap gelegateerd.\n\n4. Een derde dochter van erflater, [naam 6] , is niet benoemd tot erfgenaam. Zij heeft in verband met het overlijden van erflater een beroep gedaan op haar legitieme portie. In het testament is bepaald dat de legitieme vordering pas na het overlijden van [erfgenaam 1] kan worden opgeëist.\n\n5. Tot de nalatenschap behoren 625 aandelen C in B.V. [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ). Deze aandelen (de aandelen) vertegenwoordigen een belang van 31% in [bedrijfsnaam 1] .\n\n6. [bedrijfsnaam 1] heeft blijkens de statuten ten doel:\n\n- het deelnemen in, oprichten van, samenwerken met, financieren (het verstrekken van leningen en kredieten, eventueel onder hypothecair verband) van, het zich op enigerlei andere (financiële) wijze interesseren bij vennootschappen en ondernemingen, hetzij direct, hetzij indirect alsmede het stellen van zekerheid voor schulden van anderen;\n\n- het voeren van bestuur over andere vennootschappen en ondernemingen;\n\n- de verkrijging (eventueel middels financiering), het beheer, de exploitatie en de vervreemding van onroerende zaken en andere vermogenswaarden;\n\n- het verrichten van (rechts-)handelingen op financieel commercieel en industrieel gebied in het algemeen;\n\n- het verrichten van al hetgeen in de meest uitgebreide zin direct of indirect met het vorenstaande verband houdt of tot het doel der vennootschap bevorderlijk kan zijn.\n\n7. [bedrijfsnaam 1] houdt 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] BV.\n\n8. [bedrijfsnaam 2] BV bezit een pand (het pand). Het pand is gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] . Het pand is bestemd voor de verhuur en betreft een vastgoedbelegging.\n\n9. [bedrijfsnaam 2] BV dreef in het verleden in het pand een onderneming, zijnde het luxe warenhuis [bedrijfsnaam 3] . De vader van erflater, wijlen [vader van erflater] , was de directeur. Na een grote brand in het warenhuis in 1971 heeft [bedrijfsnaam 3] haar deuren definitief gesloten omdat er meer vraag was naar goedkopere producten. Vanaf dat moment wordt het pand verhuurd aan winkeliers.\n\n10. Het pand stond in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 februari 2022, waaronder de overlijdensdatum, leeg. In deze periode is het pand verbouwd en deels teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Bij de verbouwing van het pand zijn tevens twee appartementen gecreëerd. De appartementen worden verhuurd aan expats.\n\n11. In de periode voor 1 januari 2018 werd het pand verhuurd aan modewinkelketen H&M.\n\n12. Per 1 februari 2022 wordt het pand verhuurd aan modewinkelketen C&A. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van tien jaar, met een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid voor uitsluitend huurder op de einddatum van het zevende huurjaar.\n\n13. De intentie van de familie [familie] is het pand ook na beëindiging van het lopende huurcontract te blijven verhuren.\n\n14. [erfgenaam 1] was in de periode 2017-2020 in loondienst bij [bedrijfsnaam 2] BV. De verloning heeft als volgt plaatsgevonden:\n\n2017: 12 verloonde uren; € 600 loon\n\n2018: 26 verloonde uren; € 1.250 loon\n\n2019: 60 verloonde uren; € 3.000 loon\n\n2020: 20 verloonde uren; € 975 loon\n\n2021: geen verloonde uren\n\n2022: geen verloonde uren\n\n2023: geen verloonde uren\n\n15. Eiseres is vanaf 2024 in loondienst bij [bedrijfsnaam 2] BV. De verloning heeft als volgt plaatsgevonden:\n\n2024: 420 verloonde uren; € 10.020\n\n16. Er zijn geen andere werknemers in loondienst geweest van [bedrijfsnaam 2] BV of [bedrijfsnaam 1] .\n\n17. Uit een namens de erfgenamen opgesteld taxatierapport van Cushman & Wakefield d.d. 25 september 2019 blijkt een marktwaarde van het pand per overlijdensdatum van € 33.910.000. Een afschrift van dit taxatierapport (het taxatierapport) behoort tot de gedingstukken.\n\n18. In de door\u002Fnamens de erfgenamen ingediende aangiften erfbelasting zijn de aandelen aangegeven voor een waarde van € 5.815.000. Deze waarde is gebaseerd op de taxatiewaarde van het pand van € 33.910.000, een VPB-latentie van 25% en een afslag van 25% in verband met incourantheid van de aandelen vanwege het feit dat het om een minderheidsbelang (31%) gaat. Verder is in de aangifte ter zake van het ondernemingsvermogen (de waarde van de aandelen) een beroep gedaan op toepassing van de zogenoemde bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) als bedoeld in artikel 35b e.v. van de Successiewet 1956 (Sw).\n\n19. Verweerder heeft op 31 december 2021 hangende het overleg met de erfgenamen over de waarde van de aandelen en de toepassing van de BOR ter behoud van rechten aanslagen erfbelasting aan de erfgenamen opgelegd (de aanslagen). Bij het vaststellen van de aanslagen heeft verweerder de waarde van het ondernemingsvermogen (de aandelen) verhoogd naar € 11.500.000. Daarbij is verweerder uitgegaan van een taxatiewaarde van € 46.600.000 en een VPB-latentie van 20% en is geen rekening gehouden met een afslag in verband met incourantheid van de aandelen. De taxatiewaarde van € 46.600.000 heeft verweerder overgenomen uit de jaarrekening 2018 van [bedrijfsnaam 2] B.V., meer specifiek de toelichting op de balans, waarin deze waarde staat vermeld als de taxatiewaarde na verbouwing. Ook is bij de aanslagregeling de toepassing van de BOR niet geaccepteerd, omdat volgens verweerder in ieder geval per ultimo 2021 niet langer is voldaan aan de zogenoemde voortzettingseis.\n\n20. De erfgenamen hebben tegen de aan hen opgelegde aanslagen erfbelasting bezwaar gemaakt.\n\n21. Na het opleggen van de aanslagen heeft verweerder door een taxateur van de Belastingdienst een taxatiebeoordeling (de hertaxatie) laten uitvoeren. De uitkomsten hiervan zijn neergelegd in een rapport (het hertaxatierapport) waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort. Bij de hertaxatie is geconcludeerd dat de oorspronkelijk aangegeven marktwaarde van het pand per overlijdensdatum van € 33.910.000 kan worden gevolgd.\n\n22. Hangende de bezwaarfase zijn de erfgenamen ook nog aanvullende vragen gesteld in verband met de verzochte toepassing van de BOR. Daarbij is door dan wel namens de erfgenamen onder de vraag: “4. Welke kwalificerende arbeid heeft plaatsgevonden?” het volgende geantwoord:\n\n“Het exploiteren van het modemagazijn is onze primaire ondernemingsactiviteit. Daarbij hebben wij een duurzaam streven naar winst en is de bedrijfsvoering sinds oprichting telkens aan de wijzigende marktomstandigheden aangepast. Hier zouden wij graag in herinnering willen brengen wat wij tijdens het hoorgesprek mondeling hebben toegelicht. Zie hiervoor ook het hoorverslag. In het kort, er is altijd sprake van een onderneming in de textielbranche geweest waarbij het exploiteren van de modemagazijnen altijd centraal heeft gestaan, en nog steeds als ondernemingsactiviteit centraal staat. Meerdere generaties binnen onze familie hebben zich ingezet om het exploiteren van modemagazijnen rendabel te maken – en te houden – in tijden van de tweede wereldoorlog, later in tijden van de opkomst van de fast-fashion industrie, daarna ten tijde van onvoorziene omstandigheden als corona en thans door toename in het online winkelen. Na het plotselinge overlijden van onze vader, hebben wij als jonge generatie het stokje overgenomen van hem en de generaties daarvoor, om de onderneming voort te blijven zetten. Wij vinden het belangrijk om met ons modemagazijn een actieve bijdrage te leveren aan de Retail-sector in [plaats] en tevens door onze werkzaamheden een stukje iconisch Nederland in stand te houden en in ere te herstellen. Hieronder zullen wij nog specifieker ingaan op de arbeid die verricht is en wordt.\n\nIn het kader van het exploiteren van ons modemagazijn, is er grootschalige arbeid verricht om een geheel nieuwe uitstraling van het modemagazijn te creëren, zowel van binnen als van buiten en daarnaast twee geheel nieuwe appartementen te creëren, met zeer nauwe betrokkenheid van de aandeelhouders en directie. Het projectteam bestaande uit de directie van de onderneming, een aantal van de aandeelhouders en de bouwkundig adviseur kwamen o.a. een of tweewekelijks (als nodig vaker) samen op locatie in de [straat] , per video call of bij het bouwbedrijf [bedrijfsnaam 4] om de voortgang te bespreken, bij te sturen en beslissingen te nemen ten aanzien van het project. Dit projectteam had een sturende en instigerende rol bij de herontwikkeling van het modemagazijn. Binnen het projectteam werden onder andere opdrachten gegeven aan de bouwkundig adviseur, welke deze vervolgens vertaalde naar de betrokken uitvoerders op de vloer. Ook is te denken aan overleg met- en sturing van uitvoerende partijen als o.a. de architect, techneuten, aannemers et cetera.\n\nTot de arbeid behoorde ook het nemen van besluiten die ons doel, het behalen van winst met het exploiteren van ons modemagazijn, faciliteerden. De beslissing (i.e., de arbeid) is gemaakt om de ruimtes te herindelen zodat door een nieuwe functie een hogere vierkante meterprijs kon worden gerealiseerd. Ruimtes zijn doorgebroken, kleine ruimtes zijn samengevoegd tot grote ruimtes, pilaren en het middenstuk zijn verwijderd en later opnieuw opgebouwd om meer ruimte en een open karakter te creëren, de vele hoogteverschillen zijn nagenoeg geheel weggewerkt door het egaliseren van de vloeren, het draagvlak is aangepast, en voorheen kantoor- en opslagruimte op de begane grond is winkeloppervlak geworden. Op verzoek kunnen tekeningen van de oorspronkelijke en de nieuwe situatie verstrekt worden. Als gevolg hiervan is het totale winkeloppervlak vergroot, en zijn er meer verhuurbare meters gecreëerd welke door de door ons gemaakte aanpassingen beoogd waren een hogere vierkante meter prijs te rechtvaardigen. Ook is bijv. meer lichtinval gecreëerd en een tweede extra etalageruimte aan de achterkant van het pand. Op die wijze kan de huurder meer winkelend publiek aan zowel de voorzijde als aan de achterzijde aaspreken en daarmee het aantal bezoekers en daarmee klanten en daarmee vervolgens ook diens omzet vergroten. Deze unieke mogelijkheid vertaalt zich uiteraard in een hogere huurprijs en daarmee voor ons hoger rendement.\n\nOok is arbeid verricht m.b.t. de appartementen die in overleg met de gemeente [plaats] zijn gecreëerd. De vraag naar woonruimte in [plaats] is urgent en door kale magazijnruimte of eventuele winkelruimte op hoge etages met een lage vierkante meter prijs om te functioneren tot volledig nieuwe appartementen met een veel hogere vierkante meter opbrengst, hebben wij ons rendement aanzienlijk kunnen verhogen en tegelijkertijd op de vraag in de gemeente in kunnen spelen. Op verzoek kunnen wij graag gedetailleerde informatie m.b.t. de specifieke (bouwkundige) werkzaamheden verstrekken.\n\nEen deel van het pand is monumentaal erfgoed. Wij hebben er arbeid, aandacht en zorg aan besteed om bijvoorbeeld de monumentale gevel in ere in oorspronkelijke staat te herstellen. Hiermee willen wij aangeven dat wij met onze werkzaamheden ook graag bij willen dragen aan de historische waarde welke het pand vallend binnen onze onderneming heeft, de geschiedenis en het verhaal waaraan onze onderneming bijdraagt.\n\nOm ons rendement duurzaam te kunnen verhogen en de herontwikkelingsactiviteiten te kunnen verrichten met het oog op betere verhuurbaarheid nadien, hebben wij eigen tegoeden en reserves geïnvesteerd en zijn we ook externe leningen aangegaan om dit te kunnen realiseren. Deze externe financieringen, vragen tevens arbeid in de vorm van continue overleggen met de bank over (wijzigingen in) de financiering.\n\nVoor de volledigheid: De appartementen zijn inmiddels verhuurd en de winkelruimte is recentelijk, sinds februari 2022 verhuurd aan C&A. Let wel; de kasstroom is pas weer volledig sinds mei 2023. Voor beide appartementen hebben wij voor betere verhuurbaarheid en rechtvaardiging van een hogere huurprijs ook deels de inrichting verzorgd. In het verhuurproces van het modemagazijn (de winkelruimte) is extra arbeid verricht om tegemoet te komen aan wensen van een potentieel huurder, om ons modemagazijn voor hen nóg aantrekkelijker te maken. Deze extra bijdragen zijn wederom geleverd met het oog op een nóg betere verhuurbaarheid en rechtvaardiging van de huurprijs. Onder andere zijn kosten gemaakt om aanvullende werkzaamheden te verrichten door bijvoorbeeld draairichtingen van deuren aan te laten passen, en bij te dragen aan extra trapvoorzieningen bijvoorbeeld. Deze werkzaamheden waren niet noodzakelijk voor de verhuurbaarheid, maar door deze extra arbeid te verrichten welke specifiek gericht was op een specifieke huurder en anticipeerde op diens behoeften, konden we de winkelruimte voor hen nog aantrekkelijker maken. Door deze werkzaamheden hebben we uiteindelijk een succesvolle huurovereenkomst kunnen sluiten met een zo optimaal mogelijke huurprijs. De algehele nieuwe indeling, staat, functie en uitstraling van het modemagazijn, maar ook de aanvullende werkzaamheden welke specifiek gericht waren op de wensen van de huurder, hebben hieraan bijgedragen. We willen benadrukken dat onze werkzaamheden erop gericht waren ons modemagazijn zodanig te ontwikkelen en te verbeteren, dat wij op de wensen van de markt als ook de specifieke wensen van de huurder in konden spelen om zodoende een aanzienlijk hoger rendement te kunnen behalen. Het was ons doel de best passende modezaak te vinden, om daarmee ons modemagazijn zo optimaal mogelijk te blijven exploiteren. De werkzaamheden en activiteiten zijn van dien omvang en aard dat zij dus ver aan enkele onderhoudswerkzaamheden voorbijgaan.\n\nBinnen onze onderneming gaan wij voortdurend nieuwe investeringen en risico’s aan. Momenteel hebben en dragen wij als ondernemers nog steeds een leegstandrisico. Helaas heeft leegstand door de gevolgen van de wereldwijde coronapandemie grote gevolgen (gehad) op onze liquiditeit en (verder beoogde) ontwikkelingsactiviteiten die binnen onze onderneming kunnen plaatsvinden. Onze activiteiten zijn gecentreerd in het hart van [plaats] dat zich in het midden van de lockdown bevond. De [straat] werd afgesloten voor toeristen en bezoekers. Toeristen, de primaire doelgroep verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de omzet voor de winkels in de [straat] , konden het land zelfs niet in. Alle potentiële huurders waarmee we met sommigen al in een onderhandelingsfase waren, trokken zich door de door de overheid opgelegde beperkingen terug. Net als andere ondernemers, kampen ook wij met de gevolgen van de coronapandemie op onze onderneming. Gedurende deze periode hebben wij activiteiten verricht om kortdurende huurders te werven, welke helaas maar beperkt vruchten hebben afgeworpen (bijv. tijdelijke pop-up stores). Als gevolg daarvan hebben wij veel langer dan verwacht te kampen (gehad) met leegstand en verliezen (i.e., een negatieve kasstroom), welke onze gaande en toekomstige omzetting van verdere ontwikkelingsprojecten vooralsnog sterk heeft beperkt. Verrichtte (voorbereidende) werkzaamheden om verdere woonruimte in de vorm van appartementen te ontwikkelen (waarnaar een zeer hoge vraag is en ons een hoger rendement voor de ruimtes oplevert), hebben wij door de niet op gang komende kasstroom vooralsnog niet kunnen finaliseren. Daarnaast is de haalbaarheid van andere ontwikkelingsobjecten op andere locaties geïnventariseerd, welke door de veel later (en lager) dan verwacht op gang komende kasstroom niet omgezet konden worden. Deze besluiten zijn genomen zodat de (langdurige) voortzetting van onze onderneming kon blijven worden gewaarborgd en om aan de financiële verplichtingen te kunnen blijven voldoen.\n\nOndanks onze intensieve arbeid, hebben wij moeten vaststellen dat de marktomstandigheden zijn gewijzigd (corona, exponentiele toename internetverkopen, faillissementen grote internationale warenhuizen voor wie juist onze winkelruimte aantrekkelijk is zoals bijv. Hudson Bay eind 2019) en ons rendement op dit moment lager uitvalt dan beoogt in 2017 door sterk gewijzigde marktomstandigheden, maar wel het op dit moment best mogelijke rendement is. Bij het exploiteren van ons modemagazijn blijven we (al sinds oprichting) hierop inspelen. In onze risicoanalyse hadden wij deze ontwikkelingen niet kunnen voorzien, beter gezegd, een omstandigheid van zéér geringe waarschijnlijkheid (wereldwijde pandemie) is ingetreden met wél zwaarwegende gevolgen van dien voor de specifieke sector waarbinnen wij als onderneming opereren.\n\nVerdere arbeid omvat ook het onderhandelen over incentives met huurder (zoals bijvoorbeeld huurvrije periodes). Deze zijn opgenomen in het huurcontract maar omvatten ook continue nieuwe onderhandelingen over de huurprijs a.d.h.v. de huidige ontwikkelingen op de rentemarkt en van de inflatie. Daarnaast hebben we binnen onze onderneming een duurzaam streven naar winst en oog om in de toekomst ook ons rendement te blijven vergroten. Zo onderzoeken wij momenteel mogelijkheden tot extra verduurzaming op energiegebied. Gezien het hoge energieverbruik zoals van toepassing bij de grote van ons betreffende modemagazijn en de huidige hoge energieprijzen is het als huurder mogelijk aantrekkelijk en voordelig gebruik te kunnen gaan maken van een eigen energievoorziening (bijv. zonnepanelen) en daarmee wordt onze concurrentiepositie t.o.v. anderen langdurig verbetert. De huidige, ofwel een nieuwe huurder zal voor ons blijven kiezen door de extra faciliteiten\u002Fmogelijkheden die wij overwegen aan te bieden. Op deze manier blijven wij continue een hoger en duurzaam rendement nastreven.”\n\n23. Bij het doen van uitspraak op bezwaar heeft verweerder de voor het pand in aanmerking genomen waarde van € 33.910.000 gevolgd en daarvan uitgaande de waarde van de aandelen uiteindelijk vastgesteld op € 7.420.000. Hierbij heeft verweerder rekening gehouden met een latentie voor de vennootschapsbelasting van 20% en een afslag van 10% in verband met incourantheid van de aandelen vanwege het feit dat het om een minderheidsbelang gaat. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar zijn standpunt gehandhaafd dat op de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen, de BOR niet van toepassing is. Verweerder heeft de aan eiseres opgelegde aanslag bij uitspraak op bezwaar met inachtneming hiervan verminderd.\n\n24. De erfgenamen hebben tegen hun respectievelijke uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.\n\n25. Hangende de beroepsprocedure hebben de erfgenamen een waarderingsrapportage van drs. [naam 7] (verbonden aan [bedrijfsnaam 5] ) overgelegd. Een afschrift van deze rapportage (de waarderingsrapportage) behoort tot de gedingstukken. In deze rapportage wordt geconcludeerd dat de waarde van de geërfde aandelen dient te worden bepaald op basis van de zogenoemde rendementswaarde-methode en € 891.552 bedraagt. Voor de onderbouwing van dit standpunt wordt gewezen op de verdeling van het eigendom van de aandelen (3 staken met ieder een minderheidsbelang), de wijze waarop de besluitvorming binnen de vennootschap is geregeld en de geschiedenis van het bezit van de vennootschap en daarmee de emotionele verbondenheid van de aandeelhouders met het bezit. Voor de berekening van de waarde van de aandelen geeft het rapport een uitgebreide cijfermatige onderbouwing met als basis de feitelijk uitgekeerde dividenden.\n\n26. Tot de gedingstukken behoort ook een hangende de beroepsfase in opdracht van verweerder opgesteld waarderingsadvies (het waarderingsadvies), opgesteld door drs. [naam 5] MSRE RT MBV RV en [naam 4] RA RV, zijnde Business Valuators verbonden aan de Belastingdienst\u002FMKB\u002FLandelijk Business Valuation Team. In dit waarderingsadvies (het waarderingsadvies) wordt geconcludeerd dat de door eiseres voorgestane rendementsmethode niet de juiste methode is. Gesteld wordt dat het in dit geval in feite gaat om een verhuurd (beleggings)pand, waarvan de waarde gelijk is aan de contante waarde van de huuropbrengsten. Deze waarde, ook wel de directe opbrengstwaarde genoemd, is gelijk aan de contante waarde van de kasstromen uit de onderneming, ook wel de indirecte opbrengstwaarde genoemd. Wij verwijzen hierbij naar BNB 1987\u002F87 waarbij de HR heeft aangegeven dat voor verhuurd vastgoed de directe en indirecte opbrengstwaarde aan elkaar gelijk zijn en dat de bedrijfswaarde gesteld kan worden op de marktwaarde plus kosten koper. De conclusie is dat de aandelen op de overlijdensdatum € 7.420.000 waard zijn, conform de berekening in de bezwaarfase.\n\nGeschil\n\n27. In geschil is of de aanslag juist is vastgesteld. Meer specifiek in geschil is of:\n\nde waarde in het economische verkeer van het door erflater gehouden aandelenbelang in [bedrijfsnaam 1] (de aandelen) per overlijdendatum juist is vastgesteld;\n\nop de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen de BOR van toepassing is.\n\nNiet meer in geschil is dat uitgaande van de momenteel in aanmerking genomen waarde voor de aandelen de omvang van de schuld van erflater op grond van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden juist is vastgesteld.\n\n28. Eiseres neemt in beroep de volgende standpunten in.\n\nDe waarde van de aandelen per overlijdendatum is onjuist vastgesteld, omdat de aandelen gewaardeerd dienen te worden op basis van de rendementswaardemethode bij voortgezette exploitatie van het vastgoed. Op basis hiervan bedraagt de waarde van het aandelenbelang in de nalatenschap € 891.552.\n\nDe erfgenamen kunnen een beroep doen op de BOR voor de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen, omdat sprake is van een vastgoedonderneming welke door de erfgenamen wordt voortgezet.\n\nVolgens de erfgenamen bedraagt de verkrijging van [erfgenaam 1] € 615.674 waardoor de verschuldigde erfbelasting - na toepassing van de geldende vrijstelling - nihil bedraagt, en de verkrijging van ieder van de kinderen, [erfgenaam 1] en [eiseres] , € 154.381 waardoor voor hen de verschuldigde erfbelasting - na toepassing van de geldende vrijstelling - € 14.279 bedraagt.\n\n29. Verweerder neemt in beroep de volgende standpunten in.\n\nDe waarde van de aandelen is juist vastgesteld; deze bedraagt per overlijdensdatum € 7.420.000.\n\nDe erfgenamen kunnen geen beroep doen op de BOR voor de verkrijging krachtens erfrecht van de aandelen; er is geen sprake van een onderneming, en zo daar wel sprake van zou zijn geweest, wordt niet voldaan aan het voortzettingsvereiste als bedoeld in artikel 35e van de Sw.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nWaarde van de aandelen per overlijdensdatum\n\n30. Ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste lid van de Sw wordt “het verkregene in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend”.\n\n31. Als voor goederen een markt bestaat - zoals in casu voor de aandelen het geval is -, zal in beginsel de verkoopprijs op die markt de waarde in het economische verkeer vormen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 5 februari 1969, nr. 16 047, BNB 1969\u002F63, waarin het de verkoopprijs omschrijft als “de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed”. Dit is – naar overigens als zodanig tussen partijen ook niet in geschil is – het uitgangspunt voor de voor de aandelen in aanmerking te nemen waarde.\n\n32. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met alles wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, met name het hertaxatierapport en het waarderingsadviesadvies, aannemelijk gemaakt dat de waarde van € 7.420.000 waartegen de aandelen in aanmerking zijn genomen, niet te hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank sluiten de uitgangspunten waarop de waardering(en) van verweerder zijn gebaseerd – zoals uitgebreid weergegeven in het hertaxatierapport en meer in het bijzonder nog het waarderingsadvies – goed aan bij het hiervoor weergegeven uitgangspunt dat geldt voor de onderhavige waardering van de aandelen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bij die taxaties\u002Fberekeningen in aanmerking genomen uitgangspunten en\u002Fof de cijfermatige berekeningen en uitwerking(en) daarvan. De argumenten die eiseres in haar pleitnota naar voren heeft gebracht, vindt de rechtbank onvoldoende concreet en overtuigend en ook niet voldoende (cijfermatig) onderbouwd om tot een ander oordeel te komen.\n\n33. Uit het waarderingsadvies volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat, ook indien eiseres zou worden gevolgd in haar standpunt dat de aandelen gewaardeerd dienen te worden op basis van de zogenoemde rendementswaardemethode, dat niet zou leiden tot een lagere waarde dan de in aanmerking genomen waarde. In de door eiseres overgelegde waarderingsrapportage is weliswaar geconcludeerd dat de rendementswaardemethode bij voortgezette exploitatie van het vastgoed € 891.552 bedraagt, echter uit de in het waarderingsadvies van verweerder opgenomen berekening van de waarde volgens de rendementswaardemethode volgt dat deze aanmerkelijk hoger is, namelijk € 9.321.670. De rechtbank acht de waardering zoals opgenomen in het waarderingsadvies – die uitvoerig en overtuigend gemotiveerd is en ook cijfermatig goed inzichtelijk is gemaakt en is onderbouwd – goed aansluiten bij de werkelijkheid. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook indien de rendementswaardemethode wordt gevolgd, dit niet zou leiden tot een verlaging van de waarde van de aandelen per overlijdensdatum. De rechtbank overweegt hierbij ook dat de berekening volgens de rendementswaardemethode van de erfgenamen is gebaseerd op een dividendstroom van € 120.000 per jaar. Dit komt weliswaar overeen met de feitelijke dividenduitkeringspolitiek – welke door omstandigheden zoals de (verstoorde) verhoudingen tussen de verschillende aandeelhouders (familieleden en - na het overlijden van een oom - inmiddels ook goede doelen) niet voor iedere aandeelhouder \u002F tak van aandelen (A, B en C) op dezelfde wijze wordt toegepast –, maar de rechtbank acht niet aannemelijk dat die dividendstroom ook de juiste maatstaf is om voor onafhankelijke derden de werkelijke rendementswaarde van de aandelen te bepalen. De rechtbank acht ook op dit punt de berekening van verweerder zoals weergegeven in het waarderingsadvies beter aansluiten bij de – voor onafhankelijke derden geldende – werkelijkheid.\n\n34. De rechtbank overweegt nog het volgende. De erfgenamen doen hun stelling dat de waarde van de aandelen veel lager is met name steunen op de omstandigheid dat – kort weergegeven – er sprake is van een minderheidsbelang van 31% waarbij in dit specifieke geval geldt dat dit een heel lastig te gelde te maken actief is. De erfgenamen wijzen er hierbij op dat “de bijzondere statutaire regeling rondom zeggenschap en soortaandelen in de Vennootschap is vormgegeven om primair als langdurige bron van levensonderhoud voor de respectieve familiestaken te functioneren waarbij ook rekening wordt gehouden met de belangen van de andere staken; dit verklaart waarom altijd een meerderheid besluit over een uitkering uit een specifieke dividendreserve wat een uitzonderlijke statutaire vormgeving is”.\n\nDit komt, aldus de erfgenamen, enerzijds doordat de erfgenamen en de andere aandeelhouders (zijnde familieleden) door de beladen (familie)geschiedenis in zulke mate verknocht zijn aan de onderneming, dat verkoop van het pand voor hen geen optie is en dus de enige optie is voortzetting van de verhuur. Anderzijds komt dit doordat de houders van de aandelen slechts zeer beperkte mogelijkheden hebben om ten aanzien van de dividendpolitiek invloed uit te oefenen, daar in de statuten van de vennootschap is vermeld dat beslissingen binnen de vennootschap enkel op basis van meerderheid kunnen worden genomen, wat feitelijk betekent dat geen van de drie staken (A, B of C) kan besluiten om aan zichzelf dividenden uit te keren, nu zij daar altijd tenminste de medewerking van een andere staak voor nodig heeft. De erfgenamen menen dat deze zeer beperkende en nadelige aan de aandelen klevende omstandigheden een zeer sterk drukkende invloed op de waarde van de aandelen hebben waarmee volstrekt onvoldoende rekening is gehouden.\n\n35. De rechtbank stelt in voornoemd verband voorop dat zij er niet aan twijfelt dat de erfgenamen verknocht zijn aan de wijze waarop het pand wordt geëxploiteerd, namelijk verhuur van het pand met als doel dat de aandeelhouders (althans voor zover het familieleden betreffen) kunnen leven van de dividendinkomsten uit de holding waarin de huurinkomsten terecht komen. De rechtbank begrijpt eveneens dat, gelet op de familiegeschiedenis van de erfgenamen voor hen verkoop van het pand geen optie is daar zij zich verplicht voelen de verhuur (en eigendomssituatie van het pand) in stand te houden. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat het onder de geldende omstandigheden lastig is om een andere dividendpolitiek te voeren. Echter, dit betreffen naar het oordeel van de rechtbank vooral subjectieve belemmeringen die bij de erfgenamen spelen die - hoe begrijpelijk en wezenlijk die voor de erfgenamen ook zijn - geen objectieve belemmeringen vormen. Dat het vooral om een subjectieve belemmering gaat, wordt naar het oordeel van de rechtbank ook onderschreven door de volgende passage uit de motivering van de beroepen van de erfgenamen: “Hoewel de familie bij diverse gelegenheden de vraag heeft gekregen of het niet beter zou zijn om dit pand te verkopen en in plaats daarvan te diversifiëren en risico’s te spreiden in de portefeuille, heeft de familie altijd gekozen voor het risicovolle perspectief van dit ene grote warenhuis aan de [straat] . Die redenen zijn niet rationeel, maar emotioneel. Het is een anker met het donkere verleden, dat ook de oorzaak is van hun bestaan”.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat zij weliswaar aannemelijk acht dat voorgaande omstandigheden zeker ook in enige mate een waardedrukkend effect (kunnen) hebben op de waarde van de aandelen, maar de rechtbank vindt niet aannemelijk dat dit tot een zodanige forse waardevermindering leidt zoals door de erfgenamen bepleit. De rechtbank overweegt daarbij tevens dat wat er ook zij van al de door de erfgenamen genoemde beperkingen en moeilijkheden bij het uitoefenen van de dividendpolitiek, dat niet wegneemt dat een nieuwe aandeelhouder wel degelijk recht heeft op zijn deel (naar rato) in de (dividend)reserves en dergelijke, en dat het voor zo’n nieuwe aandeelhouder geenszins uit te sluiten valt dat die beperkende omstandigheden op termijn - al dan niet via tussenkomst van (een) juridische procedure(s) - afnemen ofwel geheel verdwijnen, ook omdat (een) nieuwe willekeurige aandeelhouder(s) niet of minder verknocht zal zijn aan het pand en de manier waarop de exploitatie daarvan nu is vormgegeven. Al met al acht de rechtbank niet aannemelijk dat de objectieve invloed van de geschetste beperking dusdanig is dat dit dient te leiden tot een grotere waardevermindering dan verweerder reeds heeft toegepast door middel van een afslag van 10% in verband met incourantheid van de aandelen vanwege het feit dat het om een minderheidsbelang gaat.\n\n36. De erfgenamen hebben ter zitting, onder verwijzing naar recente aankooponderhandelingen aangaande de aandelen die momenteel in handen zijn van goede doelen (de staak A van een inmiddels overleden oom), erop gewezen dat de werkelijkheid ook toont dat de aandelen een heel lastig te gelde te maken actief vormen. De erfgenamen wijzen er daarbij op dat bij die onderhandelingen is gebleken dat in feite enkel de vennootschap zelf een geschikte koper is van de aandelen, terwijl de vennootschap momenteel zeer beperkt is in haar koopkracht, ook omdat zij niet in staat is een (aanvullende) hypothecaire financiering voor zo’n aankoop te verkrijgen omdat dit volgens de Rabobank ‘niet verantwoord’ is. Dit brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Enerzijds omdat de erfgenamen de stelling dat er geen aanvullende hypothecaire lening kan worden verkregen niet hebben onderbouwd en ook niet inzichtelijk hebben gemaakt onder welke omstandigheden die dan zou zijn aangevraagd. Anderzijds omdat deze stelling is gebaseerd op de aanname dat de vennootschap de enige geschikte koper is, welke stelling niet de juridische werkelijkheid (juridisch kunnen de aandelen ook aan een willekeurige derde worden verkocht) weergeeft maar ‘slechts’ de kennelijk huidige stand van zaken binnen de onderhandelingen over de aankoop van de bewuste aandelen.\n\n37. Dat, naar de erfgenamen eerst ter zitting hebben gesteld, een vrijwel identiek aandelenpakket (de aandelen vormende de staak A) in de aan de overleden oom ter gelegenheid van zijn overlijden opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor een veel lager bedrag (de erfgenamen stellen: € 2.262.198) in aanmerking is genomen, brengt de rechtbank, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. Dit reeds omdat 1) dit kennelijk een voorlopige aanslag betreft en dus, zo de gestelde waarde juist is, daarvan bij de definitieve aanslag nog kan worden afgeweken, en 2) de rechtbank geen enkel inzicht heeft in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die waarde tot stand is gekomen.\n\nToepassing van de BOR\n\n38. De BOR wordt alleen verleend voor zover sprake is van een bedrijfsopvolging. Tot het voor de BOR kwalificerend ondernemingsvermogen behoren een “onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan” of een direct of indirect gehouden aanmerkelijk belang, mits de vennootschap waarop dat aanmerkelijk belang betrekking heeft een onderneming in vorenbedoelde zin drijft.\n\n39. Een beroep op de – voorwaardelijke – vrijstelling van artikel 35b Sw (de BOR) kan – kort gezegd – gehonoreerd worden indien voldaan is aan de volgende vereisten:\n\nEr is sprake van ondernemingsvermogen zoals benoemd in artikel 35c lid 1 onder a tot en met d van de Sw;\n\nEr is voldaan aan het bezitsvereiste van een jaar door de erflater zoals beschreven in artikel 35d van de Sw;\n\nVervolgens moet de verkrijger voldoen aan het voortzettingsvereiste van vijf jaar zoals beschreven in artikel 35e van de Sw;\n\nBij het doen van aangifte is een beroep gedaan op de BOR (artikel 35b, lid 1 jo. lid 7 van de Sw).\n\n40. Van het drijven van een onderneming in vorenbedoelde zin is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om winst te behalen. Bij de exploitatie van onroerende zaken – zoals hier aan de orde – geldt dat deze activiteiten slechts als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt indien de arbeid naar aard en omvang meer heeft omvat dan gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer (arbeid-plus) en deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat (rendement-plus).\n\n41. In dit geval wordt door verweerder betwist dat sprake is van een onderneming in vorenbedoelde zin. Subsidiair neemt verweerder het standpunt in dat niet is voldaan aan het hiervoor in rechtsoverweging 38, onder c, weergegeven voortzettingsvereiste, omdat volgens verweerder in ieder geval vanaf ultimo 2021 geen sprake (meer) is van zulk een onderneming.\n\n42. Op eiseres, die een beroep doet op toepassing van de BOR, rust de bewijslast aannemelijk te maken dat dat de faciliteit van toepassing is, dat wil zeggen dat zij\n\nfeiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken die het standpunt kunnen dragen dat de ter zake van de verhuur van het pand verrichte werkzaamheden meer omvatten dan normaal vermogensbeheer (arbeid-plus en rendement-plus) én dat, gegeven het subsidiaire standpunt van verweerder, ook gedurende de vijf navolgende jaren na de verkrijging daarvan (nog) sprake was (het voorzettingsvereiste van vijf jaar).\n\n43. Verweerder wijst er terecht op dat uit de geldende jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling of sprake is van arbeid-plus, de arbeid:\n\nin verhouding tot de omvang van de vastgoedportefeuille moet worden beoordeeld; en\n\ndat arbeid dient te worden vergeleken met een belegger in zodanige goederen om te beoordelen of er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer.\n\nDaarbij geldt dat werkzaamheden die onder verhuuractiviteiten vallen, zeer uiteenlopend zijn, waarbij het bijvoorbeeld gaat om:\n\n- het innen van de huur en alle hiermee verband houdende activiteiten;\n\n- het zoeken naar huurders;\n\n- het opstellen van de huurovereenkomsten;\n\n- het onderhouden van contact met financiers\u002Fbanken;\n\n- het in ontvangst nemen van klachten en vragen, en het afhandelen daarvan;\n\n- het plegen van klein en grootonderhoud.\n\nDaarbij ontkomt geen investeerder in vastgoed eraan door grotere ingrepen het vastgoed economisch en technisch up to datete houden, teneinde de huurstroom op peil te kunnen houden. Deze werkzaamheden behoren in beginsel tot hetgeen een willekeurige vastgoedexploitant aan werkzaamheden moet verrichten teneinde het reguliere rendement te kunnen realiseren.\n\n44. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van het pand sprake is van arbeid-plus, zeker niet vanaf ultimo 2021. De rechtbank baseert dit oordeel op de weergave van de werkzaamheden zoals door\u002Fnamens de erfgenamen beschreven in de beantwoording van de vraag ‘Welke kwalificerende arbeid heeft plaatsgevonden’ (zie rechtsoverweging 22). In beroep hebben de erfgenamen geen wezenlijk andere (aanvullende) werkzaamheden voor het voetlicht gebracht. De rechtbank stelt vast dat de erfgenamen hiermee in wezen stellen dat door de arbeid die gemoeid is met de verhuur van het pand aan de arbeid-plus eis wordt voldaan. De rechtbank volgt de erfgenamen – en daarmee eiseres – daarin niet. In de weergave van de werkzaamheden door de erfgenamen, ziet de rechtbank geen werkzaamheden die omvangrijker zijn dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Al die werkzaamheden vallen naar het oordeel van de rechtbank, ook in samenhang bezien, onder het hiervoor geschetste kader van wat ‘normaal vermogensbeheer’ is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de beschreven werkzaamheden – kort gezegd – zien op de verbouwing van het pand, mogelijke verduurzaming in de toekomst en onderhandelingen met de huurder over incentives. Dit zijn, zoals verweerder ook terecht concludeert, allemaal juist werkzaamheden die inherent zijn aan het beheren van onroerend goed en het behalen van een wenselijk rendement; het zijn werkzaamheden die een belegger moet verrichten om zijn bron van inkomen in stand te houden en kwalificeren als normaal vermogensbeheer. Overige werkzaamheden die – al dan niet in samenhang bezien met de andere werkzaamheden – de conclusie kunnen dragen dat wel sprake is normaal vermogensbeheer overstijgende werkzaamheden (arbeid-plus), zijn niet gesteld en zijn ook niet anderszins gebleken.\n\nDat er een werknemer (directeur) fulltime in dienst was van de vennootschap die de verhuur regelde en daar activiteiten\u002Fwerkzaamheden voor verrichtte, welke taken nu door (een van) de erfgenamen worden uitgevoerd, maakt dit niet anders. Dat doet namelijk niet af aan de aard van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden die worden verricht, en dat zijn in dit geval – zoals hiervoor geoordeeld – geen activiteiten die normaal vermogensbeheer overstijgen.\n\n45. Het vorenstaande betekent dat er geen sprake is van een materiële onderneming, zodat er geen recht bestaat op toepassing van de BOR. Dit betekent dat de erfgenamen de volle aanmerkelijk belangclaim op de aandelen in de vennootschap moeten afrekenen. Gelet op dit oordeel behoeft de vraag of aan rendement-plus-eis wordt voldaan geen behandeling meer.\n\n46. Dat de inspecteur inkomstenbelasting voor het jaar 2019 heeft beoordeeld dat sprake is van gekwalificeerd ondernemingsvermogen op het moment van overlijden en dat om die reden de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, maakt de aard en omvang van de bewuste werkzaamheden niet anders en brengt de rechtbank in deze zaak dan ook niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat zo aanvankelijk, bijvoorbeeld tijdens de verbouwing van het pand, wél sprake is geweest van een onderneming in vorenbedoelde zin, daarvan dan naar het oordeel van de rechtbank – overeenkomstig het subsidiaire standpunt van verweerder – ultimo 2021 in ieder geval geen sprake meer van is. De verbouwing is immers begin 2020 volledig afgerond, waarna geen sprake meer is geweest van (ingrijpende) verbouwing doch enkel van ‘reguliere’ verhuur. Onder die omstandigheden is, gegeven de werkzaamheden zoals door de erfgenamen beschreven, naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval per ultimo 2001 geen sprake van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betekent dat in ieder geval niet is voldaan aan het voortzettingsvereiste van vijf jaar, zodat ook in zoverre geen recht bestaat op toepassing van de BOR.\n\n47. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n48. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. J.J. Arts en mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Vergelijk HR 17 augustus 1994, (ECLI:NL:HR: 1994:ZC5731), HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:633 en ook HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:8341","ecli-nl-rbdha-2026-8341",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":49,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]