ECLI:NL:RBDHA:2026:9264
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/6950
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026.
Namens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft op 10 mei 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Jaguar F-type (de auto).
2. De aangifte is gebaseerd op een taxatierapport van [de taxateur] (de taxateur). De taxateur heeft de auto op 4 mei 2022 getaxeerd naar een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 51.119 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 6.550. In het taxatierapport is opgenomen dat de algemene indruk van de auto goed is. Tevens is een waardevermindering van € 16.898,85 opgenomen met als omschrijving “Ter halve waarde in 40% schadevoertuig (WOK) status.” Op bij het taxatierapport gevoegde foto’s is waarneembaar dat de voorzijde van de auto (rood van kleur) beschadigd is.
3. Van de auto is geen aankoopfactuur overgelegd.
4. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 6.550. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.643 en is op aangifte voldaan.
5. De auto is op 22 juli 2022 door de RDW goedgekeurd. De voorzijde van de auto (nu zwart van kleur) was op dat moment gerepareerd.
6. De nageheven Bpm bedraagt € 11.185. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 51.119. Er is geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 89.
Geschil
7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de taxatiemethode kan worden toegepast en, indien dat het geval is of een waardevermindering wegens schade in aanmerking dient te worden.
Beoordeling van het geschil
8. Naar het oordeel van de rechtbank kleven aan het taxatierapport van eiser zowel formele- als materiële gebreken. Tussen de taxatie door de taxateur en de keuring door de RDW zijn meer dan twee maanden verstreken, wat het taxatierapport al onbruikbaar maakt. Daarnaast zijn in het taxatierapport tegenstrijdige bevindingen opgenomen (algemene indruk en staat goed terwijl er ruim € 44.500 aan aftrek wordt geclaimd en er WOK staat vermeld) en is de auto na de taxatie overduidelijk gerepareerd zodat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport. De naheffingsaanslag is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
9. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
11. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag in juni 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 15 april 2026 uitspraak. De redelijke termijn is dan ook met ongeveer 10 maanden overschreden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Bij een geschil over een zeer gering financieel belang (kleiner dan € 1.000) hoeft geen vergoeding van immateriële schade te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
12. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 juni 2024bestaat het financiële belang bij de procedure in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.
13. Nu eiser heeft geprocedeerd op basis van een ondeugdelijk taxatierapport dat, naar hiervoor onder 8 is overwogen, overduidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank de conclusie dat (de gemachtigde van) eiser zijn standpunten gebaseerd op dit taxatierapport tegen beter weten in heeft ingenomen. Die standpunten laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.Niet aannemelijk is dat er een reëel procesbelang van € 1.000 of meer speelt. Daarbij bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn minder dan twaalf maanden. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiser een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
ECLI:NL:HR:2024:853.
ECLI:NL:HR:2024:853.
ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.