[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-2380":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-2380":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"743","ECLI:NL:RBGEL:2026:2380","",60,"Arnhem","arnhem","2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6904\n\nuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 maart 2026\n\nin de zaak tussen\n\n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 mei 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende een teruggaafbeschikking omzetbelasting (OB) voor het tweede kwartaal 2023 gegeven van € 31.041.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de teruggaafbeschikking gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Hierop heeft belanghebbende gereageerd bij nader stuk van 15 februari 2026.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon A], alsmede haar gemachtigden. Namens de inspecteur hebben deelgenomen, [persoon B], [persoon C] en [persoon D].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is een instelling die zich richt op het tegen vergoeding bieden van opvang en ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking (de cliënten). Belanghebbende houdt zich tevens bezig met het tegen een zakelijke vergoeding verkopen en leveren van goederen aan derden, bijvoorbeeld vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten. Daarnaast verricht belanghebbende tegen een zakelijke vergoeding diensten aan derden, zoals verpakkings-, montage- en sorteerwerkzaamheden. Belanghebbende ontplooit haar activiteiten (zowel de opvang- als de commerciële activiteiten) vanuit diverse locaties. Dit kunnen zowel gehuurde locaties zijn, als locaties die zij in eigendom heeft.\n\n2. Belanghebbende heeft in 2021 opdracht gegeven aan [naam bedrijf 1] voor het ontwikkelen en realiseren van een nieuw gebouwencomplex aan de [locatie 1] in [plaats 2] (het complex). Voor de ontwikkelings- en realisatiekosten, waaronder de kosten voor de ingeschakelde aannemer, notaris, ontwerpkosten en sloopkosten (in totaliteit: de bouwkosten) heeft belanghebbende inkoopfacturen ontvangen vermeerderd met OB. De oplevering en eerste ingebruikname van het complex stond gepland voor november 2024.\n\n3. Het complex is vervaardigd op een perceel van belanghebbende en heeft een totale (binnen) vloeroppervlakte van 2.162 m2. Tijdens de bouw van het complex was het de bedoeling om ruimtes voor de volgende afdelingen te bouwen:\n\nAfdeling\n\nOppervlakte in m2\n\nPercentage\n\nZelfstandig?\n\n1\n\nIndustrieel werk\n\n411,80\n\n19,04\n\nJa\n\n2\n\nOp Maat (incl. balkon)\n\n445,30\n\n20,59\n\nJa\n\n3\n\nKleurmeesters\n\n341,90\n\n15,81\n\nJa\n\n4\n\nTextielatelier\n\n87,50\n\n4,05\n\nJa\n\n5\n\nServicebureau\n\n518,70\n\n23,99\n\nNee\n\n6\n\nAlgemene ruimten\n\n357,30\n\n16,52\n\nNee\n\nTotaal\n\n2.162,50\n\n100,00\n\nBuitenruimten\n\n7,30\n\nDe afdelingen Industrieel werk, Kleurmeesters en Textielatelier (nummers 1, 3 en 4) (de zelfstandige productieruimten) waren bestemd om de cliënten bij wijze van hun dagbesteding goederen te laten produceren voor de verkoop en\u002Fof diensten aan derden te laten verrichten.Op de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2) verblijven de cliënten die zich niet bezig houden met het produceren van goederen bestemd voor de verkoop en\u002Fof het verrichten van dienstverlening. Die cliënten hebben in deze ruimte een andere wijze van dagbesteding.\n\n4. Op 31 juli 2023 heeft belanghebbende aangifte OB over het tweede kwartaal 2023 gedaan. In die aangifte is een bedrag aan voorbelasting vermeld van € 56.561. Dit bedrag is bepaald aan de hand van de zogenoemde ‘omzet pro rata’. De aangifte resulteert in een verzoek om teruggaaf van € 31.041.\n\n5. Bij beschikking met dagtekening 25 augustus 2023 heeft de inspecteur de gevraagde teruggaaf verleend. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 6 oktober 2023. In haar motivering van het bezwaar van 6 december 2023 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de teruggaaf OB over het tweede kwartaal 2023 op € 32.285 vast te stellen. Dit op basis van de in het verleden met de Belastingdienst gemaakte afspraken over de btw-handelwijze ten aanzien van andere locaties van waaruit belanghebbende haar activiteiten verrichtte. Vervolgens hebben partijen hun standpunten uitgewisseld.\n\n6. Op 28 maart 2024 heeft het hoorgesprek in bezwaar plaatsgevonden. Hiervan is een verslag met datum 11 april 2024 opgemaakt. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 18 april 2024.\n\n7. Partijen hebben de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:\n\na. Een voorstel van belanghebbende van 18 maart 1996 inzake de aftrek van voorbelasting op de kosten van de verschillende panden van belanghebbende. Hierin is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer [persoon E],\n\nHierbij doen wij u een voorstel inzake de verdeling van de kosten i.v.m. de BTW toekenning naar m2 in de verschillende panden van de Stichting \"[belanghebbende]\"\n\n [naam bedrijf 2] te [plaats 3]\n\n- locatie [locatie 2], totaal 690 m2\n\n produktieruimten 270 m2 is dus 39%\n\n- locatie [locatie 3],\n\n volledig produktieruimte is dus 100%\n\n [naam bedrijf 3] te [plaats 1]\n\n - locatie [locatie 4] totaal 1302 m2\n\n produktieruimten 272 m2 is dus 21%\n\n - locatie [locatie 5] totaal 440 m2\n\n produktieruimten 222 m2 is dus 50%\n\nOp dit moment zijn wij druk doende met een opzet van 1994 en 1995 zodat wij over deze jaren zo spoedig mogelijk aangifte kunnen doen. In afwachting van uw berichten, teken ik, met vriendelijke groeten,\n\n [persoon F]\n\ndirecteur”\n\nEen akkoord van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van\n\n21 maart 1996 in reactie op het hiervoor genoemde voorstel. Hierin is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer [persoon F],\n\nNaar aanleiding van uw brief van 18 maart 1996 deel ik u het volgende mede.\n\nOndanks dat ik niet alle onroerende zaken van de stichting zelf in ogenschouw heb genomen ga ik onder voorbehoud van correctie bij later onderzoek akkoord met de voorgestelde percentages.\n\n(…)”\n\nEen rapport van het onderzoek van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van 19 september 1996, naar de suppletie-aangiften OB over de tijdvakken 1994 en 1995 van belanghebbende. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe cijfers van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 1994 t\u002Fm 31 december 1995 sloten geheel aan met de vervaardigde recapitulaties van de voorbelasting over de jaren 1994 en 1995. Steekproefgewijze controle op de in mindering gebrachte voorbelasting en de aanwezige facturen gaf geen aanleiding tot correcties. Met de voorgestelde aftrekpercentages die bij het gemengd gebruik werden gehanteerd kan accoord worden gegaan.\n\n(…)”\n\nEen voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 inzake de aftrekpercentages bij gemengd gebruik. In dit voorstel is het volgende vermeld:\n\n“Geachte heer, mevrouw,\n\nIn een rapport van uw dienst d.d. 19 september 1996 opgesteld door de heer [persoon G] is aangegeven dat akkoord kon worden gegaan met de door ons voorgestelde aftrekpercentages van de voorbelasting die bij gemengd gebruik worden gehanteerd. Deze aftrekpercentages zijn gebaseerd op het percentage van het vloeroppervlak op een locatie die gebruikt wordt voor de belaste activiteiten en is van toepassing op de indirecte kosten die gemaakt zijn ten behoeve van zowel de belaste als niet belaste activiteiten.\n\nInmiddels zijn er meer dan tien jaren verstreken en hebben er een aantal wijzigingen voorgedaan bij [belanghebbende]. Er zijn met name een aantal belaste activiteiten verhuist naar een eigen locatie. Voor zover de wijzigingen van invloed waren op de aftrekbaarheid van de voorbelasting is dit verwerkt in onze administratie en de daaruit voortvloeiende aangiftes.\n\nUit hoofde van mijn verantwoordelijkheid als hoofdadministratie zou ik het prettig vinden als u opnieuw een akkoord zou willen geven voor onze huidige manier van aftrekken van voorbelasting. Als bijlage stuur ik u daarvoor een overzicht van grootboekrekeningen en kostenplaatsen (locaties) met de gehanteerde percentages van aftrek van voorbelasting.\n\nDe belaste activiteiten vinden plaats op de volgende locaties:\n\nAdres\n\nPlaats\n\nKst.pl\n\nActiviteit\n\naftrek\n\nvoor-\n\nbelasting\n\n [locatie 3]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 1]\n\nZuivelboerderij\n\n100%\n\n [locatie 6]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 2]\n\nWinkel met koffie corner\n\n100%\n\n [locatie 2]\n\n [plaats 3]\n\n [perceelnr. 3]\n\nWinkel\n\n100%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 4]\n\nPapierschepperij\n\n100%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 5]\n\nKaarsenmakerij\n\n100%\n\n [locatie 7]\n\n [plaats 5]\n\n [perceelnr. 6]\n\nHoutwerkplaats\n\n100%\n\n [locatie 8]\n\n [plaats 5]\n\n [perceelnr. 7]\n\nTextielatelier\n\n100%\n\n [locatie 9]\n\n [plaats 6]\n\n [perceelnr. 8]\n\nBakkerij en winkel\n\n100%\n\n [locatie 10]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 9]\n\nKwekerij [naam kwekerij]\n\n100%\n\n [locatie 11]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 10]\n\nIndustrieel werk\n\n100%\n\n [locatie 4]\n\n [plaats 1]\n\n [perceelnr. 11]\n\nWinkel\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 12]\n\nCreatief atelier\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 13]\n\nStofbedrukken\n\n34%\n\n\"\"\n\n\"\"\n\n [perceelnr. 14]\n\nWasserette\n\n34%\n\n [naam bedrijf 2] aan de [locatie 2] te [plaats 3] is gesplitst in een logeerhuis, productieruimten en een winkeltje. In het dagactiviteitencentrum vinden geen onbelaste activiteiten meer plaats.\n\nHoogachtend,\n\n [persoon H]\n\nHoofd administratie\n\nBijlagen:\n\n- Overzicht grootboekrekeningen\n\n- Berekening 34% oppervlakte locatie [locatie 4] is t.b.v. productie\n\n- Rapport Belastingdienst d.d. 19 september 1996 akkoord percentages\n\n- Brief Belastingdienst d.d. 21 maart 1996 akkoord onder voorbehoud\n\n- Brief [belanghebbende] d.d. 18 maart 1996 met voorstel percentages\n\n- Brief Belastingdienst d.d. 29 september 1995 vaststelling belastingplicht”\n\nEen controlerapport van een boekenonderzoek onder belanghebbende. Het rapport is van de Belastingdienst Oost, kantoor [plaats 4], en heeft datum 18 maart 2009. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\n2 Beperkingen boekenonderzoek\n\nVoor de omzetbelasting heeft het boekenonderzoek zich beperkt tot het:\n\n- Waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;\n\n- Inwinnen van informatie die van belang is voor de beoordeling van het percentage van aftrekbaarheid van de voorbelasting.\n\nDe juistheid van de voorbelasting en de volledigheid van de afgedragen omzetbelasting is derhalve niet beoordeeld.\n\n2.1 Rechtsvorm\n\nHet betreft een stichting, genaamd [belanghebbende] met als doelstelling de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten in zuidwest [plaats 7]. In het kader van deze opvang worden diverse bedrijfjes geëxploiteerd, zowel op de hoofdvestiging in [plaats 1] als in de regio. Hierna is een opsomming van de verschillende locaties met haar hoofdactiviteit opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van de Stichting, [website].\n\n(…)3. Omzetbelasting\n\nDe hoofdactiviteiten van de stichting, de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten, zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 lid 1, letter f, Wet Omzetbelasting samen met artikel 7 lid 1 besluit bijlage B post b12. Het produceren, verkopen en bezorgen van allerlei producten aan diverse afnemers is geen prestatie die valt onder de vrijstelling. Dit standpunt van de Belastingdienst is verwoord in de brief van 29 september 1995 aan de Stichting t.a.v. de heer [persoon F].\n\n3.1. Verzoek\n\nIn de brief van 12 november 2007 verzoekt de Stichting om bevestiging van de toentertijd gemaakte afspraak voor wat betreft het aftrekbare deel voorbelasting met betrekking tot het gemengd gebruik. De aftrekpercentages zijn hierbij gebaseerd op het vloeroppervlak van een locatie met belaste activiteiten. Ter toelichting zijn volgende bescheiden door de Stichting verstrekt:\n\n- Jaarrekening 2007;\n\n- Btw-berekening 2007;\n\n- Gedetailleerde \"aansluiting afdracht BTW met omzet 2007\";\n\n- \"Overzicht voor bepaling voorbelasting [belanghebbende]\".\n\n3.2. Conclusie\n\nOp basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd.\n\n(…)”\n\n Een plattegrond van het complex met oppervlakten en benamingen van de diverse ruimten (bijlage 15 bij het verweerschrift).\n\n De jaarrekening 2023 van belanghebbende. De toelichting op de resultaatsrekening bij die jaarrekening luidt voor zover relevant als volgt:\n\n“(…)\n\nBEDRIJFSOPBRENGSTEN\n\n13. Netto omzet 2023 2022\n\nDe specificatie is als volgt: € €\n\nWet langdurige zorg 19.795.617 17.991.371\n\nWet maatschappelijke ondersteuning 1.824.048 2.060.882\n\nJeugdwet 1.786.735 1.546.393\n\nZorggerelateerde coronacompensatie 0 479.223\n\nBaten uit onderaanneming 89.133 93.763\n\nOverige baten uit beroeps- of bedrijfsmatige zorgverlening 80.994 90.976\n\nTotaal 23.576.527 22.262.608\n\n(…)\n\n14. Overige bedrijfsopbrengsten\n\nDe specificatie is als volgt: 2023 2022\n\n € €\n\nOpbrengsten uit Winkelverkopen 757.752 736.849\n\nVerhuuropbrengsten 5.772 2.774\n\nOverige baten 7.864 188\n\nBeschikbaarheidsbijdragen Opleidingen 79.575 49.903\n\nOverige subsidies 109.354 29.799\n\nTotaal 960.317 819.513\n\n(…)”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf dan de teruggaaf die is verleend naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. De hoogte van de pro rata is in geschil, waarbij in de kern de vraag is of de zelfstandige productieruimten uitsluitend voor belaste prestaties worden gebruikt en dus volledig recht geven op aftrek van de omzetbelasting op de bouwkosten daarvan.\n\nVooraf\n\n9. Belanghebbende maakt een onderscheid tussen de zelfstandige productieruimten ‘Industrieel werk’, ‘Kleurmeesters’ en ‘Textielatelier’ (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) en de niet-zelfstandige ruimten, ‘Service bureau’ en ‘Algemene ruimten’ (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.). De inspecteur volgt het door belanghebbende gemaakte onderscheid tussen zelfstandige productieruimten en niet-zelfstandige ruimten. De kwalificaties ‘zelfstandig’ en ‘niet-zelfstandig’ zijn voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB) ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat voor de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2 op die lijst) in het geheel geen recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Die ruimte wordt volledig gebezigd voor vrijgestelde prestaties. Ten slotte is niet in geschil dat de niet-zelfstandige ruimten als ‘gemengde’ ruimten in de zin van de Wet OB en de daarop gebaseerde regelgeving dienen te worden aangemerkt.\n\n10. In haar nader stuk van 15 februari 2026 heeft belanghebbende aangegeven dat (in afwijking van het beoogd gebruik) na oplevering en ingebruikneming van het complex het ‘Textielatelier’ is veranderd in ‘Medialab’ en dat deze ruimte vooralsnog niet wordt gebruikt voor belaste (commerciële) prestaties. Voor de voorliggende procedure is die wijziging echter niet van belang, omdat het bij de beoordeling van de hoogte van het teruggaafverzoek gaat om het beoogd gebruik ten tijde van het doen van aangifte OB over het tweede kwartaal 2023.\n\nWettelijk kader\n\n11. Artikel 168, aanhef en onderdeel a, van de BTW-richtlijnbepaalt als volgt:\n\n“Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:\n\na) de BTW die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;\n\n(…)”\n\n12. Artikel 173, eerste lid, van de BTW-richtlijn bepaalt als volgt:\n\n“Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).\n\nHet aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.”\n\n13. Artikel 15 van de Wet OB luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:\n\na. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur; (…) een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.\n\n(…)\n\n6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebruikt anders dan voor belaste handelingen of anders dan voor de handelingen, bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met wijzigingen in het gebruik van onroerende zaken, bedoeld in het eerste lid, laatste alinea. Voorts kan daarbij worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt gelaten.”\n\n14. Artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de uitvoeringsbeschikking) luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“1. De aftrek van de in artikel 15 van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt, ingeval de ondernemer zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, met inachtneming van het volgende:\n\na. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting geheel voor aftrek in aanmerking;\n\nb. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting in het geheel niet voor aftrek in aanmerking;\n\nc. met betrekking tot goederen en diensten die zowel voor de onder a als voor de onder b bedoelde handelingen worden gebruikt, komt voor aftrek in aanmerking het gedeelte van de voorbelasting dat in dezelfde verhouding staat tot die belasting als het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a staat tot het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a en onder b.\n\n2. Indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de aldaar bedoelde verhouding, wordt het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten berekend op basis van het werkelijke gebruik.\n\n(…)”\n\n15. Artikel 12 van de uitvoeringsbeschikking luidt:\n\n“1. De in artikel 11 voorgeschreven berekeningswijze geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel de belasting wordt verschuldigd.\n\n2. De herziening, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de wet, geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de ondernemer de goederen of diensten is gaan gebruiken.\n\n3. Bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar vindt herziening van de aftrek plaats op basis van de voor het gehele boekjaar geldende gegevens.”\n\n16. Artikel 13, eerste lid, van de uitvoeringsbeschikking luidt:\n\n“In afwijking van artikel 11 worden voor de toepassing van de aftrek afzonderlijk in aanmerking genomen:\n\na. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen;\n\nb. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen;\n\nc. investeringsdiensten waarvan de vergoeding ten minste € 30.000 bedraagt.”\n\nZelfstandige productieruimten\n\n17. De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van partijen over de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) behandelen en een oordeel daarover geven.\n\nPrimaire standpunt belanghebbende – volledig recht op aftrek\n\n18. Volgens belanghebbende worden de zelfstandige productieruimten gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten, zijnde het tegen vergoeding verkopen en leveren van goederen, zoals vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten, en het tegen vergoeding verrichten van diensten, zoals montage-, sorteer-, en verpakkingswerkzaamheden. De productieruimten zijn volgens belanghebbende ontworpen en ingericht om deze belaste activiteiten te kunnen uitvoeren en worden ook als zodanig feitelijk gebruikt. Volgens belanghebbende worden de bouwkosten van de productieruimten bovendien feitelijk doorberekend in de vergoedingen aan derden-afnemers die belanghebbende voor deze commerciële activiteiten ontvangt van die derden. Gelet op het voorgaande is belanghebbende van mening dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte bouwkosten van de zelfstandige productieruimten en de belaste prestaties die vanuit deze productieruimten worden verricht. De desbetreffende bouwkosten zouden door belanghebbende niet zijn gemaakt, indien de belaste commerciële activiteiten niet (vrijwillig) door haar zouden zijn ontplooid. Dat er cliënten werkzaam zijn in die ruimten maakt niet uit, aldus belanghebbende.\n\n19. De inspecteur betwist dat belanghebbende de productielocaties uitsluitend gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten. Het hoofddoel van de productieruimten is immers de dagbesteding van cliënten. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is zowel toerekenbaar aan belaste prestaties, als aan vrijgestelde prestaties en daarom is die voorbelasting slechts gedeeltelijk aftrekbaar, aldus de inspecteur. Die aftrek is door de inspecteur berekend op 4% op basis van de pro rata naar omzetverhoudingen.\n\n20. In zijn arrest van 15 juni 2012heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (r.o. 3.3):\n\n“(…)Voorts rust in het algemeen op de ondernemer de last feiten te stellen en in geval van gemotiveerde betwisting te bewijzen waaruit met toepassing van de relevante rechtsregels volgt of en zo ja in hoeverre goederen of diensten door hem worden gebezigd voor belaste handelingen in de zin van artikel 15, lid 1, van de Wet.”\n\n21. De rechtbank is van oordeel dat op belanghebbende de bewijslast rust van haar primaire stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur. Belanghebbende moet dus aannemelijk maken dat zij recht heeft op volledige aftrek van voorbelasting op de bouwkosten doordat de zelfstandige productieruimten uitsluitend zullen worden gebruikt voor belaste prestaties. Zij is daarin niet geslaagd, omdat vast staat dat in deze ruimtes ook cliënten (zullen) worden begeleid in het kader van hun dagbesteding. Die dagbestedingsdienst aan de cliënten is een vrijgestelde prestatie en hiervoor ontvangt belanghebbende een vergoeding vanuit de Wlz, de WMO en\u002Fof de Jeugdwet. Er is dus sprake van gebruik voor twee verschillende prestaties van de zelfstandige productieruimten: een belaste prestatie aan derden bij de verkoop van producten en het verrichten van diensten en een vrijgestelde prestatie aan de eigen cliënten bestaande uit dagopvang. Aannemelijk is dat de bouwkosten toerekenbaar zijn aan beide prestaties, zodat sprake is van kosten voor gemengd gebruik. Een volledig recht op aftrek op die kosten is dan niet mogelijk.\n\n22. De conclusie luidt dat het primaire standpunt van belanghebbende faalt, omdat sprake is van gemengd gebruik. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is op grond van de Wet OB, en bijbehorende lagere regelgeving, dus niet volledig aftrekbaar.\n\nSubsidiaire standpunt belanghebbende – beroep op vertrouwensbeginsel\n\n23. Belanghebbende is subsidiair van mening dat zij mocht vertrouwen op de toezeggingen van de Belastingdienst die inhouden dat deze akkoord is met de door belanghebbende gehanteerde handelswijze ter zake van de aftrek van voorbelasting op bepaalde kosten. De Belastingdienst heeft volgens belanghebbende in 1996 en in 2009, na inhoudelijke beoordelingen, het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende gehanteerde handelswijze akkoord is (zie punt 7.). Deze handelswijze hield onder meer in dat belanghebbende de voorbelasting die toerekenbaar is aan de productielocaties volledig in aftrek mag brengen. De relevante feiten en omstandigheden zijn niet gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die in het verleden gold. Het enige verschil is dat een aantal productielocaties binnen één complex worden samengevoegd. In haar nader stuk van 15 februari 2025 heeft belanghebbende geëxpliciteerd dat de uitlatingen van de inspecteur wat haar betreft niet complex-gebonden zijn, maar zien op de aard van de activiteiten. In die activiteiten is geen verandering gekomen, aldus belanghebbende.\n\n24. De inspecteur is van mening dat de eerdere afspraken golden voor de voorbelasting die zag op kosten van bestaande gebouwen en dat deze niet kunnen worden doorgetrokken naar het nieuw te bouwen complex. Er is namelijk sprake van een nieuw investeringsgoed (het complex) en daarvoor gelden de afspraken niet, aldus de inspecteur.\n\n25. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Meer specifiek, met betrekking tot uitlatingen van de inspecteur in een controlerapport, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 2021onder meer het volgende beslist (onder weglating van voetnoten):\n\n“3.3.2. Voor een geval als dit, waarin de inspecteur zich in het controlerapport expliciet heeft uitgelaten, geldt het volgende. Indien het gaat om als toezeggingen op te vatten expliciete uitlatingen van de inspecteur, kan de belastingplichtige zich onder voorwaarden met succes beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is vereist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die toezeggingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Daarbij is bovendien vereist dat die toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezeggingen in redelijkheid niet mocht rekenen.”\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. Het is niet in geschil dat de activiteiten zoals belanghebbende die ontplooide ten tijde van de briefwisselingen in 1996 en in 2007 dezelfde zijn gebleven. Eveneens ongewijzigd is dat die activiteiten worden ontplooid vanuit verschillende (productie)locaties. Verder geldt dat de inspecteur kennis heeft genomen, dan wel heeft kunnen nemen, van de informatie die nodig is om de voorliggende kwestie op haar fiscale merites te kunnen beoordelen. Het voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 (zie punt 7.d.) bevat alle in dat kader benodigde informatie. De akkoordverklaring met de beschreven handelswijze is daarom te zien als een toezegging. Die toezegging is niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid ervan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. Het enkele gegeven dat sprake is van een nieuw complex, en daarmee van een nieuw investeringsgoed, is onvoldoende reden om belanghebbende een beroep op de gemaakte afspraken te ontzeggen. Het had op de weg van de inspecteur gelegen een duidelijker voorbehoud te maken in die zin dat de gemaakte afspraken niet gelden voor nieuwe investeringsgoederen. Dat heeft de inspecteur echter niet gedaan en dat komt voor zijn rekening. Verder is gesteld noch gebleken dat de toezeggingen die voortvloeien uit het controlerapport van\n\n18 maart 2009 (zie punt 7.e.) door de inspecteur zijn opgezegd. De afspraken uit 2009 kunnen dus worden doorgetrokken naar het nieuwe complex.\n\n27. De conclusie luidt dat belanghebbende een beroep toekomt op door de inspecteur opgewekt vertrouwen. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is dus om die reden toch volledig aftrekbaar.\n\nMeer subsidiaire standpunt belanghebbende – pro rata op basis van tijdsbesteding\n\n28. Omdat het subsidiaire standpunt van belanghebbende slaagt, behoeft het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende, inhoudende een pro rata aftrek op basis van werkelijk gebruik (meer in het bijzonder: tijdsbesteding), geen behandeling meer.\n\nNiet-zelfstandige ruimten\n\n29. Belanghebbende is van mening dat de omvang van de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.) moet worden bepaald op basis van het werkelijke gebruik van deze niet-zelfstandige ruimten. De verdeelsleutel om het werkelijke gebruik te berekenen moet worden bepaald op basis van het (voorgenomen) gebruik en de oppervlakteverhoudingen van de zelfstandige ruimten binnen het complex. De vloeroppervlakte van de zelfstandige ruimten die uitsluitend worden gebruikt voor btw-belaste activiteiten bedraagt volgens belanghebbende 841 m2 (‘Industrieel werk’ 441,8 m2, ‘Kleurmeesters’ 341,9 m2 en ‘Textielatelier’ 87,5 m2). De totale vloeroppervlakte van alle zelfstandige ruimten binnen het complex bedraagt 1.286 m2. Dit resulteert in een pro rata op grond van werkelijk gebruik van 66% (841 m2 \u002F 1.286 m2 * 100%). Voorgaande berekening is objectief en nauwkeurig, aldus belanghebbende, waaraan zij toevoegt dat op deze berekeningswijze de niet-zelfstandige ruimten ‘delen in het lot’ van de zelfstandige ruimten. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat voor wat betreft de niet-zelfstandige ruimten geen beroep wordt gedaan op het vertrouwensbeginsel.\n\n30. De inspecteur is van mening dat de omvang van de aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten moet worden bepaald op basis van de hoofdregel: de omzet pro rata. Voor een uitzondering daarop, dat wil zeggen een pro rata gebaseerd op het werkelijk gebruik, is volgens de inspecteur geen plaats. Hij is van mening dat de vaststelling van het werkelijk gebruik, zoals belanghebbende dat voorstaat, niet berust op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Het is volgens de inspecteur voor de gemengde ruimten onmogelijk om uit te gaan van het gebruik (btw-belast\u002Fbtw-vrijgesteld) in relatie tot de vierkante meters van de zelfstandige ruimten.\n\n31. In beginsel dient op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de uitvoeringsbeschikking de verdeelsleutel voor de evenredige aftrek van voorbelasting op kosten van gemengd gebruikte goederen en diensten te worden bepaald naar omzetverhouding. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de omzetverhouding. In dat geval kan het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten worden berekend op basis van het werkelijk gebruik, aldus het tweede lid van artikel 11 van de uitvoeringsbeschikking. Het werkelijke gebruik dient op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aannemelijk te worden gemaakt aan de hand van objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens.De last het bedoelde werkelijke gebruik te bewijzen, rust op degene die van de hoofdregel wil afwijken.\n\n32. De rechtbank stelt aan de hand van de bouwtekening (bijlage 15 bij het verweerschrift) vast dat het bij de niet-zelfstandige ruimten met name gaat om trappenhuizen, een ontvangsthal, gangen, een servicebureau en opslagruimte.\n\n33. De rechtbank is van oordeel dat de aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de niet-zelfstandige ruimten moet worden bepaald op basis van de hoofdregel, de omzet pro rata. Belanghebbende is er namelijk niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het werkelijk gebruik van de niet-zelfstandige ruimten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de omzetverhouding. Gelet op de aard van de ruimten is het niet mogelijk het werkelijk gebruik van die ruimten objectief en nauwkeurig vast te stellen, ook niet op basis van vierkante meters, zoals belanghebbende betoogt. Het gaat namelijk om gemengd gebruik van deze ruimten. Het standpunt van belanghebbende berust in wezen op haar primaire stelling dat de zelfstandige productieruimten voor 100% belast worden gebruikt. Zoals hiervoor is geoordeeld, volgt de rechtbank dit standpunt niet, waardoor de basis onder het betoog van belanghebbende is uitgevallen. De omstandigheid dat belanghebbende wel 100% aftrekrecht krijgt voor de zelfstandige productieruimten op basis van het vertrouwensbeginsel, maakt dit niet anders. De toezegging waarop het vertrouwen is gebaseerd, betreft namelijk niet de niet-zelfstandige ruimten. Voor de niet-zelfstandige ruimte geldt dus de omzet pro-rata. Niet in geschil is dat die omzet pro-rata leidt tot een aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van 4%.Tussenconclusie\n\n34. De tussenconclusie luidt dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf, omdat op basis van het vertrouwensbeginsel voor de zelfstandige productieruimten een volledig recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Voor de niet-zelfstandige ruimten geldt de hoofdregel: aftrek van voorbelasting op basis van de omzet pro-rata. Dit leidt tot een aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van 4%.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n35. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft zij verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van die schadevergoeding, en om vergoeding van wettelijke rente over een toe te kennen proceskostenvergoeding.\n\n36. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n37. Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.\n\n38. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op\n\n6 oktober 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 6 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) zes maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat een keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 17 mei 2024. De periode gelegen tussen 6 oktober 2023 en 17 mei 2024 is (afgerond) twee maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van twee maanden gedeeld door zes maanden keer € 500 is (afgerond) € 167. De Staat moet de rest betalen, dus € 333. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n39. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende teruggaaf OB over het tweede kwartaal van 2023. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van de inspecteur vernietigen.\n\n40. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Een verzoek voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase kan niet voor het eerst in beroep worden gedaan.Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur, eveneens met toepassing van het Bpb, te veroordelen in de reiskosten van [persoon A], tot een bedrag van € 30,40. Voor vergoeding van verletkosten ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat [persoon A] geen verlof heeft hoeven opnemen voor het bijwonen van de zitting. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om de vergoeding van € 1.898,40 (€ 1.868 plus € 30,40) aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\n41. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- wijzigt de teruggaafbeschikking en verleent een aanvullende teruggaaf zoals hiervoor bij punt 34. is bepaald;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333 te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.898,40 aan proceskosten aan belanghebbende, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en\n\nmr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.\n\nUitgesproken op 25 maart 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Na oplevering en ingebruikneming van het complex is de afdeling met de naam ‘Textielatelier’ omgedoopt in ‘Medialab’. Deze ruimte wordt vooralsnog niet gebruikt als productieruimte.\n\n Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde, PbEU2006, L 347.\n\n ECLI:NL:HR:2012:BU1929.\n\n Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.\n\n ECLI:NL:HR:2021:1849.\n\n Zie Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1608, Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU1929.\n\n Zie Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:267, r.o. 2.4.2.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Zie artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2380","ecli-nl-rbgel-2026-2380",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]