[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-2962":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-2962":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1947","ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","",60,"Arnhem","arnhem","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F5175 en 24\u002F8840\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\nARN 24\u002F5175\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V.uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nARN 24\u002F8840\n\nCoöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Luchthaven Rotterdam The Hague Airportuit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit (het bestreden besluit) waarin verweerder heeft besloten dat Rotterdam Airport geen natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague´ (ARN 24\u002F5175). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van eisers tegen het besluit (het maatwerkvoorschrift) van verweerder om aan Rotterdam Airport een maatwerkvoorschrift op te leggen waarin onder meer het bestaande recht van Rotterdam Airport is vastgelegd (ARN 24\u002F8840).\n\n1.1.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigden, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] als deskundige.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit en het maatwerkvoorschrift aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De voor de beoordeling van het beroep van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\nZaaknummer ARN 24\u002F5175\n\n3. Rotterdam Airport is namens Royal Schiphol Group N.V. de exploitant van de luchthaven Rotterdam (de luchthaven). Op 1 oktober 2020 heeft Rotterdam Airport bij verweerder een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor de exploitatie van de luchthaven.\n\n3.1.. Op 15 februari 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant (de ontwerpnatuurvergunning).Het ontwerpbesluit strekte tot verlening van de natuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ (het project).\n\n3.2.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerpnatuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.3.. Op 11 april 2023 is door verweerder aan Rotterdam Airport verzocht om haar aanvraag aan te vullen met onder meer een nieuwe stikstofberekening. Rotterdam Airport heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en verschillende nadere stukken ingediend, waaronder een actualisatie van de eerder ingediende passende beoordeling.3.4.. Op 17 juni 2024 heeft verweerder besloten dat geen natuurvergunning nodig is voor het aangevraagde project en daarom de aangevraagde natuurvergunning geweigerd. Volgens verweerder heeft het project “betrekking op de referentiesituatie” en blijft het project binnen het bestaande recht van Rotterdam Airport.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n4. Op 17 juni 2024 en gelijktijdig met het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport opgelegd. In voorschrift 4 van het maatwerkvoorschrift is het bestaande recht van RTHA vastgesteld op 88,8 ton NOx per jaar.\n\n4.1.. Op 26 juli 2024 hebben eisers bezwaar ingesteld tegen het maatwerkvoorschrift.\n\n4.2.. In het besluit van 23 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard.\n\nARN 24\u002F5175\n\nLeeswijzer\n\n5. Eisers hebben een groot aantal beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit. Alvorens deze beroepsgronden inhoudelijk te bespreken, beoordeelt de rechtbank enkele formele punten. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die betrekking hebben op de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van verweerder dat de aanvraag gekwalificeerd kan worden als één-en-hetzelfde project als de referentiesituatie en dat daarom geen natuurvergunning is vereist.\n\nOvergangsrecht\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n6.1.. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\nWas de aanvraag onvoldoende duidelijk?\n\n7. Eisers betogen dat de aanvraag onvoldoende duidelijk is en dat verweerder daarom niet kon besluiten dat significante effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van het aangevraagde project uitgesloten zijn. Eisers stellen dat in de aanvraag ten onrechte niet is benoemd voor welk aantal vliegtuigbewegingen en van welk type maximaal een natuurvergunning wordt aangevraagd.Daarbij merken eisers op dat er een discrepantie bestaat tussen de referentiesituatie, die is gebaseerd op de omzettingsregeling en de referentiesituatie\u002Fhet bestaand recht zoals vermeld in de aanvraag.\n\n7.1.. Verweerder voert hierover aan dat de aanvraag voldoende duidelijk is. De natuurvergunning is door Rotterdam Airport aangevraagd voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’. Dit project bestaat uit luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Rotterdam Airport heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waaruit de referentiesituatie bestaat, aldus verweerder. Daarbij merkt verweerder op dat in het bestreden besluit de door eisers naar voren gebrachte discrepantie is toegelicht en verklaard.\n\n7.2.. \n\nIn het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:\n\n‘Bestaand recht\n\nHet bestaand recht wordt begrensd door het Aanwijzingsbesluit 2010. Aanvrager heeft de referentiesituatie in beeld gebracht, qua vlootsamenstelling en middels een stikstofberekening t.a.v. luchtgebonden activiteiten, grondgebonden activiteiten en verkeersaantrekkende werking.\n\nIn bijlage A van het stikstofrapport is toegelicht hoe het bestaand recht is vastgesteld.\n\n(…)\n\nVoor de reconstructie van het bestaand recht is de verkeerssamenstelling bepaald zonder de onbruikbare (geluid)categorie 000 en alleen voor de vliegtuigtypen die 100 (exclusief de schaalfactor) of meer bewegingen per jaar gemaakt hebben. Dit leidt tot de verkeerssamenstelling, het totale aantal (ongeschaalde) bewegingen neemt af met circa 4.500 bewegingen tot 47.894 bewegingen. Ter correctie van deze missende bewegingen is per soort verkeer een correctiefactor toegepast.\n\nDat resulteert in een bestaand recht van aantal vliegbewegingen per jaar:\n\nGroot verkeer: 22.712,6;\n\nOverig verkeer: 9.785,2;\n\nKlein verkeer: 21.491,7.\n\nDat deze aantallen lager zijn dan werd voorzien ten tijde van de omzettingsregeling zal voor een deel het gevolg zijn van het vervangen van propellervliegtuigen door straalvliegtuigen.’\n\n7.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020 ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (“RTHA”) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (“Wnb-vergunning”) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.\n\nRTHA vraagt de Wnb-vergunning aan voor de activiteit als gedefinieerd in aangehechte passende beoordeling (…).’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Het vigerende luchthavenbesluit van RTHA is de zogenoemde omzettingsregeling uit 2013 (19 april 2013, IENM\u002FBSK-2013\u002F72460). Deze omzettingsregeling vertaalde (één op één) het laatste aanwijzingsbesluit genomen op basis van de luchtvaartwet naar de nieuwe Wet luchtvaart. Het aanwijzingsbesluit is laatst gewijzigd in 2010 (15 oktober 2010 VenW\u002FBSK 2010\u002F132401) op basis van scenario 4c uit het MER2008. Zowel de omzettingsregeling als het aanwijzingsbesluit waarop het gebaseerd was zijn onherroepelijk. Hierin is een geluidsruimte vergund die is vastgesteld op basis van 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer.\n\n(…)\n\nAls representatie van het feitelijk verkeer is daarom de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 30 oktober 2019) genomen, aangezien dit het meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is 52.439, waarvan 21.049 groot verkeer (NB: dit is lager dan volgt uit wat is vergund - en door RTHA thans wordt aangevraagd - namelijk op basis van de omzettingsregeling. Voor de duidelijkheid: deze aanvraag ziet op de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer).’\n\n‘2.1 De activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd\n\nHet Aanwijzingsbesluit 2001 en de vigerende milieuvergunning vormen het bestaand recht en zijn voor deze rapportage de referentiesituatie. Deze passende beoordeling gaat over de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door de exploitatie van RTHA (\"de Activiteit\") ten opzichte van de bestaand recht situatie (zie paragraaf 2.2). De exploitatie van RTHA, waarvoor deze vergunning wordt aangevraagd, omvat samengevat:\n\n> Luchtgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer) en passend binnen het bestaand recht: de afhandeling van vliegverkeer (landen, opstijgen, taxiën).\n\n> Grondgebonden activiteiten op RTHA, zoals toegestaan op grond van de vigerende omgevingsvergunning (destijds milieuvergunning, laatste revisie 2 augustus 1994) voor RTHA. Dit betreft met name:\n\n■ Gebruik auxiliary power unit (APU), dit is een kleine motor in het vliegtuig die stroom levert voor functies anders dan voortstuwing van het vliegtuig.\n\n■ Gebruik ground power unit (GPU), dit is een verrijdbaar apparaat dat een geparkeerd vliegtuig van stroom voorziet.\n\n■ Proefdraaien vliegtuigen.\n\n■ Platformverkeer: alle voertuigen en mobiele werktuigen die op en rond het platform aanwezig zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld bussen, trekkers, tankauto's en trappen.\n\nBij de grondgebonden activiteiten is het gasverbruik van gebouwen niet opgenomen omdat de meeste gebouwen op RTHA worden verwarmd middels WKO en dus geen fossiele brandstoffen gebruiken. De verkeersaantrekkende werking van het wegverkeer als gevolg van bovenstaande activiteiten wordt ook betrokken in de beoordeling. De verkeersaantrekkende werking op wegverkeer omvat ook verkeer op het luchthaventerrein, zoals taxi's, halen en brengen en bussen welke niet onder de grondgebonden activiteiten van RTHA zelf vallen. Deze verkeersstromen zijn geen onderdeel van de Activiteit, maar daar wel een gevolg van en zijn als dusdanig betrokken in de passende beoordeling.\n\n2.2. \n\nAchtergrond bij de referentiesituatie en de aangevraagde activiteit\n\n(…)\n\nHet maximale gebruik van het Aanwijzingsbesluit 2001 op het gebied van stikstof volgt uit een andere vlootsamenstelling dan in de invoerset van het Aanwijzingsbesluit 2001 was opgenomen. Dit heeft te maken met een verschuiving van propellervliegtuigen (zoals de Fokker 50) naar straalvliegtuigen (zoals Boeing 737's en Airbussen). Deze verschuiving naar straalvliegtuigen heeft tot gevolg dat er meer geluid per vliegtuigbeweging geproduceerd wordt, maar ook dat er meer NOx uitgestoten wordt.\n\n(…)\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\n7.4.. De rechtbank stelt voorop dat het bevoegd gezag bepaalt welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.Zoals eisers terecht hebben opgemerkt is het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n7.5.. De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft kunnen besluiten dat de aanvraag van Rotterdam Airport voldoende gegevens en bescheiden bevatte om op te kunnen besluiten. In haar aanvraag heeft Rotterdam Airport opgenomen dat zij een natuurvergunning aanvraagt voor de activiteit zoals die is gedefinieerd in de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling. Anders dan eisers stellen blijkt uit paragraaf 2.1 van deze passende beoordeling waaruit deze aangevraagde activiteit bestaat, waaronder luchtgebonden activiteiten zoals deze zijn toegestaan in de geldende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer). Daaropvolgend is in paragraaf 2.2 onder meer uiteengezet waarom het aantal vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar 2019 afwijkt van de vliegtuigbewegingen zoals die waren toegestaan in de omzettingsregeling. Dit heeft blijkens de passende beoordeling onder meer te maken met de verschuiving van het gebruik van propellervliegtuigen naar straalvliegtuigen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe referentiesituatie\n\n8. Een natuurvergunning is verplicht als een activiteit afzonderlijk of in samenhang met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was het vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij beantwoording van de vraag of op voorhand kan worden uitgesloten dat een project significante gevolgen kan hebben – de voortoets –, de gevolgen van de voorgenomen activiteit mochten worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie (intern salderen met de referentiesituatie).8.1.. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd (de 18 december-uitspraak).Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Uit de 18 december-uitspraak blijkt dat de vraag wat de referentiesituatie is bij het verlenen van een natuurvergunning op twee momenten van belang is. Dat is ten eerste in de voortoets. Bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Dat is ten tweede bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van activiteiten die eerder al zijn toegestaan, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mogen worden betrokken.Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk nog wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van de gevolgen van een project.Dit kan als voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kan worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als deze maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn.\n\n8.2.. De referentiesituatie die bij intern en extern salderen kan worden ingezet, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor de toegestane activiteit op de locatie waarop de voorgenomen activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied.Voor gebieden die ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum 10 juni 1994 (referentiedatum 1994), tenzij een gebied later is aangewezen.Voor gebieden die ter uitvoering van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum voor de gebieden die in deze zaak van belang zijn 7 december 2004 (referentiedatum 2004). Wanneer na de referentiedatum een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.\n\n8.3.. De rechtbank beoordeelt in onderstaande overwegingen eerst of verweerder is uitgegaan van de juiste referentiesituatie. Mocht dit het geval zijn, dan beoordeelt de rechtbank daarna of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als hetgeen waarvoor toestemming is verleend in de referentiesituatie.\n\nBesluiten\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat Rotterdam Airport voor de door haar uit te voeren activiteiten niet in het bezit is van een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ten aanzien van de exploitatie van Rotterdam Airport zijn in de loop der tijd wel diverse besluiten genomen die voor de beoordeling van de referentiesituatie in deze procedure van belang kunnen zijn. Die besluiten worden hieronder weergegeven.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 november 1964 (aanwijzingsbesluit 1964) is Rotterdam Airport aangewezen als luchtvaartterrein.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 maart 2000 (aanwijzingsbesluit 2000) is het aanwijzingsbesluit 1964 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 oktober 2001 (aanwijzingsbesluit 2001) zijn de aanwijzingsbesluiten 1964 en 2000 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 juli 2004 (aanwijzingsbesluit 2004) is het aanwijzingsbesluit 2001 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 september 2010 (aanwijzingsbesluit 2010) zijn de aanwijzingsbesluiten 2001 en 2004 gewijzigd.\n\n- De regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 april 2013 (de omzettingsregeling) waarin de bepalingen over het luchthavenverkeer uit het aanwijzingsbesluit 2010 in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens zijn omgezet.\n\nHeeft verweerder terecht de referentiesituatie ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010?\n\n10. Verweerder heeft in het bestreden besluit de effecten van het project beoordeeld en afgezet tegen de effecten van de referentiesituatie. Volgens verweerder wordt de referentiesituatie voor het project gevormd door hetgeen is toegestaan op grond van het aanwijzingsbesluit 2010 en vervolgens is omgezet in de omzettingsregeling. Voor het aanwijzingsbesluit 2010 is voor 1 februari 2009 een aanvraag ingediend, het aanwijzingsbesluit 2010 is na die datum onherroepelijk geworden en het aanwijzingsbesluit 2010 is eerder passend beoordeeld. Hierdoor is er gelet op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, geen sprake van een vergunningplicht, aldus verweerder in het bestreden besluit.\n\n10.1.. Eisers zijn het om diverse redenen niet eens met de keuze van verweerder om de referentiesituatie voor het project te ontlenen aan het aanwijzingsbesluit 2010. Eisers stellen onder meer dat Rotterdam Airport geen geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Eisers voeren aan dat een besluit dat valt onder het overgangsrecht van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, niet als referentiesituatie kan fungeren voor een ander project. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers naar een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 en een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025.Verder stellen eisers dat ten tijde van het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 er al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) in verband met de reeds aangewezen gebieden op basis van de Vogelrichtlijn. De beoordeling van de aangevraagde effecten op deze gebieden had volgens eisers moeten plaatsvinden in een vergunningprocedure als bedoeld in Nbw 1998.Voor zover een referentiesituatie ontleend kan worden aan het aanwijzingsbesluit 2010, dan betreft dit aanwijzingsbesluit geen natuurtoestemming, maar een milieutoestemming, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat verweerder de referentiesituatie in de ontwerpnatuurvergunning en verschillende andere besluiten heeft ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2001 in plaats van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n10.2.. De rechtbank overweegt dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op basis van dit artikel gold (tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze vergunningplicht geldt na 1 januari 2024 op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staat dat artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden. Onder de Omgevingswet is voorzien in een soortgelijk artikel.\n\n10.3.. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb bevat een uitzondering op de vergunningplicht. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel volgt dat de implementatie van de Habitatrichtlijn met de wijzigingen van de Nbw 1998 per 1 oktober 2005 en 1 februari 2009 is gecomplementeerd en sindsdien voorziet in een zelfstandig regime ter toetsing van projecten en andere handelingen aan de vereisten van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot die tijd werd de toetsing van projecten en handelingen aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn zoveel mogelijk verricht bij het nemen van andere besluiten die voorzagen in de autorisatie van het project of de handeling, bijvoorbeeld milieu(revisie)vergunningen, vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplannen en ontgrondingenvergunningen. Dit gebeurde op basis van een zogenoemde richtlijnconforme interpretatie van de nationale regelgeving in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. In de memorie van toelichting heeft de opsteller verder vermeld dat het achtste lid regelt dat deze projecten en handelingen niet nogmaals aan de vereisten van de Habitatrichtlijn hoeven te worden getoetst.\n\n10.4.. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staan een aantal voorwaarden waaraan een besluit moet voldoen om onder deze bepaling te vallen. Ten eerste moet het besluit op grond waarvan het project of de andere handeling is toegestaan, zijn genomen voor 1 februari 2009, dan wel dat de aanvraag voor die datum is ingediend en na deze datum het besluit onherroepelijk is geworden. Ten tweede moet dit besluit berusten op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Ten derde moet bij dit besluit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen.\n\n10.5.. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of het aanwijzingsbesluit 2010 voldoet aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, overweegt de rechtbank het volgende.\n\n10.6.. In de door eisers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is overwogen dat aan een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb van toepassing is geen referentiesituatie ontleend kan worden voor een ander project.In het bestreden besluit heeft het aanwijzingsbesluit 2010 daarentegen niet gefungeerd als een referentiesituatie voor een ander project, maar voor een voortzetting van het project zoals dat was toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010. Dat blijkt expliciet uit de aanvraag en uit het bestreden besluit. Los van de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat sprake was van voortzetting van één-en hetzelfde project, waarop de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak in zal gaan, volgt hieruit wel reeds dat de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant niet op gaat. Ook de verwijzing door eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 brengt geen verandering in het voorgaande. In deze uitspraak heeft de Afdeling de vraag of een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb op van toepassing is kan worden gebruikt als referentiesituatie bij de beoordeling voor de aangevraagde wijziging van een project, uitdrukkelijk niet beantwoord. Ook deze uitspraak betreft daarbij, anders dan deze uitspraak, wederom een situatie waarbij sprake is van een wijziging van een project.\n\n10.7.. \n\nDe stelling van eisers dat ten tijde van de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010 de beoordeling van de aangevraagde effecten op vogelrichtlijngebieden exclusief plaats had moeten vinden in een vergunningprocedure als bedoeld in de Nbw 1998 en daarom het aanwijzingsbesluit in ieder geval voor enkele gebieden niet kan fungeren als referentiesituatie, volgt de rechtbank niet. Gelet op de tekst van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb is voor de toepasselijkheid van deze overgangsrechtelijke bepaling niet relevant of er op dat moment al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Nbw 1998 en zo ja, of bij die beoordeling ook de effecten op gebieden moesten worden meegenomen die nog niet als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn waren aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op rechtszekerheid, voor de toepassing van het overgangsrecht slechts van belang of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen in het aanwijzingsbesluit 2010.\n\nDaarbij acht de rechtbank ook van belang dat ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn de verplichtingen uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn ook gelden voor Vogelrichtlijngebieden. Als aan de verplichtingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn is getoetst is daarmee ook een beoordeling uitgevoerd op grond van de Vogelrichtlijn.\n\n10.8.. De rechtbank beantwoordt hierna of het aanwijzingsbesluit 2010 aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldoet.\n\nVoldoet het aanwijzingsbesluit 2010 aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb?\n\n11. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb luidt: ‘Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.’\n\n11.1.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 is gestart met de brief van 30 september 2005, waarin Rotterdam Airport heeft verzocht om wijziging van het destijds vigerende aanwijzingsbesluit. Daarmee is de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 ingediend voor 1 februari 2009. Verder heeft de Afdeling de beroepen die waren ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit 2010 in haar uitspraak van 6 juli 2011 ongegrond verklaard. Daardoor is het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk geworden na 1 februari 2009.Gelet hierop is aan de eerste voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldaan. Verder stelt de rechtbank vast dat het aanwijzingsbesluit 2010 ook voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Het aanwijzingsbesluit 2010 is op grond van de Luchtvaartwet genomen en daarmee is gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 is genomen op een andere grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Hierdoor komt Rotterdam Airport een beroep toe op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, mits bij het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen.\n\n11.2.. Eisers betogen dat het aanwijzingsbesluit 2010 niet met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met het vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. Eisers stellen dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet passend zijn beoordeeld. Het bij het aanwijzingsbesluit 2010 onderliggende rapport uit 2008 is volgens eisers slechts te kwalificeren als een voortoets en bevat een aantal gebreken.In dat rapport is de onjuiste conclusie opgenomen dat er binnen 15 kilometer van het terrein van de luchthaven geen Natura 2000-gebieden zijn gelegen, aldus eisers. Verder heeft er in het rapport geen cumulatietoets plaatsgevonden.\n\n11.3.. Verweerder voert hierover aan dat het aanwijzingsbesluit 2010 wel met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. De stelling van eisers dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet volledig dan wel correct passend zijn beoordeeld brengt in het voorgaande geen verandering, aldus verweerder. Verweerder stelt dat het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk is en het in strijd met de rechtszekerheid is als een onherroepelijk besluit opnieuw tegen het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn wordt gehouden. Na het verstrijken van de beroepstermijn kunnen mogelijke bezwaren tegen het toepassen van de bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn niet alsnog worden tegengeworpen, aldus verweerder.\n\n11.4.. Zoals hierboven overwogen is het een gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 door de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011 onherroepelijk is geworden. De rechtszekerheid staat eraan in de weg dat de toets aan artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in deze procedure opnieuw in volle omvang aan de orde kan worden gesteld. Dit zou immers neerkomen op een herbeoordeling van een reeds onherroepelijk verleende toestemming en zou het overgangsrecht in dat opzicht zinledig maken. De beoordeling dient daarom beperkt te blijven tot de vraag of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n11.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit 2010 onder meer het volgende is opgenomen:\n\n‘4.3 Maatschappelijke effecten en overwegingen\n\nIn deze paragraaf worden de effecten beschouwd van het alternatief 4c dat de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kiest als basis voor de aanwijzing. Hierbij komen zowel de economische als milieueffecten aan de orde.’\n\n‘4.3.2. Milieu-effecten\n\nGeluid\n\n(…)\n\nLuchtkwaliteit\n\n(…)\n\nBeschermde natuur\n\nOm de gevolgen voor de beschermde natuur rond Rotterdam The Hague Airport in kaart te brengen, zijn voor het voorkeursalternatief verstorende effecten voor beschermde gebieden en beschermde flora en fauna geïnventariseerd. Mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen en binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de routes.\n\nDeskundigenbureau Waardenburg hanteert als aanname dat boven deze hoogte en voorbij deze afstand geen verstoringen van de natuur optreden. Rotterdam The Hague Airport bevindt zich in een zeer verstedelijkte omgeving. Beschermde gebieden, diersoorten, plantsoorten en habitats (alle volgens de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet 2002) komen in de directe omgeving van de luchthaven niet of nauwelijks voor, wel op grotere afstand. Gevolgen van de alternatieven voor beschermde natuur zijn in de omgeving alleen van toepassing voor zicht en geluid van vliegtuigen in het Beschermd Natuurmonument de Ackerdijkse Plassen, enkele kilometers ten noordwesten van de luchthaven. Alle andere (beschermde) natuurgebieden liggen op zo'n afstand van de luchthaven en de gevolgde vliegroutes, dat er geen verstorende effecten te verwachten zijn.’\n\n11.6.. \n\nIn het ‘Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008 Rotterdam Airport, Deelrapport Natuur’ (milieueffectrapport), dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, zijn onder meer de volgende passages en afbeeldingen opgenomen:\n\n‘5. Gebieden en soorten met een beschermde status5.1. \n\nInleiding\n\n(…)\n\nRekening houdend met eventuele effecten op grotere afstand is een overzicht gegeven van beschermde gebieden en soorten binnen een straal van 5 en van 10 km. De beschermde gebieden hebben betrekking op Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Natuurbeschermingswet. Binnen een Vogelrichtlijngebied genieten de vogelsoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen een beschermde status. Binnen een Habitatrichtlijngebied geldt dit voor habitattypen en plant- en diersoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen. Sinds 1 oktober 2005 is de gebiedsbescherming vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen in de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. Sindsdien worden de speciale beschermingszones aangeduid als Natura 2000-gebieden. Eventuele inliggende Beschermde Natuurmonumenten zullen in deze vernieuwde aanwijzingen worden opgenomen. Daarnaast kan een gebied op grond van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument.’\n\n‘5.2 Beschermde gebieden\n\nRondom luchtvaartterein Rotterdam-Airport liggen binnen een straal van 15 km geen gebieden waarvan de beschermde status is ontleend aan de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn. Alleen aan de zuidzijde van Rotterdam liggen langs de Oude Maas terreinen die onder de Habitatrichtlijn zijn aangewezen als speciale beschermingszone.\n\nOp grotere afstand, maar op minder dan 30 kilometer liggen met name langs de kust en in de Delta verschillende Natura 2000-gebieden. De meeste van deze gebieden ontlenen hun beschermde status aan zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.\n\nTen noordwesten van Rotterdam-Airport liggen op enkele kilometers afstand de Ackerdijkse Plassen. Dit terrein heeft de status van Beschermd Natuurmonument.\n\n’\n\n‘Beoordelingskader\n\nDe effecten van het vliegverkeer van en naar Rotterdam Airport worden getoetst aan de voorwaarden die de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn stellen. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn geeft het globale afwegingskader. Op basis van dit beoordelingskader kan worden aangegeven of sprake is van significante effecten. Onder significante effecten wordt in dit verband verstaan:\n\nveranderingen in abiotische situatie en de ruimtelijke structuur, die de natuurlijke dynamiek te boven gaan en het leefmilieu van planten- en\u002Fof diersoorten zodanig beïnvloeden dat er letterlijk unieke situaties verloren dreigen te gaan of ecologische processen blijvend worden verstoord, of het voortbestaan van populaties van nationaal zeldzame soorten of voor dat systeem kenmerkende soorten op termijn niet meer op hetzelfde niveau verzekerd is, dan wel de betekenis van een gebied voor soorten aanmerkelijk afneemt (naar EU 2000).\n\nHierin zijn de begrippen ‘verloren dreigen te gaan' en ‘blijvend verstoord' relatief eenduidig en ook relatief eenvoudig vast te stellen. Voor gebieden die niet zijn aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, maar wel zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument, kan hetzelfde afwegingskader worden gebruikt. Ook voor deze gebieden zal worden nagegaan of sprake is van significante effecten. Indien in de beoordeling in het kader van de Vogelrichtlijn en\u002Fof Habitatrichtlijn sprake is van significante effecten, komen mitigerende en zo nodig ook compenserende maatregelen in beeld. De Natuurbeschermingswet is hierin minder stringent en vraagt bijvoorbeeld geen mitigerende of compenserende maatregelen. (…)’\n\n‘7. Conclusies\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport. Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten onder beide te beoordelen alternatieven.’\n\n11.7.. \n\nHet rapport van 26 juni 2008 waar eisers naar verwijzen betreft de toetsing door het adviesbureau Waardenburg waarin de effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving zijn getoetst (het rapport).Het rapport is een bijdrage in het hiervoor genoemde milieueffectrapport. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Verstoring van fauna door vliegtuigen en helikopters heeft een visuele en een auditieve component. Verstorende effecten nemen af bij toenemende vlieghoogte. Bij vlieghoogtes boven 3.000 ft worden op grond van het bestaande onderzoek geen effecten verwacht.\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport (figuur 5.1). Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten.’\n\n11.8.. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze passages uit het milieueffectrapport dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, dat het aanwijzingsbesluit 2010 is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. In het milieueffectrapport is een opsomming gegeven van de gevoelige en beschermde gebieden in relatie tot natuur en landschap die zich in de nabijheid van de voorgenomen activiteit bevinden. In deze opsomming worden ook verschillende Natura 2000-gebieden genoemd, inclusief de afstand tot de voorgenomen activiteit en of deze gebieden hun bescherming ontlenen aan de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn of beide. Blijkens de nota van toelichting en het milieueffectrapport heeft er vervolgens een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen activiteit op de betreffende gebieden. De conclusie is dat de voorgenomen activiteit geen (significante) effecten heeft op de gebieden die zijn gelegen binnen een afstand tot 15 km of minder van het terrein van de luchthaven, gelet op de aanname dat mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart niet kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen.\n\n11.9.. Anders dan eisers betogen, vereist het in acht nemen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 passend moeten zijn beoordeeld. De systematiek van het natuurbeschermingsrecht houdt in dat alleen een passende beoordeling nodig is als mogelijk significante effecten als gevolg van het project te verwachten zijn op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als significante negatieve gevolgen zijn uit te sluiten is een passende beoordeling niet nodig. De in het aanwijzingsbesluit verrichte beoordeling heeft uitgewezen dat significante gevolgen zijn uit te sluiten. De omstandigheid dat de beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor omliggende gebieden in het aanwijzingsbesluit 2010, met de kennis van nu, wellicht anders of meer indringend zou zijn uitgevoerd, doet geen afbreuk aan het onherroepelijke karakter daarvan. Gelet hierop kunnen de overige door eisers aangevoerde gronden evenmin leiden tot het oordeel dat artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet in acht zijn genomen. Het betoog slaagt niet.\n\n11.10.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 een zogenaamde natuurtoestemming behelst.\n\nIs het aanwijzingsbesluit 2010 geëxpireerd?\n\n12. Eisers betogen dat de toestemming uit het aanwijzingsbesluit 2010 is geëxpireerd. Dit heeft volgens eisers tot gevolg dat de referentiesituatie die aan het aanwijzingsbesluit 2010 kan worden ontleend, nihil is. Eisers stellen dat in strijd met artikel X van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Wet RBML) de omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport. Volgens eisers is de omzettingsregeling als bedoeld in artikel X van de Wet RBML uitdrukkelijk niet bedoeld voor burgerluchthavens van nationaal belang maar voor burgerluchthavens van regionaal belang. Dit blijkt onder meer uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij de Wet RBML, aldus eisers. Hierdoor had volgens eisers voor de exploitatie van de luchthaven op 1 november 2014 een Luchthavenbesluit moeten worden vastgesteld.\n\n12.1.. Verweerder voert hierover aan dat de omzettingsregeling tot gevolg heeft dat de exploitatie van de luchthaven nog steeds plaatsvindt overeenkomstig een vigerende toestemming. Volgens verweerder wordt in artikel X van de Wet RBML geen onderscheid gemaakt tussen het type luchthavens. Het gaat namelijk om ieder luchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet. De memorie van toelichting waarnaar eisers verwijzen is achterhaald, omdat daarin nog werd uitgegaan van het eerste wetsvoorstel, aldus verweerder. Volgens verweerder is met de nota van wijziging van 11 oktober 2006 het eerste wetsvoorstel gewijzigd.\n\n12.2.. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of een milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.De rechtbank zal daarom de vraag beantwoorden of verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling niet is geëxpireerd.\n\n12.3.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag voor de omzettingsregeling is gelegen in artikel X van de Wet RBML. Artikel X, eerste lid, van de Wet RBML luidt: ‘Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet, aan beide zijden in het verlengde van de middellijn van de start- en landingsbaan op 100 meter van het einde van de baan een punt vastgesteld waar de geluidbelasting een bepaalde waarde niet te boven mag gaan.’\n\n12.4.. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat ten onrechte een omzettingsregeling is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op artikel 18 van de Luchtvaartwet. De stelling van eisers dat in strijd met artikel X van de Wet RBML een omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport volgt de rechtbank niet. Blijkens de tekst van artikel X van de Wet RBML wordt voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet immers een omzettingsregeling vastgesteld.\n\nIs de omzettingsregeling van rechtswege komen te vervallen?\n\n13. Eisers betogen dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen en dat daarom hieraan geen referentiesituatie kan worden ontleend. Eisers stellen dat in strijd met de verplichting uit artikel XIII, tweede lid, van de RBML geen luchthavenbesluit is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven en daarmee de omzettingsregeling is vervallen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat in strijd wordt gehandeld met het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wet luchtvaart (Wlv), aldus eisers. Het voorgaande onderbouwen eisers onder meer met rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) waaruit volgens hen blijkt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan een toestemming die een tijdelijk karakter heeft.\n\n13.1.. Verweerder voert hierover aan dat het niet voldoen aan de verplichting tot het binnen vijf jaar vaststellen van een luchthavenbesluit niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen.Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de toestemming voor de exploitatie van de luchthaven geen einddatum kent. De doorlopende toestemming uit de omzettingsregeling moet alleen worden ondergebracht onder een ander juridisch regime.\n\n13.2.. Artikel XIII, tweede lid, van de RBML luidt: ‘Binnen vijf jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel K, van deze wet wordt een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart, vastgesteld voor burgerluchthavens die op grond van artikel 8.1, tweede lid, van die wet van nationale betekenis zijn en waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, van die wet vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.’\n\n13.3.. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 maart 2025 heeft overwogen dat zolang een omzettingsregeling op grond van artikel X van de RBML voor een luchthaven geldt, het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wlv niet wordt overtreden.Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat in artikel XIII niet is bepaald dat een omzettingsregeling vervalt als de daarin gestelde termijn verstrijkt en er nog geen luchthavenbesluit is vastgesteld. Artikel XIII, eerste lid, van de RBML verbindt dat gevolg niet aan het verstrijken van de daarin gestelde termijn. Dat betekent dat de omzettingsregeling geldt zolang er nog geen luchthavenbesluit geldt, ook al is de termijn van artikel XIII, eerste lid, verstreken, aldus de Afdeling.\n\n13.4.. De rechtbank is, anders dan eisers betogen, niet van oordeel dat aan het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling geen referentiesituatie kan worden ontleend omdat deze zijn vervallen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 uitdrukkelijk volgt dat het verstrijken van de termijn uit artikel XIII van de RBML niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling vervalt. De omstandigheid dat in de betreffende uitspraak het eerste lid van voornoemd artikel van toepassing was en in deze procedure het tweede lid van dat artikel brengt in het voorgaande geen verandering. Ook in artikel XIII, tweede lid, van de RBML is namelijk, net als in het eerste lid, geen gevolg verbonden aan het niet voldoen aan de verplichting om binnen vijf jaar een luchthavenbesluit vast te stellen voor de betreffende luchthaven. Zoals hierboven opgenomen volgt uit de 18 december-uitspraak dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. Die rechtspraak ziet echter op de situatie waarin de rechten die werden ontleend aan de betrokken vergunning of toestemming zijn geëindigd, waardoor een activiteit niet in de bestaande omvang kon worden voortgezet. Die situatie doet zich hier niet voor. Weliswaar moest de omzettingsregeling blijkens artikel XIII binnen vijf jaar worden omgezet in een luchthavenbesluit, maar het hier aan voldoen heeft niet tot gevolg dat daarmee de exploitatie van de luchthaven niet mocht worden voortgezet. Van een verval van het recht om de eerder toegestane activiteit voort te zetten, was daarom geen sprake. Het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling is daarmee geen toestemming die is vervallen.13.5.. Gelet op het bovenstaande gaat de verwijzing door eisers naar de rechtspraak van het Hof van Justitie niet op. In het door eisers aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 was namelijk sprake van een concrete einddatum van de betreffende activiteit, bestaande uit het in werking hebben van twee kerncentrales. De toestemming van de exploitatie van de luchthaven kent daarentegen geen einddatum. Zoals hierboven opgenomen moet alleen de toestemming die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de omzettingsregeling worden ondergebracht onder het regime van de Wet luchtvaart. Voor zover eisers wijzen op overweging 43 uit het arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022, merkt de rechtbank op dat, anders dan eisers stellen, uit deze overweging niet volgt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan toestemming die tijdelijk van aard is.\n\nTen onrechte de referentiesituatie betrokken in de voortoets?\n\n14. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. Eisers voeren daartoe aan dat in de 18 december-uitspraak is overwogen dat sprake is van een vergunningplichtig project als op basis van een voortoets, zonder dat daarin de referentiesituatie wordt betrokken, significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Volgens eisers volgt uit de 18 december-uitspraak ook dat het project slechts kan worden toegestaan als de effecten daarvan in een passende beoordeling zijn beoordeeld en de getroffen maatregelen uit deze passende beoordeling voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport geen voortzetting is van één-en-hetzelfde project als is toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling. Eisers voeren aan dat de exploitatie van Rotterdam Airport veelvuldig is gewijzigd sinds de referentiedatum en dat daarom niet langer sprake is van een-en-hetzelfde-project. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar het rapport van het adviesbureau Apollon Milieu (Apollon) waarin onder meer is opgenomen dat er tussen de aanvraag en de referentiesituatie verschillen zichtbaar zijn. In het rapport van Apollon is bijvoorbeeld opgetekend dat de parkeerterreinen op de luchthaven zijn uitgebreid en dat er een verschuiving en filtering heeft plaatsgevonden van vliegtuigcategorieën. Ter zitting hebben eisers gesteld dat wanneer op de grond van de luchthaven bouwwerkzaamheden worden verricht die relevant zijn voor de uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven, die werkzaamheden tot gevolg hebben dat daarmee het project wordt gewijzigd.\n\n14.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de referentiesituatie betrokken mocht worden bij de beoordeling van de effecten van het aangevraagde project in de voortoets en daaropvolgende beoordeling of het aangevraagde project vergunningplichtig was. Verweerder voert hierover aan dat de 18 december-uitspraak geen invloed heeft op het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de aanvraag geen betrekking heeft op een wijziging van het project. Volgens verweerder is geen sprake van een nieuw project dan wel het beperken of beëindigen van een bestaande situatie. De exploitatie van de luchthaven als bedoeld in de referentiesituatie wordt namelijk voorgezet, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de effecten van de beoogde situatie passen in de referentiesituatie en geen sprake is van een nieuw project of een verandering daarvan. Dat de vliegtuigen in de loop der tijd veranderen heeft niet tot gevolg dat sprake is van een gewijzigd project. Het vergunde project in de referentiesituatie betreft immers de exploitatie van een luchthaven en daar ziet het aangevraagde project ook op, aldus verweerder.\n\n14.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat sprake is van één-en-hetzelfde project en daarom geen natuurvergunning is vereist. Rotterdam Airport betoogt dat het aangevraagde project nog steeds het exploiteren van de luchthaven is door middel van het afwikkelen van vliegverkeer, met alle bijbehorende (grondgebonden) activiteiten. Bij continuïteit en identiteit van de verschillende activiteiten moet de voortzetting van de reeds eerder vergunde activiteiten geacht worden deel uit te maken van slechts één project waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en waarvoor geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn hoeft te worden verricht, aldus Rotterdam Airport.\n\n14.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de 18 december-uitspraak dat de referentiesituatie in de voortoets van belang blijft. De referentiesituatie is namelijk van belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project is sprake wanneer een project niet langer wordt voortgezet als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd.\n\n14.4.. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest van 7 november 2018 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd’.In het arrest van 10 november 2022 heeft het Hof van Justitie over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: ‘Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92\u002F43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat’.\n\n14.5.. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of het aangevraagde project door Rotterdam Airport een voortzetting betreft als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de toestemming zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.6.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020:\n\n ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (‘’RTHA’’) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (‘‘Wnb-vergunning’’) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\nIn de geactualiseerde passende beoordeling is onder meer de volgende tabel opgenomen:\n\n14.7.. \n\nIn het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n‘Besluit\n\nIn de stukken geeft u aan dat de aanvraag voor het project RTHA betrekking heeft op de referentiesituatie zoals beschreven in de passende beoordeling. De exploitatie blijft binnen bestaand recht. Derhalve wordt geen vergunning verleend, maar wordt de aanvraag positief afgewezen.’\n\n(…)\n\n‘2.4 Conclusie\n\nNu het Aanwijzingsbesluit 2010 het bestaand recht bepaalt is niet het aantal vliegtuigen bepalend voor de referentiesituatie, als wel hetgeen zich realistisch gezien kon voordoen binnen de looptijd van het Aanwijzingsbesluit 2010. Daarbij was de geluidscontour bepalend, want aan RTHA is in 2010 geen andere beperking gesteld dan de geluidscontour. De stikstofemissie en -depositie volgens bestaand recht is uitgewerkt in de voortoets. Uit de voortoets volgt dat het aantal vliegtuigbewegingen bij het bestaand recht zoals zich dat in de referentiesituatie kon voordoen, lager is dan hetgeen werd voorzien bij de omzettingsregeling. Nu de aanvraag ziet op het uitvoeren van het project exploitatie luchthaven RTHA binnen de referentiesituatie, zijn significante gevolgen uitgesloten. Om die reden is geen vergunning nodig. Dit besluit betreft dan ook een positieve weigering. Aan een positieve weigering kunnen geen voorschriften worden verbonden. Uit oogpunt van rechtszekerheid en om te voorkomen dat de activiteiten op RTHA, ten opzichte van de referentiesituatie, verslechterende of significant verstorende gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied waarop RTHA stikstof emitteert en deponeert, worden bij separaat besluit ambtshalve maatwerkvoorschriften opgelegd waarbij de stikstofemissie, van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, platformverkeer en proefdraaien, zoals berekend in de voortoets behorend bij uw aanvraag voor de referentiesituatie, wordt vastgelegd. Voorts dient de luchthaven over leder volgend gebruiksjaar te monitoren wat de stikstofemissie was.’\n\n14.8.. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of Rotterdam Airport met haar aanvraag een wijziging van het project heeft aangevraagd ten opzichte van de referentiesituatie zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.9.. De rechtbank stelt voorop dat een toestemming kan zijn begrensd door middel van geluidcontouren. Deze contouren dienen dan als referentie voor het maximaal toegestane gebruik. Het aantal vliegtuigbewegingen kan binnen de geluidcontour fluctueren en is alleen begrensd door de geluidscontour.Onder meer uit de aanvraag blijkt dat de berekende Ke-geluidszone uit het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer. Dit aantal vliegtuigbewegingen vloeit voort uit het milieueffectrapport dat ten grondslag lag aan de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.Dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport binnen deze toegestane vliegtuigbewegingen blijft is gelet op de 18 december-uitspraak niet meer relevant voor de vraag of het aangevraagde project vergunningplichtig is. Enkel als op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het aangevraagde project op zich zelf (inclusief standaardonderdelen in het ontwerp van het nieuwe project, maar zonder daarbij mitigerende maatregelen, waaronder intern salderen te betrekken), of in combinatie met andere plannen of projecten heeft voor Natura 2000-gebieden, bestaat er geen vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.\n\n14.10.. Het adviesbureau Apollon heeft in opdracht van eisers een rapport opgesteld met de titel ‘Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport’ (second opinion). In deze second opinion heeft Apollon onder meer geconcludeerd dat door de jaren heen het aantal parkeerplaatsen bij de luchthaven is toegenomen om het groeiend aantal passagiers te faciliteren. Zo heeft er volgens Apollon in 2006 een uitbreiding plaatsgevonden aan de zuid\u002Fwest kant van de luchthaven en is in 2008 een brede parkeerstrook aan het zuiden doorgetrokken. Verder concludeert Apollon dat ook een aantal faciliteiten zoals hotels, catering en gebouwen voor cargo bedrijven zijn gerealiseerd.Deze conclusies heeft Apollon onderbouwd met verschillende luchtfoto’s uit verschillende jaren van de luchthaven waarop deze wijzigingen volgens Apollon zichtbaar zijn.\n\n14.11.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Rotterdam Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het aanwijzingsbesluit 2010 en de daarop volgende omzettingsregeling. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Rotterdam Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal en type vliegtuigbewegingen. Hiermee heeft Rotterdam Airport ervoor gekozen om een toegestaan project op grond van een geluidscontour (dat dynamisch van aard) is te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidscontour van het aanwijzingsbesluit 2010 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. Die wijzigingen hebben zich ook voorgedaan, zoals blijkt uit het verschil tussen de vliegtuigbewegingen in de referentiesituatie en het huidige gebruik waarvoor het jaar 2019 tot uitgangspunt is genomen. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. Dit dynamische karakter van de toestemming die Rotterdam Airport ontleent aan het aanwijzingsbesluit 2010 is onder meer zichtbaar uit de aangeleverde gegevens over het huidige gebruik. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het aanwijzingsbesluit 2010 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Rotterdam Airport worden uitgevoerd.\n\n14.12.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag niet compleet is, nu Rotterdam Airport geen toestemming heeft gevraagd voor alle activiteiten die gezamenlijk één project vormen. Zo maken de (uitgebreide) parkeerterreinen geen onderdeel uit van de aanvraag, terwijl deze parkeerterreinen onlosmakelijk samenhangen met de activiteiten waarvoor Rotterdam Airport een natuurvergunning heeft aangevraagd. De rechtbank betrekt hierbij dat het aantal passagiers dat gebruikt maakt van de luchthaven is toegenomen en dat deze parkeerterreinen, die in de directe nabijheid van de luchthaven liggen, dus zijn bedoeld om de toegenomen parkeerbehoefte van de luchthaven op te vangen. Naar zijn aard zijn deze parkeeractiviteiten dus niet te onderscheiden van de luchthaven.Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.De uitbreiding van deze parkeerterreinen zijn ook van invloed op de continuïteit en identiteit van de activiteiten van de luchthaven.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F5175\n\n15. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij het geschil niet finaal kan beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat niet op voorhand duidelijk is of verweerder alsnog een natuurvergunning wil verlenen en dat bij de aanvraag een zogenoemde additionaliteitstoets ontbreekt. Mocht verweerder alsnog een natuurvergunning willen verlenen voor het aangevraagde project, dan dient er een nadere passende beoordeling te worden opgesteld met een additionaliteitstoets, waarin de referentiesituatie uit het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling ingebracht kan worden voor een mitigerende maatregel inzake intern salderen.\n\n15.1.. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op hetgeen eisers hebben aangevoerd over de juistheid van de vaststelling van de omvang van de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Verweerder moet immers met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project.\n\nARN 24\u002F8840\n\n16. In deze zaak staat het door verweerder aan Rotterdam Airport opgelegde maatwerkvoorschrift centraal. De bevoegdheid om dit maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport op te leggen, heeft verweerder ontleend aan artikel 11.4, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens verweerder is er namelijk sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als genoemd in artikel 4.12, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (te weten de exploitatie van een burgerluchthaven van nationale betekenis).\n\n16.1.. \n\nVerweerder heeft aan het maatwerkvoorschrift verschillende voorschriften verbonden. Het vierde en zevende voorschrift luiden achtereenvolgens:\n\n‘4. Het bestaande recht van Rotterdam Airport B.V. van NOx emissies van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, Platformverkeer en proefdraaien bedraagt: 88,8 ton\u002Fjaar. Ieder gebruiksjaar dient de luchthaven binnen deze emissie te blijven.\n\n7. Voor de berekening van de stikstofemissies wordt dezelfde berekeningsmethodiek (emissie kentallen) gevolgd, die Is gebruikt voor de aanvraag van de Wnb-vergunning.’\n\n16.2.. Eisers betogen dat het maatwerkvoorschrift in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal is opgelegd. Eisers voeren aan dat op grond van deze bepaling een maatwerkvoorschrift niet kan worden opgelegd als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit voorgaande is het geval volgens eisers, nu het aangevraagde project vergunningplichtig is. De jaarlijkse emissie van 88,8 ton NOx per jaar kan uitsluitend middels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden voorgeschreven aan Rotterdam Airport, aldus eisers.\n\n16.3.. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.\n\n16.4.. \n\nIn het besluit op het bezwaar van eisers is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 11.9 van het Bal biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen. Dat kan op grond van artikel 11.9 lid 3 van het Bal alleen als het voorschrift niet aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden. In dit geval is gebleken dat het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ de bestaande rechten niet overschrijdt. Daarom is in de positieve weigering de aanvraag voor een vergunning afgewezen, omdat geen vergunning nodig is. Daardoor is het dus niet mogelijk een dergelijk voorschrift in een\n\nomgevingsvergunning op te nemen. De enige mogelijkheid om de grenzen van het bestaande recht vast te leggen, is via de weg van de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften. De discussie dat het bestaande recht niet klopt, dient, zoals hierboven aangegeven, te worden gevoerd in de procedure omtrent de positieve afwijzing van de vergunning aanvraag.’\n\n16.5.. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’\n\n16.6.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 14.11 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 14.11 overwogen is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Rotterdam Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F8840\n\n17. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat hij bevoegd was tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept het maatwerkbesluit van 17 juni 2024. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op het overige wat eisers hebben aangevoerd over onder meer de omvang van de toegestane NOx-emissie. Zoals hierboven overwogen moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project en zo ja, dan zal hij daarbij ook (opnieuw) de omvang van de referentiesituatie moeten vaststellen.\n\nProceskosten\n\n18. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigden van eisers voor elke zaak een beroepschrift hebben ingediend en beiden ook aan de zitting hebben deelgenomen.\n\n18.1.. Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van de kosten van de second opinion van Apollon van 31 oktober 2025, die zij in de beroepsfase ARN 25\u002F5175 hebben ingebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.De inschakeling van Apollon in het kader van de beroepsprocedure acht de rechtbank redelijk. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij willen dat verweerder een bedrag van € 3230,92 aan kosten vergoedt. Dit hebben eisers onderbouwd met een factuur. De rechtbank acht de deskundigenkosten voor het opstellen van de second opinion redelijk.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nZaaknummer 24\u002F5175\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;\n\n- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.098,92 aan proceskosten aan eisers.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- herroept het besluit van 17 juni 2024;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgevingHabitatrichtlijn\n\nArtikel 6\n\n1. Voor speciale natuurbeschermingsgebieden stellen de lidstaten de noodzakelijke beschermingsmaatregelen vast, die, indien nodig, passende beheersplannen omvatten die specifiek voor de locaties zijn ontworpen of geïntegreerd in andere ontwikkelingsplannen, en passende wettelijke, administratieve of contractuele maatregelen die overeenkomen met de ecologische vereisten van de natuurlijke habitattypen in Bijlage I en de soorten in Bijlage II die op de locaties aanwezig zijn.\n\n2. Lidstaten zullen passende maatregelen nemen om in de bijzondere beschermingsgebieden de achteruitgang van natuurlijke habitats en die van soorten, evenals verstoring van de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, te voorkomen, voor zover deze verstoring significant kan zijn in relatie tot de doelstellingen van deze richtlijn.\n\n3. Elk plan of project dat niet direct verbonden is met of noodzakelijk is voor het beheer van de locatie, maar waarschijnlijk een significante invloed daarop zal hebben, hetzij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, wordt onderworpen aan een passende beoordeling van de implicaties voor de locatie in het licht van de natuurbeschermingsdoelstellingen van de locatie. In het licht van de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor de locatie en onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 4, zullen de bevoegde nationale autoriteiten pas instemmen met het plan of project nadat zij hebben vastgesteld dat het de integriteit van de betreffende locatie niet nadelig zal beïnvloeden en, indien van toepassing, nadat zij de mening van het algemene publiek hebben verkregen.\n\nArtikel 7\n\nVerplichtingen voortvloeiend uit artikel 6, lid 2, lid 3 en 4 van deze richtlijn vervangen alle verplichtingen die voortvloeien uit de eerste zin van artikel 4 (4) van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG met betrekking tot gebieden die zijn geclassificeerd krachtens artikel 4 (1) of op vergelijkbare wijze erkend onder artikel 4 (2) daarvan, vanaf de datum van uitvoering van deze richtlijn of de datum van classificatie of erkenning door een lidstaat op grond van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG, waarbij de laatste datum later is.\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:2\n\n2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.\n\nArtikel 4:5\n\n1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:\n\nc. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,\n\nmits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.\n\nArtikel 8:72\n\n1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.\n\n2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.\n\n3. De bestuursrechter kan bepalen dat:\n\na. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of\n\nb. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.\n\n4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:\n\na. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;\n\nb. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.\n\nArtikel 8:75\n\n1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\ne. een Natura 2000-activiteit.\n\nAanvullingswet natuur Omgevingswet\n\nArtikel 2.9\n\n1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:\n\na. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is.\n\nWet Natuurbescherming\n\nArtikel 2.7\n\n2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.\n\nArtikel 9.4\n\n8. Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.\n\nNatuurbeschermingswet 1998\n\nArtikel 19d\n\n1. Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.\n\nBesluit activiteiten leefomgeving\n\nArtikel 11.4\n\n1. Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:\n\na. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.\n\nArtikel 11.9\n\n3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.\n\nOmgevingsbesluit\n\nArtikel 4.12\n\n1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:\n\na. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang.\n\nStcrt.2021, 7270.\n\n Dit betreft de volgende stukken: Vergunningaanvraag Wnb\u002FPassende beoordeling, d.d. 25 oktober 2023; Stikstofdepositie RTHA, achtergrondrapport bij de passende beoordeling, d.d. 16 oktober 2023; Actualisatie passende beoordeling RTHA onderdeel stikstof, d.d. 16 oktober 2023; Natuurtoets aanpassing gebruik RTHA gebiedenbescherming, d.d. 5 oktober 2023; Beschermde soorten rond RTHA en aspecten van vliegveiligheid, d.d. 24 oktober 2023; Projectberekening PDF Aerius Calculator, d.d. 13 oktober 2023.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, waaruit volgens eisers volgt dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 3.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 5.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie onder meer de door eisers aangehaalde uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, r.o. 5.1.\n\n Deze verplichting is opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Dit bleek onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 16.2.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.1\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Richtlijn 2009\u002F147\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\nStcrt.1964, 225 en 232.\n\nStcrt.2000, 62.\n\nStcrt.2001, 209.\n\nStcrt.2004, 149.\n\nStcrt.2010, 16205.\n\n Dit zijn achtereenvolgens de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1147 en de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998.\n\n Dit betreft artikel 2.4, vijfde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. In deze bepaling is het volgende opgenomen: Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 9.4, achtste of negende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn. De paragrafen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33 348, nr. 3, p. 290\n\n Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.4 door de Rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601, r.o. 5.9.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR0564.\n\n Dit betreft het rapport: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13631, r.o. 8.2.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 34.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 44-45.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 31.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 32.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 33.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 41.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 51.\n\n Volledig: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008, p. 7-8.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622 en van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864.\n\n Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.1.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5, waarin de Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 17 en 17.5.\n\n Arrest van het hof van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882, r.o. 86.\n\n Arrest van het hof van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, r.o. 35. Zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.1.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 25 oktober 2023, p. 4.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449 en van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1959.\n\n Blijkens de nota van toelichting heeft het bevoegd gezag ervoor gekozen om alternatief 4c uit het milieueffectrapport als basis te nemen voor het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 22.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8 in samenhang met bijlage 3.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556, r.o. 6.6.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:133, r.o. 36. Ondanks het gegeven dat in het betreffende arrest een ‘project’ als bedoeld in de richtlijn 85\u002F337\u002FEEC centraal stond, is dit arrest van toepassing op onderhavige aanvraag. Zie daarvoor rechtsoverweging 65 van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1246, r.o. 9.1.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","ecli-nl-rbgel-2026-2962",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]