[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-4470":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-4470":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"727","ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7178, 24\u002F7184, 24\u002F7185, 24\u002F7186, 24\u002F7188 en 24\u002F7191\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juni 2024, 12 juni 2024, 13 juni 2024 en 18 juni 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2020 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd en gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) van:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\nNavordering\n\n€ 770.064\n\n€ 197.458\n\n€ 46.665\n\n2016\n\nNavordering\n\n€ 680.892\n\n€ 243.516\n\n€ 38.575\n\n2017\n\nNavordering\n\n€ 750.950\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 31.572\n\n2018\n\nNavordering\n\n€ 1.531.079\n\n€ 131.213\n\n€ 99.212\n\n2019\n\nAanslag\n\n€ 677.237\n\n€ 175.654\n\n€ 13.260\n\n2020\n\nAanslag\n\n€ 2.887.547\n\n€ 161.682\n\n€ 60.395\n\nVoor de jaren 2018 en 2019 heeft de inspecteur naar aanleiding van het Kerstarrest het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 117.882 (2018) en € 157.393 (2019) en de belastingrente verminderd tot € 98.518 (2018) en € 12.512 (2019).\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen uitsluitend voor wat betreft het belastbaar inkomen box 1 en de belastingrente als volgt verminderd:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\n€ 698.739\n\n€ 197.458\n\n€ 38.755\n\n2016\n\n€ 616.856\n\n€ 243.516\n\n€ 31.788\n\n2017\n\n€ 685.316\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 25.659\n\n2018\n\n€ 1.373.230\n\n€ 117.882\n\n€ 84.302\n\n2019\n\n€ 674.004\n\n€ 157.393\n\n€ 12.284\n\n2020\n\n€ 2.675.488\n\n€ 161.682\n\n€ 54.942\n\nDe rechtbank heeft de beroepen als volgt geregistreerd:\n\nJaar\n\nZaaknummer\n\n2015\n\n24\u002F7178\n\n2016\n\n24\u002F7184\n\n2017\n\n24\u002F7185\n\n2018\n\n24\u002F7186\n\n2019\n\n24\u002F7188\n\n2020\n\n24\u002F7191\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Belanghebbende en zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen verzocht schriftelijke inlichtingen te geven. Partijen hebben daarop gereageerd. Bij bericht van 17 april 2026 heeft de rechtbank partijen ervan in kennis gesteld dat zij voldoende geïnformeerd is en het onderzoek wil sluiten zonder nadere zitting, tenzij partijen binnen twee weken kenbaar maken een nadere zitting te willen. Omdat geen reactie is ontvangen, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 mei 2026 gesloten.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren in 1967 en onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.\n\n2. Belanghebbende bezit sinds 23 december 2005 alle aandelen in [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n3. [naam bedrijf 1] bezit sinds 1 januari 2006 alle aandelen in [naam bedrijf 2] B.V. ([naam bedrijf 2]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n4. Belanghebbende is sinds 4 juli 2014 enig bestuurder van de [naam stichting] (de stichting). De stichting heeft een Raad van Toezicht (RvT) bestaande uit ten minste één en ten hoogste drie leden. De stichting is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.\n\n5. Belanghebbende is eigenaar van een villa-complex met 7 appartementen (de villa’s) met gezamenlijk zwembad aan de [locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers) te [plaats 2].\n\n6. Belanghebbende is eigenaar van een woon-zorgcomplex (het woon-zorgcomplex) te [plaats 2] genaamd ‘[naam]’, bestaande uit een hoofdgebouw ([locatie] [huisnummer]) en 48 appartementen ([locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers)).\n\n7. Op 4 juli 2014 heeft belanghebbende een recht van erfpacht uitgegeven op het woon-zorgcomplex ten behoeve van de stichting. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.500.000. Daarvan is € 2.000.000 door de stichting betaald. De overige € 5.500.000 werd schuldig gebleven. Jaarlijks werd over dit bedrag aan belanghebbende rente vergoed. De rente bedroeg per jaar:\n\n2015\n\n€ 267.254\n\n2016\n\n€ 247.187\n\n2017\n\n€ 219.948\n\n2018\n\n€ 205.307\n\nBelanghebbende gaf ook het recht op gebruik van de grond uit aan de stichting. De overeengekomen erfpachtcanon bedroeg € 42.000 per jaar. De waarde van de blote eigendom van de grond is getaxeerd op € 1.400.000.\n\n8. Op 7 december 2018 heeft de stichting het recht van erfpacht verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.216.900. Daarvan is € 2.216.900 door [naam bedrijf 1] betaald. De overige € 5.000.000 werd schuldig gebleven. Belanghebbende heeft tegelijkertijd de juridische gerechtigdheid tot het woon-zorgcomplex verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 1.633.100 en is volledig schuldig gebleven.\n\n9. [naam bedrijf 1] heeft het woon-zorgcomplex vervolgens aan de stichting verhuurd. De stichting zette zich in voor persoonlijke zorg- en dienstverlening aan de bewoners van het woon-zorgcomplex.\n\n10. De stichting verhuurde de appartementen in het woon-zorgcomplex aan bewoners. De huurovereenkomst werd aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigde door opzegging of na overlijden van de bewoner of als de bewoner de overeenkomst tot persoonlijke verzorging had opgezegd of die overeenkomst om een andere reden werd beëindigd. Bewoners sloten tevens een overeenkomst tot serviceverlening met [naam bedrijf 2] voor de afname van hotelmatige diensten.\n\n11. Belanghebbende verhuurde de villa’s aan bewoners. In de jaren 2015 tot en met 2020 bedroeg de huuropbrengst:\n\n2015\n\n€ 244.140\n\n2016\n\n€ 203.460\n\n2017\n\n€ 244.020\n\n2018\n\n€ 244.020\n\n2019\n\n€ 282.360\n\n2020\n\n€ 142.020\n\n12. Het zwembad verhuurde belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2017 aan de stichting. In 2018 en 2019 is het zwembad verhuurd aan [naam bedrijf 2]. De jaarlijkse huuropbrengst bedroeg € 40.980. In 2020 is er geen huuropbrengst geweest.\n\n13. In 2020 heeft belanghebbende de villa’s en het zwembad verkocht aan een Frans bedrijf dat actief is op het gebied van gezondheidszorg en huisvesting voor bejaarden. [naam bedrijf 1] heeft tegelijkertijd ook het woon-zorgcomplex verkocht aan het Franse bedrijf. De verkoopprijs voor al het onroerend goed samen bedroeg € 15.180.000. Daarvan is € 5.624.534 toerekenbaar aan de villa’s en het zwembad.\n\n14. De historische verkrijgingsprijs van de villa’s bedroeg in totaal € 2.932.920.\n\n15. Belanghebbende rekende de villa’s en het hoofdgebouw van het woon-zorgcomplex jaarlijks tot zijn grondslag sparen en beleggen. In zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2020 heeft belanghebbende daarvoor het volgende aangegeven:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 270.300\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 369.750\n\n€ 371.450\n\n€ 383.350\n\n€ 395.250\n\n€ 425.850\n\n€ 476.000\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n-\n\nTotaal\n\n€ 2.520.250\n\n€ 2.530.450\n\n€ 2.584.850\n\n€ 2.630.750\n\n€ 3.081.250\n\n€ 2.495.600\n\n16. De op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV verschuldigde belasting bedroeg:\n\n2015\n\n€ 233.047\n\n2016\n\n€ 230.173\n\n2017\n\n€ 245.435\n\n2018\n\n€ 255.201\n\n2019\n\n€ 290.537\n\n2020\n\n€ 277.107\n\n17. De inspecteur is een boekenonderzoek gestart naar aanleiding van de aangifte\n\nvennootschapsbelasting 2018 van [naam bedrijf 1]. Van dit boekenonderzoek is geen rapport opgemaakt.\n\n18. De gegevens die bij het boekenonderzoek bekend zijn geworden, vormden voor de inspecteur aanleiding om navorderingsaanslagen IB\u002FPVV aan belanghebbende op te leggen voor de jaren 2015 tot en met 2018 en om voor de jaren 2019 en 2020 bij het opleggen van de aanslagen IB\u002FPVV af te wijken van de aangiften. De inspecteur heeft daarbij de volgende correcties aangebracht in het belastbaar inkomen:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nCorrectie box 1\n\n+ € 594.374\n\n+ € 533.627\n\n+ € 546.948\n\n+ €1.315.407\n\n+ € 287.772\n\n+ €2.493.599\n\nCorrectie box 2\n\n+ € 51.309\n\nCorrectie box 3\n\n-\u002F- € 300.810\n\n-\u002F- € 294.019\n\n-\u002F- € 383.328\n\n-\u002F- € 370.484\n\n-\u002F- € 172.242\n\n-\u002F- € 127.079\n\n19. De correcties in box 1 zijn als volgt te specificeren:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.691.615\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 35.568\n\n-\u002F- € 340.036\n\nTotaal\n\n€ 594.374\n\n€ 533.627\n\n€ 546.948\n\n€1.315.407\n\n€ 287.772\n\n€ 2.493.599\n\n20. De grondslag box 3 heeft de inspecteur naar aanleiding van de correcties in box 1 met de volgende bedragen verlaagd:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nOverige vorderingen en contant geld\n\n€5.000.000\n\n €4.820.000\n\n€4.525.000\n\n€4.250.000\n\n-\n\n-\n\nOverige onroerende zaken\n\n€2.520.250\n\n €2.530.450\n\n€2.586.850\n\n€2.630.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\nTotaal\n\n€7.520.250\n\n €7.350.450\n\n€7.111.850\n\n€6.880.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\n21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de correcties van de inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de correcties in box 1 als volgt aangepast:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.450.640\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 71.325\n\n-\u002F- € 64.036\n\n-\u002F- € 65.634\n\n-\u002F- € 157.849\n\n-\u002F- € 38.801\n\n-\u002F- € 311.120\n\nTotaal\n\n€ 523.049\n\n€ 469.591\n\n€ 481.314\n\n€1.157.558\n\n€ 284.539\n\n€ 2.281.540\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n22. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 en de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n24. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n25. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor alle in geschil zijnde jaren de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Volgens de inspecteur is sprake van inhoudelijke gebreken in de aangiften die ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De inspecteur voert primair aan dat sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en dat belanghebbende daarom een aantal inkomensbestanddelen in box 1 had moeten aangeven in plaats van in box 3. Volgens de inspecteur wist belanghebbende dit of had hij zich ervan bewust moeten zijn. De inspecteur heeft zijn standpunt onderbouwd met de volgende berekening met betrekking tot de verschuldigde belasting:\n\n26. Subsidiair voert de inspecteur aan dat, ook als wordt aangenomen dat geen sprake is van een samenwerkingsverband, de aangiften IB\u002FPVV 2015 tot en met 2019 de volgende inhoudelijke gebreken vertonen:\n\n2015 tot en met 2018: De hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] is voor € 550.000 te weinig aangegeven in box 3.\n\n2015 tot en met 2017: De waarde van het zwembad is niet in box 3 aangegeven en bedraagt volgens de inspecteur € 700.000.\n\n2018 en 2019: De huuropbrengst van het zwembad (€ 40.980) is niet in box 1 aangegeven.\n\nHet verschil tussen de verschuldigde belasting op grond van de aangiften en de werkelijk verschuldigde belasting heeft de inspecteur voor dat geval als volgt berekend:\n\n2015: € 15.000 absoluut en 11,60% relatief\n\n2016: € 15.000 absoluut en 10,07% relatief\n\n2017: € 20.212 absoluut en 12,32% relatief\n\n2018: € 22.851 absoluut en 12,56% relatief\n\n2019: € 21.207 absoluut en 14,42% relatief\n\n27. Belanghebbende is van mening dat er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat sprake is van een pleitbaar standpunt ten aanzien van de vraag of er een samenwerkingsverband is. De correcties op grond van het subsidiaire standpunt van de inspecteur zijn volgens belanghebbende ten dele juist, maar leiden niet tot een relatief aanzienlijk bedrag aan te weinig betaalde belasting.\n\n28. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd (absoluut) en verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.Ten slotte geldt dat als sprake is van een rechtens pleitbaar standpunt, er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n29. De rechtbank moet per belastingjaar beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Omdat belanghebbende voor al de in geschil zijnde belastingjaren aangiften IB\u002FPVV heeft ingediend, moet worden beoordeeld of sprake is van ‘inhoudelijke gebreken’, zoals hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat dit het geval is. Als de rechtbank de inspecteur al zou volgen in zijn primaire standpunt dat sprake is van een samenwerkingsverband, dan kan dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat belanghebbende bij zijn aangiften voor de jaren 2015 tot en met 2020 ervan is uitgegaan dat geen samenwerkingsverband aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank een pleitbaar standpunt. Het kon namelijk gebaseerd worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, waarvan hij - naar objectieve maatstaven gemeten - redelijkerwijs kon en mocht menen dat die uitleg en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren.\n\n30. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de inspecteur staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3. Verder staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2017 de waarde van het zwembad onterecht niet in box 3 heeft aangegeven en voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 heeft aangegeven. Deze inhoudelijke gebreken in de aangiften leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekeningen is uitgegaan van veel lagere belastingbedragen (zie 25. de kolom ‘Aangifte’) dan die op grond van de ingediende aangiften verschuldigd zijn (zie 16.). Bovendien verschillen partijen van mening over de waarde van het zwembad en staat de € 700.000 waarvan de inspecteur in zijn berekening is uitgegaan dus ter discussie. Als wordt uitgegaan van de juiste belastingbedragen die op grond van de aangiften verschuldigd zijn en voor het overige de uitgangspunten van de inspecteur zouden worden gevolgd (zie 26.), is de werkelijk verschuldigde belasting voor de jaren 2015 tot en met 2019 tussen de 6,43% en 8,95% lager.De rechtbank acht dit niet relatief aanzienlijk.\n\n31. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor geen enkel belastingjaar aanleiding is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. Dat betekent dat de rechtbank de normale bewijslastverdeling zal hanteren.\n\nIs er een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001?\n\n32. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is van een samenwerkingsverband. Volgens belanghebbende is daarvoor nodig dat het samenwerkingsverband in civiel juridische zin kwalificeert als een bijzondere overeenkomst die aan alle kenmerken voldoet van een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ondernemingen moeten worden gedreven voor rekening en risico van een fiscaal transparant samenwerkingsverband en dat is niet het geval volgens belanghebbende.\n\n33. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stichting, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] een samenwerkingsverband vormen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. De inspecteur is van mening dat niet enkel juridische feiten doorslaggevend zijn, maar ook of en in hoeverre sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen partijen. Volgens de inspecteur gaat het hier om partijen die niet onafhankelijk van elkaar handelden, maar een hecht samenwerkingsverband hebben gerealiseerd, waarbij ze gebruikmaakten van elkaars diensten. Belanghebbende stelt vermogensbestanddelen ter beschikking aan dat samenwerkingsverband. Die vermogensbestanddelen behoren daarom tot box 1 en niet tot box 3. Voor zover is vereist dat sprake is van een in het BW geregelde vorm van samenwerking, stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband kwalificeert als een stille maatschap. Aanwijzingen daarvoor ziet de inspecteur onder meer in het feit dat in een due diligence rapport staat vermeld dat partijen gezamenlijk een onderneming drijven en dat in een concentratiebesluit partijen gezamenlijk worden aangemerkt als [naam onderneming]. Partijen waren afhankelijk van elkaars activiteiten, zodat een totaalpakket kon worden geleverd van wonen, zorg en dienstverlening. Er was sprake van feitelijke samenwerking in het kader van de beroepsuitoefening.\n\n34. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 volgt dat aan de keuze van de wetgever voor een regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen twee uitgangspunten ten grondslag liggen, namelijk a) de parallel te versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de rechtsvorm van de BV en b) te voorkomen dat al te gemakkelijk relatief hoog belast winstinkomen wordt getransformeerd in lager belast inkomen in box 3.\n\n35. In de wet en de wetsgeschiedenis ontbreekt een duidelijke definitie van het begrip ‘samenwerkingsverband’. Wel is duidelijk dat hieronder in elk geval moeten worden begrepen de in boek 7A van het BW en de in het Wetboek van Koophandel geregelde samenwerkingsverbanden, zoals de maatschap en de vennootschap onder firma. De rechtbank leidt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2013 af dat de uitleg van het begrip ‘samenwerkingsverband’ moet worden beperkt tot fiscaal transparante lichamen.De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of sprake is van een samenwerkingsverband dat wordt gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam. Op de inspecteur rust de bewijslast dat hiervan sprake is.\n\n36. Artikel 7A:1655 BW definieert de maatschap als “ene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.” Deze definitie bevat vijf elementen: 1) overeenkomst 2) samenwerking op basis van gelijkheid\u002Fgelijkwaardigheid 3) verdeling van voordeel 4) inbreng 5) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan al deze elementen. Als al wordt aangenomen dat partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden om op basis van gelijkwaardigheid in maatschapsverband samen te werken, dan ontbreekt een onderbouwing door middel van documenten of cijfers waaruit valt af te leiden dat partijen gericht waren op gezamenlijk voordeel, wat dit gezamenlijke voordeel was en hoe dit vervolgens onderling werd verdeeld. Weliswaar is het al dan niet bestaan van een winstverdelingsregeling niet vereist en zou voldoende zijn dat partijen gezamenlijk gerechtigd waren tot (een deel van) de winst, maar ook dat is niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur. De enkele stelling dat de samenwerking tussen partijen was gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, is hiervoor onvoldoende.\n\n37. Gelet op wat in 34. tot en met 36 is overwogen concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001. Dat betekent dat de door de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen aangebrachte en op dit standpunt gebaseerde correcties onterecht zijn. Met betrekking tot het jaar 2020 leidt dit ertoe dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat het beroep gegrond is. Of ook voor de (navorderings)aanslagen 2015 tot en met 2019 geldt dat deze te hoog zijn vastgesteld zal de rechtbank in het navolgende beoordelen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen te hoog, gelet op het subsidiaire standpunt inspecteur?\n\n38. De inspecteur heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat er alsnog correcties mochten plaatsvinden voor de jaren 2015 tot en met 2019. De inspecteur heeft met betrekking tot zijn subsidiaire standpunt een beroep gedaan op interne compensatie.\n\n39. Het leerstuk van de interne compensatie houdt in dat, in het geval dat een beroep geheel of gedeeltelijk gegrond is, de inspecteur andere elementen van de aanslag aan de orde mag stellen en het standpunt mag innemen dat de aanslag toch niet te hoog is vastgesteld gelet op die andere elementen. Aan het toepassen van interne compensatie zijn enkele beperkingen gesteld. Zo mag geen hoger bedrag worden gevorderd dan het oorspronkelijke bedrag van de aanslag, aangezien belanghebbende door het instellen van beroep niet in een slechtere positie mag komen. Daarnaast kan interne compensatie worden beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zaak ziet de rechtbank geen beperkingen voor toepassing van interne compensatie.\n\n40. Niet meer in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond van [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3 en dat voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 is aangegeven. Partijen verschillen alleen nog van mening over de waarde van het zwembad in de jaren 2015 tot en met 2017. De inspecteur is van mening dat de waarde € 700.000 bedraagt en onderbouwt dit door de bij de verkoop in 2020 gerealiseerde verkoopprijs van € 5,6 miljoen (zie 13.) voor de 7 villa’s inclusief het zwembad te delen door 8. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. Dit zou namelijk betekenen dat het zwembad evenveel waarde vertegenwoordigt als een villa en dat acht de rechtbank onaannemelijk. Bovendien strookt dit niet met de aanschafwaarde die de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft becijferd. Die heeft de inspecteur berekend op € 190.974 (5 x € 38.194,68) aanschafwaarde + € 50.000 ontwikkelkosten = € 240.974. Belanghebbende heeft de waarde van het zwembad geschat op 5 maal de jaarhuur van € 40.980 = € 204.900. Dat ligt in de buurt van de door de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar verdedigde waarde. De rechtbank zal daarom uitgaan van de hoogste van deze twee waardes, dus € 240.974. De rechtbank zal per jaar uitwerken wat de gevolgen zijn.\n\n2015\n\n41. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 12.681.454\n\n€ 13.472.428\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 42.660\n\n€ 42.660\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 12.638.794\n\n€ 13.429.768\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 182.083\n\n€ 182.083\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 12.456.711\n\n€ 13.247.685\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 13.247.685 * 4% = € 529.907.\n\n42. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\nROW\n\n € 0\n\n€ 594.374\n\n€ 523.049\n\n€ 0\n\nEigen woning\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\nInkomen box 1\n\n€ 175.690\n\n€ 770.064\n\n€ 698.739\n\n€ 175.690\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 498.268\n\n€ 197.458\n\n€ 197.458\n\n€ 529.907\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 673.958\n\n€ 967.522\n\n€ 896.197\n\n€ 705.597\n\n43. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2015 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2016\n\n44. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 14.041.795\n\n€ 14.832.769\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 320.976\n\n€ 320.976\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 48.874\n\n€ 48.874\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 13.671.945\n\n€ 14.462.919\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 233.578\n\n€ 233.578\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 13.438.367\n\n€ 14.229.341\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 14.229.341 * 4% = € 569.174.\n\n45. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\nROW\n\n€ 11.484\n\n€ 545.111\n\n€ 481.075\n\n€ 11.484\n\nEigen woning\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\nInkomen box 1\n\n€ 147.264\n\n€ 680.892\n\n€ 616.856\n\n€ 147.265\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 537.534\n\n€ 243.516\n\n€ 243.516\n\n€ 569.174\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 684.799\n\n€ 924.408\n\n€ 860.372\n\n€ 716.439\n\n46. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2016 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2017\n\n47. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 11.094.411\n\n€ 11.885.385\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 50.000\n\n€ 50.000\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.044.411\n\n€ 11.835.385\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.804.105\n\n€ 1.804.105\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.240.306\n\n€ 10.031.280\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan (€ 239.250 * 1,63%) + (€ 9.792.030 * 5,39%) = € 531.690.\n\n48. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\nROW\n\n€ 65.417\n\n€ 612.365\n\n€ 546.731\n\n€ 65.417\n\nEigen woning\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\nInkomen box 1\n\n€ 204.002\n\n€ 750.950\n\n€ 685.316\n\n€ 204.002\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\nInkomen box 3\n\n€ 489.054\n\n€ 105.726\n\n€ 105.726\n\n€ 531.690\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 693.056\n\n€ 907.985\n\n€ 842.351\n\n€ 787.001\n\n49. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2017 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2018\n\n50. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 958.137\n\n€ 958.137\n\nOverige bezittingen\n\n€ 10.830.319\n\n€ 11.380.319\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 339.711\n\n€ 339.711\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.448.745\n\n€ 11.998.745\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.000\n\n€ 60.000\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 11.388.745\n\n€ 11.938.745\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.846.991\n\n€ 1.846.991\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.541.754\n\n€ 10.091.754\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,12% * € 958.137) + (€ 11.380.319 * 5,38%) -\u002F- (€ 339.711 * 3,20%)) ÷ € 11.998.745 = 5,02%. 5,02% * € 10.091.754 = € 506.777.\n\n51. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\nROW\n\n€ 92.210\n\n€ 1.407.617\n\n€ 1.249.768\n\n€ 128.272\n\nEigen woning\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\nInkomen box 1\n\n€ 215.672\n\n€ 1.531.079\n\n€ 1.373.230\n\n€ 251.734\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 501.397\n\n€ 117.882\n\n€ 117.882\n\n€ 506.777\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 717.069\n\n€ 1.648.961\n\n€ 1.491.112\n\n€ 758.511\n\n52. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2018 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2019\n\n53. Voor box 3 geldt dat er geen aanleiding is de rendementsgrondslag te verhogen ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 743.383\n\n€ 743.383\n\nOverige bezittingen\n\n€ 6.765.861\n\n€ 6.765.861\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 7.509.244\n\n€ 7.509.244\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.720\n\n€ 60.720\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 7.448.524\n\n€ 7.448.524\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 989.736\n\n€ 989.736\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 6.458.788\n\n€ 6.458.788\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,08% * € 743.383) + (5,59% * € 6.765.861)) ÷ € 7.509.244 = 5,045%. 5,045% * € 6.458.788 = € 325.846.\n\n54. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\nROW\n\n€ 286.291\n\n€ 574.063\n\n€ 570.830\n\n€ 322.353\n\nEigen woning\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\nInkomen box 1\n\n€ 389.465\n\n€ 677.237\n\n€ 674.004\n\n€ 425.527\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 347.896\n\n€ 157.393\n\n€ 157.393\n\n€ 325.846\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 737.361\n\n€ 834.630\n\n€ 831.397\n\n€ 751.373\n\n55. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de aanslag IB\u002FPVV 2019 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2019 gegrond is. De rechtbank zal de aanslag IB\u002FPVV 2019 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n56. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n57. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n58. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht (€ 51) aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.503 en is als volgt berekend: 2,5 punten voor de beroepsfase (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, schriftelijke inlichtingen 0,5 punt) met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 omdat het meer dan 4 zaken betreft. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend, omdat alleen om kostenvergoeding is gevraagd met betrekking tot het jaar 2020 en daarvoor in bezwaar al een kostenvergoeding is toegekend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 (24\u002F7178) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.690 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 529.907 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 (24\u002F7184) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.265 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 569.174 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 (24\u002F7185) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 204.002, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 51.309 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 531.690 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 (24\u002F7186) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 251.734 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 506.777 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2019 (24\u002F7188) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 425.527 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 325.846 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2020 (24\u002F7191) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 393.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 293.501 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.503 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet inkomstenbelasting 2001\n\nArtikel 3.92. Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden\n\n1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:\n\na. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11;\n\nb. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt.\n\n2. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:\n\na. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:\n\n1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n2°. het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering of het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;\n\n3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband;\n\n4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;\n\n5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\nb. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c;\n\nc. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel;\n\nd. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;\n\ne. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap;\n\nf. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand;\n\ng. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.\n\n3. Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.\n\n4. Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte gemeenschap van goederen.\n\n Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.\n\n Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.\n\n Vgl. Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, rechtsoverweging 3.4.5.\n\n 2015: € 15.000\u002F€ 233.047 = 6,43%\n\n2016: € 15.000\u002F€ 230.173 = 6,52%\n\n2017: € 20.212\u002F€ 245.435 = 8,24%\n\n2018: € 22.851\u002F€ 255.201 = 8,95%\n\n2019: € 21.207\u002F€ 290.537 = 7,3%\n\nKamerstukken II1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 136 enKamerstukken I1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43-44 en nr. 202c, p. 18.\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4034, r.o. 3.3.2. en 3.3.3.\n\n Zie Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.9.2.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","ecli-nl-rbgel-2026-4470",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]